Gemeente Berkelland


Analyse van de negatieve
herverdeeleffecten van het
verdeelmodel voor de WMO

A. Notenboom
R. Goudriaan
G.J. Mazzola
M.M. van Asselt

© Aarts De Jong Wilms Goudriaan Public Economics bv (APE) Den Haag, augustus 2008

Analyse van de negatieve herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de WMO A. Notenboom, R. Goudriaan, G.J. Mazzola en M.M. van Asselt

Ape rapport nr. 592

© 2008 Aarts De Jong Wilms Goudriaan Public Economics bv (APE) Website: www.ape.nl
Omslag: Brordus Bunder, Amsterdam

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt via druk, foto- kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.

INHOUD

SAMENVATTING 3
1 INLEIDING 5
1.1 Aanleiding 5
1.2 Verdeelmodel WMO 6
1.2.1 Gewichten 6
1.2.2 Lage inkomens 7
1.2.3 Gezondheidsfactoren 7
1.2.4 Intramurale capaciteit 8
1.2.5 Mantelzorgers 9
1.3 Aanpak 9
2 ZORGKANTOREN EN HERVERDEELEFFECTEN 11
2.1 Inleiding 11
2.2 Regionale herverdeeleffecten 11
2.3 Conclusie 14
3 LANDELIJKE PATRONEN 15 3.1 Inleiding 15 3.2 Samenhang herverdeeleffecten en uitgaven WMO 16 3.2.1 Inleiding 16 3.2.2 Factoren Cebeon 17 3.2.3 Lage inkomens bij 65+'ers 19 3.2.4 Gezondheidsfactoren 19 3.2.5 Intramuralisering 22 3.2.6 Mantelzorgers 22 3.3 Conclusies 23
4 VERGELIJKING MET REFERENTIEGEMEENTEN 25 4.1.1 Inleiding 25 4.1.2 Eenpersoonshuishoudens bij 65+'ers 25 4.1.3 Uitkeringsontvangers 26 4.1.4 Lage inkomens bij 65+'ers 26 4.1.5 Gestandaardiseerde mortaliteit 26 4.1.6 Chronische aandoeningen 26 4.1.7 Tevredenheid eigen leven 27 4.1.8 Lage opleiding 27 4.2 Conclusie 27 Ape 1

A BIJLAGE: BEPALING UITGAVEN 29

B BIJLAGE: VERHOUDING AWBZ EN WMO 31 C BIJLAGE: GEMEENTEN EN REFERENTIEGEMEENTEN 33


2 Ape

SAMENVATTING

Sinds 2008 wordt het gemeentelijk budget voor de WMO (Wet Maatschap- pelijke Ondersteuning) volledig verdeeld op basis van een door Cebeon ontwikkeld objectief verdeelmodel. Een aantal gemeenten ervaart in 2008 een fors nadeel aan de invoering van het objectief verdeelmodel WMO, op- lopend tot een bedrag van circa 50 euro per inwoner (exclusief suppletie). In het onderzoek proberen we te achterhalen waarom deze gemeenten financieel nadeel ondervinden van de invoering van het verdeelmodel.

De belangrijkste bevindingen van het onderzoek zijn: De manier waarop de gewichten van het verdeelmodel WMO tot stand zijn gekomen, is onvoldoende transparant. De gebruikte methode is niet gedocumenteerd. De resultaten zijn niet reproduceerbaar met de gangbare wetenschappelijke methoden, die in de internationale en na- tionale vakliteratuur worden gehanteerd.
Er treden grote verschillen in herverdeeleffecten op tussen zorgkan- toorregio's. Het is lastig om deze verschillen te duiden. Het is goed mogelijk dat althans een deel samenhangt met historisch gegroeide beleids- en uitvoeringspraktijken van zorgkantoren. Van gemeenten kan niet worden verwacht dat zij de historisch gegroeide beleids- en uitvoeringspraktijk direct kunnen veranderen. Daarom dienen zij (al- thans in de beginjaren van de WMO) te worden gecompenseerd voor dergelijke historisch bepaalde verschillen in het uitgavenniveau. De huidige gewichten in het objectief verdeelmodel WMO zijn niet op- timaal. Gemeenten met negatieve herverdeeleffecten hebben minder eenpersoonshuishoudens, meer uitkeringsontvangers en zijn minder stedelijk.
Lage inkomens bij 65+ huishoudens is een betere maatstaf dan de in het verdeelmodel vigerende interactie tussen het aandeel lage inko- mens (ongeacht de leeftijd) en het aantal 65+ huishoudens. Gemeen- ten met negatieve herverdeeleffecten hebben een relatief hoog aandeel 65+'ers met lage inkomens.
Gemeenten met negatieve herverdeeleffecten hebben een relatief on- gezondere bevolking. We zien deze effecten terug op een breed scala van indicatoren, zoals prevalentie van chronische aandoeningen, ge- standaardiseerde mortaliteit, aandeel lager opgeleiden, bezoek aan huisarts en tevredenheid met het eigen leven. Het verdient sterke aan- beveling om in het verdeelmodel voor de WMO maatstaven op te ne- men die recht doen aan de gezondheidsverschillen tussen de gemeen- Ape 3

ten. Daarvoor kan worden aangesloten bij maatstaven die het ministe- rie van VWS hanteert in het risicovereveningsmodel voor de Zorgver- zekeringswet.
Aan de negatieve herverdeeleffecten van de in dit onderzoek betrokken gemeenten ligt een combinatie van bovengenoemde factoren ten grondslag.
Verbeteringen van het huidige objectief verdeelmodel zijn essentieel voor een rechtvaardige verdeling van de WMO-middelen, zeker als in de toekomst nog meer delen van de AWBZ naar de WMO worden over- geheveld.

4 Ape


1 INLEIDING


1.1 Aanleiding
Sinds 2008 wordt het gemeentelijk budget voor de WMO (Wet Maatschap- pelijke Ondersteuning) volledig verdeeld op basis van een door Cebeon ontwikkeld objectief verdeelmodel. In 2007 was nog sprake van een mid- delenverdeling die op de historische kosten was gebaseerd. Het objectief verdeelmodel heeft betrekking op de huishoudelijke verzorging en een aantal specifieke regelingen (ex WVG, ex Welzijnswet en ex AWBZ). Het grootste deel van de WMO-middelen is gemoeid met de huishoudelijke verzorging (zorg in natura en het persoonsgebonden budget).

Een aantal gemeenten ervaart in 2008 een flink nadeel aan de invoering van het objectief verdeelmodel WMO, oplopend tot een bedrag van circa 50 euro per inwoner (exclusief de suppletieregeling).1 De gemeente Doetinchem heeft namens een aantal gemeenten APE verzocht om de ach- tergronden hiervan te onderzoeken. Deze gemeenten zijn: Aalten, Apel- doorn, Berkelland, Bronckhorst, Brummen, Doesburg, Doetinchem, Dui- ven, Epe, Heerde, Lochem, Maasdriel, Montferland, Oost Gelre, Oude IJs- selstreek, Voorst, Westervoort, Winterswijk, Zevenaar, Zutphen en Sit- tard-Geleen. Maastricht heeft zich bij dit initiatief aangesloten. De 22 ge- meenten bevinden zich in twee provincies: de eerste twintig gemeenten in Gelderland en de laatste twee in Limburg.

De vraag is wat de oorzaak is van het feit dat deze gemeenten een finan- cieel nadeel ervaren van het objectief verdeelmodel. Zijn er onvolkomen- heden in het verdeelmodel die specifiek in het nadeel van deze gemeenten uitpakken? Houdt het verdeelmodel wel adequaat rekening met de speci- fieke omstandigheden van gemeenten uit deze regio's? In dit onderzoek proberen we te achterhalen waarom bovengenoemde gemeenten financi- eel nadeel ondervinden van het verdeelmodel WMO. Later dit jaar brengt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) als onafhankelijke derde een advies uit waarin onder meer wordt ingegaan op de mogelijke tekortko- mingen van het objectief verdeelmodel.


1 De suppletieregeling smeert de herverdeeleffecten uit over een periode van drie jaar om grote veranderingen in het budget van individuele gemeenten te voorkomen.
Ape 5

We gaan in het voorliggende rapport niet in op de omvang van het macro- budget. Daarvoor wordt verwezen naar het Advies over het macrobudget huishoudelijke WMO-hulp voor 2009 van het SCP. Vanzelfsprekend is het van belang dat dit budget jaarlijks adequaat wordt geïndexeerd, onder meer voor de groei van het aantal chronisch zieke, thuiswonende ouderen.


1.2 Verdeelmodel WMO

1.2.1 Gewichten
Allereerst geven we een korte uiteenzetting van de wijze waarop de mid- delen voor de WMO verdeeld worden. Het objectief verdeelmodel WMO
- ontwikkeld door Cebeon - verdeelt middelen voor de huishoudelijke hulp (zorg in natura en het persoonsgebonden budget) op basis van een aantal factoren. Deze factoren zijn:2
de leeftijdsopbouw van de bevolking (voornamelijk ouderen in verschil- lende leeftijdsgroepen);
het aantal eenpersoonshuishoudens in de verschillende oudere leef- tijdsgroepen;
het percentage huishoudens met lage inkomens (met een drempel) vermenigvuldigd met het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder; het aantal uitkeringsontvangers exclusief bijstandsontvangers; omgevingsadressendichtheid (met een negatief teken); regionaal klantenpotentieel;
minderheden;
bedden conform Besluit Bijdrage AWBZ Gemeenten (Bbag); vast bedrag per gemeente.

De volgende factoren heeft Cebeon bij de opstelling van de verdeelsleutel bewust niet expliciet gehonoreerd:
de beleids- en uitvoeringspraktijk van de indicatiestellers; de beleids- en uitvoeringspraktijk van de zorgkantoren; de beleids- en uitvoeringspraktijk van de zorgaanbieders; de mate waarin mantelzorg is gemobiliseerd.

Gezien de gewichten die de verdeelfactoren in het verdeelmodel hebben gekregen, wordt een groot deel van de middelenverdeling bepaald door de eenpersoonshuishoudens, de combinatie van lage inkomens en huishou- dens van 65 jaar en ouder, en de uitkeringsontvangers. De grootte van de


2 Zie circulaires van 2007 en 2008 en bijbehorende rekenmodules.
6 Ape

gewichten bepaalt Cebeon op basis van een `uitgavenanalyse' en een `diepgaande verschillenanalyse'.3 Deze methoden zijn niet gedocumen- teerd, dus we weten niet precies wat ze inhouden. In ieder geval gaat het niet om methoden die in brede kring ingang hebben gevonden in de we- tenschappelijke literatuur. De resultaten van Cebeon zijn niet reprodu- ceerbaar met de gangbare wetenschappelijke methoden, die in de interna- tionale en nationale vakliteratuur worden gehanteerd. We missen tevens elementaire informatie zoals betrouwbaarheidsmarges van de gewichten en de mate waarin de verdeelsleutel de variatie in de uitgaven tussen ge- meenten verklaart. Zonder deze informatie is het onmogelijk de waarde van de gewichten te beoordelen. In dit onderzoek doen we desondanks een poging om de waarde van de gewichten te toetsen en bezien we welke factoren of combinaties van factoren in het model ontbreken.


1.2.2 Lage inkomens
Het verdeelmodel bevat de factor percentage lage inkomens (in alle leef- tijdsklassen) vermenigvuldigd met het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder. Deze interactiemaatstaf verdeelt een belangrijk deel van de WMO- middelen. De ratio achter het grote gewicht van de interactiemaatstaf wordt niet door Cebeon gegeven. Het is onduidelijk waarom Cebeon geko- zen heeft voor de interactie tussen het percentage huishoudens met lage inkomens (ongeacht de leeftijd) en het aantal 65+ huishoudens in een gemeente als een verdeelfactor. Deze verdeelfactor is immers niet gelijk aan het aantal 65+ huishoudens met lage inkomens, dat bij uitstek rele- vant is voor het gebruik en de uitgaven van de WMO. Het is mogelijk dat de 22 genoemde gemeenten nadeel ondervinden van het verdeelmodel WMO omdat zij relatief veel 65+'ers met lage inkomens tellen, terwijl zij een gemiddeld aandeel lage inkomens en een gemiddeld aandeel ouderen hebben.


1.2.3 Gezondheidsfactoren
Verder houdt het objectief verdeelmodel WMO niet expliciet rekening met gezondheidsverschillen tussen gemeenten. Juist de aanwezigheid van (chronische) aandoeningen vormt echter de belangrijkste reden om ge- bruik te maken van huishoudelijke verzorging (na toetsing door de indica- tiesteller). Het belang van dergelijke indicatoren voor de verklaring van


3 Zie pag. 33 e.v. van de Verdeelsleutel decentralisatie eerste tranche middelen Wet Maatschappelijke Ondersteuning, 2005, Cebeon. Deze methoden hanteert Cebeon ook bij de bepaling van de verdeling van de middelen voor het Ge- meentefonds.
Ape 7

het beroep op de WMO wordt ook onderkend in de studies van het SCP.4 Het verdeelmodel voor de WMO houdt alleen rekening met het aantal uit- keringsontvangers (arbeidsongeschikten en gehandicapten). Het is de vraag of uitkeringsontvangers relevant zijn voor de verdeling van de mid- delen voor huishoudelijke verzorging. Personen van 65 jaar en ouder vor- men de grootste groep die aanspraak maakt op huishoudelijke verzorging in het kader van de WMO. Deze personen zijn echter per definitie geen ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Het is mogelijk dat de gemeenten waarvoor het verdeelmodel WMO nega- tief uitpakt een relatief hoog percentage inwoners tellen met chronische gezondheidsklachten, waarvoor het huidige verdeelmodel onvoldoende compenseert. Daarnaast is het mogelijk dat de gemeenten met negatieve herverdeeleffecten een relatief laag percentage uitkeringsontvangers (WAO'ers) tellen, waarmee eveneens een deel van de middelen wordt ver- deeld.


1.2.4 Intramurale capaciteit
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) beoordeelt of iemand recht heeft op zorg via de AWBZ. Gemeenten hebben geen invloed op de indicatiestel- ling van de AWBZ. Eventuele wachtlijsten worden echter wel afgewenteld op gemeenten. De aansturing van het CIZ is gecentraliseerd, maar tot voor kort bepaalde iedere vestiging van haar voorloper, de Regionale Indi- catie Organen (RIO), in welke mate de landelijke regels werden nageleefd. Er bestonden grote verschillen tussen de verschillende RIO's.

Door de centrale indicatiestelling in de AWBZ fungeren de AWBZ en de WMO als communicerende vaten. Een strengere selectie bij opname in een AWBZ-instelling kan leiden tot een groter beroep op de WMO-middelen voor huishoudelijke verzorging; in dat geval zouden gemeenten met veel AWBZ-capaciteit lagere uitgaven voor de WMO hebben. De selectie aan de poort van de AWBZ hangt mogelijk ten dele af van de omvang van de be- schikbare AWBZ-capaciteit. Deze verschilt sterk per (zorgkantoor)regio. De AWBZ-capaciteit in een regio is een historisch gegroeid gegeven dat grotendeels buiten de invloedssfeer van een gemeente is ontstaan. Op korte termijn hebben gemeenten geen invloed op de aanwezige intramura- le AWBZ-capaciteit. Het is echter ook mogelijk dat gemeenten met groot- schalige AWBZ-instellingen juist hogere WMO-uitgaven hebben. In een


4 Zie bijvoorbeeld de SCP-studie Verklaringsmodel verpleging en verzorging
2007.

8 Ape

aantal gevallen betalen gemeenten mee aan voorzieningen voor AWBZ- cliënten, zoals rolstoelen. In het huidige verdeelmodel wordt hiermee re- kening gehouden via het aantal bedden in AWBZ-instellingen (de Bbag- bedden, conform Besluit Bijdrage AWBZ Gemeenten). Het gewicht van de Bbag-bedden is positief. Dat betekent dat gemeenten met AWBZ-bedden extra middelen ontvangen uit het fonds.

De vraag is of het verdeelmodel nadelig werkt in gemeenten waar in het verleden of heden is geëxtramuraliseerd. De compensatie die het verdeel- model biedt voor een `extra' thuiswonende oudere, is veel lager dan de extra kosten die de gemeente moet maken. Dit is niet alleen beleidsmatig een onwenselijke ontwikkeling, maar ook financieel, omdat extramuralise- ring per saldo bezuinigingen in de AWBZ oplevert, die de extra kosten van gemeenten ruimschoots overtreffen. Het is mogelijk dat de bovengenoem- de gemeenten die nadeel ondervinden van het huidige verdeelmodel WMO over weinig intramurale capaciteit beschikken en/of in het verleden of he- den hebben geëxtramuraliseerd.


1.2.5 Mantelzorgers
De mate waarin de mantelzorg is gemobiliseerd wordt niet expliciet de verdeelsleutel gehonoreerd. Dit plaatst gemeenten met een relatief be- perkt aanbod van mantelzorg in een ongunstige positie. Het is mogelijk dat het aanbod van mantelzorg beperkt is in regio's met een hoge ar- beidsmarktparticipatie van vrouwen. Dat geldt evenzeer voor gemeenten met relatief weinig sociale cohesie.


1.3 Aanpak
In het onderzoek staat de vraag centraal wat de oorzaak is van de gecon- stateerde negatieve herverdeeleffecten van het objectief verdeelmodel voor de betrokken gemeenten. Zijn de negatieve effecten het gevolg van onvolkomenheden in het verdeelmodel, specifieke regionale of lokale om- standigheden, historisch gegroeide uitgavenverschillen of verschillen in de (intramurale) AWBZ-capaciteit?

Allereerst proberen we te ontdekken of er regionale patronen zichtbaar zijn in de herverdeeleffecten. Concentreren de verliezen en winsten zich in bepaalde (zorgkantoor)regio's of bij bepaalde gemeenten? In hoofdstuk 2 geven we een grafische presentatie van de herverdeeleffecten per ge- meente en per zorgkantoorregio. Vervolgens onderzoeken we of negatieve Ape 9

herverdeeleffecten ontstaan omdat een aantal relevante factoren in het model ontbreken. Dit doen we door op landelijk niveau de samenhang tus- sen de WMO-uitgaven en herverdeeleffecten WMO enerzijds en een aantal factoren anderzijds te berekenen. De betreffende factoren zijn onder meer lage inkomens bij 65+'ers, gezondheidstoestand, inzet van mantelzorgers en intramurale AWBZ-capaciteit. De resultaten van deze analyse komen in hoofdstuk 3 aan de orde. De vraag is vervolgens of de factoren die moge- lijk in het verdeelmodel ontbreken ook relevant zijn voor de bij dit onder- zoek betrokken gemeenten. Om deze vraag te beantwoorden, kiezen we per gemeente vijf referentiegemeenten. We vergelijken de betreffende gemeenten met de referentiegemeenten op basis van de bovenstaande factoren. De uitkomsten van deze explorerende vergelijking met de refe- rentiegemeenten beschrijven we in hoofdstuk 4. De bijlagen bevatten ge- detailleerde achtergrondinformatie.


10 Ape


2 ZORGKANTOREN EN HERVERDEELEFFECTEN


2.1 Inleiding
Het verdeelmodel 2008 voor de WMO berust op de geïndexeerde uitgaven 2005. Deze zijn ontleend aan de administraties van de zorgkantoren. Voordat de WMO haar intrede deed, hoefden zorgkantoren minder goed rekening te houden met het verschil tussen cliënten met huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging en verpleging. Alle cliënten vielen im- mers onder de AWBZ. Met de komst van de WMO is dit onderscheid rele- vant geworden. Het is voorstelbaar dat er verschillen bestaan in de wijze waarop zorgkantoren de scheiding tussen huishoudelijke verzorging en de overige zorg aanbrengen. Uit eerdere analyses voor bijvoorbeeld de Ach- terhoek is gebleken dat het betrokken zorgkantoor in 2004 tekortschoot bij de registratie van huishoudelijke verzorging. Daardoor werden de WMO-uitgaven en het bijbehorende budget voor gemeenten in de Achter- hoek in eerste instantie fors onderschat, zo bleek nadat uitgavencijfers 2005 beschikbaar kwamen. Het blijft echter de vraag of de registraties van de verschillende zorgkantoren voldoende adequaat en onderling vergelijk- baar waren om de gewichten van het objectief verdeelmodel op deze ge- gevensbron te baseren. Het gebruik van deze registraties kan leiden tot lastig te duiden herverdeeleffecten.

Er bestaan historisch bepaalde verschillen in de beleids- en uitvoerings- praktijk tussen regio's. Deze kunnen we terug zien in verschillen tussen WMO-uitgaven en ­budgetten, onder meer op het niveau van zorgkantoor- regio's. We geven een grafische presentatie van de herverdeeleffecten om systematische verschillen tussen (zorgkantoor)regio's op te sporen, zoals een samenhang met de concessiehouders van de zorgkantoren (de regio- naal dominante zorgverzekeraar). Naast inzicht in de mogelijke regionale herverdeeleffecten verschaft deze stap een indicatie van historisch ge- groeide verschillen in beleids- en uitvoeringspraktijk tussen de zorgkanto- ren (c.q. de Regionale Indicatie Organen).


