Gemeente Meppel



-

Plaatsing Stolpersteine Meppel

20-04-2011 -

Woensdag 20 april plaatst kunstenaar Gunter Demnig dertig Stolpersteine in de Woldstraat in Meppel. Dit gebeurt in opdracht van de Stichting Stolpersteine Meppel. Deze stichting wil de nagedachtenis levend houden aan de medeburgers die tussen 1940 en 1945 uit de stad zijn weggevoerd en vermoord. Deze Meppelers verdienen het volgens de initiatiefnemers om herinnerd te worden als mensen met een naam en een geschiedenis; het waren mensen die het stadsleven mede kleur gaven, tot zij het slachtoffer werden van een onbeschrijfelijke misdaad.

Als inleiding organiseerde Stichting Stolpersteine Meppel een programma in de Grote Kerk. Burgemeester Westmaas sprak de aanwezigen toe:

"Precies een halve eeuw geleden schreef de auteur Erich Kästner een 'woord vooraf' bij zijn dagboek uit 1945. Hij pleit voor het belang van het vastleggen van het alledaagse: "Brandstof voor je eigen geheugen, notities die op een dag een vuurwerk ontsteken." Hij leert ons dat de Tweede Wereldoorlog, voor hem het '1000-jarig rijk', ongeschikt is voor de grote artistieke vorm. "Je kunt een lijst van miljoenen slachtoffers en beulen die in 12 jaar almaar langer wordt niet architectonisch structureren. Je kunt statistiek niet componeren." We kunnen vandaag gerust zijn: Struikelstenen zijn niet esthetisch. Degelijk, solide zijn ze, perfect om onze herinnering op te roepen. Een paar juiste gegevens, meer is niet nodig.

Kästner gaat verder: "We moeten terugkijken zonder te verstarren. We moeten het verleden recht in de ogen zien ... Dat verleden, het onverwerkte verleden, lijkt een rusteloos spook dat door onze dagen en dromen zwerft en, zoals geesten sinds mensenheugenis plegen te doen, op het moment wacht dat we het aankijken, aanspreken en aanhoren. ... We kunnen niets anders doen dan hem in zijn ogen kijken en zeggen: 'Spreek!' Het verleden moet praten en wij moeten luisteren. Eerder zullen wij en zij geen rust vinden."

Kästner heeft in de oorlog aantekeningen gemaakt. Hij heeft die jaren later uitgewerkt, herbeleefd misschien. Hij vraagt: "Moet de jeugd verwerken wat ze niet heeft beleefd en niet ervaart?" Die jeugd, dat zijn de meesten van ons, hier aanwezig. De naoorlogse generatie die in hun jonge jaren steeds meer slachtoffers en daders kreeg gepresenteerd. De media waren ruimhartig in de getuigenissen van onze ouders en grootouders. Vooral rond de momenten van herinnering en herdenking: Waren wij zelf misschien net als de oorlogsgeneratie? Konden wij ook vervallen in oorlog en terreur?

Schuld en verwijt, vaak vermengd met opvoedkundige idealen, want na elke oorlog besluiten allen die het hebben meegemaakt, en met hen alle jongeren dat 'het' nooit meer mag gebeuren. Kästner heeft bezwaar tegen het gemak, waarmee we oorlog en terreur zo massaal maken dat we ze alleen nog maar van grote afstand kunnen bekijken. "Het individu komt niet in de kronieken voor", stelt hij in 1961. Die achterstand is een beetje ingehaald, er zijn sinds het verschijnen van Kästners dagboek veel egodocumenten uitgegeven, maar een deel van zijn bezwaar blijft bestaan.

Hoe kunnen wij nieuwe generaties deelgenoot maken van het individuele gevoel dat hoort bij oorlog en terreur? Velen voor ons hebben dat geprobeerd. Op heel veel manieren, in allerlei vormen. De drang om de jeugd te waarschuwen voor verschrikkingen, om de nagedachtenis van zovelen die er niet meer zijn levend te houden, is heel sterk gebleven. Ieder heeft een reden om het verleden in de ogen te blijven kijken. Laten we niet proberen die te analyseren, of te voorzien van commentaar.

