Tuchtrecht | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose | ECLI:NL:TGZRAMS:2015:129

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2015:129

Datum uitspraak: 29-12-2015

Datum publicatie: 29-12-2015

Zaaknummer(s): 2015/067

Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose

Beroepsgroep: Arts

Beslissingen: Ongegrond/afwijzing

Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt verweerder dat hij ongefundeerde, ondeskundige en beschadigende uitspraken over haar heeft gedaan als getuige in een civiele procedure tussen klaagster en haar voormalig psychiater. In die civiele procedure is haar voormalig psychiater in eerste aanleg veroordeeld tot (onder meer) het terugbetalen van de kosten van jarenlange psychoanalyse. Ongegrond/Afwijzing.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE AMSTERDAM

Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 2 maart 2015 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

tegen

C,

psychiater,

wonende te D,

v e r w e e r d e r.

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift;

- de beslissingen van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg tussen klaagster en E van 24 november 2011 (ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG 1542 en ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1543);

- de psychiatrische expertise gedateerd 28 december 2012 uitgebracht omtrent klaagster door F, psychiater;

- het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juni 2014, zaaknummer C/16/324183/HA ZA 12-750 MAR, gewezen tussen klaagster en E.

De klacht is ter openbare terechtzitting van 17 november 2015 op de voet van art. 57 lid 1, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg gezamenlijk behandeld met de klachtzaak tegen G, geregistreerd onder nummer 15/094.

Klaagster is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Beer, advocaat. Verweerder is verschenen, bijgestaan door mr. E.P. Haverkate, werkzaam bij VvAA Rechtsbijstand.

2. De feiten

2.1. Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden die zich hebben afgespeeld voorafgaand aan deze tuchtklacht verwijst het college naar de onder 1, derde gedachtestreepje genoemde uitspraken, die zijn gepubliceerd op overheid.nl, onder de rubriek tuchtrecht. Het college volstaat hier met het navolgende.

2.2. Klaagster is behandeld door E, psychotherapeut. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft geoordeeld dat het grensoverschrijdend gedrag van E jegens klaagster hem ernstig moet worden aangerekend en dat een zware maatregel gerechtvaardigd is. In de onder 2.1 genoemde zaken is niet de maatregel van doorhaling opgelegd, enkel om de reden dat naar aanleiding van een door de Inspectie voor de Gezondheidszorg ingediende klacht, mede op grond van hetzelfde feitencomplex, reeds een doorhaling in de registers was bevolen.

2.3. Bij het in het vijfde gedachtestreepje genoemde vonnis is onder meer beslist dat E jegens klaagster toerekenbaar tekort is geschoten en is E veroordeeld tot het betalen van een bedrag aan klaagster.

2.4. Klaagster heeft in de procedure bij de rechtbank ingebracht de onder 1, vierde gedachtestreepje genoemde expertise, welke expertise de rechtbank overigens niet aan haar vonnis ten grondslag heeft gelegd.

2.5. Bij brief van 13 mei 2013 heeft verweerder aan de advocaat van E het navolgende gemeld:

"Geachte H,

U verzocht mij als ter zake deskundige om een reactie op de psychiatrische expertise van de hand van collega F d.d. 28 december 2012 betreffende A, geboren X-XX-XX.

Uitgangspunten

Uit het rapport van collega F blijkt dat A in 1997 ex-collega E heeft benaderd om bij hem in psychoanalyse te gaan. De psychoanalyse is in 2008 gestaakt. Volgens collega F heeft de behandeling van A door E niet plaatsgevonden volgens de destijds geldende professionele standaard en op niveau. F rapporteert een negatief effect op het zelfbeeld van A als gevolg van de behandeling.

Commentaar op het gestelde omtrent de psychoanalytische behandeling door E

Voorop moet worden gesteld dat een psychoanalyse een streven naar een eindsituatie behelst, zonder dat op voorhand duidelijkheid bestaat over het bereiken van de eindsituatie en het tijdbestek waarbinnen die kan of zal worden bereikt. De overeenkomst tot het uitvoeren van een psychoanalyse behelst dan ook een inspanningsverbintenis aan de kant van de psychoanalyticus en niet een verplichting tot het behalen van een tevoren vaststaand resultaat. Het te bereiken resultaat kan worden omschreven als `het bereiken van een doorleefd inzicht'(I). Het gaat bij een psychoanalyse niet om specifiek meetbare resultaten.