2.2 Regionale herverdeeleffecten
Allereerst presenteren we de herverdeeleffecten van de WMO in 2008 per gemeente (zie figuur 2.1). Deelnemende gemeenten hebben we gear- Ape 11

ceerd. Het herverdeeleffect per gemeente hebben we uit de Junicirculaire 2007 van het Gemeentefonds overgenomen.5 Figuur 2.1 laat zien dat de gemeenten met negatieve herverdeeleffecten vooral in de zorgkantoorre- gio's Drenthe, Twente, Apeldoorn-Zutphen, Arnhem, Flevoland en Zuid- Limburg te vinden zijn.

Figuur 2.1:
Herverdeeleffecten van de WMO in 2008 per gemeente (in eu- ro's per inwoner)
12,50 tot 70 (108)
0 tot 12,50 (137)

-12,50 tot 0 (112)

-70 tot -12,50 (86)

Bron: Junicirculaire 2007 Gemeentefonds (APE-bewerking)

5 Zie voor het herverdeeleffect van de WMO pag. 85 e.v. van de Junicirculaire 2007 Gemeentefonds en voor het WMO-budget pag. 68 e.v. Zie voor een speci- ficatie van de uitgaven bijlage A.
12 Ape

De vraag is of en hoe de herverdeeleffecten verschillen per zorgkantoorre- gio. Figuur 2.2 toont de herverdeeleffecten per zorgkantoorregio.

Figuur 2.2:
Herverdeeleffecten van de WMO in 2008 per zorgkantoorregio (in euro's per inwoner)
12,50 tot 70 (79)
0 tot 12,50 (175)

-12,50 tot 0 (110)

-70 tot -12,50 (79)

Bron: Junicirculaire 2007 Gemeentefonds (APE-bewerking) De negatieve herverdeeleffecten zijn het grootst in Drenthe, Twente, Apel- doorn-Zutphen, Arnhem, Flevoland en Zuid-Limburg. Daar staat tegenover dat in Friesland, Kennemerland, Zaanstreek-Waterland, Amsterdam en Zuidoost-Brabant substantiële positieve herverdeeleffecten optreden. De positieve herverdeeleffecten van Friesland zijn opmerkelijk gezien de ne- Ape 13

gatieve herverdeeleffecten in aangrenzende regio's zoals Drenthe en Fle- voland. De ratio achter de grote regionale verschillen in de aard en de om- vang van de herverdeeleffecten is moeilijk te duiden. We zien geen een- duidige relatie tussen bepaalde zorgverzekeraars (concessiehouders) en positieve of negatieve herverdeeleffecten.6 Gezien de complexiteit van de regelgeving rondom de AWBZ en de WMO is het echter voorstelbaar dat in de verschillende zorgkantoorregio's de scheiding tussen de twee regelin- gen niet geheel uniform wordt aangebracht.


2.3 Conclusie
Een grafische presentatie van de herverdeeleffecten naar gemeente en zorgkantoorregio toont aan dat grote verschillen in herverdeeleffecten op- treden tussen regio's. Het is lastig om deze verschillen te duiden. Het is goed mogelijk dat althans een deel samenhangt met historisch gegroeide beleids- en uitvoeringspraktijken. Van gemeenten kan echter niet worden verwacht dat zij de historisch gegroeide beleids- en uitvoeringspraktijk snel kunnen veranderen. Dit is een kwestie van lange adem. Gemeenten dienen daarom (althans in de beginjaren van de WMO) te worden gecom- penseerd voor dergelijke historisch bepaalde verschillen in het uitgavenni- veau.

6 Een aantal zorgverzekeraars is concessiehouder in meer dan één zorgkantoor- regio. Zo is AGIS bijvoorbeeld concessiehouder in de zorgkantoorregio Amster- dam (met een sterk positief herverdeeleffect), maar ook in de zorgkantoorregio Apeldoorn-Zutphen (met een sterk negatief herverdeeleffect). Een ander voor- beeld is CZ in de zorgkantoorregio Zuidoost-Brabant (sterk positief) versus de zorgkantoorregio Zuid-Limburg). Ook tussen de zorgkantoren van respectieve- lijk Het Groene Land en Menzis bestaan grote verschillen in de aard van de herverdeeleffecten.
14 Ape


3 LANDELIJKE PATRONEN

3.1 Inleiding
De vraag is of het objectief verdeelmodel voor de WMO negatief (positief) uitpakt voor gemeenten omdat een aantal relevante factoren in het model ontbreken. We proberen deze vraag te beantwoorden door de samenhang te bestuderen tussen de uitgaven en de herverdeeleffecten van de WMO enerzijds en een aantal factoren ­ die nu in het model gemist worden - anderzijds. (zie voor een specificatie van de uitgaven bijlage A). In het voorliggende hoofdstuk bestuderen we deze samenhang op landelijk ni- veau. De volgende factoren nemen we in de analyse mee: Factoren uit het huidige verdeelmodel. Dit zijn het aandeel ouderen, de eenpersoonshuishoudens bij ouderen (gegevens over 2007), uitke- ringsontvangers (WW'ers en WAO'ers in 2006), de interactieterm tus- sen aandeel ouderen en aandeel lage inkomens (het tweede tot en met vierde deciel van de inkomensverdeling), omgevingsadressendichtheid (OAD) en relatief klantenpotentieel.
Het aantal huishoudens met lage inkomens (het tweede tot en met vierde deciel van de inkomensverdeling) uitgesplitst naar leeftijd. Indicatoren van de gezondheid. Per gemeente zijn de volgende indica- toren beschikbaar: de gestandaardiseerde mortaliteit, het percentage personen met chronische aandoeningen en het percentage personen met een lage opleiding als benadering voor sociaal-economische ge- zondheidsverschillen (vooralsnog alleen beschikbaar bij het CBS voor personen in de leeftijdsklasse 15-64 jaar in de 391 grootste gemeen- ten).7 Per COROP-gebied8 zijn als indicatoren beschikbaar: het aantal bezoeken per persoon per jaar aan de huisarts, en het percentage per- sonen dat tevreden is met het leven. Per GGD-regio is een OESO- indicator (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikke- ling) beschikbaar. Deze OESO-indicator geeft beperkingen in functiona-

7 De gestandaardiseerde mortaliteit is de werkelijke sterfte van een gemeente gedeeld door de sterfte die op basis van leeftijd en geslacht verwacht wordt (gezien landelijke cijfers). Als de gestandaardiseerde mortaliteit van een ge- meente hoger (lager) is dan 1, dan is de sterfte hoger (lager) dan gemiddeld. Dit duidt op een slechtere gezondheid van de bevolking. Chronische aandoe- ningen zijn gemeten op basis van het structureel gebruik van bepaalde typen medicijnen (bijvoorbeeld voor COPD, diabetes, ziekte van Parkinson, kanker, epilepsie, hartaandoeningen en psychische aandoeningen). 8 Het CBS presenteert sommige informatie alleen regionaal niveau. Het COROP- gebied is een veel gebruikte statistische indeling van Nederland in 40 regio's. Ape 15

liteit weer. Daarnaast hebben we op niveau van de GGD-regio's de be- schikking over percentages mensen met ten minste één malaiseklacht (hoofdpijn, moeheid, slapeloosheid en pijn).
Indicatoren van intramuralisering. Per gemeente zijn het aantal perso- nen in een geïnstitutionaliseerd huishouden, het aantal bedden verple- ging, en het aantal plaatsen verzorging beschikbaar. De gegevens over het aantal bedden (plaatsen) in de verpleging (verzorging) hebben wij bewerkt. Verpleging- en verzorgingshuizen hebben vaak meer vesti- gingen, terwijl in ons gegevensbestand het totaal aantal bedden ver- pleging en verzorging aan één vestiging zijn toegeschreven. We heb- ben daarom het aantal bedden (plaatsen) per 1.000 inwoners berekend in een straal van 5, 10, 15 en 25 km rondom het betreffende postco- degebied.
Een indicator van inzet van mantelzorgers: per COROP-gebied beschik- ken wij over de arbeidsparticipatiecijfers van vrouwen. Deze indicator berust op een aantal veronderstellingen; ten eerste dat vrouwen vaker mantelzorger zijn dan mannen en ten tweede dat bij een hogere ar- beidsparticipatie van vrouwen de inzet van mantelzorg minder is.

3.2 Samenhang herverdeeleffecten en uitgaven WMO
3.2.1 Inleiding
Allereerst onderzoeken we of op landelijk niveau een samenhang bestaat tussen de herverdeeleffecten en de omvang van de uitgaven enerzijds en bovengenoemde variabelen anderzijds. Met andere woorden: kunnen ge- meenten met positieve of juist negatieve herverdeeleffecten op de WMO gekarakteriseerd worden door één of meer bovenstaande factoren? Kun- nen gemeenten die hoge uitgaven of juist lage WMO-uitgaven hebben on- derscheiden worden op een aantal van bovengenoemde factoren? We on- derzoeken dit door de correlatiecoëfficiënten te berekenen tussen het her- verdeeleffect respectievelijk de totale WMO-uitgaven per gemeente en bo- venstaande factoren. De correlatie is een maatstaf voor de (lineaire) sa- menhang tussen twee sets factoren. Bij een perfecte samenhang heeft de correlatiecoëfficiënt de waarde 1 of -1, terwijl bij afwezigheid van samen- hang de correlatiecoëfficiënt gelijk is aan 0.

Bij de berekening van de correlatiecoëfficiënten wegen we met de bevol- kingsomvang van de gemeente, zodat grote gemeenten zwaarder wegen dan kleine. Ook controleren we voor het aandeel 65+'ers in een gemeente. Het is immers voorstelbaar dat in gemeenten waar relatief veel ouderen 16 Ape

wonen bijvoorbeeld ook meer gezondheidsklachten gerapporteerd worden. Het hoge percentage gezondheidsklachten heeft dan niet zozeer te maken met een slechtere gezondheid, maar met het hogere percentage ouderen. We controleren voor het percentage ouderen om dergelijke verbanden uit te sluiten.9 In de analyse zijn alle gemeenten (in totaal 443) opgenomen, uitgezonderd het kenmerk lager opgeleiden, waarvan het CBS alleen voor de 391 grootste gemeenten gegevens publiceert.

