Koenders: Moderniseer en word effectiever door samenwerking en maatwerk

Gelegenheid:

Dames en heren,

Goed u weer te zien, ik heb naar deze bijeenkomst uitgekeken. Vijf maanden geleden trapten wij in Ede samen de brede maatschappelijke dialoog “Ontwikkeling is verandering” af. Ik vroeg u destijds mee te denken over rol van uw organisaties, Nederlandse maatschappelijke organisaties, in het ontwikkelingsbeleid van de toekomst. Daarbij riep ik u op vrij te denken en institutionele belangen eventjes los te laten. Dat is, heb ik mij laten vertellen, aardig gelukt. Er is heel wat gesproken en gediscussieerd. Soms bleek dat u het met elkaar eens was, soms ook helemaal niet. Ik begrijp dat: met zo’n verscheidenheid aan organisaties kunnen verschillen van mening tussen en binnen organisaties ook niet uitblijven. Dat schept natuurlijk wel een uitdaging als ik straks conclusies op papier moet trekken. Maar er heeft zich ook – en dat vind ik mooi - tot op zekere hoogte een communis opinio gevormd. Dit vind ik mooi. Die opinio heeft zijn weerslag gekregen in het eindrapport van de stuurgroep waarop ik zodadelijk zal reageren. Voordat ik dat doe wil ik u hartelijk danken voor uw bijdrage. Ik vind dat het eindrapport een aantal goede handvaten biedt voor de beleidsnotitie over de rol van het maatschappelijk middenveld in het bredere ontwikkelingsbeleid die ik binnen afzienbare tijd naar de Tweede Kamer zal sturen. Hoewel de beleidsdialoog na vandaag is afgerond, roep ik u op om ook de komende tijd bij te dragen aan de discussie die blijft doorgaan. Alleen samen kunnen wij ontwikkelingssamenwerking moderniseren en effectiever maken. In die zin zijn ook de verplichtingen van OS een zaak van iedereen.

Voordat ik u mijn visie op de toekomst van het particuliere kanaal schets, deel ik graag een gedachte met u die mij te binnen schoot toen ik deze zaal binnenstapte. Zoals u weet bevinden we ons in de vergaderzaal van de Sociaal-Economische Raad. Dit is de zaal waar de leden van de Raad eens per maand bijeenkomen om het kabinet en het parlement te adviseren over belangrijke sociaal-economische onderwerpen. Noem het toeval, maar het meest recente SER-advies gaat over globalisering. In het advies wordt gekeken wat de gevolgen zijn van dit proces van toenemende economische, politieke en culturele verwevenheid voor Nederland, Europa en de wereld. De Raad merkt op dat het globaliseringsproces de afgelopen jaren zowel een verbreding als een verdieping heeft ondergaan. Verbreding in de zin van een toenemend aantal landen dat een belangrijke rol speelt in de wereldeconomie, waardoor miljoenen mensen uit de armoede zijn getrokken. Verdieping als gevolg van het uitbesteden van almaar meer – delen van – bedrijfsprocessen naar het buitenland. Een van de gevolgen van globalisering is een steeds ingrijpender wereldwijde economische specialisatie. “Is dit erg?”, kun je je afvragen als je het rapport leest. Economische theorie leert ons toch dat van een scherpere taakverdeling in beginsel alle landen beter worden. Dat klopt, maar diezelfde theorie leert ons ook dat toenemende specialisatie gepaard gaat met een herschikking van mensen en middelen. Hierdoor ontstaan verliezers, overgangsproblemen, ongelijkheid en marginalisering. Specialisatie kan ongewenste verdelingseffecten hebben, zowel binnen landen als tussen landen. De SER concludeert dan ook: “hoe globalisering van invloed is op de welvaart in brede zin, hangt vooral af van de wijze waarop met de overgangsproblemen en met verdelingseffecten […] wordt omgegaan”.

