European Union



|RAAD VAN                 |                                       |NL         |
|DE EUROPESE UNIE         |                                       |           |
|6678/10 (Presse 34)                                                        |
|(OR. en)                                                                   |
|PERSMEDEDELING                                                             |
|Betreft:                                                                   |
|PERSMEDEDELING                                                             |
|2995e zitting van de Raad                                                  |
|Landbouw en Visserij                                                       |
|Brussel, 22 februari 2010                                                  |
|Voorzitter mevrouw Elena ESPINOSA                                          |
|minister van Milieubeheer, Platteland en Marien Milieu van Spanje          |
|                                                                           |
|Voornaamste resultaten van de Raadszitting                                 |
|De Raad heeft aan de hand van een tekst van het voorzitterschap van        |
|gedachten gewisseld over de toekomst van het gemeenschappelijke            |
|landbouwbeleid, en meer in het bijzonder de marktbeheersmaatregelen na     |
|2013.                                                                      |
|De Raad heeft zich eveneens gebogen over het verslag van de Commissie over |
|de opties voor etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een  |
|Europees netwerk van referentiecentra voor de bescherming en het welzijn   |
|van dieren.                                                                |

                                   INHOUD1


DEELNEMERS  5


BESPROKEN PUNTEN


Etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een Europees netwerk
van referentiecentra   7


Document van het voorzitterschap over de "Toekomst van het GLB:
marktbeheersmaatregelen na 2013"  9


Staatssteun voor de aankoop van grond in Italië   11


DIVERSEN    12


Uitstel van het verbod op niet-aangepaste kooien  12


Leeftijdsgrens voor het testen van dieren op BSE  12


Q-koorts    12


Illegale handel in ivoor    13


Crisis van de landbouwsector in Griekenland  13


Suiker      13


Graanmarkt  13


ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN


ALGEMENE ZAKEN


Reglement van orde van de Rekenkamer   14


VERVOER


Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer   14


DOUANE-UNIE


Overeenkomst EU-San Marino  15


TRANSPARANTIE


Toegang van het publiek tot documenten 15



DEELNEMERS


De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt
vertegenwoordigd:


België:
                                          mevrouw Sabine LARUELLE  minister
                                          van KMO's, Zelfstandigen,
                                          Landbouw en Wetenschapsbeleid
                                          de heer Benoît LUTGEN    minister
                                          van Landbouw, Landelijke
                                          Aangelegenheden, Leefmilieu en
                                          Toerisme (Waals Gewest)

Bulgarije:
                                          de heer Miroslav NAYDENOV
                                          minister van Landbouw en Voedsel

Tsjechië:
                                          de heer Stanislav KOZÁK
                                          viceminister van Landbouw,
                                          departement grondstoffen

Denemarken:
                                          de heer Jonas BERING LIISBERG
                                          plaatsvervangend permanent
                                          vertegenwoordiger

Duitsland:
                                          mevrouw Ilse AIGNER      minister
                                          van Voedsel, Landbouw en
                                          Consumentenbescherming
                                          de heer Robert KLOOS
                                          staatssecretaris

Estland:
                                          de heer Helir-Valdor SEEDER
                                          minister van Landbouw

Ierland:
                                          de heer Brendan SMITH    minister
                                          van Landbouw, Visserij en Voedsel

Griekenland:
                                          mevrouw Aikaterini BATZELI
                                          minister van
                                          Plattelandsontwikkeling en
                                          Voedselvoorziening

Spanje:
                                          mevrouw Elena ESPINOSA MANGANA
                                          minister van Milieu, Platteland
                                          en Marien Milieu
                                          de heer Josep PUXEU ROCAMORA
                                          staatssecretaris van Platteland
                                          en Water
                                          de heer Joaquim LLENA i CORTINA
                                          minister van Landbouw van de
                                          Autonome Gemeenschap van
                                          Catalonië

Frankrijk:
                                          de heer Bruno LE MAIRE   minister
                                          van Voedsel, Landbouw en Visserij

Italië:
                                          de heer Vincenzo GRASSI
                                          plaatsvervangend permanent
                                          vertegenwoordiger

Cyprus:
                                          mevrouw Egly PANTELAKIS
                                          waarnemend permanent secretaris

Letland:
                                          de heer J?nis D?KLAVS    minister
                                          van Landbouw

Litouwen:
                                          de heer Kazys STARKEVICIUS
                                          minister van Landbouw

Luxemburg:
                                          de heer Romain SCHNEIDER minister
                                          van Land- en Wijnbouw en
                                          Plattelandsontwikkeling

Hongarije:
                                          de heer József GRÁF      minister
                                          van Landbouw en
                                          Plattelandsontwikkeling

Malta:
                                          mevrouw Theresa CUTAJAR
                                          plaatsvervangend permanent
                                          vertegenwoordiger

Nederland:
                                          mevrouw Gerda VERBURG    minister
                                          van Landbouw, Natuur en
                                          Voedselkwaliteit

Oostenrijk:
                                          de heer Nikolaus BERLAKOVICH
                                          minister van Land- en Bosbouw,
                                          Milieubeheer en Waterhuishouding

Polen:
                                          de heer Marek SAWICKI    minister
                                          van Landbouw en
                                          Plattelandsontwikkeling

Portugal:
                                          de heer António SERRANO  minister
                                          van Landbouw,
                                          Plattelandsontwikkeling en
                                          Visserij

Roemenië :
                                          de heer Mihail DUMITRU   minister
                                          van Landbouw en
                                          Plattelandsontwikkeling

Slovenië:
                                          de heer Milan POGA?NIK   minister
                                          van Land- en Bosbouw en
                                          Voedselvoorziening

Slowakije:
                                          de heer Vladimír CHOVAN  minister
                                          van Landbouw

Finland:
                                          mevrouw Sirkka-Liisa ANTTILA
                                          minister van Land- en Bosbouw

Zweden:
                                          de heer Rolf ERIKSSON
                                          staatssecretaris, ministerie van
                                          Landbouw

Verenigd Koninkrijk:
                                          de heer Jim FITZPATRICK
                                          onderminister van Voedsel,
                                          Landbouw en Milieubeheer
                                          de heer Richard LOCHHEAD minister
                                          (Cabinet Secretary) van
                                          Plattelandszaken en Milieu
                                          (Schotse regering)




Commissie:
                                          de heer John DALLI lid van de
                                          Commissie
                                          de heer Dacian CIOLO?    lid van
                                          de Commissie

BESPROKEN PUNTEN


Etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een Europees netwerk
van referentiecentra


De Raad heeft van gedachten gewisseld over het verslag van de Commissie
over opties voor etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een
Europees netwerk van referentiecentra voor de bescherming en het welzijn
van dieren (15307/09){1}.


De ministers waren het er over het algemeen over eens dat informatie over
dierenwelzijn bij dierlijke productie de consumenten kan helpen met kennis
van zaken aankoopbeslissingen te nemen en de boeren van de EU om de beoogde
vergoeding voor hun inspanningen te verkrijgen. Tevens lieten de ministers
er geen misverstand over bestaan dat een dierenwelzijnsinformatiesysteem
eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen moet zijn en aan de WTO-regels moet
voldoen. Vele van de ministers benadrukten ook dat hogere productiekosten
en zwaardere eisen inzake administratie en controle moeten worden
voorkomen. Ook drongen ze erop aan na te gaan hoe ingevoerde producten
onder het systeem kunnen worden gebracht.


Sommigen hunner verwezen naar het organiseren van informatiecampagnes en
het uitgeven van brochures over dierenwelzijn als alternatieve of
aanvullende mogelijkheden om de consument over dierenwelzijn voor te
lichten.


Vele ministers pleitten voor een keurmerk om niveaus van dierenwelzijn
boven de wettelijke minimumnorm te kunnen (h)erkennen. Verscheidene hunner
echter benadrukten dat zo'n keurmerk niet mag leiden tot onderwaardering
van overeenkomstig de wettelijke minimumnormen voor dierenwelzijn
geproduceerd voedsel, noch tot verwarring met bepaalde andere normen zoals
die betreffende de biologische landbouw. Sommige ministers gaven de
voorkeur aan een etiket dat verwijst naar de, reeds zeer hoge,
minimumnormen van de EU.