Tabel 3.1 geeft een overzicht van de correlatiecoëfficiënten met de WMO- uitgaven en de herverdeeleffecten. De WMO-uitgaven betreffen de totale uitgaven: de zorg in natura plus PGB plus de toeslagen.10 Het herverdeel- effect is berekend als het totale budget minus de totale uitgaven. Als de geanalyseerde factoren statistisch significant samenhangen met de WMO- uitgaven maar niet met de herverdeeleffecten, dan zijn deze factoren ade- quaat direct of indirect in het verdeelmodel verwerkt. Wanneer de factoren zowel significant samenhangen met de WMO-uitgaven als met de herver- deeleffecten, dan is de invloed van de betreffende factoren ­ afhankelijk van het teken van de correlatiecoëfficiënt met de herverdeeleffecten ­ te sterk (positief teken) of te weinig (negatief teken) in het verdeelmodel verwerkt. Als de factoren uitsluitend samenhangen met de herverdeelef- fecten, dan duidt dit op een systematische onder- (negatief) of overcom- pensatie (positief) van gemeenten die hoog op de betreffende factoren scoren.

3.2.2 Factoren Cebeon
Allereerst tonen we in tabel 3.1 de belangrijkste factoren die Cebeon in het model heeft opgenomen. Deze factoren zijn significant gecorreleerd met de WMO-uitgaven. Met uitzondering van de interactie tussen 65+ huishou- dens en lage inkomens, en het regionaal klantenpotentieel zijn deze varia- belen ook gecorreleerd met de herverdeeleffecten. Dit betekent dat grosso modo gemeenten die middelen tekortkomen, minder eenpersoonshuishou- dens hebben, meer uitkeringsontvangers tellen, en een lage stedelijk- heidsgraad hebben. We stellen daarmee vast dat de gewichten niet opti- maal zijn vastgesteld: de gewichten van de eenpersoonshuishoudens en de stedelijkheid zijn te groot, en het gewicht van de uitkeringsontvangers te klein.

9 In statistisch jargon: we berekenen partiële gewogen correlatiecoëfficiënten. 10 We hebben ook de correlaties berekend tussen de kenmerken en het deelbe- drag huishoudelijke verzorging (zorg in natura plus PGB). De resultaten wijken slechts marginaal af van de hier gepresenteerde correlatiecoëfficiënten. Ape 17

Tabel 3.1: Univariate correlaties herverdeeleffecten en uitgaven WMO Herverdeeleffect Uitgaven WMO 2008 WMO 2007 Cebeon-factoren
Eenpersoonshuishouden 65-74 0,23** 0,34** Eenpersoonshuishouden 75-84 0,19** 0,42** Eenpersoonshuishouden 85+ 0,20** 0,31** Interactie lage inkomens en huish 65+ -0,03 0,66** Uitkeringsontvangers -0,12** 0,49** Omgevingsadressendichtheid 0,16** -0,34** Regionaal klantenpotentieel 0,06 0,52**

Lage inkomens naar leeftijdsgroep
Lage inkomens bij 65+ huishoudens -0,13** 0,66**

Gezondheidsfactoren
Chronische aandoeningen -0,23** 0,56** Gestandaardiseerde mortaliteit (SMR) -0,11* 0,47** Laag opgeleidena -0,36** 0,23** Contact huisarts -0,08 0,18** Zelfrapportage tevredenheid leven 0,09* -0,13** Disfunctionaliteit OESO -0,00 0,29** Malaiseklachten 0,14** 0,06

Intramuralisering
65+'ers in institutionele huishoudens 0,11** 0,05 Bedden/plaatsen straal 1 km 0,08 0,21** Bedden/plaatsen straal 5 km 0,03 0,15** Bedden/plaatsen straal 10 km 0,02 0,15** Bedden/plaatsen straal 15 km -0,02 0,14** Bedden/plaatsen straal 20 km -0,02 0,13** Bedden/plaatsen straal 25 km 0,01 0,15**

Mantelzorgers
Arbeidsparticipatie vrouwen 0,27** -0,32** a Analyse van laag opgeleiden is uitgevoerd voor de 391 grootste gemeenten.
** Significant p=0,01: kans dat de correlatiecoëfficiënt 0 gelijk aan 0 is, is kleiner dan 1%.
* Significant p=0,05: kans dat de correlatiecoëfficiënt 0 gelijk aan 0 is, is kleiner dan 5%. Bron: APE
Het geschetste beeld wordt bevestigd als we het verdeelmodel schatten met de gangbare statistische methoden, zoals regressieanalyse. Deze worden ook bij de vaststelling van de gewichten van de andere verdeel- 18 Ape

modellen gehanteerd (zoals voor de Zorgverzekeringswet en de Wet Werk en Bijstand). We kunnen de huidige gewichten niet reproduceren. Daar- naast blijkt dat de correlatie tussen het WMO-budget en de WMO-uitgaven lager is dan redelijkerwijs zou mogen worden verwacht. Dat betekent dat het WMO-budget (en de daaraan ten grondslag liggende factoren in het verdeelmodel) een matige voorspelling geeft van de WMO-uitgaven.

3.2.3 Lage inkomens bij 65+'ers
Tabel 3.1 schetst vervolgens de alternatieve factoren die (mogelijk) een verbetering van het model opleveren. Allereerst geldt dat er een sterk ver- band bestaat tussen de lage inkomens bij 65+'ers en de WMO-uitgaven (correlatiecoëfficiënt van 0,66). Het verband tussen de lage inkomens bij 65+'ers en het herverdeeleffect is negatief en significant (-0,13). Dit bete- kent dat grosso modo gemeenten die een negatief herverdeeleffect heb- ben, veel armere ouderen hebben, terwijl gemeenten die een positief her- verdeeleffect hebben, juist weinig arme ouderen hebben. De huidige inter- actieterm - percentage lage inkomens (ongeacht de leeftijd) vermenigvul- digd met aantal 65+ huishoudens - compenseert gemeenten met arme ouderen onvoldoende. De significante correlatie met het herverdeeleffect impliceert dat de lage inkomens bij 65+'ers een betere verdeelmaatstaf is dan de vigerende interactiemaatstaf. De ouderen met lage inkomens (als percentage van de totale bevolking) zijn afgebeeld in figuur 3.1. De hoog- ste percentages arme ouderen zijn vooral te vinden aan de randen van Nederland (zoals het noorden, Limburg en Zeeland).

3.2.4 Gezondheidsfactoren
De tweede helft van tabel 3.1 toont de factoren die gezondheid beogen meten. We zien positieve, significante verbanden tussen de WMO-uitgaven en aandeel mensen met chronische aandoeningen, gestandaardiseerde mortaliteit, aandeel lager opgeleiden, aantal malen contact met de huis- arts en de disfunctionaliteit OESO. Dit betekent dat gemeenten die hoge WMO-uitgaven hebben ook inwoners hebben die vaker naar de huisarts gaan en die relatief vaker met chronische aandoeningen, klachten, en dis- functies kampen. Deze gemeenten kennen tevens een groter aandeel lager opgeleiden en worden gekenmerkt door een relatief hoge gestandaardi- seerde mortaliteit.11

11 Het SCP constateert in het Advies over het macrobudget huishoudelijke WMO- hulp voor 2009 dat het beroep op de WMO afneemt naarmate het opleidingsni- veau toeneemt.
Ape 19

Figuur 3.1: Prevalentie lage inkomens bij 65+'ers

6 tot 11
5 tot 6

4 tot 5

2 tot 4

Bron: CBS (APE-bewerking)
De zelfrapportage van tevredenheid met het eigen leven heeft een nega- tief teken: hoe tevredener de inwoners van de gemeente gemiddeld zijn, hoe lager de WMO-uitgaven. We vinden geen significant effect van malai- seklachten. De correlatie met het herverdeeleffect is significant positief voor chronische aandoeningen, gestandaardiseerde mortaliteit, aandeel lager opgeleiden en in mindere mate voor tevredenheid met het leven.12

12 De factor malaiseklachten is ook significant gerelateerd aan het herverdeelef- fect, maar omdat deze variabele geen verband heeft met de WMO-uitgaven la- ten we deze verder buiten beschouwing.
20 Ape

Dit betekent dat gemeenten met een ongezondere, lager opgeleide bevol- king geld moeten toeleggen op de WMO, terwijl gemeenten met een ge- zondere bevolking geld overhouden aan de WMO. Toevoeging van gezond- heidsgerelateerde variabelen aan het model kunnen deze uitkomsten sterk verbeteren. Figuur 3.2 geeft de prevalentie van chronische aandoeningen grafisch weer. Het hart van Nederland heeft de laagste percentages men- sen met chronische aandoeningen. In het noorden, de Achterhoek, Lim- burg en Zeeland komen relatief chronische aandoeningen voor.

Figuur 3.2: Prevalentie van chronische aandoeningen (in %) 23 tot 35
21 tot 23
19 tot 21
12 tot 19

Bron: Vektis (APE-bewerking)
Ape 21


3.2.5 Intramuralisering

De aanwezige AWBZ-capaciteit houdt mogelijk verband met de mate waarin een beroep wordt gedaan op de WMO. Het aandeel ouderen in een geïnstitutionaliseerd huishouden in een gemeente heeft echter geen ver- band met de WMO-uitgaven (zie tabel 3.1). We zien wel dat het aantal verpleegbedden/plaatsen in verzorgingshuizen in een straal van 5 km of meer een positief, significant verband houdt met de uitgaven. Dit betekent dat gemeenten met veel verpleegbedden en/of plaatsen in verzorgingshui- zen per inwoner hogere WMO-uitgaven hebben. Uit de cijfers van AWBZ- besluiten over 2006 blijkt ook een positief verband tussen verblijf in een institutioneel huishouden en huishoudelijke hulp bij alle onderzochte ge- meenten (zie hiervoor bijlage B). Dit betekent dat er waarschijnlijk geen `uitruil' plaatsvindt tussen de AWBZ en de WMO, maar dat gemeenten met veel AWBZ-capaciteit ook hoge WMO-uitgaven kennen - mogelijk door hun bevolkingssamenstelling of omdat uit de WMO ook voorzieningen voor AWBZ-cliënten betaald worden. Een ondersteuning voor de eerstgenoemde verklaring biedt het feit dat de verpleegbedden/plaatsen eveneens signifi- cant gecorreleerd zijn met de lage inkomens bij 65+'ers en het aandeel laag opgeleiden.

Tabel 3.1 geeft verder aan dat het aantal personen van 65 jaar en ouder in institutionele huishoudens positief samenhangt met het herverdeelef- fect. Dit betekent dat in gemeenten met een positief herverdeeleffect bij de WMO meer ouderen in institutionele huishoudens wonen. Omdat we geen significante verbanden vinden tussen herverdeeleffecten en ver- pleegbedden/plaatsen, is het lastig dit effect te interpreteren.

3.2.6 Mantelzorgers
Ten slotte zien we in tabel 3.1 een significant negatief verband tussen de arbeidsparticipatie van vrouwen en de WMO-uitgaven. Dit betekent dat gemeenten met hogere uitgaven een lagere arbeidsparticipatiegraad van vrouwen hebben. Dit resultaat is in strijd met de gepostuleerde veronder- stellingen. De correlatie met het herverdeeleffect is positief en significant; dit betekent dat gemeenten die geld overhouden op de WMO een hoge ar- beidsparticipatie van vrouwen kennen. Ook dit resultaat is strijdig met de veronderstellingen. Blijkbaar is het niveau van arbeidsparticipatie van vrouwen geen adequate indicatie van de inzet van mantelzorgers. Dit re- sultaat wordt ondersteund door de resultaten van de in 2003 verschenen SCP-studie Mantelzorg in getallen.

22 Ape

3.3 Conclusies

In dit hoofdstuk hebben we de relatie tussen een aantal factoren - gerela- teerd aan gezondheid, lage inkomens, intramuralisering en mantelzor- gers - enerzijds en de WMO-uitgaven en herverdeeleffecten van de WMO anderzijds onderzocht. We hebben daarbij alle 443 gemeenten van Neder- land in de analyse betrokken. Op basis van de analyse komen we tot de volgende conclusies:
De gewichten die Cebeon heeft vastgesteld zijn niet optimaal. Gemeen- ten met negatieve herverdeeleffecten tellen minder eenpersoonshuis- houdens, meer uitkeringsontvangers en zijn minder stedelijk. Dit vraagt om een herijking van het objectieve verdeelmodel. Lage inkomens bij 65+ huishoudens is een betere maatstaf dan de in het verdeelmodel vigerende interactie tussen het percentage lage in- komens (ongeacht de leeftijd) en het aantal 65+ huishoudens. Ge- meenten met negatieve herverdeeleffecten hebben een relatief hoog aandeel 65+'ers met lage inkomens.
Gemeenten met negatieve herverdeeleffecten hebben een relatief on- gezondere bevolking. We zien deze effecten terug op een scala van factoren, zoals prevalentie van chronische aandoeningen, gestandaar- diseerde mortaliteit, aandeel lager opgeleiden, bezoek aan huisarts en tevredenheid met het eigen leven.
Het verdient sterke aanbeveling om in het verdeelmodel voor de WMO maatstaven op te nemen die recht doen aan de gezondheidsverschillen tussen de gemeenten. Dit type informatie wordt door ministerie van VWS ook gebruikt voor de middelenverdeling in het risicoverevenings- model voor de zorgverzekeraars.
Er bestaat een positief verband tussen het aantal bedden in een AWBZ- instelling en de uitgaven WMO. Dit is mogelijk terug te voeren op de samenstelling van de bevolking.
Er zijn geen eenduidige relaties te leggen met de gebruikte indicator voor de inzet van mantelzorgers.

Ape 23


4 VERGELIJKING MET REFERENTIEGEMEENTEN

4.1.1 Inleiding
In het vorige hoofdstuk is vastgesteld dat de gemeenten met negatieve herverdeeleffecten in het algemeen worden gekenmerkt door een onge- zondere bevolking, een groter aandeel lager opgeleiden (als indicator voor sociaal-economische gezondheidsverschillen), een groter aandeel 65+'ers met lage inkomens, minder eenpersoonshuishoudens, meer uitkeringsont- vangers en een lagere stedelijkheidsgraad (zie tabel 3.1).

De vraag is of dit ook geldt voor de 22 gemeenten die deelnemen aan het onderzoek. Deze vraag proberen we te beantwoorden door de betreffende gemeente steeds te vergelijken met vijf referentiegemeenten, die verge- lijkbaar zijn qua omvang, WMO-budget per inwoner, aandeel 65+'ers en stedelijkheid. We selecteren referentiegemeenten bij voorkeur uit de ande- re zorgkantoorregio's, waar het verdeelmodel neutraal of gunstig uitpakt. Per kenmerk inventariseren we hoe de betreffende gemeente scoort ten opzichte van de bijbehorende referentiegemeenten. We classificeren de gemeente als afwijkend ten opzichte van de referentiegemeente als de gemeente het meest extreem of op één na meest extreem scoort op het betreffende kenmerk. De tabellen met gegevens per (referentie)gemeente zijn opgenomen in bijlage C. We presenteren alleen die factoren die op landelijk niveau een significante correlatie vertonen met de WMO-uitgaven en de herverdeeleffecten, om toevallige effecten uit te sluiten. Deze facto- ren zijn: de lage inkomens van 65+'ers, chronische aandoeningen, ge- standaardiseerde mortaliteit, aandeel laag opgeleiden en tevredenheid met het leven.

4.1.2 Eenpersoonshuishoudens bij 65+'ers
In het vorige hoofdstuk is vastgesteld dat het gewicht van de eenper- soonshuishoudens bij 65+'ers te hoog is vastgesteld. Daardoor kampen gemeenten met weinig alleenstaande 65+'ers met negatieve herverdeelef- fecten. We vinden dat 10 van de 22 onderzocht gemeenten relatief weinig alleenstaande 65+'ers hebben (Berkelland, Bronckhorst, Brummen, Doetinchem, Lochem, Maastricht, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Sittard- Geleen en Winterswijk).

Ape 25

4.1.3 Uitkeringsontvangers

Uit de resultaten van het vorige hoofdstuk blijkt dat het gewicht van de uitkeringsontvangers te laag is vastgesteld. Gemeenten met veel uitke- ringsontvangers kunnen daardoor in de min raken. We vinden dat 11 van de 22 gemeenten relatief veel uitkeringsontvangers hebben ten opzichte van de referentiegemeenten (Berkelland, Doesburg, Doetinchem, Maas- tricht, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Sittard-Geleen, Wester- voort, Zevenaar en Zutphen).

4.1.4 Lage inkomens bij 65+'ers
Gemeenten met relatief veel arme ouderen ondervinden nadeel aan het objectief verdeelmodel WMO. We zien dat 11 gemeenten relatief veel lage inkomens bij 65+'ers tellen (Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Brummen, Duiven, Maasdriel, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zevenaar). De betreffende gemeenten hebben veelal een gemiddeld percentage lage inkomens in de totale bevolking (niet uitgesplitst naar leeftijdsklasse). Omdat de maatstaf in het huidige verdeelmodel gebaseerd is op de lage inkomens in de totale bevolking in plaats van lage inkomens bij ouderen, betekent dit dat de betreffende gemeenten nadeel ondervin- den aan het feit dat zij relatief veel arme ouderen hebben.

4.1.5 Gestandaardiseerde mortaliteit
Gestandaardiseerde mortaliteit is een van de indicatoren van gezondheid van de bevolking. 10 gemeenten hebben een hoge mortaliteit in vergelij- king met de referentiegemeenten (Doesburg, Maasdriel, Maastricht, Mont- ferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Sittard-Geleen, Westervoort, Win- terswijk en Zutphen).

4.1.6 Chronische aandoeningen
Een andere indicator van gezondheid is de prevalentie van chronische aandoeningen onder de bevolking. We vinden dat in 15 van de 22 onder- zochte gemeenten een hoog percentage mensen met chronische aandoe- ningen wonen (Aalten, Apeldoorn, Berkelland, Bronckhorst, Brummen, Doesburg, Doetinchem, Heerde, Maastricht, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Sittard-Geleen, Winterswijk en Zutphen).

26 Ape

4.1.7 Tevredenheid eigen leven

12 gemeenten hebben een laag percentage inwoners dat tevreden is met het eigen leven in vergelijking met de referentiegemeenten (Aalten, Ber- kelland, Bronckhorst, Brummen, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oude IJsselstreek, Sittard-Geleen, Westervoort, Winterswijk en Zutphen).

4.1.8 Lage opleiding
Het CBS beschikt alleen over gegevens over lage opleiding van de 391 grootste gemeenten; dit betekent dat de vergelijking van Doesburg en re- ferentiegemeenten niet mogelijk is. 11 van de 21 onderzochte gemeenten hebben een hoog percentage laag opgeleiden (Aalten, Doetinchem, Dui- ven, Epe, Lochem, Maasdriel, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Sittard-Geleen en Westervoort).

4.2 Conclusie
In dit hoofdstuk hebben we de betrokken 22 gemeenten vergeleken met een aantal referentiegemeenten. Deze referentiegemeenten hebben we gekozen op basis van gelijkenis op basis van inwonertal, WMO-budget per inwoner, stedelijkheid en aandeel 65+'ers in de totale bevolking. Vervol- gens vergelijken we de betrokken gemeenten met de referentiegemeenten op basis van een aantal factoren. We zien bij de betrokken 22 gemeenten grofweg dezelfde patronen terug als in de landelijke analyse. Een groot gedeelte van de betrokken gemeenten heeft een relatief ongezondere be- volking (gemeten op indicatoren als prevalentie chronische aandoeningen, gestandaardiseerde mortaliteit, en tevredenheid met het eigen leven). On- geveer de helft van de betrokken gemeenten heeft een groot aandeel laag opgeleiden en/of een groot aandeel ouderen met lage inkomens. Verder geldt dat ongeveer de helft van de betrokken gemeenten nadeel ondervin- den aan de niet-optimale vaststelling van de gewichten voor eenpersoons- huishoudens bij ouderen en de uitkeringsontvangers. Deze gemeenten hebben relatief veel uitkeringsontvangers (dit is in overeenstemming met de relatief ongezondere bevolking) en relatief weinig alleenstaande oude- ren.

Geen van de door ons onderzochte indicatoren is relevant voor alle 22 ge- meenten. Dit betekent dat er geen uniforme oorzaak ten grondslag ligt aan de negatieve herverdeeleffecten bij onderzochte gemeenten. Bij de Ape 27

meeste gemeenten geldt dat een combinatie van factoren het negatieve herverdeeleffect verklaart.

De gemeenten met de meest negatieve herverdeeleffecten per inwoner (Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Sittard-Geleen komen meer dan 30 euro per inwoner te kort), en scoren op ten minste drie van de door ons onderzochte indica- toren extreem ­ vooral op lage inkomens bij 65+'ers, prevalentie van chronische aandoeningen en percentage laag opgeleiden. Niet toevallig komen deze factoren ook uit de landelijke analyse in hoofdstuk 3 als het meest relevant naar voren. We verwachten daarom dat ten minste een deel van de negatieve herverdeeleffecten bij de meeste gemeenten ver- dwijnen als een aantal modelverbeteringen worden doorgevoerd. Bij mo- delverbeteringen denken we onder meer aan toevoeging van gezondheids- gerelateerde factoren, aan wijziging van de interactieterm in lage inko- mens bij 65+'ers, en aan opname van laag opgeleiden in het verdeelmo- del. Modelverbeteringen zijn essentieel voor een rechtvaardige verdeling van de WMO-middelen, zeker als in de toekomst nog meer delen van de AWBZ naar de WMO worden overgeheveld.