En zo is het maar net,

Als jouw fabriek de poort moet sluiten omdat hetzelfde product in Azië tegen een fractie van de kosten kan worden geproduceerd, dan zal je– naar alle waarschijnlijkheid – niet getroost worden door het feit dat ten gevolgen van de toegenomen specialisatie elders in Nederland, of Europa, een nieuwe baan wordt gecreëerd. Daar heb je niks aan. Dan ben je blij dat je in een samenleving leeft waarin dergelijke hervormingsprocessen op een fatsoenlijke manier worden ingericht en hoop je dat er alles aan gedaan wordt om je zo spoedig mogelijk aan een nieuwe baan te helpen. Dat begrijp ik en vind ik niet meer dan logisch. Gelukkig leven wij in een land dat op dit punt een lange traditie heeft. In die traditie blijven we, wat mij betreft, investeren. Maar hoe zit dat voor het miljard mensen dat leeft in landen die uitgesloten zijn van de kansen die globalisering biedt? Wie helpt hen om te gaan met deze pijnlijke transformatieprocessen? Ik zie hier grote problemen. Problemen die – als wij niet uitkijken – zullen leiden tot een verdere toename van de kloof tussen arm en rijk, tussen de have’s en de have not’s. Hier ligt een taak voor ontwikkelingssamenwerking. Door te investeren in hun toekomst proberen wij de have not’s nu al zo effectief mogelijk kansen te bieden, proberen wij een katalysator voor verandering te zijn. Dit doen we soms via multilaterale instellingen, soms via regeringen, soms via NGO’s, maar altijd integer en wat mij betreft ook met een gepaste dosis bescheidenheid.

Dames en heren,

Het zal u niet zijn ontgaan dat er de laatste maanden veel debat gevoerd is over het nut en de noodzaak van ontwikkelingssamenwerking. Ik vind dat een goede zaak. De wereld waarin wij leven lijkt in vele opzichten niet meer op de wereld van twintig of dertig jaar geleden toen u en wij begonnen met OS. Globalisering zet ontwikkelingssamenwerking op scherp. Om met de bescheiden middelen die we hebben in de toekomst nog beter in te kunnen spelen op de enorme dynamiek die de wereld tekent, zullen wij scherpere keuzes moeten maken. Voor landen, voor bepaalde groepen, voor bepaalde werkwijzen. Ik heb deze keuzes vorig jaar gemaakt. Nu komt het aan op uitwerking en implementatie: het moet effectiever en we moeten betere resultaten behalen.

Aanstaande zaterdag zal ik hiertoe in Amsterdam een voorzet geven. Dan maak ik, een jaar na het uitkomen van mijn beleidsnotitie “Een zaak van Iedereen”, de balans op en zet ik mijn ideeën uiteen over de toekomst en modernisering van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Dat het particuliere kanaal in dit beleid een prominente plaats inneemt, is voor mij evident. Ook in de toekomst zie ik een rol weggelegd voor maatschappelijke organisaties. Dit betekent natuurlijk niet dat in het particuliere kanaal geen slag meer te maken is. Integendeel: de discussie gehoord hebbend roep ik u daar toe op. De modernisering van ontwikkelingssamenwerking beperkt zich niet alleen tot het bilaterale en/of het multilaterale kanaal. In de notitie waarover ik aan het begin van mijn betoog sprak zal helder verwoord staan wat mij voor ogen staat. Het denken over deze notitie is nog niet geheel afgerond: er komt nog een beperkte beleidsdoorlichting door het IOB, Duidelijk is al wel dat de nadruk veel meer zal komen te liggen op:

• meerwaarde;
• maatwerk;
• en: samenwerken.

Ik ga nu kort in op deze punten. Daarna zal ik aangeven wat de consequenties van deze ideeën zijn voor de contouren van het nieuwe medefinancieringsstelsel dat vanaf 2011 ingaat. Na mijn betoog ben ik graag bereid met u van gedachten te wisselen over deze, en andere, onderwerpen.

