Tuchtrecht | Onjuiste verklaring of rapport | ECLI:NL:TGZRSGR:2016:91

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2016:91

Datum uitspraak: 09-08-2016

Datum publicatie: 09-08-2016

Zaaknummer(s): 2016-002

Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport

Beroepsgroep: Arts

Beslissingen:

Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts, dat hij bij een rijbewijskeuring CDE een uitslag van een bloeddrukmeting en onderzoek van bloed of urine op glucose heeft ingevuld zonder meting, resp. onderzoek. De arts heeft verklaard dat hij standaard de bloeddruk meet en door middel van een vingerprik de glucose in het bloed bepaalt. Lezingen van partijen lopen uiteen. Klacht afgewezen.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Datum uitspraak:9 augustus 2016

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, arts arbeid en gezondheid - bedrijfsgeneeskunde,

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.P. Haverkate, werkzaam te Utrecht.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 7 januari 2016

- het verweerschrift

- de repliek met bijlage

- de dupliek met bijlage.

1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 15 juni 2016. De partijen, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2. De feiten

2.1 Verweerder heeft klager op 23 oktober 2015 gekeurd in verband met klagers aanvraag voor een rijbewijs CDE. Voorafgaand aan de keuring heeft klager een `eigen verklaring CDE' ingevuld. Tijdens de keuring heeft verweerder het `geneeskundig verslag voor de rijbewijskeuring CDE' ingevuld. Op het formulier voor het geneeskundig verslag staat als vraag D1 vermeld: `Wat is de bloeddruk?'. Verweerder heeft daar `RR = 130/80 mmHg' ingevuld. Op het formulier voor het geneeskundig verslag staat als vraag D4 vermeld: `Wat is de uitkomst van het onderzoek van of bloed of urine op glucose?'. Verweerder heeft daar bij `urine' `negatief' aangekruist.

3. De klacht

Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij bij de keuring een uitslag van de bloeddrukmeting en een uitslag van het onderzoek van bloed of urine op glucose heeft ingevuld, zonder daadwerkelijk de bloeddruk van klager te hebben gemeten en zonder daadwerkelijk het bloed of de urine van klager op glucose te hebben onderzocht. Verweerder heeft volgens klager dus valse/verzonnen waarden ingevuld.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling

5.1 Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting verklaard dat hij zich de keuring van klager niet meer kan herinneren. Hij heeft verder verklaard dat hij standaard de bloeddruk meet en dat hij standaard door middel van een vingerprik de glucose in het bloed bepaalt. Verweerder heeft geen reden om aan te nemen dat hij die metingen bij klager niet zou hebben verricht, zo stelt hij. De enige oorzaak die hij kan bedenken voor de andersluidende herinnering van klager, is dat hij per abuis in het geval van klager de waarden van de aan klager voorafgaande keurling heeft ingevuld, maar herinneren doet verweerder zich dat niet. Klager daarentegen heeft, ook ter zitting, stellig gehandhaafd dat de betreffende metingen bij hem niet zijn verricht. Hij heeft verklaard niet al tijdens de keuring te hebben gewezen op het feit dat verweerder de metingen niet verrichtte omdat hij pas na afloop op het keuringsformulier zag dat verweerder de uitslagen van een bloeddrukmeting en glucosetest had ingevuld.

5.2 Om een klacht gegrond te kunnen verklaren moeten de feiten waarop die klacht is gebaseerd, vaststaan. In dit geval is de klacht erop gebaseerd dat verweerder uitslagen heeft ingevuld zonder het betreffende onderzoek te verrichten. Verweerder heeft dat echter ontkend. De lezingen van de partijen lopen dus uiteen. De enkele verklaring van klager, hoe consistent ook, biedt onvoldoende zekerheid dat verweerder de uitslagen heeft verzonnen. De klacht, inhoudende dat verweerder geen testen heeft gedaan, maar wel waarden heeft ingevuld, kan dan ook niet gegrond worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden.

5.3 Het is het College overigens ter zitting gebleken dat verweerder de gewoonte heeft de glucose in het bloed te bepalen door middel van een vingerprik, maar op het formulier bij `urine' glucose `negatief' in te vullen. Het College hecht eraan te benadrukken dat verweerder de uitslag van een bloedtest onder `bloed' dient in te vullen. Het moge zo zijn dat bij normaalwaarden voor glucose in het bloed de glucose in urine doorgaans negatief zal zijn, daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Afgezien daarvan behoort de verslaglegging zonder meer correct te zijn.

5.4 De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide, voorzitter, mr. M.W. Koek, lid-jurist, dr. J.H.A.M. Tuerlings, R.P. van Straaten en dr. B. van Ek, leden-artsen, bijgestaan door mr. D.R. Dutrieux, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2016.

voorzitter secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.