28 Ape

A BIJLAGE: BEPALING UITGAVEN
De WMO-uitgaven voor 2007 zijn een benadering van de werkelijke uitga- ven. We hebben de uitgaven als volgt bepaald. Uit de Junicirculaire 2007 nemen we uit de specificatie van de WMO uitkering13 de kolommen `netto HV indexatie naar 2007' en `PGB indexatie naar 2007'. Deelbedragen voor Coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg (CVTM), Diensten bij wonen met zorg (DBWMZ), Zorgvernieuwingsprojecten GGZ (ZVP), Vorming, Training en Advies (VTA), Besluit Bijdrage AWBZ Gemeenten (BBAG) en Collectieve preventie GGZ (CPGGZ) nemen we uit de Septembercirculaire 2006 Gemeentefonds14. In de Junicirculaire 2007 worden vervolgens enke- le deelbedragen gecorrigeerd (correctie bedrag CVTM, DBWMZ en ZVP GGZ, motie Mosterd). Deze gecorrigeerde bedragen ontvangen de ge- meenten extra ten opzichte van de in de Septembercirculaire 2006 be- paalde bedragen. We tellen alle bovengenoemde deelbedragen bij elkaar op om de totale uitgaven van 2007 te verkrijgen (1.375 mln. euro). Dit bedrag ligt boven het budget 2008 (1.349 mln. euro). Ook als we de uit- gaven 2007 verminderen met het `Volledig pakket thuis' (22,3 mln. euro, zie pag. 24 van de Junicirculaire), dan stemmen onze macro-uitgaven niet exact overeen met het macrobudget 2008. We hebben dit probleem opge- lost door de uitgaven van alle gemeenten te schalen naar het niveau van het macrobudget 2008 (schaalfactor is 0,98). Zodoende zijn macro- uitgaven en macrobudget aan elkaar gelijk gesteld. De consequentie is dat we de herverdeeleffecten (uitgaven 2007 minus budget 2008) die in de Junicirculaire genoemd zijn niet exact kunnen reconstrueren. De herver- deeleffecten in latere jaren kunnen bovendien geheel anders uitpakken.

De vraag is of de geïndexeerde uitgaven van 2005 die voor het bepalen van het objectief verdeelmodel gebruikt zijn overeenkomen met de werke- lijke uitgaven van 2007. Een aantal van de bij dit onderzoek betrokken gemeenten hebben de werkelijke uitgaven 2007 aan ons gestuurd; het re- sultaat daarvan is te zien in tabel A.1.15 Bij een aantal gemeenten komen de geïndexeerde uitgaven en de werkelijke uitgaven goed overeen (Apel- doorn, Bronckhorst, Duiven, Lochem, Oost Gelre, Sittard-Geleen, Wester- voort en Winterswijk). Bij een aantal gemeenten liggen de werkelijke uit-

13 Zie pag. 54 e.v. van de Junicirculaire 2007 Gemeentefonds. 14 Zie pag. 68 van de Septembercirculaire 2006 Gemeentefonds. 15 We hebben niet van alle gemeenten zorg in natura (huishoudelijke hulp) en PGB gesplitst ontvangen; indien wij van gemeenten slechts één bedrag hebben ontvangen, hebben wij dit ondergebracht in de kolom `netto zorg nat + pgb'. Ape 29

gaven 2007 lager dan de geïndexeerde uitgaven 2007 (Aalten, Doetin- chem, Epe, Maasdriel, Oude IJsselstreek, Voorst, Zevenaar en Zutphen). Mogelijk is dit het gevolg van scherp aanbesteden. Het resultaat (herver- deeleffect) per inwoner zal voor deze gemeenten gunstiger zijn dan in dit onderzoek wordt voorgesteld. In één gemeente liggen de werkelijke uitga- ven hoger dan de geïndexeerde uitgave (Brummen). Mogelijk heeft Brummen niet de netto uitgaven, maar bruto uitgaven opgegeven (inclu- sief eigen bijdragen).

Tabel A.1 : Overzicht uitgaven WMO 2007
Junicirculaire Opgave gemeenten Netto Netto Netto Zorg nat Netto zorg nat zorg nat PGB +PGB zorg nat PGB +PGB Aalten 3.216.504 291.835 3.508.339 2.908.539 263.817 3.172.356 Apeldoorn 12.855.477 1.418.231 14.273.708 14.319.369 Bronckhorst 3.980.391 269.335 4.249.726 4.060.051 Brummen 1.844.288 131.232 1.975.520 2.436.758 Doetinchem 6.311.456 544.630 6.856.086 5.186.287 529.596 5.715.883 Duiven 1.339.006 221.787 1.560.793 1.298.365 257.447 1.555.812 Epe 3.126.110 253.034 3.379.144 2.311.728 Lochem 3.107.582 318.314 3.425.896 3.419.613 Maasdriel 1.528.218 203.440 1.731.658 1.349.878 183.829 1.533.707 Maastricht 11.498.829 1.591.287 13.090.116 11.730.000 3.082.000 14.812.000 Oost Gelre 2.908.226 238.896 3.147.122 2.904.182 239.825 3.144.007 Oude IJsselstreek 4.272.509 444.821 4.717.330 3.795.102 486.068 4.281.170 Sittard-Geleen 10.569.843 1.796.612 12.366.455 8.827.922 3.858.049 12.685.971 Voorst 1.869.925 165.319 2.035.244 1.500.011 Westervoort 1.104.746 127.649 1.232.395 1.229.786 Winterswijk 3.398.302 231.870 3.630.172 3.348.000 Zevenaar 2.269.667 404.357 2.674.024 2.006.360 461.044 2.467.404 Zutphen 4.488.219 421.445 4.909.664 4.328.306

30 Ape

B BIJLAGE: VERHOUDING AWBZ EN WMO

De zorgbehoefte van mensen wordt uitgedrukt in zeven functies, waarbij een combinatie van functies mogelijk is. Deze functies zijn:
1. huishoudelijke verzorging;

2. persoonlijke verzorging;

3. verpleging;

4. ondersteunende begeleiding;

5. activerende begeleiding;

6. behandeling;

7. verblijf.

Functie 1, de huishoudelijke verzorging, is per 1 januari 2007 vanuit de AWBZ overgegaan naar de WMO; de overige functies komen voor rekening van de AWBZ. Huishoudelijke verzorging heeft alleen betrekking op het huishouden van de cliënt. Als de cliënt in een instelling verblijft, dan is de huishoudelijke verzorging onderdeel van de functie 7, verblijf. Een hypo- these is dat in de gemeenten met negatieve herverdeeleffecten het aantal cliënten dat huishoudelijke verzorging krijgt hoger ligt dan het landelijk gemiddelde, terwijl het aantal cliënten dat in een instelling verblijft, lager ligt dan het landelijk gemiddelde. Van een aantal gemeenten hebben wij de CIZ rapportages over de positieve AWBZ-besluiten 2006 ontvangen. In deze rapportage is het aantal positieve AWBZ-besluiten per 100.000 inwo- ners van een gemeente en van totaal Nederland gegeven, uitgesplitst naar zorgfunctie (tabel 18 in CIZ rapportage). We hebben het aantal positieve AWBZ-besluiten per 100.000 inwoners van de gemeente gedeeld op het aantal positieve AWBZ-besluiten per 100.000 inwoners van totaal Neder- land, onderscheiden naar de functies huishoudelijke verzorging en verblijf. Deze getallen zijn weergegeven in tabel B.1. Voor Aalten bijvoorbeeld be- tekent dit dat het aantal besluiten huishoudelijke verzorging 1,4 keer va- ker gegeven wordt dan landelijk, en het aantal besluiten verblijf 1,2 keer vaker gegeven wordt dan landelijk.

Uit tabel b.1 blijkt dat in veel gemeenten meer positieve besluiten huis- houdelijke verzorging genomen worden dan landelijk. Dit geldt niet voor de besluiten over verblijf, die naar het landelijk niveau tenderen. Een mo- gelijke verklaring hiervoor is dat de indicatiestellers `soepeler' zijn in de betrokken gemeenten bij toewijzing van huishoudelijke verzorging. Ge- meenten waar de besluiten huishoudelijke zorg hoger (lager) liggen dan landelijk, hebben ook meer (minder) besluiten verblijf dan landelijk. Dit betekent dat er een positief verband bestaat tussen de besluiten huishou- Ape 31

delijke zorg en verblijf. Dit duidt niet op een `uitruil' tussen de WMO en AWBZ. Eerder lijkt er een gemeenschappelijke oorzaak te zijn voor de ho- ge aanspraak op huishoudelijke verzorging en verblijf in een instelling. De- ze oorzaak zou algehele ongezondheid van de bevolking kunnen zijn.

Tabel B.1: Verhouding AWBZ-besluiten over 2006 van gemeente t.o.v. to- taal Nederland
Huishoudelijke verzorging Verblijf (functie 1)a (functie 7)a Aalten 1,4 1,2 Apeldoorn 1,2 1,1 Berkelland 1,3 1,0 Bronckhorst 1,3 1,1 Brummen 1,2 1,0 Deventer 0,7 0,7 Doetinchem 1,3 1,0 Duiven 0,9 0,7 Epe 1,2 1,0 Heerde 1,1 1,0 Lochem 0,9 0,7 Maasdriel 0,8 1,0 Montferland 1,0 0,8 Oost Gelre 1,3 0,8 Oude IJsselstreek 1,4 1,0 Voorst 1,2 1,1 Zevenaar 1,0 0,9 Zutphen 0,8 0,7 a Aantal positieve besluiten per 100.000 inwoners gemeente / aantal positieve besluiten per 100.000 inwoners totaal Nederland

32 Ape

C BIJLAGE: GEMEENTEN EN REFERENTIEGEMEENTEN

Tabel C.1 geeft de gegevens van de gemeente en de referentiegemeenten. We hebben daarbij de onderstaande afkortingen gebruikt: Gemeente Gemeente
Bevolking Aantal inwoners 2007
Sted Stedelijkheid; 1=zeer stedelijk, 5=landelijk Budget p. inw Budget WMO per inwoner 2008 HVE p. inw Herverdeeleffect WMO per inwoner 2008 EPHH 65+ Aandeel eenpersoonshuishoudens van 65+'ers UO Uitkeringsontvangers
Lage ink Aandeel lage inkomens
Lage ink 65+ Aandeel lage inkomens bij 65+'ers SMR Gestandaardiseerde mortaliteit Tevr Zelfrapportage tevredenheid eigen leven Chron aand Aandeel chronische aandoeningen Lage opl Aandeel lager opgeleiden 15-64 jaar