1. meerwaarde

Tijdens mijn speech in Ede heb ik u gevraagd na te denken over de meerwaarde van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingsprocessen. Dat er binnen een veelkleurig gezelschap als het uwe op dit punt verschillende accenten worden gelegd, begrijp ik. U bent het op een groot aantal punten onderling niet, of nog helemaal niet eens. Maar uit uw discussies en het eindrapport neem ik mee dat de meerwaarde van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden sterk afhangt van de omgeving waarin gewerkt wordt. Het klinkt bijna als een cliché, maar no one size fits all gaat echt op. Hoe het staat met de rol van de markt, met de overheid en mensenrechten. Maar ook over de krachten van onderop die mensen in staat stellen zichzelf te helpen, armoede en marginalisering te stoppen; mensen respect te geven.

Dat de staat in het ontwikkelingsdenken aan spectaculaire comeback bezig is, is duidelijk. De tijd van marktfundamentalisme en de Washington consensus is voorbij. Dat wordt steeds duidelijker. Dit was onder andere terug te zien in processen als de Parijs Agenda en instrumenten als begrotings- of sectorsteun. Ik ben het daar mee eens: ontwikkelingslanden moeten zelf de regie voeren over hun eigen ontwikkeling. Maar tegelijkertijd is duidelijk dat het verhaal daar niet eindigt: overheden kunnen het namelijk niet alleen. Macht heeft tegenmacht nodig, goed bestuur moet van onderaf worden gevoed. Daar is een sterk maatschappelijk middenveld voor nodig. Armoede is niet alleen een technische kwestie, maar ook heel vaak het gevolg van processen van uitsluiting. En elke verbetering in de positie van achtergestelde groeperingen zal bevochten moeten worden op bestaande macht. Zo worden veranderingsprocessen in gang gezet die leiden tot een rechtvaardigere verdeling van middelen. Tot een samenleving waarin de stem van achtergestelde groepen wordt gehoord. Over hele concrete zaken als water, landbouw, gezondheidszorg, sexuele en reproductieve rechten. De Voice, de zeggenschap van gewone mensen, moet veel groter worden. Tot op het laagste niveau dienen de kansen voor mensen om zichzelf te helpen uitgebreid te worden. Geen politiek van de goede bedoelingen maar mensen zelf toegang geven tot krediet en middelen. Alleen zo kunnen wij helpen bouwen aan samenlevingen die er in slagen om conflicten die ontstaan door botsende belangen, geweldloos op te lossen.

Juist daar zie ik ook de potentiële kracht van het particuliere kanaal ten opzichte van de anderen kanalen. Maatschappelijke organisaties zijn door hun relatief onafhankelijke rol, potentieel in staat om de meest kwetsbaren te ondersteunen in hun strijd om een fatsoenlijk bestaan, om emancipatie, om toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. Maatschappelijke organisaties kunnen het publieke debat opzoeken, tegenmacht organiseren. Tegenmacht ten opzichte van overheden als het gaat om het afdwingen van verantwoording over de besteding van hulp- en belastinggelden, om de bescherming van mensenrechten, om de verdeling van schaarse middelen. Maar ook tegenmacht ten opzichte van een te fundamentalistische visie op de rol van de markt. Bedrijven hebben namelijk net zo goed een maatschappelijke verantwoordelijkheid.

In alle landen waarin wij werken zijn maatschappelijk middenveld, overheid en bedrijfsleven verwikkeld in ingewikkeld spel waarin grote belangen op het spel staan. De complexiteit van het spel wordt niet zelden veroorzaakt door onduidelijkheid over de spelers: wie behoort eigenlijk tot het middenveld? Wie zijn onze partners: de overheid, het bedrijfsleven? Het antwoord op deze vraag verschilt sterk per land. We moeten zonder naïviteit achter de façade kijken. Alleen zo kunnen wij onze partners helpen anderen aan te preken, aan te vullen en te versterken. Zo ontstaan synergieën en kunnen problemen effectief worden aangepakt. Dit moet wat mij betreft ook gelden voor de verschillende kanalen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Ook deze zouden elkaar veel en veel beter moeten aanvullen en versterken dan nu het geval is. Dit zijn we verplicht aan de armen, maar ook aan de Nederlandse belastingbetaler. Neem Zambia, waar Nederland sterk inzet op het ontwikkelen van een duurzame private sector. We doen dit door via de ambassade een programma te financieren van de Zambiaanse overheid om het MKB te versterken. Uit ervaring weten we dat dergelijke sectorale programma’s de neiging hebben om erg gericht te zijn op beleidsmakers in hoofdsteden. Maatschappelijke organisaties kunnen deze neiging helpen onderdrukken door hun expertise te gebruiken om de overige actoren beter te binden aan dit programma. In Zambia doen we het zo al. Daar verlenen de SNV en enkele MFS-organisaties technische assistentie aan de overheid en individuele MKB-bedrijven. Zo wordt gezorgd dat de armsten betere toegang hebben tot dit programma. Dit levert de synergie op waar ik op doel: ambassade en organisaties zetten hun kernkwaliteiten in voor het bereiken van een gemeenschappelijk doel. Dat werkt en zal in het nieuwe systeem worden gestimuleerd.