Met het proces wordt een positief effect op de psychische toestand van de patient beoogd, maar het intreden van dit positieve effect is niet vanzelfsprekend. Integendeel, ook een negatief effect is denkbaar en wordt met een zekere frequentie gerapporteerd. Een negatieve uitkomst van een psychoanalyse is dus niet als zodanig te kwalificeren als een tekortkoming van de behandelaar, maar kan ook als te verwachten gevolg van de analyse worden geduid.

Bij punt 4 is de vraag gesteld of door A gemelde klachten of gevolgen begrijpelijk gerelateerd zijn aan de periode waarin zij bij E in behandeling was. Gesteld dat dat zo is, dan staat daarmee geenszins vast dat die klachten of gevolgen ook causaal gerelateerd zijn. Meer specifiek merk ik op dat het door F besproken omslaan van het vertrouwen in de man E en mannen in het algemeen, blijkens het rapport niet gerelateerd is aan de behandeling als zodanig, maar aan de desillusie die betrokkene heeft ervaren toen zij van haar medepatiente de waarheid kreeg te horen over de verhouding die ze met E had gehad.

Overig commentaar

Over de arbeids- en beroepsanamnese kan worden opgemerkt dat A maatschappelijk zeer geslaagd is: twee hoogleraarschappen, verworven in de periode waarin zij in psychoanalyse was, een eigen BV, J, met een beroepsopleiding, een vormingsprogramma, een (hoofd) redacteurschap van een internationaal tijdschrift, twee voltooide academische studies: psychologie en geschiedenis en thans een psychoanalytische opleiding, mede ten dienste van haar academisch specialisme, de organisatiepsychologie.

Overigens is een voorwaarde voor toelating tot een psychoanalytische opleiding dat men zelf in psychoanalyse is geweest. Kennelijk is in dat verband de behandeling van betrokkene door E als genoegzaam gekwalificeerd.

Van de klachten, concentratiestoornissen, die betrokkene zegt te hebben, is het de vraag of die na of door `post au propter' de psychoanalyse zijn ontstaan. In ieder geval beletten die haar niet het hiervoor geschetste grote aantal activiteiten te ontplooien. Ook lichamelijk is zij in goede conditie, blijkens de opmerkingen van F hierover.

Mijn conclusie is dan ook in de eerste plaats dat uit de rapportage van collega F niet blijkt dat er causaal verband bestaat tussen enig tekortschieten van E in de door hem verrichte psychoanalyse en de door A gerapporteerde klachten. In de tweede plaats blijkt evenmin dat A schade heeft ondervonden door de behandeling die zijn bij E heeft ondergaan.

Ik ben graag tot nadere toelichting bereid.

Met vriendelijke groet,

C, psychiater/psychotherapeut"

2.6. Verweerder en klaagster hebben geen contact met elkaar gehad.

3. De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder ongefundeerde, ondeskundige en beschadigende uitspraken over haar heeft gedaan. Verweerder is voorts ten onrechte tot de opvatting gekomen dat zij geen schade heeft geleden.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Naar zijn stelling heeft hij een medisch deskundig oordeel gegeven naar aanleiding van de expertise genoemd onder 1, vierde gedachtestreepje, waarbij hij zich heeft beperkt tot een oordeel over de inhoud van die expertise.

5. De overwegingen van het college

5.1. Verweerder is door de advocaat van E gevraagd een reactie te geven op meergenoemde expertise.

5.2. Uit het tuchtrecht vloeit geen algeheel verbod voort om zonder de betrokken patient te bezien commentaar te leveren op een medische expertise. Indien slechts een oordeel wordt gegeven over een expertise, is het echter alleen mogelijk vraagpunten te formuleren en kanttekeningen te plaatsen bij zo een expertise. Voor de toetsbaarheid dient duidelijk te zijn waarop het gegeven oordeel steunt. Hierbij geldt voorts de beperking dat dient te worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de expertise. Het college wijst op de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 17 april 2012, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG1949. Bij het formuleren van vraagpunten en het trekken van conclusies dient degene die de vragen beantwoordt de grenzen van zijn deskundigheid in acht te nemen.

