Technische Universiteit Delft

Waarom wordt een astronaut misselijk?

Door astronauten langdurig te 'centrifugeren', kreeg drs. Suzanne Nooij meer inzicht in het ontstaan van 'ruimteziekte', de misselijkheid en desoriëntatie waar veel astronauten mee te kampen hebben. Nooij promoveert op dinsdag 20 mei op dit onderwerp aan de TU Delft.

De zwaartekracht is zeer belangrijk voor onze ruimtelijke oriëntatie. Veranderingen in het zwaartekrachtsniveau, zoals de overgang naar gewichtsloosheid tijdens een ruimtevlucht, beïnvloeden onze ruimtelijke oriëntatie en vragen om aanpassingen in veel fysiologische processen waarin het evenwichtssysteem een rol speelt. Zolang deze aanpassing niet compleet is, kan dit gepaard gaan met bewegingsziekte (misselijkheid), visuele illusies en desoriëntatie. Deze 'ruimteziekte' of Space Adaptation Syndrome (SAS), wordt ervaren door ongeveer de helft van alle astronauten tijdens de eerste dagen van hun ruimtevlucht. Ook Wubbo Ockels, die in 1986 de eerste Nederlander in de ruimte werd, ondervond deze verschijnselen. Ockels is als hoogleraar aan de TU Delft de promotor bij het onderzoek van Suzanne Nooij.

Centrifuge
Interessant genoeg kunnen de SAS-symptomen ook worden ervaren na langdurige blootstelling aan een hoger zwaartekrachtsniveau in een personencentrifuge, zoals die bijvoorbeeld gebruikt wordt voor het testen en trainen van straaljagerpiloten. Personen moeten dan wel langer dan een uur op een niveau van drie keer de aardse zwaartekracht in zo'n centrifuge verblijven. Het centrifugeren zelf is niet vervelend, maar eenmaal weer uit de centrifuge ervaart ongeveer de helft van de proefpersonen symptomen van ruimteziekte. En het blijkt dat astronauten die last hebben van ruimteziekte tijdens hun vlucht, ook degenen zijn die last hebben van deze symptomen na langdurig centrifugeren op aarde. Dit betekent dat deze symptomen niet veroorzaakt worden door de gewichtsloosheid op zich, maar meer in het algemeen door de aanpassing aan een ander zwaartekrachtsniveau. Suzanne Nooij heeft deze effecten nader bestudeerd met de centrifuge van het Centrum voor Mens en Luchtvaart in Soesterberg. Haar resultaten bevestigen de theorie dat de beide soorten misselijkheid (ruimte en na centrifugeren) worden veroorzaakt door hetzelfde mechanisme en geven bovendien meer inzicht in waarom de symptomen ontstaan.

Otolieten
Nooij richtte zich daarbij uiteraard op het evenwichtsorgaan. Dit zit in het binnenoor en bestaat uit halfcirkelvormige kanalen, gevoelig voor rotatie, en de zogenoemde otolieten, gevoelig voor lineaire versnellingen. Eerder is gesuggereerd dat een verschil in de werking van de linker- en rechterotoliet bijdraagt aan de ziektegevoeligheid bij astronauten. Dit zou dus ook moeten gelden na langdurig centriguren. Nooij testte deze otoliet-asymmetrie hypothese. Bij vijftien proefpersonen, bij wie de gevoeligheid voor ruimteziekte al eerder was bepaald, werd de eenzijdige otolietfunctie gemeten, alsmede de functie van de halfcirkelvormige kanalen. De personen die last hadden van ruimteziekte na het centrifugeren, bleken een grote otoliet-asymmetrie te hebben en een grotere gevoeligheid van zowel het otoliet- als het kanaalsysteem. De personen konden niet ingedeeld worden als gevoelig of niet-gevoelig op basis van deze asymmetrie alleen, maar wel op basis van een combinatie van verschillende otoliet- en kanaaleigenschappen. Dit laat zien dat het hele evenwichtsorgaan betrokken is bij ruimteziekte en dat het vermoedelijk gaat om de complexe interacties tussen de verschillende delen van het evenwichtsorgaan.