Het leggen van verbindingen en organiseren van tegenmacht, dit is waarin ik denk dat de meerwaarde van maatschappelijke organisaties is gelegen. In het nieuwe subsidiekader zullen organisaties aangemoedigd worden om zich op deze kernkwaliteiten te richten. Als organisaties zich nog scherper toeleggen op waar ze goed in zijn, vullen ze andere inspanningen aan, en bereiken we gezamenlijk veel meer. Dat is essentieel.

2. maatwerk

Dat brengt mij op mijn tweede punt: het leveren van maatwerk, écht maatwerk. Als de afgelopen jaren ons iets geleerd hebben, dan is het dat blauwdrukken in de ontwikkelingspraktijk niet werken. Al lang voordat William Easterly zijn boek over “planners versus zoekers” publiceerde, realiseerden velen zich dat succesvolle ontwikkelingsinspanning in de praktijk neerkomen op learning by doing in plaats van het volgen van een voorgeschreven recept. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het opstellen van beleid. Wat mij betreft betekent dat dat in toekomstig beleid het probleem - in samenhang met haar omgeving - centraal wordt gesteld, niet de instituties. Op basis van een deugdelijke analyse moet worden bepaald wat de beste interventie is in een gegeven situatie. Maatwerk, dus.

Ik ga er vanuit dat iedereen weet wat ik bedoel als ik spreek over mijn drie landenprofielen. Hierover is tijdens de beleidsdialoog uitgebreid gesproken. Op deze profielen is heel wat aan te merken, maar zij zijn inmiddels leidend voor onze inspanningen in het bilaterale kanaal. Ik wil deze profielen ook introduceren in het particuliere kanaal. Dit in de overtuiging dat de meerwaarde van maatschappelijke organisaties in een fragiel land als Congo wezenlijk anders is dan in een MDG-land als Tanzania, of het relatief welvarende en stabiele Brazilië.

Terecht is tijdens de dialoog door sommigen van u opgemerkt dat het werk van ontwikkelingsorganisaties niet louter geografisch georiënteerd is; en dus deels moeilijk in landenprofielen te vangen is. Toch zal dat meer moeten gebeuren. Maar u heeft gelijk dat grensoverschrijdende problemen, zoals de effecten van globalisering en klimaatverandering, grensoverschrijdende oplossingen vragen. Wij zullen dan ook nadenken over het opstellen van een vierde categorie waarin dit type activiteiten hun plaats kunnen vinden.

In het nieuwe medefinancieringsstelsel verwacht ik op dit punt twee zaken van u. Ik verwacht dat uw aanvragen oog hebben voor de omgeving en beargumenteren hoe zij vallen binnen de verschillende landenprofielen. Het is aan u om aan te geven welke factoren bepalend zijn voor de keuzes die uw organisatie maakt. Ten aanzien van de thema’s en werkwijze die u kiest, maar ook wat betreft de landen waarin u actief bent. Deze keuzes dienen logisch samen te hangen, en gebaseerd te zijn op een heldere analyse van waar uw eigen meerwaarde zit en de synergie met anderen te bereiken is. Ik zal een voorbeeld geven. Een AIDS-organisatie zal die landen kiezen die kampen met de grootste achterstand op het gebied van HIV-Aids bestrijding, maar ondersteunt haar partners in Zuid-Soedan op een andere manier dan haar partners in Tanzania. Het zal in deze landen immers om andersoortige organisaties gaan, met andere karakteristieken. Zó doet de Nederlandse organisatie waar zij gezien haar kennis, ervaring en organisatievorm goed in is en is de interventie toegespitst op wat er lokaal nodig is. Ik laat mij graag overtuigen door de kwaliteit van uw argumentatie en uitvoering.