Ape 33

Tabel C.1: Vergelijking gemeente met referentiegemeenten

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand Franekeradeel 20571 4 0.15 96 28 0.049 0.068 0.141 0.061 0.99 0.41 0.235 0.389 Opsterland 29583 5 0.15 86 9 0.044 0.067 0.125 0.054 0.86 0.44 0.206 0.370 Ermelo 26305 4 0.17 92 0 0.051 0.074 0.110 0.042 1.01 0.43 0.221 0.354 Aalten 27570 4 0.16 91 -42 0.048 0.061 0.129 0.065 0.96 0.40 0.240 0.390 Noordwijk 24700 3 0.15 87 13 0.048 0.069 0.130 0.051 0.98 0.39 0.206 0.321 Valkenswaard 30908 3 0.17 87 16 0.053 0.065 0.131 0.060 1.04 0.45 0.232 0.397

Deventer 96617 2 0.14 88 11 0.046 0.074 0.140 0.053 1.04 0.42 0.209 0.310 Enschede 154476 2 0.14 97 -5 0.051 0.085 0.165 0.059 1.17 0.44 0.213 0.323 Apeldoorn 155564 2 0.16 91 -9 0.051 0.069 0.132 0.055 1.01 0.43 0.216 0.312 Arnhem 142569 2 0.13 90 4 0.048 0.074 0.180 0.052 1.16 0.43 0.194 0.320 Nijmegen 160907 2 0.13 87 17 0.050 0.066 0.172 0.053 1.06 0.43 0.207 0.243 Eindhoven 209699 2 0.16 96 34 0.056 0.070 0.161 0.056 1.03 0.45 0.222 0.289

Berkelland 45213 4 0.17 80 -44 0.046 0.066 0.113 0.058 0.94 0.40 0.234 0.327 Castricum 34863 3 0.18 75 17 0.053 0.058 0.093 0.043 0.86 0.43 0.198 0.270 Heemskerk 38006 2 0.17 82 28 0.050 0.064 0.113 0.043 1.14 0.43 0.210 0.363 Oisterwijk 25743 4 0.17 78 23 0.048 0.059 0.105 0.054 0.96 0.46 0.231 0.294 Waalwijk 45667 3 0.15 77 -4 0.043 0.065 0.120 0.057 0.98 0.46 0.245 0.399 Geldrop-Mierlo 37823 3 0.16 77 6 0.051 0.064 0.116 0.050 1.06 0.45 0.194 0.365

34 Ape

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand Hof van Twente 35137 4 0.18 86 5 0.053 0.059 0.104 0.053 1.01 0.44 0.221 0.354 Bronckhorst 37788 5 0.18 83 -35 0.049 0.058 0.105 0.056 0.93 0.40 0.238 0.346 Soest 45360 3 0.16 87 16 0.058 0.063 0.116 0.050 0.94 0.45 0.201 0.270 Heemskerk 38006 2 0.17 82 28 0.050 0.064 0.113 0.043 1.14 0.43 0.210 0.363 Maassluis 31567 2 0.15 85 5 0.051 0.060 0.127 0.049 1.00 0.41 0.223 0.408 Valkenswaard 30908 3 0.17 87 16 0.053 0.065 0.131 0.060 1.04 0.45 0.232 0.397

Opsterland 29583 5 0.15 86 9 0.044 0.067 0.125 0.054 0.86 0.44 0.206 0.370 Brummen 21229 4 0.17 84 -19 0.048 0.063 0.111 0.059 1.00 0.40 0.220 0.351 Heiloo 21979 3 0.20 83 18 0.057 0.059 0.098 0.048 0.76 0.43 0.198 0.185 Hillegom 20295 3 0.16 82 25 0.049 0.063 0.126 0.059 1.21 0.39 0.209 0.387 Vught 25239 3 0.17 85 13 0.051 0.068 0.109 0.052 1.24 0.45 0.214 0.296 Heeze-Leende 15153 4 0.17 83 11 0.042 0.061 0.086 0.043 0.91 0.45 0.183 0.278

Ferwerderadiel 8894 5 0.14 88 21 0.040 0.064 0.129 0.062 0.86 0.41 0.201 Olst-Wijhe 17327 5 0.15 81 0 0.043 0.069 0.101 0.058 0.85 0.42 0.201 0.284 Doesburg 11593 4 0.14 85 -30 0.046 0.082 0.138 0.060 1.08 0.43 0.239 0.383 Millingen aan de 5866 4 0.14 83 8 0.042 0.058 0.119 0.060 0.96 0.43 0.241 Rijn
Beemster 8476 4 0.15 85 27 0.046 0.065 0.100 0.053 0.79 0.40 0.174 Haaren 13772 5 0.15 82 7 0.035 0.076 0.094 0.040 1.03 0.45 0.210 0.294

Ape 35

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand Assen 64391 3 0.14 87 8 0.045 0.075 0.144 0.051 1.02 0.42 0.208 0.255 Doetinchem 56238 3 0.15 91 -39 0.048 0.078 0.133 0.056 1.01 0.40 0.236 0.358 Utrechtse Heu- 48846 4 0.20 94 14 0.062 0.058 0.106 0.050 0.95 0.45 0.211 0.292 velrug
Den Helder 58227 2 0.15 89 -8 0.050 0.077 0.160 0.057 1.05 0.44 0.244 0.368 Velsen 67635 2 0.17 94 23 0.058 0.065 0.124 0.058 1.00 0.43 0.214 0.339 Purmerend 77955 2 0.14 86 0 0.049 0.079 0.127 0.050 1.02 0.40 0.213 0.308

Beuningen 25231 4 0.12 54 2 0.033 0.055 0.101 0.044 1.07 0.43 0.193 0.378 Duiven 25605 3 0.12 55 -10 0.035 0.055 0.090 0.043 0.86 0.43 0.180 0.337 Wijk bij Duurste- 23366 3 0.10 50 9 0.031 0.057 0.083 0.032 0.92 0.45 0.183 0.287 de
Langedijk 25934 4 0.12 55 -4 0.032 0.056 0.094 0.040 0.80 0.43 0.157 0.326 Albrandswaard 21523 4 0.13 52 9 0.034 0.048 0.077 0.033 0.90 0.41 0.175 0.295 Best 29006 3 0.13 56 8 0.035 0.056 0.093 0.041 0.91 0.45 0.197 0.288

Dongeradeel 24857 5 0.16 99 29 0.046 0.073 0.143 0.062 0.95 0.41 0.242 0.355 Ooststellingwerf 26224 5 0.17 98 18 0.053 0.072 0.133 0.063 1.00 0.44 0.230 0.356 Epe 32989 4 0.18 95 -13 0.055 0.065 0.112 0.056 0.88 0.43 0.236 0.394 Bergen (NH.) 31332 4 0.21 92 27 0.062 0.069 0.123 0.059 0.89 0.43 0.210 0.267 Maasgouw 24497 5 0.18 95 -5 0.047 0.088 0.120 0.061 0.96 0.40 0.243 0.326 Landgraaf 38866 3 0.17 102 1 0.053 0.106 0.149 0.063 1.15 0.40 0.264 0.404

36 Ape

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand het Bildt 10963 5 0.15 90 24 0.047 0.065 0.141 0.064 0.90 0.41 0.218 0.455 Dantumadeel 19461 5 0.15 91 6 0.046 0.076 0.123 0.064 1.11 0.41 0.255 0.425 Heerde 18013 4 0.17 88 -5 0.046 0.061 0.111 0.061 0.95 0.43 0.238 0.385 Schagen 19083 3 0.16 88 14 0.047 0.069 0.126 0.047 1.15 0.44 0.190 0.339 Middelharnis 17792 4 0.16 90 2 0.046 0.056 0.115 0.056 1.10 0.41 0.236 0.368 Alblasserdam 18666 3 0.17 91 9 0.054 0.044 0.123 0.067 1.05 0.43 0.205 0.410

Tynaarlo 31731 5 0.19 91 6 0.055 0.061 0.120 0.063 0.96 0.42 0.230 0.226 Lochem 32832 4 0.21 92 -25 0.055 0.060 0.102 0.056 0.88 0.40 0.217 0.274 Utrechtse Heu- 48846 4 0.20 94 14 0.062 0.058 0.106 0.050 0.95 0.45 0.211 0.292 velrug
Bergen (NH.) 31332 4 0.21 92 27 0.062 0.069 0.123 0.059 0.89 0.43 0.210 0.267 Bloemendaal 17028 3 0.21 89 19 0.065 0.042 0.076 0.041 0.77 0.39 0.193 0.231 Wassenaar 25608 3 0.22 95 24 0.077 0.036 0.094 0.053 0.81 0.42 0.218 0.268

Zuidhorn 18465 5 0.13 67 11 0.034 0.053 0.106 0.043 1.05 0.42 0.205 0.327 Littenseradiel 10850 5 0.12 70 27 0.035 0.049 0.106 0.046 1.04 0.41 0.199 0.315 Druten 18114 4 0.12 68 5 0.030 0.069 0.110 0.047 1.00 0.43 0.195 0.355 Maasdriel 23514 5 0.13 69 -8 0.036 0.061 0.100 0.051 1.18 0.44 0.206 0.455 Drimmelen 26575 4 0.14 70 3 0.039 0.062 0.100 0.053 0.98 0.45 0.223 0.368 Boxmeer 28726 4 0.14 70 4 0.040 0.072 0.101 0.050 1.02 0.45 0.223 0.342

Ape 37

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand Haarlem 146960 5 0.15 102 27 0.060 0.075 0.162 0.059 1.03 0.39 0.208 0.286 Amstelveen 78945 2 0.19 98 33 0.071 0.055 0.124 0.054 0.86 0.40 0.210 0.227 Hilversum 83669 2 0.18 106 16 0.064 0.064 0.149 0.061 0.90 0.49 0.225 0.305 Vlaardingen 71461 5 0.18 113 16 0.065 0.057 0.170 0.073 0.96 0.41 0.235 0.354 Heerlen 90537 2 0.18 127 5 0.068 0.105 0.195 0.076 1.15 0.40 0.279 0.414 Maastricht 119038 2 0.17 109 -14 0.061 0.087 0.170 0.068 1.10 0.40 0.254 0.318

Raalte 37311 4 0.15 73 3 0.041 0.058 0.102 0.048 0.88 0.42 0.191 0.283 Montferland 35054 4 0.16 74 -36 0.039 0.076 0.111 0.053 1.09 0.40 0.235 0.435 Medemblik 26569 5 0.13 73 7 0.037 0.080 0.111 0.047 0.93 0.44 0.196 0.380 Uithoorn 26977 3 0.16 72 29 0.048 0.055 0.098 0.046 0.82 0.40 0.202 0.268 Boxtel 30001 3 0.14 75 0 0.041 0.071 0.115 0.052 1.11 0.45 0.208 0.385 Deurne 31841 4 0.15 72 -2 0.038 0.072 0.107 0.055 1.05 0.45 0.200 0.376

