Rijksuniversiteit Groningen

Persbericht
Rijksuniversiteit Groningen / nummer 197 / 21 december 2009

Nabestaanden onbedoeld onwetend over lot oorlogsvermisten

Nog steeds worden veel oorlogsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog vermist. Soms omdat echt nooit is ontdekt waar en of mensen zijn overleden. Soms ook door een zeer ongelukkige, tragische samenloop van omstandigheden, ontdekte Truus de Witte. Uit haar onderzoek naar vermiste slachtoffers van de April-Meistakingen in 1943 blijkt dat veel informatie over hun lot en graflocatie wel bekend was bij de instanties, maar dat de nabestaanden hiervan dikwijls niet op de hoogte waren. De Witte promoveert 7 januari aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Nadat de bezetters in 1943 aankondigden dat alle eerder vrijgelaten krijgsgevangenen zich voor straf opnieuw moesten melden, braken in Nederland de April-Meistakingen uit. Geschrokken van de opstand sloegen de Duitsers de stakingen bloedig neer. Ze hanteerden hierbij een dubbele agenda. De Witte: 'Enerzijds maakten ze grootschalig bekend dat de gevelde vonnissen werden onderbouwd door een solide rechtssysteem, anderzijds werd geheim gehouden dat willekeurig gekozen slachtoffers, verspreid over de regio, werden gefusilleerd en begraven. Ze hadden snel wat doden nodig om het volk weer in het gareel te dwingen.'

Tewerkgesteld

De nabestaanden werden pas geconfronteerd met de gevolgen van deze moorden op het moment dat duizenden landgenoten naar Duitsland waren gestuurd om tewerkgesteld te worden. De Witte: 'Dit voedde de hoop dat hun verdwenen dierbaren met de arbeiders waren meegestuurd. Iedere arbeidskracht was immers nodig in Duitsland en het Standgericht zou toch geen doodstraf hebben uitgesproken tegen onschuldigen of voor een kleinigheid?'

Hopen op terugkeer

Na de bevrijding werd een aantal slachtoffers gevonden in massagraven. Anderen bleven vermist, onder wie zestien in Noord-Nederland. Verwanten bleven decennialang hopen op hun terugkeer uit 'het oosten'. De Witte: 'Ze leden onder de vermissing én onder het feit dat er blijkbaar niet naar hun dierbaren werd gezocht.'

Nooit ingelicht

Toen verwanten recentelijk na archiefonderzoek werden ingelicht over de lotgevallen van de vermisten, bleken tot hun verbijstering instanties al vanaf 1946 op de hoogte te zijn van hun lot en hun graflocatie op de Appelbergen bij Glimmen. De instanties schrokken op hun beurt van het feit dat de nabestaanden decennialang onwetend waren gebleven en blijkbaar nooit goed waren ingelicht. Beide partijen vroegen zich af hoe dit heeft kunnen gebeuren en waarom het zolang heeft moeten duren. Deze vragen vormen het uitgangspunt van het promotieonderzoek van De Witte.

Martelaarschap voorkomen

De Witte: 'De bezetters beoogden nadrukkelijk de onwetendheid, om daarmee martelaarschap, demonstraties en bedevaartsplaatsen te voorkomen en om de bevolking met behulp van intimidatie in het gareel te dwingen. Dat de vermissing niet verwerkt kon worden door de nabestaanden omdat decennialang niet duidelijk was of het verlies onomkeerbaar was, was hiervan een tragisch, maar niet beoogd gevolg.'

Opeenstapeling factoren

Na de oorlog hadden instanties niet de bedoeling nabestaanden onwetend te houden. Toch werden deze niet of nauwelijks ingelicht over de lotgevallen van hun vermiste dierbaren door een opeenstapeling van factoren: informatie was 'vertrouwelijk', informatieverstrekking was hun taak niet, vermissing werd verschillend gedefinieerd, er heerste een tijdgeest van zwijgen, ontzien, wederopbouw en strakke hiërarchieën. Daarbij verschilden ideeën over rouw en verliesverwerking destijds aanzienlijk van de huidige ideeën erover en waren zowel vermissing als oorlogsvermissing volstrekt onbekende onderwerpen tot halverwege de jaren negentig.

Verstoken van informatie

De nabestaanden gingen er na de bevrijding vanuit dat de overheid er alles aan zou doen om hun vermiste dierbaren te vinden en wachtten af nadat ze opgave van vermissing hadden gedaan. Vervolgens hoorden ze niets. 'Maar ook de tijdgeest werkte tegen', aldus De Witte. 'In veel gezinnen werden kinderen destijds buiten 'grotemensenzaken' gehouden, waardoor zij het kleine beetje informatie dat eventueel wel bekend was, niet te horen kregen. Zij bleven dus volledig verstoken van informatie.'

Persoonlijke reden

De reden voor het onderzoek van De Witte was een persoonlijke. Na het overlijden van haar vader bleek dat hij en zijn broer beiden ter dood veroordeeld waren tijdens de April-Meistakingen. 'Mijn vader werd gratie verleend en is naar de gevangenis gestuurd, maar zijn broer niet.' De Witte besloot op zoek te gaan naar informatie over haar altijd vermist gebleven oom. Al vrij snel vond ze tot haar grote verbazing zijn naam in een dossier met gegevens van een hele groep vermisten.

Verantwoordelijkheid

'Kennis is verantwoordelijkheid. Niets doen met die kennis is ook ingrijpen in andermans leven', verklaart De Witte haar motivatie om na het vinden van antwoord op haar persoonlijke vragen door te gaan met onderzoek naar vermiste slachtoffers van de April-Meistakingen. 'Waarschijnlijk waren er dus nog veel meer mensen die niets wisten over het lot van hun vermiste familieleden.' Om eventuele 'blinde vlekken' in haar onderzoek te voorkomen werkte De Witte nauw samen met historici Robert Boxem en Peter de Jong.

Boek

Het proefschrift van De Witte verschijnt ook in een handelsuitgave. Hierin wordt de geschiedenis van de April-Meistakingen gedetailleerd beschreven, evenals hoe er door de jaren heen over rouw, vermissing en het getroffen zijn door de oorlog werd gedacht. Op 8 januari 2010 wordt het eerste exemplaar aangeboden aan burgemeester Tjeerd van Bekkum van Marum. Het proefschrift verschijnt bij Uitgeverij Elikser in Leeuwarden, ISBN: 978 908 954 1383, www.elikser.nl.

Curriculum vitae

Truus de Witte (Bolsward, 1956) studeerde andragogiek aan de RUG. Ze promoveert in de Gedrags- en Maatschappijwetenschappen bij prof.dr. D.F.J. Bosscher en dr. J.J.M. Zeelen (co-promotor). De titel van het proefschrift luidt: "Op een onbekende plaats begraven. De April-Meistakingen van 1943, een onderzoek naar oorlogsvermissing". De Witte werkt als adviseur/onderzoeker bij Partoer CMO Fryslân. Daarnaast is ze betrokken bij de Werkgroep Vermiste Personen Tweede Wereldoorlog van het Rode Kruis, die mede op grond van haar onderzoek is opgericht in september 2008.