5.3. Verweerder heeft in zijn brief aangehaald in 2.5 een aantal algemene uitgangspunten geformuleerd. Deze punten zien niet op de expertise meerbedoeld en zien ook niet specifiek op klaagster. De vermelding - ter voorlichting en inkadering - van dit soort algemene uitgangspunten ontmoet vanuit tuchtrechtelijk oogpunt geen bezwaar. De expertise komt eerst aan de orde in de brief van verweerder bij zijn commentaar op punt 4. Dit commentaar ziet op het onderdeel van de expertise "Beantwoording vraagstelling" dat luidt als volgt:

"Komen er uit uw onderzoek, in fysiek dan wel emotioneel of relationeel opzicht, klachten of gevolgen naar voren die voor u begrijpelijk gerelateerd zijn aan de periode waarin cliente bij E in behandeling was, en de nasleep daarvan?

a. Zo ja, kunt u uw antwoord uitvoerig motiveren en daarbij aangeven welke gebeurtenissen of gedragingen van de arts tijdens de behandelingsperiode in het bijzonder verantwoordelijk zijn voor deze klachten of gevolgen?

Antwoord: De behandeling met E had uiteindelijk een negatief effect op haar zelfbeeld en op haar gevoel voor eigenwaarde. Ze ontwikkelde een verminderd vertrouwen in de persoon van haar huidige psychoanalyticus. Ze is teruggezet in haar `genezingsproces'. De depersonalisatie stoornis waar betrokkene aan lijdt is uiteindelijk niet verbeterd. Haar aanvankelijk door de behandeling bij E herstelde vertrouwen in de man E en mannen in meer algemene zin is geknakt en omgeslagen in wantrouwen. Ze kwam na de behandeling meer in een sociaal isolement. De preoccupatie met E met de toegenomen concentratieproblemen belemmeren haar bij werk. De behandeling door E en haar klacht daarover heeft doorgewerkt in haar leeromgeving binnen het NPG. Voor onderbouwing zie paragraaf `de gevolgen' pag. 24.

b. Kunt u aangeven in welke mate sprake is van blijvende problematiek?

Antwoord Er is geen onderzoek bekend van vergelijkbare gevallen waarop ik een: betrouwbare prognose kan baseren.

c. Hebt u therapeutische suggesties?

Antwoord: Neen"

De opmerkingen die verweerder in zijn brief aangehaald in 2.5 ter zake maakt, zijn beperkt tot het aan de orde stellen en bespreken van de conclusies die F trekt uit de door hem geschetste feiten en omstandigheden. Nu verweerder bij zijn opvatting niet is uitgegaan van andere feiten of omstandigheden dan zijn vermeld in de expertise dienen zijn opmerkingen te worden gekwalificeerd als toegelaten kanttekeningen als bedoeld in 5.2.

5.4. Hetgeen verweerder onder "Overig commentaar" vermeldt, beschrijft deels feitelijkheden die ook zijn opgenomen in de expertise. Verder werpt verweerder de vraag op of de klachten van klaagster door de psychoanalyse zijn ontstaan, zonder deze vraag zelf en definitief te beantwoorden. Verweerder vermeldt als conclusie slechts dat naar zijn mening uit de expertise niet blijkt dat er een causaal verband bestaat tussen de klachten en het tekort schieten van E. Dit is een opvatting over de wijze waarop de expertise - naar zijn mening - dient te worden begrepen. Ook dat is een opvatting die valt binnen de 5.2 bedoelde grenzen.

Er wordt door verweerder geen oordeel uitgesproken over klaagster, maar slechts over de in het rapport getrokken conclusies. Voor de opvatting van verweerder dat uit de expertise niet blijkt dat klaagster schade heeft geleden geldt hetzelfde. Ook dat is een oordeel over hetgeen naar de opvatting van verweerder in de expertise (niet) is te lezen.

5.5. Van een situatie dat de door verweerder gemaakte kanttekeningen zodanig onjuist of onverdedigbaar zijn en om die reden vanuit tuchtrechtelijk oogpunt onaanvaardbaar zijn, is geen sprake.

5.6. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.5 volgt dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelenals bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.De klacht is dan ook ongegrond.

5.7. Het College wijst er ter voorkoming van misverstanden op dat met dit oordeel slechts is vastgelegd dat verweerder bij brief van 13 mei 2013 heeft kunnen antwoorden zoals hij heeft gedaan. Met dit oordeel heeft het College niet uitgesproken dat de opvatting van verweerder hoe de expertise dient te worden begrepen juist is.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af.

Aldus gewezen op 17 november 2015 door:

mr. J. Brand, voorzitter,

J.C. van der Molen, dr.E.D.M. Masthoff en drs.H.J. Kolthof, leden-arts,

mr. C.E. Polak, lid-jurist,

mr. J.M. Sodderland-Elzas als secretaris,

en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 29 december 2015 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. J. Brand, voorzitter

w.g. J.M. Sodderland-Elzas, secretaris