Rijksoverheid


Datum 26 april 2011

Reactie op CBS-berichtgeving over werkende armen

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mij gevraagd om een reactie op de berichtgeving van het CBS van 23 maart 2011 dat 370 duizend werkenden met een inkomen onder de armoedegrens leven en het onderliggende artikel. In het CBS-artikel `Inkomen uit werk en toch risico op armoede' wordt op basis van een steekproef (de Enquête Beroepsbevolking, EBB) gesteld dat er in 2008 210 duizend personen zijn met een huishoudinkomen onder de lageinkomensgrens, die minimaal 1 uur per week als werknemer dan wel zelfstandige werken. Deze groep bestaat voor 43% uit zelfstandigen. De overige 57% is werknemer. Een kenmerk van de werknemers met een inkomen onder de lage inkomensgrens is dat een groot deel (71 procent) van deze werknemers een deeltijdbaan heeft. 16 procent werkt zelfs minder dan 12 uur per maand. Het vrijwel gelijktijdig verschenen CBS-webartikel `370 duizend werkenden met inkomen onder armoedegrens' is gebaseerd op een andere steekproef (het Inkomenspanelonderz oek, IPO). Een ander verschil is dat in deze studie geen relatie wordt gelegd met gewerkte uren, maar dat iedereen met loon of winst in een jaar als werknemer dan wel zelfstandige wordt geteld. Op basis van deze steekproef en deze definitie van werkenden komt het CBS tot een schatting van 370 duizend werkenden met een huishoudinkomen onder de lage-inkomensgrens. Deze groep van 370 duizend bestaat ongeveer voor 70% uit werknemers en voor 30% uit zelfstandigen. In het armoedeonderzoek is het normaliter gebruikelijk om iemand een `werkende arme' te noemen als het huishoudinkomen onder een zekere inkomensgrens ligt (zoals de lage-inkomensgrens) en het hoofdinkomen uit arbeid afkomstig is (zie bijvoorbeeld het Armoedesignalement 2010). Hierbij wordt - in tegenstelling tot de recente CBS-onderzoeken - iemand die maar enkele uren per week werkt, dan wel een klein deel van het jaar werkt, en verder een uitkering heeft, dus niet als werkend aangemerkt. Op basis van deze definitie heeft zo' n 3% van de huishoudens van werknemers in loondienst een inkomen onder de lageinkomensgrens. Dit percentage is al zo'n 10 jaar stabiel. Zoals ook uit de recente CBS-studie blijkt komt parttime werk veel voor bij de groep werkende armen. Bij parttimers speelt dat niet zozeer het uurloon de oorzaak is van de armoede, maar het lage aantal uren dat gewerkt wordt. Het minimumloon is in Nederland namelijk relatief hoog en beschermt in het algemeen fulltimers tegen armoede. Rekening houdend met verschillen in koopkracht, kent alleen Luxemburg een hoger minimumloon. Voorzover armoede onder werkenden voorkomt, gaat het ­ naast parttimers en zelfstandigen ­ veelal om mensen met schulden (negatieve inkomsten uit vermogen) en/of om mensen met grote gezinnen (drie of meer kinderen). Bij grote gezinnen speelt dat zij van hetzelfde inkomen meer mensen moeten onderhouden. Bij het bepalen of iemand met een bepaald inkomen arm is wordt dan ook rekening gehouden met de grootte van het huishouden. Mensen met een groter gezin hebben daarom eerder een risico op armoede. Bij bovenstaande analyses is overigens geen rekening gehouden met de vraag of het huishouden spaargeld achter de hand heeft of dat de lage inkomenspositie slechts tijdelijk van aard is. Armoede onder werkenden is in de meeste gevallen namelijk een tijdelijk probleem. De groep huishoudens die 4 jaar of langer in armoede leeft, bestaat uit 21.000 zelfstandigen (dat i s 2,8% van het totaal aantal zelfstandigen) en 25.000 (0,8%) werknemers. Het probleem van werkende armen is de afgelopen 10 jaar niet substantieel veranderd. Recent onderzoek van het SCP heeft laten zien dat uitstroom uit armoede meestal plaats vindt via betaald werk (SCP: Uit de armoede werken. Omvang en oorzaken van uitstroom uit armoede, september 2010). Dit kabinet heeft dan ook de overtuiging dat werk de beste weg uit armoede is. Datum 26 april 2011 Onze referentie R&P/RSA/11/6245

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom