Beantwoording vragen leden Van Baalen en Zijlstra over uitspraken Japanse premier over dwangprostitutie

Graag bied ik u hierbij, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden Van Baalen en Zijlstra over uitspraken van de Japanse premier over dwangprostitutie. Deze vragen werden ingezonden op 16 maart 2007 met kenmerk 2060709590.

De minister van Buitenlandse Zaken,
Drs. M.J.M. Verhagen

Antwoorden van de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de heer Klink, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op vragen van de leden Van Baalen en Zijlstra (VVD) over de uitspraken van de Japanse premier over dwangprostitutie.

Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het artikel “Weer Japans onderzoek troostmeisjes”‘? 1)

Antwoord
Ja.

Vraag 2
Bent u van mening dat de twijfel van premier Abe over de directe betrokkenheid van het Japanse leger bij de gedwongen prostitutie van vrouwen in de door Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog bezette gebieden uitermate kwetsend is voor deze vrouwen, waartoe ook Nederlandse slachtoffers behoren?

Antwoord
De historische feiten zijn tragisch en onuitwisbaar, evenals de gevoelens die zij bij de slachtoffers hebben nagelaten. De feiten zijn uitvoerig vastgelegd in een inventarisatie van in Nederlandse archieven verspreid opgeslagen stukken inzake dwangprostitutie van Nederlandse vrouwen in voormalig Nederlands-Indië die aan de Kamer is toegezonden op 24 januari 1994, Kamerstuk nr. 23607.

Zoals ik op 16 maart na afloop van de Ministerraad al heb aangegeven, was de Nederlandse regering onaangenaam verrast door de berichten over de uitspraken van de Japanse premier.

Vraag 3
Bent u van mening dat het door Abe aangekondigde nieuwe onderzoek naar de rol van Japan bij gedwongen prostitutie van troostmeisjes overbodig is, en Japan in plaats daarvan in deze zaak beter spijt kan betuigen, om zo met het oorlogsverleden in het reine te komen?

Vraag 4
Hebt u uw misgenoegen over de uitspraken van premier Abe aan de Japanse regering kenbaar gemaakt? Zo neen, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?

Antwoord
De Japanse regering heeft inmiddels aangekondigd zo'n onderzoek niet te zullen verrichten. De secretaris-generaal van de Liberaal Democratische Partij, de heer Nakagawa, heeft eveneens ontkend voor zo’n onderzoek te zijn. Wel heeft een groep parlementariërs binnen de LDP geïndiceerd een onderzoek te wensen.

Japan heeft in 1993 door middel van een verklaring van toenmalig kabinetssecretaris Kono spijt betuigd voor het leed dat door dwangprostitutie in de Tweede Wereldoorlog is aangericht. De Japanse regering heeft deze verklaring op 14 maart jl. bevestigd.

Het was de Nederlandse regering echter niet duidelijk hoe het vasthouden aan het kabinetsstandpunt van 1993 zich verhield tot de recente berichten in de Japanse en internationale pers over uitspraken van de Japanse premier. Hoewel de Nederlandse regering reeds bij eerdere gelegenheden, ook schriftelijk, om opheldering had verzocht en daarop de toezegging heeft verkregen dat de Japanse regering achter de Kono-verklaring bleef staan, heb ik de Japanse ambassadeur op 16 maart jl. andermaal om uitleg gevraagd. Hierop heeft de ambassadeur mij in een gesprek op donderdag 22 maart jl. op het departement nogmaals verzekerd dat de Japanse regering onverkort vasthoudt aan de Kono-verklaring van 1993.

Van Nederlandse kant is gewezen op het gevoelige en emotionele karakter van het oorlogsverleden in het algemeen en de kwestie van dwangprostitutie in het bijzonder. De Japanse ambassadeur is nadrukkelijk verzocht om aan zijn autoriteiten over te brengen dat Nederland ervan uitgaat dat de Japanse regering geen additionele uitspraken meer zal doen die de geloofwaardigheid van de Kono-verklaring zouden kunnen aantasten.

1) NRC Handelsblad, 8 maart 2007