Vrijheid van meningsuiting in de digitale eeuw


Overwegingen na XLS rol in Nekschot affaire

ROTTERDAM, 20080721 -- Ongeveer vier weken geleden werden wij gebeld door de heer Joep Dohmen, redacteur voor het NRC Handelsblad. Hij was bezig aan een artikel over de affaire rond de cartoonist Gregorius Nekschot. De heer Dohmen nam contact met ons op omdat wij de registrar zijn van het domein gregoriusnekschot.nl.

Ondanks het feit dat wij uiteraard geen informatie over het account konden geven hebben wij een interessante discussie met hem gehad. Hij vroeg ons waarom wij de dienstverlening van een klant die dergelijke extreme uitingen had gedaan niet zouden stopzetten. Om eerlijk te zijn hadden wij hier niet eens over gedacht.

Er was dan ook geen jurisiche dwang om de site buiten gebruik te stellen. Volgens de nu bestaande jurisprudentie zijn er twee situaties waarbij een Internet Service Provider verplicht is materiaal te verwijderen: Als het materiaal van de rechter verwijderd moet worden of als er een klacht binnenkomt en de informatie op de desbetreffende website 'onmiskenbaar onrechtmatig' is. Beide situaties zijn op de Nekschot-website niet van toepassing.

Rest de vraag of wij de dienstverlening niet stop moeten zetten vanwege het maatschappelijk belang. Veel providers zullen na een serieuze klacht inderdaad een website van het internet halen, in ieder geval totdat het betwiste materiaal verwijderd is.

Wij vinden echter dat een provider de plicht heeft, om na een klacht over de 'belediging van groepen' het betwiste materiaal te laten staan totdat er door een rechter instructies voor verwijdering zijn gegeven.

Er zijn verschillende redenen voor deze sterke mening. In de eerste plaats is het niet aan de provider om te bepalen welke content van het internet geweerd moet worden. Zeker als haar beslissingen gebaseerd kunnen zijn op ongefundeerde klachten.

Deze rol van scheidsrechter zou steeds belangrijker worden naarmate de nu al enorme hoeveelheid materiaal op het internet verder toeneemt. Er zijn op dit moment ongeveer 3 miljoen geregistreerde .nl domeinen, met ruwweg 1,2 miljoen actieve websites. Wereldwijd zijn er ongeveer 70 miljoen actieve websites, gestegen van 53 miljoen een jaar geleden, zonder alle Hyves en Facebook-achtige pagina's mee te rekenen.

Een andere belangrijke reden waarom providers een systeem van zelfregulering op basis van klachten moeten vermijden, is dat de huidige wetgeving en jurisprudentie enorm onduidelijk zijn. De wet kan namelijk vrij strikt geïnterpreteerd worden, maar wordt zowel op het internet als in de rest van de 'openbare ruimte' niet op die manier gehandhaafd. Het is dus waarschijnlijk dat de provider meer materiaal gaat verwijderen dan maatschappelijk wenselijk is.

Op het internet blijkt hoe beperkt beperkt de handhaving van de huidige wetgeving op dit moment is. De meeste websites zijn natuurlijk niet controversieel maar toch zijn veel uitingen voor wat betreft de anti-discriminatie wetgeving twijfelachtig. Bezoek maar eens een paar Nederlandse fora waar gepassioneerde discussies tussen verschillende groepen jongeren plaatsvinden.

Slechts zeer weinig extreme uitingen op het internet wordt daadwerkelijk vervolgd. Justitie lijkt zich te willen concentreren op een klein aantal zaken waarbij er een in haar ogen zware overtreding is begaan. De paar vervolgingen die wel worden doorgezet lopen in de regel op niets uit, omdat de rechter de belangen van de maatschappelijke discussie zwaarder vindt wegen. Dit laatste zou ook de waarschijnlijke uitkomst zijn van een eventueel proces tegen Nekschot.

In de rest van dit artikel zetten wij onze mening over de impotentie van de huidige anti-discriminatie-wetgeving uiteen, en bieden we een werkbaar alternatief voor het digitale tijdperk.

