Tuchtrecht | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose | ECLI:NL:TGZCTG:2015:337

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2015:337

Datum uitspraak: 03-12-2015

Datum publicatie: 03-12-2015

Zaaknummer(s): c2014.443

Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose

Beroepsgroep: Arts

Beslissingen:

Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de cardioloog dat hij:a) bij de ingreep van klaagster heparine heeft gebruikt, terwijl hij wist dat klaagster daarvoor allergisch is; het gebruik van heparine heeft bij klaagster een trombose veroorzaakt;b) zijn werk slordig heeft uitgevoerd, waardoor hij bij klaagster een zenuw in het rechterbeen heeft geraakt;c) brutaal en arrogant jegens klaagster is opgereden.Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2014.443 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., cardioloog, destijds werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. M.C. Hoorweg-de Boer.

1. Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 17 januari 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de cardioloog - een klacht ingediend. Bij beslissing van

3 november 2014, onder nummer 14110a heeft dat College de klacht afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De cardioloog heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 november 2015, waar is verschenen de cardioloog, bijgestaan door mr. M.C. Hoorweg-de Boer. Klaagster is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Na de behandeling ter beraadslaging te hebben geschorst, heeft het Centraal Tuchtcollege mondeling uitspraak gedaan.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

"(...) 2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Op 31 augustus 2011 werd klaagster in het ziekenhuis opgenomen voor een poliklinisch uit te voeren hartkatheterisatie. Op genoemde datum is de hartkatheterisatie uitgevoerd door verweerder, die op dat moment een tweejarige opleiding tot interventiecardioloog volgde. Bij die ingreep is bij klaagster een afsluiting van de slagader opgetreden ter hoogte van de zogenaamde angioseal, die was gebruikt om het gaatje dat in de slagader was geprikt te sluiten. Verweerder is vervolgens niet meer bij de behandeling van klaagster betrokken geweest. Na de ingreep heeft klaagster pijn in haar rechterbeen gekregen. Zij is vervolgens in het ziekenhuis geopereerd, waarbij een vaatchirurg een desobstructie heeft verricht en de angioseal heeft verwijderd. Op 5 september 2011 heeft klaagster het ziekenhuis verlaten.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

De klacht houdt - kort en zakelijk weergegeven - in dat verweerder:

a) bij de ingreep van klaagster heparine heeft gebruikt, terwijl hij wist dat klaagster daarvoor allergisch is; het gebruik van heparine heeft bij klaagster een trombose veroorzaakt;

b) zijn werk erg slordig heeft uitgevoerd, waardoor hij bij klaagster een zenuw in het rechterbeen heeft geraakt;

c) brutaal en arrogant jegens klaagster is opgetreden.

Ter toelichting heeft klaagster nog gesteld dat zij na de hartkatheterisatie moest overgeven en langdurig erg hoge koorts kreeg. Zij werd 36 uur na de hartkatheterisatie vanwege een trombose geopereerd. Deze trombose is ontstaan door het gebruik van heparine. In het medisch dossier van klaagster wordt vermeld dat verweerder een zenuw heeft beschadigd.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft - voor zover van belang kort en zakelijk weergegeven - als verweer het navolgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van klachtonderdeel a)

Verweerder wist dat klaagster allergisch is voor heparine. Klaagster heeft hem dit zelf verteld en het stond ook in haar medisch dossier. Verweerder heeft, gelet op deze allergie, voorafgaand aan de hartkatheterisatie contact gehad met de cardioloog/hoofdbehandelaar en er is besloten om gedurende de ingreep geen heparine toe te dienen. Er is ook geen heparine toegediend, zodat de trombose niet kan zijn veroorzaakt door het gebruik daarvan. Het feit dat er geen heparine kon worden toegediend, heeft de kans op het ontstaan van een thrombus overigens sterk vergroot. De afsluiting van de slagader (thrombus), opgetreden ter hoogte van de angioseal is een zeldzame, maar bekende complicatie.

Ten aanzien van klachtonderdeel b)

Verweerder betwist dat hij de ingreep slordig heeft uitgevoerd. Het kan soms voorkomen dat gedurende de ingreep met de naald, waarmee de arts de ader of slagader zoekt, de zenuw wordt geraakt. Dit is niet altijd te vermijden en geeft meestal een kortdurende en voorbijgaande prikkeling van het been. Of er sprake is van blijvende zenuwschade en wat de oorzaak daarvan zou kunnen zijn, is verweerder niet bekend.

Ten aanzien van klachtonderdeel c)

Verweerder herkent zich niet in de door klaagster gegeven beschrijving en betreurt het dat zij zijn houding zo heeft ervaren.

