Beantwoording vragen van de leden Van Velzen en Eijsink over clustermunitie

Graag bied ik u, mede namens de minister van Defensie, hierbij de antwoorden aan op de vragen van de leden Van Velzen en Eijsink over clustermunitie en de Nederlandse positie tijdens de onderhandelingen in Wellington die werden ingezonden op 4 januari 2008 met kenmerk 2070807670.

De minister van Buitenlandse Zaken,

Drs. M.J.M. Verhagen

Antwoorden van de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, en de heer Van Middelkoop, minister van Defensie, op vragen van de leden Van Velzen (SP) en Eijsink (PvdA) over clustermunitie en de Nederlandse positie tijdens de onderhandelingen in Wellington.

Vraag 1

Herinnert u zich uw toezegging “Deskundigen van het ministerie van Defensie zullen de komende periode de technische mogelijkheden voor gecombineerde precisie- en betrouwbaarheidscriteria nader uitwerken, waarmee een voor onze strijdkrachten aanvaardbare grens kan worden getrokken tussen acceptabele en niet acceptabele clustermunitie”? 1) Kunt u aangeven wat het exacte resultaat is van deze nader uitwerking van de ‘precisie- en betrouwbaarheidscriteria’ door uw deskundigen? Kunt u aangeven welke onderzoeksresultaten en andere data u daarbij betrokken heeft? Heeft u daarbij ook gebruik gemaakt van de kennis van andere deskundigen (buiten het ministerie van Defensie/ in andere landen)? Zo neen, waarom niet? Hoe vaak zijn de deskundigen bij elkaar gekomen? Hebben zij een verslag gemaakt van hun bevindingen? Zo ja, bent u bereid dit aan de Kamer te zenden?

Vraag 2

Indien uw deskundigen nog niet tot conclusies zijn gekomen, waarom dan niet? Is het u bekend dat voormalig minister van Defensie, dhr. Voorhoeve, slechts drie maanden (tussen december 1995 en maart 1996) nodig had voor een complete ‘ Policy Review’ over de noodzaak van het gebruik van antipersoneelsmijnen voor de Nederlandse strijdkrachten? 2) Waarom is er nu zoveel minder urgentie of daadkracht? Kunt u aangeven naar welke conclusies het werk van uw deskundigen neigt? Wanneer denkt u met conclusies te komen? Deelt u de mening dat het wenselijk is deze criteria opgesteld te hebben ruim voor de Wellington-Conferentie over clustermunitie die van 18 tot 22 februari plaats vindt? Bent u bereid om ruim voor die tijd de criteria aan de Kamer te zenden, vergezeld van uw inzet voor deze conferentie?

Antwoord

Hoe betrouwbaarheid en precisie het beste in technische termen kunnen worden omschreven, is nog onderwerp van studie. Ook in internationaal verband wordt door regeringsdeskundigen hierover gesproken. De bijeenkomst van regeringsdeskundigen in het kader van het Conventionele Wapenverdrag (CCW) komende week in Geneve is hiervan een voorbeeld.

De problematiek van de clusterwapens is complex en vergt een zorgvuldige behandeling. Omdat de besprekingen in het kader van de CCW slechts langzaam vorderen, heeft een aantal landen besloten tot een versnelling van de discussie over clusterwapens. Juist daarom is het “Oslo-proces” in het leven geroepen.

De agenda en discussieteksten voor de conferentie in Wellington zijn nog niet beschikbaar. Voorafgaand aan de conferentie in Wellington zal de Kamer nader over het standpunt van de regering worden geïnformeerd. Daarbij zal de voortgang van eerder genoemde studie worden betrokken.

De regering is van mening dat clustermunitie die onaanvaardbaar humanitair leed veroorzaakt, dient te worden verboden. Ook zal de regering de ontwikkeling van technologische verbeteringen ondersteunen om het risico van humanitair leed veroorzaakt door onontplofte oorlogsresten steeds verder te beperken. De verbetering van de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid en de toevoeging van een zelfvernietigings- of neutraliseringsmechanisme worden beschouwd als concrete en zinvolle stappen voorwaarts die passen in dat streven.

Zoals vermeld in antwoorden op vragen van de vaste commissies van Buitenlandse Zaken en Defensie van 27 juni 2007 heeft de regering besloten tot nader order geen clustermunitie door de Koninklijke Luchtmacht te laten gebruiken. Mochten zich situaties aandienen waarin toch een keuze voor de inzet van clustermunitie moet worden gemaakt, dan zal de regering daarover de Kamer tijdig inlichten. Wanneer de internationale gesprekken over bezit en inzet van clustermunitie tot resultaten leiden (het “Oslo-proces” of in het kader van het CCW), zal de regering de Kamer informeren over de gevolgen die zij daaraan verbindt. Overigens is de regering van mening dat het bezit van clustermunitie legitiem is en dat inzet van deze munitie in bepaalde situaties, na zorgvuldige afweging, is aangewezen.

Vraag 4

Is het waar dat tijdens de Wenen-Conferentie over clustermunitie (van 5-7 december 2007) de Nederlandse delegatie gesteld heeft dat clustermunitie met een zeer hoge betrouwbaarheid of weinig submunities, bijvoorbeeld tien of minder, aanvaardbaar moet blijven?

Vraag 5

Is het waar dat de argumentatie die daarvoor werd gegeven luidde, dat de humanitaire impact van explosieve oorlogsresten bij gebruik van clustermunitie met weinig submunities niet principieel zou afwijken van de impact van unitaire munitie? Zo ja, hoe rijmt u dit met uw opmerking op het algemeen overleg van 17 oktober 2007 dat humanitaire criteria richtinggevend zullen zijn en niet het arsenaal waar de strijdkrachten over beschikken? Deelt u de mening dat deze stelling van de Nederlandse delegatie de indruk geeft dat het behoud van de M-261 raket (met 9 submunities) wel degelijk tot inzet van de onderhandelingen is gemaakt? Zo ja, is het waar dat het uw inzet is de M-261 te behouden?

Vraag 6

Is het waar dat uw deskundigen wèl reeds een voor de Nederlandse krijgsmacht aanvaardbare grens hebben getrokken tussen acceptabele en niet-acceptabele clustermunitie, en dat deze grens wordt bepaald door het áántal submunities? Op welke juridisch-humanitaire instrumenten baseert u die zienswijze? Hoe zijn de betrouwbaarheid en precisie -als genoemd in de Lima-brief- in deze zienswijze verdisconteerd?

Vraag 9

Herinnert u zich uw uitspraak gedaan tijdens het algemeen overleg van 17 oktober 2007 dat de uitkomst van het Oslo-proces zeker kan inhouden dat de CBU-87 onder niet langer geaccepteerde clustermunitie zal vallen? Bent u bereid deze voorspelling als het standpunt van de Nederlandse regering in te brengen? Bent u bereid om, zoals in het Oslo protocol staat, nationale stappen te nemen en de CBU-87 uit het Nederlandse arsenaal te laten verwijderen?

Tijdens de bijeenkomst in het kader van het Oslo-proces in Wenen van 5 tot en met 7 december 2007 heeft de Nederlandse delegatie gemeld dat Nederland geen voorstander is van een totaalverbod op clustermunitie en heeft zij aangedrongen op handhaving van de doelstelling zoals verwoord in de Verklaring van Oslo, namelijk dat clustermunitie die onaanvaardbaar humanitair leed veroorzaakt, dient te worden verboden. Nederland herhaalde het standpunt als uitgedragen in Lima, dat er een onderscheid moet komen tussen onaanvaardbare en aanvaardbare clustermunitie. Ook andere landen bleken deze mening te zijn toegedaan, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Zwitserland, Zweden, Finland, Denemarken, Tsjechië, Slowakije, Turkije, Canada, Argentinië, Australië, Zuid-Afrika en Japan. Nederland heeft zich op het standpunt gesteld dat clustermunitie met een zeer hoge betrouwbaarheid of weinig submunities aanvaardbaar kan blijven. Nederland heeft geen specifieke getalswaarden genoemd.

Zoals vermeld in de antwoorden op vragen van de vaste commissies van Buitenlandse Zaken en Defensie van 27 juni 2007 (Kamerstuk 21501-02, nr. 760, vragen 6 en 12) acht de regering het wenselijk de plaats van clustermunitie in het arsenaal van de Nederlandse strijdkrachten mede afhankelijk te maken van de uitkomst van het internationale debat. Deze uitkomst is nog niet bekend en daarom is er nu geen aanleiding specifieke typen uit het arsenaal te verwijderen. Inzet van de besprekingen is niet het behoud van specifieke typen. Voor de Nederlandse regering is het internationaal draagvlak voor een eventueel nieuw verdrag van groot belang. Een verdrag zal betekenisvoller zijn naarmate meer landen partij worden die clustermunitie gebruiken of produceren.