Uiting in de digitale praktijk

Ondanks de overdaad aan artikelen tegen smaad, bedreiging, beledinging, majesteitsschennis en godslastering die in het Wetboek van Strafrecht te vinden is vormt Artikel 137c de basis voor de meeste vervolgingen op basis van beledigende of disriminerende uitingen jegens groepen. Dit is tevens het artikel waar justitie zich in de zaak Nekschot op beroept.

Artikel 137c Wetboek van strafrecht (1971)

'1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.'


Een lovenswaardig stukje wetgeving..."en niemand wil toch dat er groepen mensen beledigd worden?"

Helaas het is niet zo simpel. Deze wetgeving heeft tegenwoordig nogal wat haken en ogen. De discussies op de 1,2 miljoen sites, blogs en fora in Nederland worden met de dag levendiger. Dit allemaal reguleren zal nog een hele opgave worden, zelfs als het duidelijk is hoe de wet toegepast moet worden, en dat is deze zeker niet.

De zaak Nekschot laat zien hoe moeilijk het is om de grens aan te geven van wat nu precies rechtmatig is. In de eerste plaats is een 'belediging' onmogelijk te definieren. De ene groep in de samenleving is gevoeliger voor bepaalde types beledigingen dan anderen, en deze gevoeligheid veranderd ook over tijd. De vroeger zeer gevoelige Roomskatholieke kerk is de laatste paar honderd jaar aan heel wat gewend geraakt bijvoorbeeld. Oudere en dikkere mensen daarentegen zouden zeker in Artikel 137c genoemd worden als de wet vandaag de dag geschreven zou zijn.

Zelfs al zouden de tekeningen van Nekschot als belediging van een groep gezien worden, dan kan de tekenaar nog volhouden dat zijn tekeningen bijdragen aan het publieke debat (wat moeilijk te ontkennen is). Er zijn op deze basis de laatste jaren al verschillende mensen vrijgesproken die homofobe/racistische opmerkingen op het internet geplaatst zouden hebben.

Zowel de term 'belediging' als de term 'bijdragen aan het publieke debat' zijn eigenlijk onmogelijk te definieren. Dit betekent dat, als de regering de wet strikt zou willen handhaven, de rechter elk geval apart zal moeten bekijken. Met de steeds groeiende hoeveelheid materiaal zou dit een enorme hoeveelheid rechtzaken tot gevolg hebben, waarvan de meesten waarschijnlijk in vrijspraak zullen resulteren.

Dit zou opgelost kunnen worden door de definitie van 'belediging' enorm breed te maken en tevens beledigingen te verbieden die de openbare discussie bevorderen. De kans dat de Nederlandse maatschappij deze maatregelen accepteerd is echter vrij klein.

De meest waarschijnlijke uitkomst is dat de wetgeving alleen toegepast blijft worden om 'excessen' te bestrijden. Dit zal echter tot een groeiend gebrek aan respect voor de regels leiden. Het zal altijd op zijn best een arbitraire en op zijn slechtst een politieke beslissing lijken wie vervolgd gaat worden en wie niet. De uitingen die vervolgd zullen worden, blijven dan net als nu van een onevenredig groot publiek verzekerd.

Zelfs voor uitingen die veroordeeld worden wegens het overtreden van de wet is het altijd makkelijk om het materiaal op een website in het buitenland onder te brengen of anderszinds anoniem informatie op het internet te plaatsten. Op dat moment ben je de openbare discussie uit de weg gegaan terwijl de gewraakte informatie nog wel gewoon beschikbaar is.

De huidige wetgeving is gemaakt is voor een tijd toen het aantal communicatiekanalen nog op vingers-plus-tenen te tellen was, en wij zien momenteel geen manier om de deze wetgeving eerlijk, democratisch en effectief te kunnen handhaven. Maar moet iedereen dan maar alles kunnen zeggen?

'benadeling van rechtspositie' als alternatief voor belediging

Het is niet nodig om elke uiting maar toe te staan, maar er is wel een duidelijkere grens nodig. Een erg duidelijke definitie van onrechtmatig materiaal is volgens ons de volgende: 'uitingen die de rechtspositie van een individu of groep aantasten of bedreigen'. We gaan dus van 'belediging' naar 'benadeling van rechtspositie'.

Onrechtmatig materiaal zou dan bijvoorbeeld zijn:
* direct oproepen tot illegale handelingen jegens individuen of groepen
* individuen of groepen onterecht beschuldigen van illegale handelingen
* schending van auteursrecht
* kinderporno

Deze definitie maakt de grens van acceptabele uitingen weer verdedigbaar. Voor zowel het OM als voor de internet service providers is het nu veel duidelijker wat 'onrechtmatig materiaal' precies is, en hier kan dan effectiever tegen worden opgetreden.

Gaat dit niet tegen Artikel 1 van de Grondwet in?

Het eerste artikel van onze grondwet garandeert gelijke behandeling voor verschillende mensen.

Artikel 1 - Nederlandse Grondwet

'Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.'


Het eerste dat opvalt, is dat dit artikel zelfs gebruikt zou kunnen worden om het recht van spreken van een persoon met een extreme politieke gezindheid te beschermen. Dit betekent dat het gevaarlijk is om dit artikel te breed in te zetten. Dit is echter precies wat er gebeurd lijkt te zijn in 137c Wetboek van Strafrecht.

Het tweede dat opvalt is de belangrijke rol van het woord 'behandeld'. Wanneer wordt iemand ongelijk behandeld? Op dit moment kun je in de eigen huiskamer alles zeggen wat je wilt. Hier wordt nu dus geen enkele uiting geïnterpreteerd als 'ongelijke behandeling'. Bijna alle uitingen buiten de huiskamer worden echter in het openbaar domein gedaan onder de huidige implementatie van de wet. In het openbare domein is een beledigende uitspraak in feite 'iemand ongelijk behandelen' en dus strafbaar.

Vermijdelijke versus onvermijdelijke informatie

De huidige wetgeving negeert echter enkele belangrijke ontwikkelingen. In de eerste plaats zijn mensen er nu veel meer dan vroeger aan gewend geraakt om soms materiaal tegen te komen dat hen tegenstaat. Dit komt door de toename van het aantal uitingsmogelijkheden en het meer intense maatschapplijke debat. Kijk maar eens naar enkele indertijd schokkende uitspraken die de extreem rechtse politicus Janmaat in de jaren 80 en 90 gedaan heeft. De meeste van deze opmerkingen zouden vandaag de dag met schouderophalen worden ontvangen.

Een ander gevolg van het toenemend aantal uitingsmogelijkheden is dat het mogelijk is geworden bepaalde informatiebronnen geheel te vermijden als men het niet eens is met de content. Een veganist zal weinig tijd doorbrengen op de Recepten-sectie van de Koningklijke Nederlandse Jagersvereniging website en zo werkt het ook met politieke en religieuze overtuigingen.

Hiernaast is het gemakkelijker geworden op beledigende uitingen te reageren. Veel omstreden materiaal geeft direct de mogelijkheid om commentaar of forum berichten achter te laten. Als dit niet het geval is, kan de uiting op andere websites besproken worden, zie de vele reacties op de film Fitna die in maart van dit jaar uitkwam. Dit gemak om zaken waar men het niet mee eens is aan de kaak te stellen is ook vrij recent.

De huidige wetgeving negeert deze ontwikkelingen en gaat ervan uit dat beledigende informatie compleet uitgeband moet worden. Wij denken echter dat deze veranderingen ons de kans geven om een nieuw evenwicht te vinden tussen vrijheid van meningsuiting en bescherming tegen belediging.

Wij geloven dat verregaande limitaties op beledigende content alleen van toepassing zouden moeten zijn op informatie die in het normale verkeer echt niet te vermijden is.

Voor dit soort 'onvermijdelijke informatie' zouden dan nog steeds de oude regels kunnen blijven gelden, waarbij dus geen belediging/discriminatie wordt toegestaan. Denk bijvoorbeeld aan alle vormen van overheidscommunicatie, advertenties op de zijkant van bussen etc.

Om de oude regels op te schonen zou met betrekking tot onvermijdelijke informatie ook belediging van groepen die niet in de wet genoemd worden, verboden moeten worden (oudere mensen, dikkere mensen, roodharigen...). Het verbod op godslastering zou eigenlijk moeten komen te vervallen. Religieuze groepen zouden niet meer bescherming dan andere groepen zouden mogen genieten, dit gaat zelfs tegen Artikel 1 van de grondwet in.