5. De overwegingen van het college

Met betrekking tot klachtonderdeel a) wordt het volgende overwogen.

Klaagster klaagt erover dat haar, hoewel zij daarvoor allergisch is, heparine is toegediend. Het college stelt echter vast dat uit het hartkatheterisatieformulier juist blijkt dat klaagster geen heparine is toegediend. Onder het kopje `Medicatie toegediend tijdens procedure/interventie' is bij `Heparine 5000 EH/ml' namelijk een liggend streepje geplaatst. In haar aanvulling op het klaagschrift stelt klaagster weliswaar dat uit het aanmeldingsformulier voor de hartkatheterisatie zou blijken dat haar 150 ml heparine is toegediend, maar het is duidelijk dat klaagster zich hier vergist. Uit het betreffende formulier blijkt namelijk dat de aantekening niet ziet op de aan klaagster toegediende heparine maar op de aan haar bij gelegenheid van de hartkatheterisatie toegediende contrastvloeistof. Nu klaagster bij de hartkatheterisatie dus geen heparine heeft gekregen, kan de trombose die zij heeft doorgemaakt, daardoor ook niet zijn veroorzaakt. Voor zover klaagster aanvoert dat zij na de hartkatheterisatie als gevolg van het gebruik van heparine heeft moeten overgeven, overweegt het college dat uit het voorgaande volgt dat dit overgeven niet door het gebruik van heparine kan zijn veroorzaakt.

Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel b) overweegt het college het volgende.

Blijkens het overgelegde medisch dossier van klaagster is de hartkatheterisatie ongecompliceerd verlopen. Het college acht het niet uit te sluiten dat verweerder gedurende de ingreep met de naald waarmee hij de ader of slagader heeft gezocht, een zenuw heeft geraakt. Daarmee is echter niet gezegd dat verweerder jegens klaagster medisch onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Daarvoor heeft klaagster onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Het college voegt hier nog aan toe dat uit het medisch dossier blijkt dat de koorts waarover klaagster spreekt eerst na de operatie vanwege de trombose is ontstaan. Deze koorts is dus geen aanwijzing dat verweerder de hartkatheterisatie slordig heeft uitgevoerd.

Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel c) stelt het college vast dat partijen van mening verschillen over de wijze waarop verweerder klaagster zou hebben bejegend. In gevallen waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van klaagster in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat.

Ook klachtonderdeel c) is ongegrond.

Gezien het bovenstaande wordt de klacht afgewezen.

(...)"

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder 2 "2. De feiten" zijn weergegeven.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klaagster gesteld het niet eens te zijn met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de cardioloog erg slordig heeft gewerkt, waardoor een trombose in haar been is ontstaan. Volgens klaagster heeft de cardioloog voorafgaand aan de operatie nagelaten haar medisch dossier te lezen en haar wel degelijk heparine toegediend, ondanks dat klaagster had aangegeven daarvoor allergisch te zijn. Omdat de cardioloog in opleiding was, had hij de operatie niet zelfstandig mogen uitvoeren. Bovendien was de cardioloog erg arrogant, brutaal en zelfingenomen, aldus nog steeds klaagster.

4.2 De cardioloog heeft primair aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht, omdat het beroepschrift niet voldoet aan de in artikel 2 onder a van het Reglement van het Centraal Tuchtcollege gestelde eisen. Subsidiair heeft de cardioloog gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen van klaagster en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat uit het beroepschrift voldoende duidelijk volgt dat klaagster de bedoeling had haar klacht opnieuw in volle omvang ter beoordeling voor te leggen. Uit het verweer van de cardioloog in hoger beroep blijkt ook dat de cardioloog het beroep als zodanig heeft begrepen. Het beroepschrift bevat derhalve de gronden van het beroep zoals bedoeld in artikel 73 lid 2 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) in verbinding met artikel 19 lid 1 onder c van het Tuchtrechtbesluit BIG en artikel 2 sub a van het Reglement van het Centraal Tuchtcollege. Klaagster is ontvankelijk in haar beroep.

4.4 Aan de stellingen van klaagster dat de cardioloog voorafgaand aan de operatie heeft nagelaten haar dossier te lezen en dat hij de operatie niet zelfstandig had mogen uitvoeren, wordt voorbij gegaan, nu het hier klachtonderdelen betreft die voor het eerst in hoger beroep zijn ontwikkeld.

4.5 Ten aanzien van de hiervoor onder 2 "3. Het standpunt van klaagster en de klacht" vermelde inleidende klacht van klaagster heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. M.W. Zandbergen en

mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, leden-juristen en prof. dr. R.J.M. Klautz en dr. A.A. de Rotte, leden-beroepsgenoten en mr. A. Mul, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van

3 december 2015. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.