Waterzuiveringsstation Brussel-Noord

21/10/2009 10:09

COUR DES COMPTES - REKENHOF

Het Rekenhof heeft het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een auditverslag bezorgd met de titel Het waterzuiveringsstation Brussel-Noord - Indienstneming, exploitatie en financiering van de concessie. Het integrale document kan worden geraadpleegd op de website van het Rekenhof (www.rekenhof.be).

Het waterzuiveringsstation Brussel-Noord is een belangrijk project, zowel op technisch als op financieel gebied. Op technisch vlak gaat het om een station dat het afvalwater van 1.100.000 inwoner-equivalenten kan zuiveren en dat een innoverende bijdrage levert tot de verwijdering van slibresten. De bouw van het station en de exploitatie over een periode van 20 jaar kost 830 miljoen euro.

De toegepaste juridische techniek is nieuw in België. Het gaat immers over een contractueel privaat-publiek partnerschap dat geïnspireerd is op het Britse PFI-model. Dat model verleent het exploitatierecht van installaties aan de privépartner die ze heeft ontworpen, gefinancierd en uitgebouwd. De privépartner die de installaties exploiteert, ontvangt daarvoor een vergoeding in de vorm van annuïteiten, betaald door de overheid en niet door de eindgebruiker. Een dergelijke constructie is nieuw in het Belgisch recht en om het evenwicht te bewaren, moest worden gesteund op de ervaring met vergelijkbare concepten die ontwikkeld werden in landen waar privaat-publieke partnerschappen vaak voorkomen. De lessen die uit dit project kunnen worden getrokken, zouden nuttig kunnen zijn voor andere grootschalige infrastructuurprojecten.

Om het parlement te informeren, heeft het Rekenhof een reeks audits uitgevoerd in verband met de opdracht voor het waterzuiveringsstation Brussel-Noord.

Het eerste verslag dateert van 2003 en handelt over de wettelijkheid en de regelmatigheid van de procedure voor de gunning van de opdracht, alsook de perspectieven inzake begrotingsfinanciering van de annuïteiten. Het tweede verslag dateert van 2006 en bespreekt het begin van de uitvoering van de opdracht. Het analyseert meer bepaald de sanering van de ernstig vervuilde locatie van het station, de bouw van de installaties en de invoering van financieringsmechanismen.

Het onderhavige verslag is dus het derde deel van het onderzoek dat het Rekenhof heeft gedaan in verband met de concessieopdracht. Het beslaat een periode die loopt van de voltooiing van de bouwwerken en de oplevering van de installaties tot het begin van de exploitatie van het station.

Het Rekenhof is nagegaan of de concessiehouder zijn contractuele verplichtingen is nagekomen. Het onderzoek omvatte ook de kwestie van de vertraging bij de voorlopige oplevering van de installaties en de valorisatie van de waterzuivering tijdens die periode van vertraging. De hervorming van de watersector kwam ook aan bod. Die gaf immers de aanzet tot de oprichting van de Brusselse Maatschappij voor Waterbeheer (BMWB), die de fakkel van het gewest zal overnemen als concessiegever van het waterzuiveringsstation Brussel-Noord. Tot slot werd het financieringsmechanisme herbekeken en geactualiseerd op basis van de nieuwe gegevens, waaronder de oprichting van de BMWB, om de kosten van de waterzuivering te verrekenen in de prijs van het waterverbruik.

De bouw van de installaties verliep zoals gepland, maar er doken technische problemen op bij het afstellen van de installaties. De concessiehouder heeft dan beslist om de waterzuivering en de slibbehandeling voort te zetten tijdens de herstellingswerken. Dat was weliswaar een lovenswaardig initiatief vanuit milieustandpunt, maar het deed wel de vraag rijzen naar een billijke vergoeding voor die niet-contractuele dienstverlening. Er moest met twee elementen rekening worden gehouden: enerzijds had de voorlopige oplevering, de handeling die het volledige einde van de werken vaststelt en het begin van de exploitatieperiode inluidt, een vertraging van 15,7 maanden opgelopen ten opzichte van de planning. Dat maakte het mogelijk verwijlintresten toe te passen van nagenoeg 12 miljoen euro. Anderzijds voldeed de tijdens die periode uitgevoerde waterzuivering niet volledig aan de contractuele normen.

De concessiehouder heeft overigens diverse klachten ingediend op basis van de abnormale stijging van de prijs van het staal, de energie en de verzekeringen.

Die problemen werden geregeld in het kader van een overeenkomst van 18 december 2008. De onderhandelingen over die overeenkomst vonden plaats middenin de financiële crisis, maar het gewest moest niettemin het akkoord van de concessiehouder krijgen om de concessieovereenkomst over te dragen aan de BMWB. Bij de analyse van het financiële evenwicht van die overeenkomst heeft het Rekenhof vastgesteld dat het gewest substantiële toegevingen heeft gedaan die verder gaan dan zijn contractuele verbintenissen met de bedoeling de continuïteit van de openbare dienst inzake waterzuivering te waarborgen, terwijl de strikte toepassing van de overeenkomst voor die continuïteit had moeten zorgen.

Het Rekenhof is van oordeel dat de omzetting van de Europese richtlijn tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de hervorming van de administratieve organisatie van het waterbeleid belangrijke stappen in de goede richting zijn. Vanuit het oogpunt van de gewestelijke financiën is de oprichting van de BMWB een belangrijk item. Die moet er immers voor zorgen dat de saneringsactiviteit in de watercyclus wordt opgenomen volgens de deconsolidatievoorwaarden van het ESR 95, terwijl de btw kan worden gerecupereerd, meer bepaald op de annuïteiten van het waterzuiveringsstation Brussel-Noord. Voortaan fungeert het bedrijfsplan van de BMWB als referentie voor de financiering van de annuïteiten van de concessie. Het Rekenhof beveelt dan ook aan het nodige te doen om de bij de oprichting van de BMWB geplande modaliteiten voor de uitbouw van de beoogde constructie in alle transparantie te laten goedkeuren door de Europese autoriteiten.