Ministerie van Financiën

Kamervragen DSB en Zalm

Kamervragen | 29-09-2009

Geachte voorzitter,

Hierbij vindt u de antwoorden op kamervragen van het lid Vos (PvdA) over de kennis van de heer Zalm over het kredietbeleid van DSB.

Hoogachtend,

de minister van Financiën,

Wouter Bos

Vragen van het lid Vos (PvdA) aan de minister van Financiën over de kennis van de heer Zalm over het kredietbeleid van DSB. (Ingezonden 16 september 2009)
1
Bent u bekend met de berichtgeving over de kennis die de heer Zalm zou hebben gehad over het verstrekken van te hoge leningen aan DSB klanten? 1) Antwoord
Ik heb kennis genomen van dit bericht.

2
Is het waar dat de heer Zalm als CFO een brief met een klacht van een klant heeft ontvangen en heeft beantwoord? Indien dat het geval is, wat is dan zijn verklaring over de gebleken afwijking van het beleid van DSB? Antwoord
De heer Zalm heeft mij laten weten dat hij in het openbaar niet wil ingaan op wat er bij een andere bank speelt en nog minder op individuele gevallen. De heer Zalm is in december 2007 benoemd tot financieel directeur bij DSB. De betreffende brief dateert van 13 november 2007. Zowel in zijn tijd als chief economist als in zijn tijd als financieel directeur heeft de heer Zalm met enige regelmaat brieven van klanten ontvangen, die aan hem persoonlijk waren geadresseerd. Het was zijn gewoonte om de beantwoording daarvan, op basis van de ingewonnen informatie, ook persoonlijk te ondertekenen. In de periode dat de heer Zalm financieel directeur was, zijn de eisen voor kredietverlening bij DSB aangescherpt. Daaruit blijkt al dat de heer Zalm wist dat het beleid verbeterd moest worden. De heer Zalm heeft mij gezegd dat in de loop van 2008 het gemiddelde van de hypothecaire lening ten opzichte van de waarde van de woning en het inkomen fors is afgenomen. De heer Zalm heeft mij eerder laten weten - en dat heb ik vervolgens vermeld in de beantwoording van eerdere kamervragen - dat in de periode dat hij financieel directeur was de eisen van kredietverlening zijn aangescherpt en dat de dossiers die hebben geleid tot het opleggen van de bestuurlijke boetes van voor die tijd waren. De AFM heeft later bekendgemaakt dat de onderzochte dossiers afkomstig waren uit het tijdvak 1 november 2007 tot 1 april 2008. Dit betekent dat de heer Zalm zich heeft vergist. Hij betreurt dat en de onduidelijkheid die daardoor ontstaan is.
3
Wat zegt het tempo waarmee misstanden worden aangepakt binnen DSB en door de AFM over de slagkracht van het financieel toezicht? Antwoord
De slagkracht van het financieel toezicht is, zoals de vraag impliceert, voor een belangrijk deel afhankelijk van de nalevingsbereidheid bij bedrijven en de zorgvuldigheidseisen aan het toezicht. Het is belangrijk vast te stellen dat ondernemingen zelf verantwoordelijk zijn voor de naleving van wettelijke regels. Ik juich uiteraard toe dat ondernemingen zich meteen aan de regels houden. Als blijkt dat zij hieraan niet voldoen, dienen zij hun praktijk zo snel mogelijk aan te passen. Ten aanzien van het toezicht merk ik op dat de AFM in november 2007 een algemeen rapport heeft uitgebracht over de advisering over hypotheken. Daarin maakt de AFM duidelijk welke praktijken in haar ogen wel en welke niet een adequate invulling vormen van de wettelijke regels. Vervolgens heeft de AFM een aantal specifieke onderzoeken naar instellingen verricht, waaronder bij DSB. Uit deze onderzoeken zijn in een aantal gevallen boetes voortgevloeid. Hierbij heeft de AFM (wettelijke) zorgvuldigheidseisen in acht genomen, zoals hoor en wederhoor. Het is duidelijk dat deze zorgvuldigheidseisen grenzen stellen aan de slagkracht van het toezicht. Deze eisen zijn echter een noodzakelijke bescherming van de belangen van betrokken ondernemingen.
4
Deelt u de mening dat DNB een integriteittoets moet doen bij bestuurders en commissarissen van financiële instellingen? Zo ja, hoe en wanneer zult u een dergelijke toets opleggen? Zo nee, waarom niet? Antwoord
De Wet op het financieel toezicht (Wft) schrijft reeds voor dat vooraleer een persoon kan worden benoemd tot bestuurder of commissaris van bijvoorbeeld een kredietinstelling, moet worden vastgesteld dat diens betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Deze zogenoemde betrouwbaarheidstoets, die wat betreft kredietinstellingen wordt doorgevoerd door De Nederlandsche Bank N.V., is één van de in die wet neergelegde maatregelen die de integriteit van de financiële markten dienen te waarborgen.