Universiteit Leiden

Hoe genen hergebruikt worden

Geringe wijzigingen in genen kunnen voor grote diversiteit zorgen. Met een Vidi-beurs onderzoekt Patrícia Beldade hoe bestaande genetische `schakelingen' voor de ontwikkeling van organismen evolueren en bijdragen aan het ontstaan van nieuwe eigenschappen zoals kleurpatronen op vlindervleugels.

Evo-Devo

Bicyclus anynana, tropisch zandoogje

Het vakgebied waarin Beldade werkzaam is, is het zogenoemde Evo-Devo. Dat staat voor Evolutionary Developmental Biology, die de twee vakgebieden evolutie- en ontwikkelingsbiologie met elkaar verenigt. Tot voor kort waren die twee werelden strikt gescheiden, nadat ze vanaf het begin van de twintigste eeuw uit elkaar waren gegroeid. Volgens Beldade moet een onderzoeker beide processen van evolutie en ontwikkeling beheersen om te kunnen begrijpen hoe verschillen tussen individuen van één soort kunnen ontstaan.

Genotype en fenotype

Dr. Patrícia Beldade

Het genotype is de verzameling eigenschappen opgeslagen in de genen, die een individu heeft geërfd van beide ouders. Het genotype wordt vertaald naar het fenotype, de verschillende kenmerken, zoals uiterlijk en gedrag. Als organismen zich voortplanten treden er af en toe verandering op in het genotype door spontane mutaties in het DNA. Soms leidt dit tot nieuwe fenotypen die er voor zorgen dat het organisme in een bepaalde omgeving meer nageslacht kan produceren. De nakomelingen erven het nieuwe fenotype. Daardoor zijn zij ook weer succesvoller. Dit proces heet natuurlijke selectie en is samen met spontane mutatie een van de drijfveren achter de evolutie.

Vlindervleugels
Volgens Beldade zijn vlindervleugels uitstekend geschikt om de interactie tussen evolutionaire en ontwikkelingsprocessen die verantwoordelijk zijn voor de variatie van uiterlijke kenmerken, te bestuderen. Tijdens de embryonale ontwikkeling `verwerft' de cel informatie over waar deze zich in het organisme bevindt. Die positie is bepalend voor hoe de cel zich ontwikkelt. In vlindervleugels bepaalt de positie van de schubcellen welke kleur deze later zal aannemen. Vlinders zijn bovendien aantrekkelijk voor experimenten, omdat ze zeer variabel zijn en makkelijk te manipuleren. Stukjes weefsel zijn eenvoudig te verplaatsen, zodat je de ontwikkeling kan leren begrijpen.

Mutaties
De vlindersoort waarmee Beldade werkt is de Afrikaanse vlinder Bicyclus anynana, tropisch zandoogje. Het Instituut Biologie Leiden (IBL) beschikt al over verschillende spontane mutanten van deze vlindersoort. Door op te sporen welke genen in deze mutanten gemuteerd zijn, kan ze inzicht verkrijgen in de oorsprong van nieuwe fenotypen. Tijdens de evolutie kunnen dezelfde genen in onafhankelijke evolutionaire lijnen zo evolueren dat ze verschillende rollen in de ontwikkeling gaan spelen. Bovendien kan in een enkel individu een gen op verschillende plaatsen in het organisme of op verschillende tijdstippen tijdens de ontwikkeling een andere rol gaan vervullen. Relatief simpele veranderingen in genen die een rol spelen in de ontwikkeling van een individu uit een enkele bevruchte eicel naar een volwassen organisme, staan aan de basis van de evolutie van nieuwe eigenschappen. Bijvoorbeeld de veren van vogels of de kleurschubben voor de oogvlekken op vlindervleugels.

Embryo-ontwikkeling
Beldade probeert de genetische en ontwikkelingsmechanismen te achterhalen die een rol spelen in de evolutie van nieuwe fenotypen door mutatie en natuurlijke selectie. Hoe gebruikt een organisme de nieuw verworven functie van de genen, en hoe leren oude genen nieuwe trucs? De genen die bijvoorbeeld bij fruitvliegen de beharing of de kleur van de ogen regelen, zorgen bij vlinders voor de schubben op de vleugels of de kleur van de vleugels. Er is een overeenkomst tussen overerfde processen, zoals de heling van wonden die bij alle organisme min of meer hetzelfde is, en de processen die leiden tot de vorming van evolutionaire innovaties, zoals het kleurpatroon op vlindervleugels. Beldade kijkt naar veranderingen in zowel de embryo-ontwikkeling als het kleurpatroon. Ze gebruikt de kennis over de genetische paden betrokken bij de embryonale ontwikkeling en wondheling om te begrijpen hoe het onderliggende netwerk kan worden veranderd om nieuwe paden in te slaan.

Kleurpatronen
Het is moeilijk de kleurpatronen in verband te brengen met ontwikkelingen bij andere organismen, omdat ze daar niet voorkomen. Maar door ze te kunnen linken aan ontwikkelingen in het embryo, brengt dat wel een stap dichterbij. Door te kijken naar hoe een specifiek gen beide processen beïnvloedt, kan ze ontdekken hoe het hergebruik van het gen later het kleurpatroon kan beïnvloeden. Omdat beide processen een gemeenschappelijk schakelsysteem delen, biedt het de mogelijkheid tot een betere ontleding in de nieuwe genetische trucs bij andere organismen die moeilijker te bestuderen zijn dan vlinders.

(29 september 2009/SH)