Oost Gelre 29853 4 0.15 72 -51 0.039 0.062 0.117 0.055 1.12 0.40 0.229 0.371 Aalsmeer 25019 4 0.15 73 19 0.045 0.051 0.096 0.048 0.92 0.40 0.189 0.387 Uithoorn 26977 3 0.16 72 29 0.048 0.055 0.098 0.046 0.82 0.40 0.202 0.268 Lisse 21975 3 0.15 73 20 0.049 0.049 0.109 0.052 0.92 0.39 0.187 0.298 Borsele 22387 5 0.14 73 2 0.043 0.047 0.105 0.049 0.77 0.36 0.180 0.327 Eersel 18041 5 0.16 72 11 0.040 0.066 0.094 0.039 0.92 0.45 0.192 0.314

38 Ape

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand Assen 64391 3 0.14 87 8 0.045 0.075 0.144 0.051 1.02 0.42 0.208 0.255 Hof van Twente 35137 4 0.18 86 5 0.053 0.059 0.104 0.053 1.01 0.44 0.221 0.354 Oude IJssel- 40068 4 0.16 86 -36 0.044 0.066 0.125 0.061 1.18 0.40 0.248 0.422 streek
Soest 45360 3 0.16 87 16 0.058 0.063 0.116 0.050 0.94 0.45 0.201 0.270 Capelle aan den 65374 2 0.14 83 12 0.050 0.058 0.138 0.054 1.00 0.41 0.208 0.329 IJssel
Valkenswaard 30908 3 0.17 87 16 0.053 0.065 0.131 0.060 1.04 0.45 0.232 0.397

Leeuwarden 92342 2 0.15 104 14 0.057 0.067 0.181 0.056 1.04 0.414 0.223 0.305 Zeist 60326 3 0.17 109 24 0.061 0.074 0.138 0.055 1.01 0.447 0.209 0.287 Hilversum 83669 2 0.18 106 16 0.064 0.064 0.149 0.061 0.90 0.485 0.225 0.305 Leidschendam- 72824 5 0.20 106 32 0.073 0.051 0.138 0.058 0.91 0.424 0.227 0.268 Voorburg
Vlissingen 45023 2 0.17 105 -3 0.063 0.061 0.167 0.064 0.88 0.364 0.230 0.345 Sittard-Geleen 96245 3 0.17 105 -34 0.057 0.101 0.153 0.060 1.11 0.399 0.239 0.363

Franekeradeel 20571 4 0.15 96 28 0.049 0.068 0.141 0.061 0.99 0.414 0.235 0.389 Ermelo 26305 4 0.17 92 0 0.051 0.074 0.110 0.042 1.01 0.429 0.221 0.354 Voorst 23510 4 0.17 92 -8 0.044 0.067 0.111 0.057 0.93 0.429 0.212 0.360 Enkhuizen 17826 3 0.14 91 0 0.047 0.087 0.146 0.056 0.85 0.437 0.206 0.397 Alblasserdam 18666 3 0.17 91 9 0.054 0.044 0.123 0.067 1.05 0.429 0.205 0.410 Gorinchem 34288 2 0.15 93 18 0.051 0.068 0.146 0.063 1.14 0.429 0.219 0.431 Ape 39

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand Wymbritseradiel 16163 5 0.13 61 16 0.037 0.048 0.111 0.049 0.78 0.381 0.181 0.295 Westervoort 15599 3 0.11 62 -29 0.034 0.066 0.106 0.038 0.99 0.430 0.188 0.424 Vianen 19688 4 0.13 58 3 0.033 0.060 0.094 0.041 0.91 0.447 0.196 0.368 Boskoop 15223 4 0.13 62 -5 0.038 0.039 0.099 0.046 1.03 0.479 0.169 0.313 Nieuwkoop 26987 5 0.12 59 22 0.033 0.054 0.100 0.044 0.94 0.479 0.163 0.409 Oirschot 17852 4 0.15 60 8 0.041 0.052 0.098 0.050 0.92 0.453 0.196 0.300

Dongeradeel 24857 5 0.16 99 29 0.046 0.073 0.143 0.062 0.95 0.41 0.242 0.355 Sneek 33106 3 0.16 102 39 0.052 0.070 0.160 0.060 1.10 0.38 0.207 0.355 Ooststellingwerf 26224 5 0.17 98 18 0.053 0.072 0.133 0.063 1.00 0.44 0.230 0.356 Winterswijk 29249 3 0.17 100 -25 0.049 0.066 0.138 0.067 1.04 0.40 0.244 0.353 Beverwijk 36835 2 0.17 100 4 0.058 0.072 0.148 0.064 0.97 0.43 0.236 0.378 Sliedrecht 23774 2 0.16 107 19 0.056 0.064 0.139 0.067 1.03 0.43 0.238 0.379

Opsterland 29583 5 0.15 86 9 0.044 0.067 0.125 0.054 0.86 0.443 0.206 0.370 Zevenaar 31884 3 0.16 81 -9 0.048 0.070 0.125 0.056 1.01 0.430 0.211 0.348 Heemskerk 38006 2 0.17 82 28 0.050 0.064 0.113 0.043 1.14 0.429 0.210 0.363 Hillegom 20295 3 0.16 82 25 0.049 0.063 0.126 0.059 1.21 0.393 0.209 0.387 Voorschoten 22785 2 0.19 79 17 0.059 0.040 0.101 0.044 0.73 0.393 0.214 0.270 Oisterwijk 25743 4 0.17 78 23 0.048 0.059 0.105 0.054 0.96 0.462 0.231 0.294

40 Ape

Budget HVE EPHH Lage ink Chron Gemeente Bevolking Sted 65+ UO Lage ink SMR Tevr Lage opl p. inw p. inw 65+ 65+ aand Smallingerland 54956 3 0.16 98 9 0.048 0.073 0.152 0.059 0.97 0.443 0.228 0.349 Assen 64391 3 0.14 87 8 0.045 0.075 0.144 0.051 1.02 0.420 0.208 0.255 Zutphen 46635 3 0.14 92 -24 0.049 0.084 0.145 0.053 1.06 0.395 0.216 0.329 Soest 45360 3 0.16 87 16 0.058 0.063 0.116 0.050 0.94 0.447 0.201 0.270 Dordrecht 118541 2 0.14 91 -1 0.051 0.060 0.155 0.058 0.98 0.429 0.209 0.344 Zwijndrecht 44400 2 0.18 94 0 0.058 0.050 0.132 0.062 0.91 0.429 0.211 0.354

Ape 41


---- --
3 september 2008

Rijk vergeet chronisch zieken en arme ouderen

Chronisch zieken en ouderen met een minimum inkomen tellen niet mee bij de verdeling van Rijksgelden voor de Wet maatschappelijke ondersteuning. Dat blijkt uit een onderzoek van Ape namens 22 gemeenten in Nederland.

Met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2007 werden gemeenten verantwoordelijk voor een groot deel van de zorg. Gemeenten krijgen hiervoor geld van het Rijk. De verdeling vindt sinds kort plaats op basis van een in opdracht van het Rijk ontwikkeld 'objectief verdeelmodel'.

Daarbij houdt het Rijk vooral rekening met de bevolkingssamenstelling van een gemeente. De leeftijdsopbouw en het aantal ouderen speelt een rol, maar ook het aantal allochtonen en uitkeringsgerechtigden, met uitzondering van de bijstand. Het percentage lage inkomens wordt ook meegewogen, net als het aantal bedden in verpleeghuizen, gehandicapten en instellingen voor Geestelijke Gezondheidszorg waarvoor het Rijk verantwoordelijk is. Daarnaast speelt de mate van 'stedelijkheid' een niet onbelangrijke rol. Hoe meer huishoudens er per vierkante kilometer wonen, des te minder geld krijgt zo'n gemeente.

Onafhankelijk onderzoek door bureau Ape, in opdracht van 22 gemeenten, toont nu aan dat de zorgvraag slechts van een beperkt deel van deze factoren afhankelijk is. Factoren die een veel belangrijkere rol spelen bij die zorgvraag blijken geheel vergeten of op een verkeerde manier in het financieringsmodel te zijn verwerkt.

Uit het onderzoek blijkt dat juist in gemeenten waar relatief veel mensen naar de huisarts gaan, het sterftecijfer relatief hoog ligt en veel chronisch zieken wonen, de zorgvraag het hoogst is. Ook het opleidingsniveau blijkt van invloed op de zorg die mensen nodig hebben, evenals de mate waarin mensen tevreden zijn met hun leven.

In het verdeelmodel van het Rijk wordt het aantal uitkeringsgerechtigden apart meegewogen, net als het aantal huishoudens van 65-plussers. Daarmee ontvangt bijvoorbeeld een gemeente met relatief veel jonge uitkeringsgerechtigden, die verder geen hulp via de Wmo nodig hebben en welgestelde ouderen die ook volwaardig kunnen meedoen, hier relatief veel geld voor. Gemeenten met minder jonge uitkeringsgerechtigden, maar relatief veel 65-plussers die van een laag inkomen moeten rondkomen en in de praktijk de groep vormen die het meest een beroep op de Wmo doet, komen er in dit systeem juist bekaaid af.

Ook blijken gemeenten met een relatief ongezonde bevolking, waar de vraag naar zorg in de regel het grootst is, in veel gevallen juist minder geld van het Rijk te krijgen. Dat gaat nu naar gemeenten met relatief rijke en gezonde ouderen en jonge uitkeringsgerechtigden.

Het verdeelmodel van het Rijk blinkt volgens de onderzoekers bovendien uit in ondoorzichtigheid en is gebrekkig gedocumenteerd.

De 22 gemeenten die opdracht gaven voor het onderzoek zijn blij met de analyse van Ape. Zij hopen dat het kabinet op basis van deze analyse en een dit najaar verwacht advies van het SCP tot een nieuw verdeelmodel komt waarbij de zorg die mensen nodig hebben centraal staat. Volgens deze gemeenten moet niet de bevolkingssamenstelling bepalend zijn, maar de gezondheidssituatie van hun inwoners. Alleen dan komt de hulp ook daar terecht waar die het hardst nodig is.

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeenten: Aalten, Apeldoorn, Berkelland, Bronckhorst, Brummen, Doesburg, Doetinchem, Duiven, Epe, Heerde, Lochem, Maasdriel, Maastricht, Montferland, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek, Sittard-Geleen, Voorst, Westervoort, Winterswijk, Zevenaar en Zutphen.

Het onderzoeksrapport is vanaf woensdag 3 september 14.00 uur te downloaden op: www.doetinchem.nl




Gemeente Berkelland