Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Nota n.a.v. het verslag Voorstel aanpassing LNV-wetgeving ivm Kaderwet ZBO (31 809 nr. 4)

07 april 2009 - kamerstuk

Wetsvoorstel ter aanpassing van LNV-wetgeving in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kamerstukken II 2008/09, 31 809, nr. 2)

Nota naar aanleiding van het verslag
Met belangstelling heb ik kennis genomen van de opmerkingen en vragen van de fractie van de VVD in het verslag van 18 februari 2009. Het verheugt mij daarnaast te kunnen constateren dat er brede steun is voor het voorliggende wetsvoorstel. De vragen die het wetsvoorstel heeft opgeroepen bij eerdergenoemde fractie, zal ik in het onderstaande graag beantwoorden. Bij de beantwoording van de vragen houd ik zoveel mogelijk de volgorde van de indeling van het verslag aan.
Landbouwkwaliteitswet
De leden van de VVD-fractie hebben vastgesteld dat als gevolg van de voorgestelde wijzigingen in de Landbouwkwaliteitswet enkele bepalingen komen te vervallen, en enkele bepalingen in overeenstemming worden gebracht met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. In dat verband hebben deze leden ook vastgesteld dat deze aanpassingen ook gevolgen kunnen hebben voor de statuten en reglementen van de controle-instellingen. Naar aanleiding daarvan vragen de leden van de VVD-fractie zich af wat de gevolgen zijn voor de statuten en reglementen, en of dit problemen kan opleveren.
Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in de intrekking van een aantal bepalingen van de Landbouwkwaliteitswet omdat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen voorziet in bepalingen van gelijke strekking. Dit heeft tot gevolg dat verwijzingen naar de desbetreffende artikelen in statuten en reglementen zullen moeten worden aangepast. Naar verwachting zal dit geen problemen opleveren. De bepalingen die in de Landbouwkwaliteitswet vervallen, vervallen omdat deze gelijkluidend zijn aan de bepalingen in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, inhoudelijk leidt dit dus niet tot veranderingen.
Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Groningse-Drentse Veenkoloniën en de Reconstructiewet Midden-Delfland
Bij de intrekking van bovengenoemde wetten, is voorzien in overgangsrecht op grond waarvan zonodig bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld voor een goede uitvoering van het herinrichtingsplan, dan wel het plan van voorzieningen. De leden van de VVD-fractie vragen zich af of dit noodzakelijk is. Daarnaast vragen zij zich af of hier thans uitvoering aan wordt gegeven.
Het plan van voorzieningen is de basis van de realisatie van de reconstructie van Midden-Delfland, en het herinrichtingsplan is de basis van de herinrichting van Oost-Groningen en de Gronings- Drentse Veenkoloniën. De uitvoering van deze plannen bevindt zich in de laatste fase. Er zijn echter op grond van beide wetten nog besluiten die in het kader van de plannen moeten worden genomen. Zo zijn er bijvoorbeeld blokken waarvoor de Lijst der Geldelijke Regelingen nog moet worden vastgesteld. Ten behoeve van de afronding van de uitvoering van het plan van voorzieningen en het herinrichtingsplan, is in het wetsvoorstel als overgangsrecht opgenomen, dat de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën van toepassing blijft op de uitvoering van het herinrichtingsplan, en dat de Reconstructiewet Midden-Delfland van toepassing blijft op de uitvoering van het reconstructieplan. Een gelijkluidende bepaling is destijds ten behoeve van de afronding van landinrichtingsprojecten op grond van de Landinrichtingswet opgenomen in de Wet inrichting landelijk gebied. Voor zover het overgangsrecht zoals in dit voorstel opgenomen niet volstaat, kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen. Thans wordt daar nog geen uitvoering aangegeven.
Voorts constateren de leden van de VVD-fractie dat de wetten die naar de met dit voorstel in te wetten verwijzen, afhankelijk van de voortgang van de herinrichting respectievelijk de reconstructie, worden aangepast. Zij vragen zich af of duidelijkheid gegeven kan worden of dit daadwerkelijk noodzakelijk is. Tevens vragen de leden van de VVD-fractie zich af wat deze aanpassingen dan zullen zijn.
Om wetgeving actueel te houden en om "loze" verwijzingen te vermijden, worden, wanneer de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën en Reconstructiewet Midden-Delfland zijn ingetrokken, de wetten waarin naar deze ingetrokken wetten wordt verwezen, gewijzigd. Aangezien de uitvoering van de plannen nog niet is afgerond, is besloten dit in een later stadium te doen.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,

G. Verburg