Vermijdelijke informatie waaronder informatie op het internet, gedrukte media en TV-items zouden dan onder de nieuwe regel kunnen vallen waarbij een benadeling van de rechtspositie moet worden aangetoond. Het zal, net zoals nu, nog best vaak voorkomen dat iemand per ongeluk over een beledigende uiting stuikelt. Laat het echter vervolgens aan het individu en de maatschappij over om die media te negeren of op de uiting te reageren.

Rol van de politiek

Het toenemend gebruik van het internet, de huidige spanningen in de samenleving en de onpraktische wetgeving op het gebied van discriminatie zullen de druk op het bestaande systeem verder en verder doen toenemen. Er worden echter vanuit de politiek geen concrete voorstellen gedaan om de wetgeving te verbeteren. De reden van deze padstelling is de richting die het politieke debat de laatste jaren heeft genomen. Politici kunnen op dit moment in twee groepen worden onderverdeeld.

Politici met een conservatieve inslag voelen zich onbehaaglijk bij de toenemende hoeveelheid extreme uitingen en proberen tegengas te geven. De acties tegen Nekschot en de discussie over godslastering zijn hier voorbeelden van. Hun grote nadeel is dat zij de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen tegen zich hebben. Ook een sluitende definitie van een onrechtmatige belediging zal ongrijpbaar blijven.

Veel van de andere partijen zouden in theorie voorvechters van de vrijheid van meningsuiting moeten zijn. Deze politici lijken er echter voor terug te schrikken om de wetgeving aan te passen. Er moet dan namelijk uitgelegd worden dat alle uitingen verdedigd moeten worden, ook zeer impopulair materiaal. Veel politieke bewegingen kiezen er dus voor aan de zijlijn te blijven staan of de vrijheid van meningsuiting alleen te verdedigen wanneer het hen uitkomt. Sommigen doen zelf redelijk extreme uitingen ten opzichte van bepaalde groepen in de samenleving en stellen vervolgens voor de discriminatiewetgeving te gebruiken om uitingen van die groepen uit te bannen.

Het zou nuttig zijn als partijen die waarden als liberalisme, vrijheid en democratie hoog in het vaandel hebben, een open discussie over een verandering van de discriminatiewetgeving aan zouden gaan. Wellicht kunnen de huidige regels dan weer werkbaar gemaakt worden.

Deze discussie is behoorlijk complex en er is moed voor nodig haar aan te gaan. Politici lijken echter te onderschatten dat mensen terdege beseffen dat vrijheid van meningsuiting een enorme verworvenheid is die het waard is om verdedigd te worden. Het is kennelijk zelfs het tweede punt op de lijst van zaken waar Nederlanders trots op zijn. Na de Deltawerken natuurlijk...

ISP-beleid in de Praktijk

Wij geloven dat je als provider, zolang er redelijke twijfel met betrekking tot de onrechtmatigheid van het betwiste materiaal bestaat, instinctief aan de kant van de vrijheid van meningsuiting moet gaan staan. Het is aan de wetgever om duidelijke definities te leveren over wat toelaatbaar is. Het is niet de rol van de provider om te bepalen welk materiaal geweerd zou moeten worden. Zelfregulatie, gecombineerd met onduidelijke regels, werkt niet als er zulke belangrijke principes op het spel staan.

Het verdedigen van de vrijheid van meningsuiting moet echter geen blind automatisme worden. XLS heeft er bijvoorbeeld voor gekozen bij bepaalde zaken meer naar de kant van het vermeende slachtoffer te neigen. In die gevallen verwijderen wij ook materiaal waarvan de onrechtmatigheid niet onmiskenbaar vast staat. Dit zijn gevallen waarbij er sprake is van: 1. een mogelijk zware benadeling van iemands rechtspositie, 2. een minimaal belang van het materiaal voor de publieke discussie en 3. een relatief weerloos slachtoffer. Kinderporno en bedreiging zijn hiervan de meest concrete voorbeelden.

Waar het de belediging van groepen betreft geldt echter bij zowel klachten over fundamentalistische moslims als bij klachten over extreme tekenaars dat het materiaal pas van het internet af zou moeten worden gehaald als de rechter dat beslist.





Ingezonden persbericht