De meerderheid van de ministers gaven een sterke voorkeur te kennen voor
een vrijwillige etiketteringsregeling inzake dierenwelzijn boven een
verplicht systeem.

Vele ministers steunden het idee om een systeem op te zetten voor
voorlichting over het "Europese productiemodel" in zijn geheel, in plaats
van een afzonderlijk informatiesysteem voor iedere norm.
Sommige ministers stonden een stapsgewijze aanpak voor, waarbij als een
eerste fase voor bepaalde cruciale normen afzonderlijke
voorlichtingssystemen worden ingevoerd, waaraan in een volgende fase zo
nodig nieuwe voorlichtingssystemen betreffende andere normen kunnen worden
toegevoegd.

Voorts was een meerderheid van de ministers het erover eens dat er meer
onderzoek moet komen opdat wetenschappelijk gezien solide en betrouwbare
indicatoren kunnen worden geconstrueerd als basis voor een etikettering op
grond waarvan de consumenten onderscheid kunnen maken tussen verschillende
niveaus van dierenwelzijn. De ministers steunden over het algemeen de
oprichting van een Europees netwerk van referentiecentra, dat zou dienen om
het delen van informatie te bevorderen en technische steun te verlenen voor
het ontwikkelen en invoeren van dergelijke indicatoren.


Na een door het Europees Economisch en Sociaal Comité, de Europese
Commissie en het Duitse voorzitterschap van de Raad georganiseerde
conferentie over "Dierenwelzijn - verbetering door labelen?", die in maart
2007 in Brussel heeft plaatsgevonden, heeft de Raad in mei van datzelfde
jaar conclusies inzake dierenwelzijn goedgekeurd (9151/07) waarin hij de
Commissie verzoekt dit punt in al zijn aspecten verder te onderzoeken en
hem verslag uit te brengen ten behoeve van een grondig debat over dit
onderwerp.


De Commissie heeft op 28 oktober jongsleden haar verslag bekendgemaakt
(15307/09); hierin wijst zij op allerlei zaken die een rol spelen in
verband met etikettering en communicatie inzake dierenwelzijn, en op de
eventuele oprichting van het Europees netwerk van referentiecentra voor de
bescherming en het welzijn van dieren. De Commissie verwacht dat over deze
tekst een discussie tussen de verschillende instellingen zal plaatsvinden,
waaruit zij kan putten bij het vormgeven van mogelijke opties voor het
toekomstige beleid.



Document van het voorzitterschap over de "Toekomst van het GLB:
marktbeheersmaatregelen na 2013"


De ministers hebben aan de hand van een tekst met achtergrondinformatie en
een vragenlijst van het voorzitterschap (6063/10) een gedachtewisseling
gehouden over de toekomst van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, en in
het bijzonder over de marktbeheersmaatregelen na 2013.


Ze verwelkomden het document van het voorzitterschap als een waardevolle
bijdrage tot de discussie over de toekomst van het GLB en pleitten daarbij
voor een evenwicht tussen marktoriëntatie enerzijds en de noodzaak om de
haalbaarheid van de landbouwactiviteiten in de EU te verzekeren door middel
van passende instrumenten voor marktbeheer en crisisbeheersing, anderzijds.


Veel ministers waren het erover eens dat de Europese landbouw als resultaat
van de hervormingen die sinds 1992 in het GLB zijn doorgevoerd, thans
voldoende op de markt is afgestemd. Velen verwezen naar de bijdrage die de
lopende regelingen zoals rechtstreekse betalingen en
marktbeheersmaatregelen leveren aan het verlichten van de prijs- en het
inkomensrisico's voor de landbouwers. Tegelijk hiermee achtten ze het
noodzakelijk in de toekomst een doeltreffend vangnet in stand te houden,
met name gezien de toenemende volatiliteit van de prijzen en de
instabiliteit van de markten, alsmede de voornemens van de EU in het kader
van de Doha-ontwikkelingsronde van de WTO. Talrijke ministers steunden de
ideeën van het voorzitterschap om de mogelijkheid te onderzoeken de
bestaande, in de integrale GMO-verordening voorgeschreven
marktbeheersmaatregelen aan te vullen, en zij deden voorstellen, zoals de
invoering van inkomensgarantieregelingen, de versterking van
producentenorganisaties en samenwerking tussen bedrijfstakken,
termijnmarkten en het opzetten van een crisisfonds. Een groot aantal
delegaties verwees ook naar lopende besprekingen over de werking van de
voedselvoorzieningsketen en wenste dat rekening gehouden wordt met de
resultaten van de werkzaamheden. Een aanzienlijk aantal ministers was het
erover eens dat het toekomstige GLB in een financieel mechanisme dient te
voorzien dat de EU in staat stelt snel op ernstige crisissen te reageren en
dat voldoende soepel is om in dergelijke gevallen snel te kunnen handelen.


