Tuchtrecht | Overige klachten | ECLI:NL:TGZCTG:2016:152

ECLI:NL:TGZCTG:2016:152

Datum uitspraak: 07-04-2016

Datum publicatie: 07-04-2016

Zaaknummer(s): c2014.381

Onderwerp: Overige klachten

Beslissingen:

Inhoudsindicatie: Klager dient een klacht in tegen de medische dienst van een Penitentiaire Inrichting. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard omdat klager - ondanks de aan hem gegeven mogelijkheid van herstel van dit verzuim - de namen van de arts(en) over wie hij klaagt niet heeft genoemd. Het Centraal Tuchtcollege heeft in beroep de directeur van de Penitentiaire Inrichting als getuige gehoord; de directeur heeft in haar verklaring namen van (destijds) bij de inrichting op de afdeling van klager werkzame artsen genoemd. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege wordt vernietigd en de zaak wordt ter verdere behandeling en beoordeling teruggewezen naar het Regionaal Tuchtcollege.

------------------

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2014.381 van:

A., verblijvende in de Penitentiaire Inrichting B.,

locatie C., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: mr.drs. A.H.J. de Kort, advocaat

te Sint-Michielsgestel,

tegen

Niet nader genoemd personeel van de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting B..

1. Verloop van de procedure

A.-hierna klager-heeft op 27 mei 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting B., locatie C., een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 augustus 2014, onder nummer G2014/44, heeft dat College klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht omdat hij - ondanks de omstandigheid dat hij verschillende keren in de gelegenheid is gesteld zijn verzuim te herstellen - niet de naam heeft genoemd van degene(n) over wie hij klaagt en derhalve niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 4 lid 1 onder c van het Tuchtrechtbesluit BIG. Dat College heeft voorts overwogen dat, voor zover klager heeft bedoeld een klacht in te dienen tegen de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting B., hij ook op deze grond niet kan worden ontvangen in zijn klacht omdat uitsluitend een klacht kan worden ingediend tegen individuele personen.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.

Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaak in beroep op 11 juni 2015 buiten aanwezigheid van partijen behandeld en overwogen dat - nu klager gedetineerd is en hij geen inzage heeft in de namen van zijn behandelende artsen - nader onderzoek noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of het Regionaal Tuchtcollege klager terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klacht. Alvorens tot een oordeel te komen, heeft het Centraal Tuchtcollege de behandeling van de zaak derhalve heropend en in het openbaar hervat teneinde de directeur van de Penitentiaire Inrichting B., locatie C., als getuige te horen. Aan de directeur zullen de namen worden gevraagd van degenen die in de periode waarop de klacht ziet als arts werkzaam zijn geweest in de Penitentiaire Inrichting B., locatie C., aldus het Centraal Tuchtcollege in (de tweede) overweging 2.2.

De beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 20 augustus 2015 luidt:

"Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

heropent het onderzoek en schorst het onmiddellijk tot een nader vast te stellen datum en tijdstip met het hiervoor onder 2.2. vermelde doel;

beveelt de oproeping van partijen en hun raadslieden alsmede de directeur van de Penitentiaire Inrichting B., locatie C., deze laatste als getuige, tegen die nader vast te stellen datum en tijdstip;

houdt iedere verdere beslissing aan".

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 21 januari 2016, waar is verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als getuige is, na daartoe de belofte te hebben afgelegd, gehoord mevrouw D. (51 jaar, penitentiair directeur, tevens plaatsvervangend vestigingsdirecteur te B., domicilie kiezend te B., gemeente E., geen familie van partijen).

4. Beoordeling van het beroep

4.1 In beroep heeft klager aangevoerd dat hij klachten heeft tegen diverse artsen die deel uitmaken van de medische dienst van de Penitentiaire Inrichting B., maar dat hij niet bekend is met hun namen. Volgens klager is het in penitentiaire inrichtingen gangbaar om gedetineerden geen achternamen van behandelaars te geven, hooguit wordt de voornaam bekend gemaakt. De penitentiaire inrichting weigert de volledige namen van deze artsen aan hem te verstrekken. Daardoor wordt hem de mogelijkheid ontnomen gebruik te maken van het recht om een klacht in te dienen tegen een medische hulpverlener die is ingeschreven in het BIG-register.

4.2 Ter openbare terechtzitting van 21 januari 2016 is bovengenoemde getuige gehoord. De getuige heeft de achternamen genoemd van de (huis)artsen die in de penitentiaire inrichting vanaf 1 juli 2011 bij klager betrokken zijn geweest en - voor zover zij daarvan op de hoogte was - ook hun voornamen. Tevens heeft de getuige de data genoemd waarop die artsen contact met klager hebben gehad.

4.3 Evenals het Regionaal Tuchtcollege constateert het Centraal Tuchtcollege dat het klaagschrift niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, sub c, van het Tuchtrechtbesluit BIG. Gelet op het bepaalde in artikel 66, vierde lid, van de Wet BIG kon het Regionaal Tuchtcollege tot niet-ontvankelijkverklaring van klager beslissen.

Het Centraal Tuchtcollege stelt evenwel vast dat in beroep niet is gebleken dat klager, anders dan hij heeft aangevoerd, de namen van de artsen tegen wie hij een klacht wilde indienen zelf wel had kunnen achterhalen. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege had het Regionaal Tuchtcollege daarom, hoewel het klaagschrift door het ontbreken van de namen van de aan te klagen artsen niet voldeed aan de gestelde eisen, in dit geval geen gebruik mogen maken van de in artikel 66, vierde lid, van de Wet BIG opgenomen mogelijkheid om, zonder verder onderzoek, in raadkamer tot een eindbeslissing (de niet-ontvankelijkverklaring van klager) te komen. Het had op de weg van het Regionaal Tuchtcollege gelegen nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid voor klager om alsnog de namen van de artsen te achterhalen.

4.4 Op grond van het vorenstaande zal het Centraal Tuchtcollege de bestreden beslissing vernietigen. In afwijking van het uitgangspunt dat na een terecht ingesteld beroep tegen een beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring geen terugwijzing plaatsvindt, ziet het Centraal Tuchtcollege in de gegeven situatie voldoende reden de zaak terug te wijzen naar het Regionaal Tuchtcollege.

Klager dient bij dat College alsnog in de gelegenheid te worden gesteld het geconstateerde verzuim - het ontbreken van de naam van de arts(en) - te herstellen en alsnog de namen van de artsen over wie hij klaagt en de klacht(en) tegen die arts(en) - te formuleren. Daarna zal dat College tot behandeling en beoordeling van de klacht(en) kunnen overgaan.

4.5 Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal het Centraal Tuchtcollege publicatie van deze beslissing gelasten/verzoeken.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

wijst de zaak ter verdere behandeling en beoordeling terug naar

het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te

Groningen;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter,

mr. drs. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. A. Smeeing-van Hees, leden-juristen en

drs. A.C.L. Allertz en drs. M. Drost, leden-beroepsgenoten en mr. B.J. Broekema-Engelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april 2016.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.