Maar dat alleen is niet genoeg. Contextspecifiek werken betekent ook beter aansluiten bij de realiteit in ontwikkelingslanden. Organisaties in ontwikkelingslanden worden namelijk steeds sterker, mede door uw inspanningen (op mijn reizen kom ik daar veel voorbeelden van tegen). Hun capaciteit neemt toe, maar ook hun mondigheid en zelfbewustzijn. Dat is een hele positieve ontwikkeling voor de vraaggestuurde aanpak die mij voor ogen staat. Velen zullen het voorbeeld van BRAC in Bangladesh kennen, of ENDA in Senegal. Dit zijn sterke zuidelijke organisaties met een regionale uitstraling, die op voet van volstrekte gelijkwaardigheid relaties aangaan met andere organisaties. BRAC gaat zelfs binnenkort in Nederland werken! Als dit de schuivende panelen van deze tijd niet aangeeft, weet ik het niet. Deze ontwikkeling kan naar mijn mening niet zonder gevolgen blijven voor de Nederlandse organisaties. U zult uw eigen rol kritisch onder de loep moeten nemen. Een aantal organisaties doet dat al, daar heb ik grote waardering voor: het vergt lef om te constateren dat sommige activiteiten beter door anderen gedaan kunnen worden. Bij het beoordelen van uw volgende MFS-aanvraag zal daar dan ook zeker naar gekeken worden. Houdt uw partnerbeleid rekening met de veranderende vraag uit het Zuiden? Is er sprake van Zuidelijke vertegenwoordiging in uw besturen?

Als ik aangeef dat wij bereid moeten zijn onze eigen rol kritisch onder de loep te nemen, dan geldt dat natuurlijk niet alleen voor u, maar ook voor mijn eigen departement. Ik verzeker u, wij zijn daar hard mee bezig. In dat licht wil ik u meegeven dat ik overweeg om ambassades meer ruimte te geven om lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen dan op dit moment het geval is. Dat kan echter alleen in landen waar ambassade goede mogelijkheden zien om samen met andere donoren fondsen te steunen, bijvoorbeeld de Foundation for Civil Society in Tanzania. Voor rolvervaging ben ik in dat geval niet bang: zowel ambassades als lokale organisaties kunnen juist gebaat zijn bij deze vorm van samenwerking. Ambassades, doordat lokale organisaties een belangrijke rol spelen bij het vormgeven van een evenwichtig mensenrechten- en sectorbeleid. Lokale organisaties, omdat zij aansluiting kunnen vinden bij de politieke dialoog die de Nederlandse overheid voert met de regering van het betreffende land.

Maar ik wil niet alleen meer zuidelijke organisaties financieren via de ambassades. Ik wil het nieuwe MFS ook openstellen voor organisaties uit het zuiden, zowel regionale organisaties als internationale. Het onderscheid tussen deze organisaties is steeds lastiger te maken, maar ik heb het dan over de organisaties die nu in aanmerking komen voor het SALIN. En organisaties die u jarenlang gefinancierd en versterkt heeft en die nu op eigen benen kunnen staan. U hoort, op dit punt zijn de plannen nog niet volledig uitgekristalliseerd, maar de kans is groot dat er in het nieuwe MFS een plafond komt voor dit type organisaties.

3.samenwerken

Dat brengt mij bij mijn derde punt: het bundelen van de krachten, het openzetten van de luiken.

Dames en heren,

Realisme noopt ons tot slim werken, tot het investeren in die zaken waar we het verschil kunnen maken. Maar het noopt ons ook om samen te werken. Nederland kan deze wereldtaak niet alleen uitvoeren, individuele organisaties al helemaal niet. Daarom moeten de luiken verder open. We moeten om de tafel met nieuwe partners, in Nederland en daarbuiten, om de krachten te bundelen. Niet alleen met gelijksoortige organisaties binnen de sector, maar juist ook met anderen. Met migrantenorganisaties, gemeentes, beroepsgroepen, het bedrijfsleven, noem maar op. Velen van u doen dat al en dat juich ik toe. De bereidheid en betrokkenheid is er in Nederland, die moeten we beter aanspreken. Er zijn hele goede voorbeelden van waar het werken met nieuwe spelers al tot zeer goed resultaat leidt. Kijk naar de Schokland Akkoorden waar veel van uw organisaties aan deelnemen, in verrassende samenstellingen met veel partners uit het bedrijfsleven. Dat leidt tot vernieuwing en het beschikbaar komen van energie en geld voor armoedebestrijding uit onverwachte hoeken.

Deze Schokland-gedachte wil ik doorvoeren naar het medefinancieringsstelsel. Ik laat mij graag verrassen door innovatieve samenwerkingsverbanden. Betrek nieuwe en oude spelers, uit binnen- en buitenland en formuleer gezamenlijke programma’s. Voor de liefhebber, dat kan op verschillende manieren:

• in wisselende coalities op deelonderwerpen, zoals bijvoorbeeld het initiatief op duurzame handel.
• binnen gezamenlijke programma’s, zoals de samenwerking van Hivos met KPN op het gebied van ICT en media.
• of in geheel vaste verbanden, zoals wanneer er sprake is van fusies.

Ik kan u vast beloven, op goede inhoudelijke samenwerkingsverbanden komt een premie te staan. Een bonus zoals we ze wél graag zien!

Algemene contouren van het nieuwe stelsel

Dames en heren,

Focus op maatschappelijke verandering, maatwerk en het bundelen van krachten zijn drie kernconcepten die u zeker terug zult zien in de beleidsnotitie waar ik eerder over sprak. Op het departement wordt nog druk nagedacht over de vertaling van deze concepten naar het nieuwe subsidiekader. Definitieve beslissingen, bijvoorbeeld over de looptijd van het stelsel waarover een aanbeveling is gedaan in het eindrapport, zijn nog niet genomen. Daarover zullen wij op een later tijdstip nog met elkaar spreken. Nu deel ik graag een aantal andere gedachten met u ten aanzien van het nieuwe stelsel.

Samenwerken is essentieel, maar geen doel op zich. We werken samen om effectiever te zijn in het bereiken van onze doelen. Ontwikkelingssamenwerking is immers een zaak van iedereen, maar niet van ieder voor zich. Ik ben van mening dat ontwikkelingssamenwerking op dit moment veel en veel te versnipperd is. Het aantal NGO’s in de wereld blijft groeien. Ik was het met een groot deel van Linda Polman’s kritiek niet eens, maar wel met haar zorgen over het grote aantal NGO’s dat actief is in ontwikkelingslanden. 37 duizend NGO’s is gewoon teveel. Dat grote aantal organisaties geldt voor de noodhulp, maar ook voor reguliere OS. Onderlinge afstemming wordt door dit grote aantal heel erg moeilijk, terwijl het juist zo belangrijk is dat wij elkaar aanvullen in plaats van voor de voeten lopen. Daarbij bemoeilijkt het grote aantal NGO’s ook de manier waarop kennis gedeeld wordt. De kennisinfrastructuur van wat werkt en niet werkt kan écht veel beter. Dit is een internationaal samenwerkingsprobleem, dat natuurlijk nooit door de Nederlandse organisaties alleen kan worden opgelost. Maar we kunnen met dit gezelschap wel besluiten om een begin te maken. Ik denk dan aan de volgende mogelijkheid:

Coalities die gezamenlijke aanvragen indienen, zullen in het nieuwe stelsel een duidelijk streepje voor hebben. Een van de prikkels die ik daartoe wil inbouwen is een maximaal aantal organisaties. Dat werkt als volgt. De aanvraagprocedure voor het MFS zal uit twee fases bestaan. Een eerste fase waarin getoetst wordt of uw organisatie in aanmerking komt voor het MFS. Tevens zal u gevraagd worden om een kort voorstel in te dienen. Dit voorstel zal getoetst worden op kwaliteit en relevantie. Vervolgens worden alleen de – ik noem maar even een getal - 30 beste aanvragen uitgenodigd om een vervolgaanvraag in te dienen. Na afloop van deze tweede fase zullen er dus minder losse organisaties gefinancierd worden dan op dit moment het geval is.

Dit systeem heeft een aantal voordelen: het stimuleert samenwerking en onderlinge afstemming, weerspiegelt mijn wens om de nadruk te leggen op organisaties in het zuiden in plaats van de Nederlandse, het vermindert de beheerslast bij zowel organisaties als het ministerie. De omvang van het bedrag dat naar het particuliere kanaal gaat wordt daardoor mede afhankelijk van de kwaliteit van de voorgestelde programma’s. Geen vanzelfsprekendheden meer. Die tijd is voorbij.

Ten slotte wil ik hier graag ingaan op de discussie over verantwoording. Tijdens de dialoog is duidelijk gebleken dat het belang van goede verantwoording aan het publiek en aan de overheid niet ter discussie staat. Er is wel kritiek geuit op de huidige systematiek van verantwoording. Deze zou te bureaucratisch zijn en te weinig recht doen aan de complexiteit van ontwikkelingsprocessen. Ik deel die kritiek, maar wil tegelijkertijd wijzen op het spanningsveld waarin wij opereren. Enerzijds is er de terecht roep om het aantonen van resultaten, anderzijds wordt steen en been geklaagd over regeldruk en bureaucratisering. Wij moeten daar een slimme balans in zien te vinden. Ik nodig u daarom uit om met concrete suggesties te komen hoe het beter kan.

Duidelijk is dat leren en innoveren cruciale onderdelen van verantwoording zijn. Daarom zal in het nieuwe stelsel de focus meer liggen op evaluatie, en minder op de monitoring op detail niveau. Hierin heeft het huidige MFS al een slag gemaakt, wat zich straks zal vertalen in het beter kunnen uitvoeren van evaluaties. Juist omdat goede evaluaties meer recht doen aan de complexiteit van het ontwikkelingswerk, wil ik die weer terug in de kern van het verantwoordingsbeleid.

Een slimmere systematiek is wat mij betreft ook meer gericht op burgers in ontwikkelingslanden. Want ook zij moeten inzicht krijgen in de voortgang die geboekt wordt op armoedebestrijding, wat er goed gaat maar ook wat er minder goed gaat. De verantwoordingsprocessen die wij reeds kennen moeten nog nadrukkelijker lokaal verankerd worden. Dat hoeft écht niet moeilijk te zijn. Zo hoorde ik over een school in Uganda gebouwd door een ontwikkelingsorganisatie. Buiten deze school hing een bord waarop precies stond aangegeven hoeveel geld er met het project gemoeid was én wie de uitvoerder was geweest. Meer informatie hebben ouders en leerlingen niet nodig om de verantwoordelijken te bevragen en desgewenst ter verantwoording te roepen. Lokale verantwoording die hopelijk leidt tot betere projecten in de toekomst. Zo vergroot je transparantie en de participatie. Dat doe je ook door evaluaties van projecten openbaar te maken. Wat mij betreft zijn deze evaluaties begrijpelijk zijn en standaard in de officiële landstaal beschikbaar aan de meest betrokkenen moeten worden geleverd.

Dames en heren, ik rond af,

Globalisering zet ontwikkelingssamenwerking op scherp. De sector zal zich moeten vernieuwen. Voor ontwikkelingsorganisaties betekent dit in ieder geval meer nadruk op meerwaarde, maatwerk en samenwerken. Ik ben graag bereid al uw vragen te beantwoorden, maar niet voordat ik u allen nogmaals hartelijk heb bedankt voor uw deelname aan de dialoog; MDF heb bedankt voor de organisatie; en Jack van Ham, Jan Lock, Lau Schulpen en mijn eigen Robert Petri en Stijn Janssen heb bedankt voor hun goede werk in de stuurgroep.

Ik dank u voor uw aandacht.