Beantwoording vragen over een verzoek tot aanhouding van een Israëlische minister

Graag bieden wij u hierbij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden Van Bommel, Azough en Diks over verzoek tot aanhouding van een Israëlische minister. Deze vragen werden ingezonden op 13 oktober 2008 met kenmerk 2008Z04263 / 2080902530.

De minister van Buitenlandse Zaken, De minister van Justitie,

Drs. M.J.M. Verhagen Dr. E.M.H. Hirsch Ballin

Antwoorden van de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, en de heer Hirsch Ballin, minister van Justitie, op vragen van de leden Van Bommel (SP), Azough en Diks (Groen Links) over verzoek tot aanhouding van een Israëlische minister.

Vraag 1

Is het waar dat het Palestijnse Centrum voor de Mensenrechten (PCHR) in mei 2008 een verzoek tot aanhouding van de Israëlische minister Ami Ayalon heeft gedaan bij de Nederlandse autoriteiten?

Antwoord

Dat verzoek is ons niet bekend. Wel is op 16 mei jl. namens dhr. K. Al-Shami schriftelijk aangifte gedaan tegen de Israëlische minister bij de officier van justitie van het landelijk parket.

Vraag 2
Is het waar dat ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens het verblijf van Ami Ayalon in Nederland in deze zaak contact hebben gehad met ambtenaren van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo ja, is het waar dat dit contact ten doel had te voorkomen dat Ayalon aangehouden zou worden? Bent u op de hoogte van het feit dat een Israëlische regeringsfunctionaris heeft bevestigd dat dit contact heeft plaatsgevonden?

Antwoord

Nee, dat is niet waar. Het is ons bekend dat in de media is bericht over Israëlische regeringsfunctionarissen die het tegenovergestelde beweren. Die uitlatingen zijn niet gebaseerd op de feiten.

Vraag 3
Heeft u kennisgenomen van de vermeende martelingen die Khalid Al-Shami wekenlang moest ondergaan tijdens ondervragingen door de Israëlische geheime dienst Shin Bet in de periode dat Ami Ayalon directeur van de Shin Bet was?

Antwoord

De regering is bekend met het relaas van de heer Khalid Al-Shami.

Vraag 4
Herinnert u zich het standpunt in uw mensenrechtenstrategie dat “diegenen die zich schuldig hebben gemaakt aan de misdaden tegen de menselijkheid zoals opgesomd in het Statuut van het Internationaal Strafhof in alle gevallen dienen te worden berecht”? Kunt u aangeven hoe u in het Israëlisch-Palestijnse conflict straffeloosheid van plegers van martelingen tegengaat, een misdrijf dat in het Statuut wordt genoemd en dat internationaal is onderworpen aan een absoluut verbod?

Antwoord

Het regeringsstandpunt is ongewijzigd: Nederland maakt zich sterk voor berechting van verdachten van internationale misdrijven, waaronder het misdrijf marteling. Daartoe brengt Nederland het onderwerp op in de politieke dialoog met derde landen, ook in het Midden-Oosten. Mede met het oog op beëindiging van straffeloosheid dringt Nederland er bij landen op aan de VN-Speciale Rapporteur en/of het Comité ter Voorkoming van Folteringen en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing van de Raad van Europa toe te laten en hun aanbevelingen op te volgen. Nederland geeft voorts steun aan het ICC en andere internationale strafrechtelijke tribunalen die belast zijn met vervolging van plegers van martelingen. Voor het overige verwijs ik naar de brief d.d. 9 september jongstleden van de Minister van Justitie aan uw Kamer.

Vraag 5

Herinnert de minister van Buitenlandse Zaken zich zijn toespraak in aanwezigheid van Ami Ayalon tijdens het CIDI-symposium op 18 mei 2008? Was u ten tijde van dit symposium op de hoogte van verdenkingen dat Ami Ayalon aansprakelijk is voor martelingen die onder zijn verantwoordelijkheid door de Shin Bet zijn gepleegd?

Vraag 6

Is het waar dat Justitie vaststelde dat Ayalon geen immuniteit genoot toen hij net weer uit Nederland weg was? Betreurt u het feit dat Ami Ayalon Nederland vanwege een vertraagde beslissing van het College van Procureurs-Generaal Nederland kon verlaten voordat aanhouding kon plaatsvinden, terwijl vlak na diens vertrek werd bevestigd dat vervolging in Nederland mogelijk was geweest?

Antwoord

Tijdens het CIDI-symposium was de minister van Buitenlandse Zaken niet bekend met de aangifte gedaan tegen de Israëlische minister. Ingevolge het bepaalde in de Aanwijzing afdoening van aangiften met betrekking tot de strafbaarstellingen in de Wet internationale misdrijven (WIM) en de Circulaire inzake strafrechtelijke immuniteiten (95369667/05) heeft de minister van Buitenlandse Zaken, door tussenkomst van de Minister van Justitie, het College van Procureurs-generaal geadviseerd dat de heer Ayalon ingevolge het volkenrecht geen aanspraak kon maken op strafrechtelijke immuniteit. Advisering in dergelijke zaken dient vanwege het internationaal politieke gevoelige karakter en de mogelijke gevolgen voor bilaterale verhoudingen te allen tijde zeer zorgvuldig tot stand te komen. Aangezien in onderhavige zaak de gepaste zorgvuldigheid en voortvarendheid is betracht, kan naar ons oordeel redelijkerwijs niet worden gesproken van een vertraagde beslissing.

Vraag 7

Deelt u de mening dat de in vraag 2 vermelde diplomatieke contacten de rechtsgang op
ontoelaatbare wijze zouden beïnvloeden, dat zij onverenigbaar zouden zijn met de doelstelling van de regering om straffeloosheid tegen te gaan en dat zij in strijd zouden zijn met de verplichtingen van de regering onder het Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing?

Antwoord

De in vraag 2 bedoelde contacten hebben niet plaatsgevonden.