Een aantal ministers was van oordeel dat de marktgerichtheid in de Europese
landbouw verder kan worden opgevoerd, en benadrukte dat verdere
inspanningen om het concurrentievermogen te verbeteren het beste vangnet
vormen. Sommigen stelden dat eventuele nieuwe marktmaatregelen de bestaande
maatregelen niet mogen overlappen en hadden eveneens twijfels bij de
invoering van een nieuw financieel mechanisme voor het opvangen van
crisissituaties, omdat dit extra uitgaven zou betekenen.



Het voorzitterschap zei voornemens te zijn het Speciaal comité landbouw
(SCL) een follow-up-tekst voor te leggen met een samenvatting van het
Raadsdebat over dit punt.


Aan dit debat in de Raad waren tijdens het Franse, het Tsjechische en het
Zweedse voorzitterschap discussies over de verschillende aspecten van het
GLB na 2013 voorafgegaan. Een laatste algemeen beraad over het GLB na 2013
staat nog op het programma voor de informele zitting van de ministers van
Landbouw die van 30 mei tot 1 juni te Mérida, Spanje, zal plaatsvinden.


Daarna zal de Commissie naar verwachting in de late herfst van 2010 een
mededeling over het GLB na 2013 indienen, die halfweg 2011 gevolgd zal
worden door wetgevingsvoorstellen.



Staatssteun voor de aankoop van grond in Italië


De Raad heeft geen akkoord bereikt over het verzoek van de Italiaanse
regering om dit land toe te staan tussen 1 januari 2010 en 31 december 2013
staatssteun te verlenen voor de aankoop van landbouwgrond (16618/09).


Op 26 november 2009 heeft Italië de Raad verzocht te verklaren dat de door
Italië verleende staatssteun voor de aankoop van landbouwgrond in de jaren
2010 - 2013 verenigbaar is met de regels van de interne markt.

Krachtens artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen dat een
steunmaatregel als verenigbaar moet worden beschouwd met de interne markt
indien buitengewone omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen{2}.
Deze beslissing moet genomen worden binnen de drie maanden nadat een
lidstaat van de EU het verzoek om instemming heeft ingediend.

Op grond van de communautaire richtsnoeren voor staatshulp in de
landbouwsector die golden gedurende de periode 2000-2006, kon voor de
aankoop van gronden staatshulp worden verstrekt ten belope van 40% tot 50%
van de in aanmerking komende investeringskosten. In het kader van de
richtsnoeren voor de periode 2007-2013 is die mogelijkheid afgeschaft, en
is bepaald dat de regeling uiterlijk 31 december 2009 moest aflopen.

DIVERSEN


Uitstel van het verbod op niet-aangepaste kooien


De Raad heeft nota genomen van een verzoek van de Poolse delegatie om de
inwerkingtreding van het verbod op niet-aangepaste kooien voor legkippen
met vijf jaar uit te stellen (6136/10). In Richtlijn 1999/74/ van de Raad
worden minimumnormen vastgesteld voor de bescherming van legkippen, en
daarin is bepaald dat het houden van legkippen in zogenaamde niet-
aangepaste kooien{3} met ingang van 1 januari 2012 verboden is. Het
Commissielid dat verantwoordelijk is voor Volksgezondheid en
Consumentenbeleid, de heer John Dalli, wees dit verzoek af, maar gaf de
Poolse autoriteiten in overweging van de bestaande mogelijkheden binnen de
plattelandsontwikkelingsprogramma's gebruik te maken om de
pluimveebedrijven vanaf die datum aan de normen te laten voldoen.


Leeftijdsgrens voor het testen van dieren op BSE


De Belgische delegatie toonde zich ingenomen met het voornemen van de
Commissie om een nieuw actieplan inzake maatregelen tegen overdraagbare
spongiforme encefalopathie (TSE) in te dienen. Zij verzocht de Commissie
het aantal slachtdieren dat op BSE moet worden getest, te verlagen door
ofwel de leeftijdsgrens voor het testen van 48 naar 60 maanden op te
trekken of de testverplichting te beperken tot vóór 1 januari 2004 geboren
dieren (6420/10). Het met Volksgezondheid en Consumentenbeleid belaste
Commissielid, de heer John Dalli, bevestigde de Raad dat de Commissie thans
inderdaad werkt aan een routekaart voor de jaren 2010-2015 betreffende TSE,
die dit voorjaar zal worden ingediend. Een van de hoofdproblemen die in dit
stuk aan de orde komen, is de leeftijdsgrens voor het testen op BSE.


Q-koorts


De Raad werd door de Nederlandse minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, mevrouw Gerda Verburg, ingelicht over de situatie met
betrekking tot de Q-koorts in Nederland en de maatregelen om de uitbraak te
bedwingen (6421/10). Mevrouw Verburg kondigde een internationaal symposium
over de Q-koorts aan, dat op 25 en 26 februari 2010 zal plaatsvinden en
gezamenlijk door de Nederlandse overheid en de Europese Autoriteit voor
Voedselveiligheid wordt georganiseerd. Besproken wordt onder andere of de
voorschriften van de EU betreffende de uitroeiing van dierziekten moeten
worden uitgebreid tot de Q-koorts.



Illegale handel in ivoor


De Nederlandse delegatie vestigde de aandacht van de Raad op de toename van
de illegale handel in ivoor (doc. 6595/10). De heer Dacian Ciolo?,
Commissielid voor Landbouw en Plattelandsontwikkeling, die de heer Janez
Poto?nik, Commissielid voor Milieu, verving, merkte op dat de Commissie
voornemens is de maatregelen op internationaal niveau ter bescherming van
olifanten te versterken, en wees op de inspanningen die de EU zich reeds in
het kader van het MIKE-programma en de CITES-overeenkomst getroost.


Crisis van de landbouwsector in Griekenland


De Griekse delegatie, die door de Bulgaarse, de Cypriotische en de Poolse
delegatie werd gesteund, vestigde de aandacht van de Raad op de problemen
die de landbouw in haar land ondervindt en vroeg om onmiddellijke en om
langetermijnmaatregelen (6566/10). Commissielid Dacian Ciolo? deelde de
analyse van Griekse delegatie en beloofde passende maatregelen voor zowel
de korte als de lange termijn te onderzoeken.


Suiker


De Portugese delegatie verzocht, met steun van die van Bulgarije, Finland,
Roemenië en het Verenigd Koninkrijk, de Commissie een voorstel in te dienen
met buitengewone maatregelen voor de suikerraffinagesector, teneinde de
gevolgen die de extra uitvoer buiten het quotum zal hebben voor de levering
van ruw suikerriet, te compenseren (doc. 6547/10). Commissielid Ciolo?
deelde de Raad mee dat volgens de Commissie niet is voldaan aan de
voorwaarde die de integrale GMO-verordening (Verordening 1234/2007 van de
Raad) voor het nemen van uitzonderingsmaatregelen stelt, namelijk de
aanwezigheid van een voorzieningsprobleem. In feite verwacht de Commissie
namelijk voor volgend jaar een suikeroverschot van rond de 300.000 ton.


Graanmarkt


De Raad heeft nota genomen van een verzoek van de Franse delegatie om
passende maatregelen teneinde de toestand op de graanmarkt te verlichten
(6603/1/10 REV 1). Commissielid Ciolo? gaf weliswaar toe dat de
marktsituatie voor gerst thans moeilijk is, maar bleef erbij dat in de
huidige fase geen reden is voor specifieke maatregelen, zoals
uitvoerrestituties, en dat daarvan ook geen soelaas voor het prijsniveau
mag worden verwacht.



ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN


ALGEMENE ZAKEN


Reglement van orde van de Rekenkamer


De Raad heeft het reglement van orde van de Rekenkamer goedgekeurd
(5238/10).


