Beantwoording vragen van het lid Van der Ham over de vervolging en executie van homoseksuelen in Irak

Graag bieden wij u hierbij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door het lid Van der Ham over de vervolging en executie van homoseksuelen in Irak. Deze vragen werden ingezonden op 13 december 2006 met kenmerk 2060704340.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Dr. B.R. Bot

De Minister van Justitie,

Dr. E.M.H. Hirsch Ballin

Vragen van het lid Van der Ham (D66) aan de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Vreemdelingenzaken en Integratie over de vervolging en executie van homoseksuelen in Irak.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het bericht over de ontvoering van tien homoseksuele mannen, waaronder vijf homorechtenactivisten, in Irak? 1)

Vraag 2

Is het waar dat de ontvoerders leden waren van het Mahdi-leger, een Islamitische militie van de fundamentalistische leider Muqtada al-Sadr, en dat gevreesd wordt dat de slachtoffers reeds vermoord zijn? Is het waar dat de vijf homorechtenactivisten onder de ontvoerden de laatste maanden bezig zijn geweest met het in kaart brengen van het ombrengen van homoseksuelen, lesbiennes, biseksuelen en transgenders (LGBT’s), het verzamelen van betrouwbaar bewijs voor homofobe executies en het verzorgen van schuiladressen voor de LGBT’s die moeten vluchten voor de doodseskaders?

Vraag 3

Bent u bereid over deze situatie bij de Iraakse autoriteiten formeel protest aan te tekenen? Zo neen, waarom niet?

Antwoord

Ik heb kennis genomen van het door u genoemde artikel in de Pink Paper UK. Ik beschik niet over aanvullende informatie uit andere bronnen. Zoals ook in het antwoord van 10 november j.l. op vragen van het lid Dittrich (2060701520) werd aangegeven, is de mensenrechtensituatie in Irak zeer zorgelijk. Er is in de Iraakse samenleving onder meer sprake van discriminatie en geweld op grond van religie, etniciteit, geslacht en seksuele voorkeur. De mensenrechten in Irak zijn dan ook voor de EU een belangrijk punt van aandacht. In de contacten met de Iraakse overheid wordt hiervoor regelmatig aandacht gevraagd.

Vraag 4

Deelt u de mening dat de geschetste situatie gevolgen dient te hebben voor het asielbeleid ten aanzien van LGBT-asielzoekers uit Irak?

Antwoord

De toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft in het ambtsbericht van april 2006 geen aanleiding gezien om speciaal beleid voor Iraakse LGBT-asielzoekers te voeren. Op basis van het nieuwe ambtsbericht over Irak van december 2006 zal de Minister van Justitie opnieuw een standpunt bepalen. Daarbij zal ook de positie van homoseksuele mannen en vrouwen in Irak worden bezien.

Vraag 5

Neemt u deze informatie mee bij het opstellen van het ambtsbericht dat in december 2006 wordt afgerond, opdat de paragraaf over de positie van homoseksuelen de meest recente informatie bevat? Zo neen, waarom niet?

Antwoord

In het algemeen ambtsbericht over Irak van december 2006 is, evenals in de meest recente ambtsberichten, een paragraaf inzake de positie van homoseksuelen opgenomen. Bij het opstellen van een algemeen ambtsbericht wordt gebruik gemaakt van een breed scala aan zowel openbare als vertrouwelijke bronnen die in relatie tot elkaar worden gewogen en op die manier worden verwerkt.

1) Pink Paper UK, 5 december 2006, ‘Iraq police abduct gays at gunpoint’