Hoofdzaak is dat we hier samen zijn. Met hen in onze gedachten. Met wat zij hebben achtergelaten. Wat zij hebben meegegeven aan hun leeftijdgenoten. Hun huizen staan er, een enkele boom. Hun goederen zijn vervaagd, in elk geval verspreid. Onze weggevoerden zijn vaak en diep in onze gedachten. Hun geest rust bij ons, speelt niet op. Neen, hun geest brengt vrede, roept weemoed op naar de tijd van voor de catastrofe. Dat mooi gevoel hebben zij achtergelaten. Om door te geven, warm te houden.

Gunter Demnig steunt vanaf vandaag ons geheugen, krachtig op veel plaatsen. Niet omdat we dreigden te vergeten, maar om hun vuur in ons blijvend aan te houden. Met een extra geheugen, verankerd in Meppel. Stevig onder onze voeten, in aarde die zij mee bewerkten. Niet vluchtig, zoals zoveel, maar voor altijd. Opgenomen in het plaveisel, gesteund door talloos veel naamloze stenen. Wat hadden wij ons verleden graag anders gezien, met hen beleefd. Met hun kinderen. Dat dat niet mogelijk is, is een gruwelijke kant aan ons bestaan. Ook werkelijk, ook levend, maar niet vandaag. Nu zijn we bij de Meppelers die in jaren veertig zijn weggevoerd.

Nu is onze aandacht voor hen. Waar deze moet zijn, voor altijd. Wij voelen ons één met hen. Met mensen die er niet meer zijn als gevolg van oorlog en terreur, als gevolg van groot en onmenselijk onrecht. Daarover hoeven we onszelf en anderen geen vragen te stellen, daarover zijn we het eens, daarover bestaat geen enkele twijfel. Als er iets is dat de mensheid samenbrengt, dan is het de volstrekte zekerheid dat wij alles moeten doen om hier te gedenken. Alles moeten doen om oprecht om te gaan met een verleden dat inderdaad groter is dan ons individu.

We staan hier gelukkig niet alleen. We hebben elkaars steun vandaag, juist vandaag, hard nodig. En dat is niet alleen door de bittere ervaring van het verleden, maar juist door onze hoop op toekomst. Een toekomst met degenen die wij hier gedenken. Een toekomst met hen levend in onze gedachten. Alleen dat is het verleden in de ogen blijven kijken. Inderdaad het individu komt niet in de kronieken voor. Daarvoor zijn de Meppelers die wij vandaag weer een plaats geven, ons veel te dierbaar. Zij leven voort in onze herinnering, zij bestaan in ons. Met alle pijn, met alle verdriet, zeker, maar ook met alle kracht, met alle geestvermogen dat zij ons hebben gegeven.

Stolpersteine, struikelstenen noemt Gunter Demnig het monument dat hij de afgelopen jaren heeft opgericht. Een monument voor mensen, gewone mensen zoals u en ik. Wij moeten wel aan hen denken, omdat er geen ander is. Familie, kinderen, geliefden die hun verhaal hadden moeten doorvertellen, zijn er nauwelijks. Voor zover er overlevenden waren, konden die de taak om het verhaal van miljoenen te vertellen niet aan. Niet omdat al die verhalen te veel waren voor hun geheugen, maar ook omdat die verhalen zo afschuwelijk zijn dat wij er bijna niet naar durfden vragen.

De nabestaanden hadden al zoveel meegemaakt en wij voelden ons niet vrij om te vragen naar een verhaal waarvan ook wij Meppelers en de gemeentelijke overheid een deel waren. Zo dreigen mensen vergeten te worden. ... Meppelers lijken verdwenen zonder hun verhaal op de natuurlijke wijze te kunnen achterlaten. Is iets onmenselijker dan stadgenoten te vergeten? Nooit meer aan ze te denken op hun geboortedag, hun huwelijksdag? Nooit meer te spreken over de bijzondere dingen die ze hebben gedaan, zonder ook het gewone te memoreren? Hebben ze niet in onze straat gespeeld? Met ons op onze school gezeten? Ruzie gemaakt? De liefde bedreven?

Zijn wij zo weinig mens gebleven dat wij een deel van ons eigen leven kunnen uitvlakken? Uitvlakken omdat wij blijkbaar denken dat dat ons gemakkelijk uitkomt, dat dat verder leven eenvoudiger maakt? Als Gunter Demnig ons iets leert, is het dat we er zo niet mee weg komen. Dat er altijd een knagend gevoel van onrecht, van schuld of hoe we het uit onze achtergrond ook willen noemen, zal blijven.