VERVOER


Europees spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer*


De Raad heeft zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld betreffende een
ontwerp-verordening die moet leiden tot de totstandkoming van een Europees
spoorwegnet voor een concurrerend goederenvervoer bestaande uit
internationale corridors (11069/5/09 REV 5, 5999/10 + 5999/10 ADD 1).


Dit spoorwegnet moet ondernemingen de beschikking geven over een
doeltreffende infrastructuur voor het goederenvervoer, opdat zij diensten
van hoge kwaliteit kunnen aanbieden en beter kunnen concurreren op de markt
van het goederenvervoer. Daartoe voorziet de verordening in regels voor de
totstandbrenging en wijziging van de goederencorridors en voor de
organisatie en het beheer ervan, alsook in maatregelen voor de uitvoering
van goederencorridors, de planning van de investeringen en het beheer van
de capaciteit en het verkeer.


De lidstaten dienen ten laatste drie jaar na de inwerkingtreding van de
verordening - vijf jaar in uitzonderlijke gevallen - in eerste instantie
goederencorridors tot stand te brengen volgens de lijst van hoofdtrajecten
in de bijlage bij de ontwerp-verordening. In een latere fase zullen de
lidstaten die niet op de lijst voorkomen, dienen deel te nemen aan de
totstandbrenging van ten minste één corridor. Daarnaast dienen lidstaten,
als een lidstaat daarom verzoekt, deel te nemen aan de totstandbrenging van
een corridor of aan de doortrekking van een bestaande corridor indien zulks
nodig is om naburige lidstaten in staat te stellen te voldoen aan de
verplichting om ten minste één corridor tot stand te brengen. Van deze
verplichtingen kan onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken.


Spoorwegbedrijven die infrastructuurcapaciteit wensen ten behoeve van
goederentreinen die van de goederencorridor gebruikmaken en daarbij ten
minste één grens oversteken, kunnen deze aanvragen bij een "enig loket",
dus op één enkele plaats en met één enkele verrichting per corridor.



Het standpunt van de Raad in eerste lezing is gebaseerd op een politiek
akkoord tussen de lidstaten dat tijdens de Raad Vervoer op 11 juni 2009 was
bereikt. Het standpunt, dat gewijzigd is om rekening te houden met de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, wordt krachtens de gewone
wetgevingsprocedure voor een tweede lezing aan het Europees Parlement
toegezonden.


DOUANE-UNIE


Overeenkomst EU-San Marino


De Raad heeft een besluit goedgekeurd betreffende het standpunt dat de
Gemeenschap in het comité van de Overeenkomst EU- San Marino inzake
samenwerking en een douane-unie dient in te nemen met het oog op een juiste
uitvoering van de overeenkomst (6143/10).


TRANSPARANTIE


Toegang van het publiek tot documenten


De Raad heeft de volgende besluiten aangenomen:


het antwoord op confirmatief verzoek 01/c/01/10 van mevrouw Sigita URDZE ,
waarbij de Zweedse delegatie tegen heeft gestemd (5290/10 + 5290/10 COR 1
(sv));


het antwoord op confirmatief verzoek 02/c/01/10 van de heer Petter ERICSON
(5442/10);


het antwoord op confirmatief verzoek 03/c/01/10 (5701/10); en


het antwoord op confirmatief verzoek 04/c/01/10, waarbij de Zweedse
delegatie tegen heeft gestemd (5734/10).




                           -----------------------
{1}
http://www.consilium.europa.eu/showPage.aspx?id=549&lang=en
      {2}   Onthouding van stemming door een of meer lidstaten vormt geen
      beletsel voor het aannemen der besluiten van de Raad waarvoor
      eenparigheid van stemmen is vereist (artikel 238, lid 4, van het
      Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie).
      {3}   Niet-aangepaste kooien zijn kooien die niet voldoen aan bepaalde
      minimumeisen qua ruimte en qua mogelijkheden voor de dieren om zich
      volgens hun natuurlijke aard te gedragen, zoals nesten, strooisel en
      zitstokken. Het aanleggen en voor de eerste maal in gebruik nemen van
      dergelijke kooien is al verboden vanaf 1 januari 2003.