Rijksoverheid


Datum 25 november 2011

Rapportage Europese rekenkamer over agromilieumaatregelen

Geachte Voorzitter, In september 2011 heeft de Europese Rekenkamer een rapport gepubliceerd over de effectiviteit van het agromilieubeleid1. Het agro-milieubeleid is met 2,5 miljard een belangrijk onderdeel van Pijler 2 van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De Vaste Commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft mij om een reactie gevraagd (kenmerk 2011Z18885/201D49847). Meer specifiek vraagt de commissie naar mijn mening over de aanbeveling om te komen tot een betere scheiding tussen de gerichte vergoeding voor simpele en zwaardere vormen van vergroening. De toonzetting van het rapport van de Europese Rekenkamer is constructief kritisch. Er is de afgelopen 20 jaar weliswaar veel winst geboekt, maar de nationale beleidsdoelen en maatregelen kunnen preciezer worden geformuleerd waardoor de ecologische effectiviteit van de agromilieumaatregelen zal verbeteren. De informatie naar de boeren is over het algemeen wel op orde. In het verlengde van haar bevinding en doet de Europese Rekenkamer de volgende aanbevelingen: 1. de Europese Commissie en de Lidstaten moeten aan de hand van heldere doelen de nationale programma's uitwerken. De daarin te stellen agromilieumaatregelen moeten duidelijker gekoppeld zijn aan de aanwezige milieuproblematiek. Meer relevante en betrouwbare data over de bereikte milieuwinst zijn gewenst; 2. de Europese Commissie behoort centrale elementen in de nationale plattelandsontwikkelingsprogramma's meer diepgaand te beoordelen; 3. voor de komende programmaperiode (2014-2020) moet de Europese Commissie in overweging nemen om betalingen nauwkeuriger op milieutekorten toe te spitsen.

Verder moeten lidstaten proactiever zijn in het meer doelgericht inzetten van agromilieumaatregelen en het aandeel Europese cofinanciering variëren naar rato van de milieuwinst. 4. de Europese Commissie wordt aanbevolen om in de volgende programmaperiode (2014-2020) een beter onderscheid te maken tussen eenvoudige en zwaardere maatregelen. De eenvoudige maatregelen zouden een betrekkelijk lage vergoeding moeten krijgen, de zwaardere maatregelen daarentegen een hogere vergoeding. In de rapportage is ook de reactie van de Europese Commissie opgenomen. Zij onderschrijft de wens naar een meer doelgerichte inzet, maar betwijfelt of daar meer data voor verzameld moeten worden. Ik sluit mij aan bij de reactie van de Europese Commissie. Ik ben geen voorstander van het verzamelen van meer data. Temeer omdat dit leidt tot hogere administratieve lasten bij agrariërs en/of hogere uitvoeringslasten bij Dienst Regelingen. Meer specifiek vraagt de vaste commissie naar mijn mening over de aanbev eling om te komen tot een betere scheiding tussen de gerichte vergoeding voor simpele en zwaardere vormen van vergroening. De Europese Rekenkamer stelt voor om zwaardere agromilieumaatregelen met een hoger percentage te cofinancieren. In de Nederlandse praktijk worden juist goede resultaten geboekt door het combineren van lichte en zware vormen van beheer. Voorbeeld hiervan is het door provincies vormgegeven collectief weidevogelbeheer. Ik ben van mening dat bij deze combinatievorm zowel de ecologische effectiviteit van het beheer, als de inpassing in de locale agrarische bedrijfsvoering beter is, en het is ook de inzet van mijn beleid om dat te stimuleren. Het rapport van de Europese Rekenkamer raakt de discussie over het toekomstige GLB. De Europese Commissie heeft begin oktober 2011 haar wetgevingsvoorstellen hierover gepresenteerd. Op 28 oktober j.l. heb ik u de kabinetsreactie op deze voorstellen aangeboden. Daarin concludeerde ik dat naast een betere doelgerichtheid in het v ersterken van de concurrentiekracht en innovatie, het agromilieubeleid een belangrijk thema in het toekomstig GLB blijft. Bij de verbetering van de uitvoering van agromilieubetalingen zie ik een grotere rol weggelegd voor agrarische collectieven. Nederlandse pilots geven een Europees voorbeeld waarin een streekgerichte integrale aanpak door boerencollectieven leidt tot een effectievere realisatie van milieudoelen door de landbouw.

dr. Henk Bleker

Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie