Beantwoording vragen lid De Roon over de inhoud van het Europees Hervormingsverdrag

Graag bieden wij u, mede namens de minister-president, hierbij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door het lid De Roon (PVV) over de inhoud van het Europees Hervormingsverdrag. Deze vragen werden ingezonden op 23 juli 2007 met kenmerk 2060721740.

De minister van Buitenlandse Zaken,
Drs. M.J.M. Verhagen

De staatssecretaris voor Europese Zaken,
Drs. F.C.G.M. Timmermans

Antwoorden van de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, en de heer Timmermans, staatssecretaris voor Europese Zaken, mede namens de minister-president op vragen van het lid De Roon (PVV) (2060721740) over de inhoud van het Europees Hervormingsverdrag.

Vraag 1
Hebt u kennis genomen van de uitlatingen van Valéry Giscard d’Estaing, opsteller van het bij referendum verworpen Europees Grondwettelijk Verdrag, die er op neer komen dat met het toekomstige Europees Hervormingsverdrag het wezen van die Europese Grondwet in tact is gebleven en dat alle moeite om tot dat Europees Hervormingsverdrag te komen alleen maar wordt gedaan “om de Grondwet makkelijker aanvaard te krijgen”?

Antwoord
Ja.

Vraag 2
Hoe zit het nu? Heeft de opsteller van het Europees Grondwettelijk Verdrag kennelijk geen verstand van constitutionele aangelegenheden of heeft u de Tweede Kamer en de gehele Nederlandse bevolking voor het lapje gehouden toen u vertelde dat het “Europees Hervormingsverdrag” iets héél anders zou zijn dan het Europees Grondwettelijk Verdrag?

Antwoord
De Europese Raad van juni 2007 heeft een gedetailleerd mandaat vastgesteld voor de Intergouvernementele Conferentie (IGC). Een toelichting op het mandaat ging u op 13 juli toe (kamerstuk 21501-20, nr. 347). Hiermee is zeker gesteld dat het wijzigingsverdrag zich in inhoud, omvang en benaming overtuigend zal onderscheiden van het eerder verworpen Grondwettelijk Verdrag, conform de inzet van het kabinet zoals verwoord in de brieven van 19 maart en 21 mei 2007 (kamerstukken II 2006/7, 21501-20, nr. 344 en nr. 256).

Vraag 3
Vormen de uitlatingen van Giscard d’Estaing voor u aanleiding om uw afwijzing van een referendum over het Europees Hervormingsverdrag te heroverwegen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om de Nederlandse bevolking de gelegenheid te geven zich over het Europees hervormingsverdrag uit te spreken?

Antwoord
Het kabinet heeft nog geen standpunt ingenomen over de gewenste inrichting van de procedure ter goedkeuring en bekrachtiging van het wijzigingsverdrag.

Vraag 4
Hebt u voorts kennis genomen van de publicatie van Wim Voermans, hoogleraar staatsrecht, waarin deze betoogt dat het staatsrechtelijk onjuist is om aan de Raad van State de vraag voor te leggen of het noodzakelijk is om over het Europees Hervormingsverdrag een referendum te houden, omdat daarmee aan de Raad ten onrechte de rol van constitutioneel hof wordt opgedrongen en voorts de Raad van State geen inhoudelijke meetlat heeft voor “grondwettelijkheid”? 2) Is dit betoog voor u aanleiding om het verzoek om advies aan de Raad van State in te trekken? Zo neen, waarom niet?

Antwoord
De regering vraagt de Raad van State op grond van de Wet op de Raad van State om zijn oordeel over het karakter van een verdrag conform de conclusies van de Europese Raad. Mogelijk leidt dit ook tot overwegingen ten aanzien van de goedkeuring. De Raad van State wordt niet gevraagd of het noodzakelijk is over dit verdrag een referendum te houden. Er is geen reden het verzoek om advies aan de Raad van State in te trekken.

1) link : NRC.Next, 20 juli 2007 ‘Nieuwe envelop, oude brief’

2) de Volkskrant, 19 juli 2007