Komen we daar met de struikelstenen van af? Neen, maar de struikelstenen geven ons de kans onszelf onder ogen te komen. Te zien, te voelen, te spreken over de generaties mensen die niet meer bij ons zijn. De generaties die wij tientallen jaren niet zagen. Ondanks herdenkingen, plechtige woorden, is ons niet duidelijk geworden dat een groot deel van onze stad, van ons leven onbenoemd is gebleven. Dat wij van al die mensen, van al die plekken veel niet weten.

Vandaag kunnen we weten wat zich hier heeft afgespeeld, wie hier hebben gewoond, waar zij zijn gebleven. Laten we hun verhaal vertellen, want velen hebben meegewerkt aan het documenteren van de levens die hier geleefd zijn. We kunnen dankbaar constateren dat die velen hebben gewerkt om de herinnering levend te houden. Laten wij hun werk voortzetten, door te lezen, te praten, te studeren en nog meer vast te leggen.

Want wat kunnen we meer? Mensen herinneren, is vooral over ze praten. Ons gevoel over hen delen en doorgeven aan onze kinderen. Het lijkt niet veel gezien ons verleden, het lijkt het minste wat we kunnen doen, maar het is naar mijn idee van het allergrootste belang. Deze mensen te laten leven, nadat wij jarenlang overweldigd door de misdadigheid en angstig voor de herhaling van de feiten, alleen maar naar schuldigen konden zoeken.

Laat onze aandacht zich nu, voor eens en altijd, richten op de onschuldigen. Op deze onschuldigen, zoals ze met ons waren, niet op het onrecht en het leed wat hen is aangedaan. Zij verdienen juist echte aandacht, oprechte belangstelling en warme liefde van onze gemeenschap. Zoals allen waarmee we ons echt verbonden voelen. Laat ze voor alles onze dierbaren zijn.

En laten we vandaag Gunter Demnig en allen die aan de Stolpersteine in Meppel bijdragen danken voor de "brandstof voor ons geheugen". Want de Stolpersteine zijn geen esthetische vorm, maar het begin van een vuur in onze harten, waarin wij deze honderden Meppelers met alle anderen die ons dierbaar zijn, mee blijven dragen, met onszelf en met onze kinderen. En bovenal: laten we ons gevoel voor deze mensen uitspreken, zoveel en zo vaak we maar kunnen."

De heer J. Tijink sprak zijn 'Mijn oorlogsjaren' uit, waarna mevrouw E. van de Werff-Stad haar overlevingsverhaal vertelde.

Stolpersteine
"Een mens is pas vergeten als zijn naam vergeten is." Dit zijn de woorden van Gunter Demnig, de Duitse kunstenaar die de Stolpersteine heeft bedacht. De stenen worden geplaatst ter herinnering aan de mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog op bevel van de nazi's zijn afgevoerd en vermoord.

Stolperstein betekent letterlijk `struikelsteen', maar staat ook voor `steen des aanstoots'. Ze zijn bedoeld om de voorbijganger figuurlijk te laten struikelen en aan te zetten tot nadenken. Tijdens het lezen van de namen op de stenen wordt er vanzelf een buiging gemaakt voor de slachtoffers.

Stolpersteine zijn kleine stenen van tien bij tien centimeter. Op de messing bovenkant staan de naam, het geboortejaar en het jaar waarin de slachtoffers zijn omgebracht, met daarbij de plaats. De eerste Stolpersteine zijn in 1997 geplaatst in de Berlijnse wijk Kreuzberg. Inmiddels volgden vele duizenden in de rest van Europa.

Historie zichtbaar
In de Woldstraat en omgeving woonden voor de Tweede Wereldoorlog veel Joodse Meppelers. De laatste jaren is er op verschillende manieren geprobeerd om de historie van dit gebied meer tot uitdrukking te laten komen. Zo is de Jodensteeg in 2009 weer geopend voor publiek en voorzien van informatieborden.
Aan de zijgevel van het pand van Woonconcept aan de Synagogestraat 10 is vorig jaar november een schilderij geplaatst van het interieur van de gesloopte Synagoge (1865-1960). In de loop van dit jaar wordt ook voormalige locatie van deze Synagoge weer beter zichtbaar. Hiervoor zal gebruik gemaakt worden van de onlangs teruggevonden stenen zuilen uit de Synagoge.

Informatie

- Over Stolpersteine en Gunter Demnig vindt u via http://www.stolpersteine.com/

- De Stichting Stolpersteine Meppel kunt u bereiken via stichtingstolpersteinemeppel@gmail.com