Vraag 3

Herinnert u zich uw uitspraak in het algemeen overleg van 17 oktober 2007 dat humanitaire criteria richtinggevend zullen zijn bij het afbakenen van de grens tussen acceptabele en niet-acceptabele clustermunitie? Kunt u exact aangeven wè lke humanitaire criteria u daarvoor heeft gebruikt, dan wel gaat gebruiken? Komen deze criteria uit de Geneefse Conventies, uit het CCW-Verdrag of ook uit andere juridische instrumenten? Kunt u een exacte bronvermelding geven van de herkomst van de gebruikte (of te gebruiken) humanitaire criteria?

Antwoord

Tijdens het algemeen overleg van 17 oktober 2007 is gesteld dat humanitaire overwegingen richtinggevend dienen te zijn bij een nieuw verdrag dat bepaalde typen clustermunitie zal verbieden. Dat betekent dat het huidige arsenaal van de krijgsmacht niet bepalend is voor het Nederlandse standpunt. De regering zal een afweging maken tussen het belang van humanitaire overwegingen aan de ene kant en het belang van de operationele slagkracht van de krijgsmacht aan de andere kant. Bovendien is het draagvlak voor een eventueel nieuw verdrag voor de Nederlandse regering van groot belang.

De regering baseert zich in haar afweging op de beginselen van het humanitair oorlogsrecht, zoals de beginselen van militaire noodzaak, het beginsel van onderscheid tussen burgers en civiele objecten aan de ene kant en combattanten en militaire doelen aan de andere kant, en het beginsel van proportionaliteit. Dit laatste beginsel vereist een afweging die meebrengt dat de verwachte nevenschade niet disproportioneel mag zijn in verhouding tot het verwachte tastbare en rechtstreekse militaire voordeel. Deze beginselen vormen de basis van het humanitair oorlogsrecht en gelden voor elk wapengebruik, waaronder het gebruik van clusterwapens. Daarnaast meent de regering dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat er slachtoffers vallen onder de burgerbevolking in een conflictzone.

Nederland heeft daarnaast als enige deelnemer aan het Oslo-proces gemeld tot aangescherpte regelgeving te willen komen voor de inzet van typen clustermunitie die onder een toekomstig verdrag mogelijk blijft, en heeft daarbij Protocol III bij het CCW-verdrag als voorbeeld genoemd. Nederland meent derhalve dat de humanitaire normen uit Protocol III van de CCW richtinggevend kunnen zijn in het debat over clustermunitie.

Vraag7

Op welke wijze bent u betrokken bij het opstellen van de discussietekst voor Wellington? Is het u bekend dat de “Wellington Discussion Text” (text based issue discussion) 3) reeds medio januari a.s. wordt verwacht en idealiter in het artikel over definities een concept-tekst moet bevatten waarin een grens wordt getrokken tussen acceptabele en niet-acceptabele clustermunitie? Deelt u de mening dat het wenselijk is dat de Nederlandse zienswijzen voor ca. 15 januari a.s. bij de Nieuw-Zeelandse autoriteiten worden gemeld? Zo ja, welke zienswijzen zullen, in het licht van het werk van uw deskundigen en de uitspraken op het algemeen overleg van 17 oktober 2007, worden ingebracht?

Antwoord

Nederland maakt zich sterk voor een verbod op clustermunitie die onaanvaardbaar humanitair leed veroorzaakt. Zo luidt immers de omschrijving in de Oslo-Verklaring van februari 2007.

De door zes landen (Noorwegen, Oostenrijk, Ierland, Nieuw-Zeeland, Peru en Mexico) opgestelde discussieteksten voor Lima en Wenen namen daartoe een totaalverbod met uitzonderingsmogelijkheden voor specifieke typen als uitgangspunt.

Nederland en een aantal andere landen vinden dat de Oslo-Verklaring uitgangspunt moet blijven van het proces en dat de Wellingtontekst dit moet weerspiegelen. Deze groep landen zal in de aanloop naar de Wellington-Conferentie bij elkaar komen om te bezien op welke wijze de gezichtspunten tijdig onder de aandacht van de Nieuw-Zeelandse regering kunnen worden gebracht. Nederland zal aan die bijeenkomsten deelnemen. Ook zal Nederland zo nodig zijn standpunten tijdig bilateraal in Wellington kenbaar maken.

Vraag 8

Welke positie zal Nederland innemen in de eerste bijeenkomst van Regeringsdeskundigen van het Conventionele Wapensverdrag (CCW) over Clustermunitie, welke van 14 -18 januari a.s. zal plaatsvinden in Geneve? Bent u bereid om de Nederlandse positie ruim van tevoren aan de Kamer bekend te maken?

Antwoord

De Nederlandse positie zal niet afwijken van de positie zoals verwoord tijdens de bijeenkomst in Wenen van 5 tot en met 7 december 2007.

Vraag 10

Waarom heeft een vertegenwoordiger van uw ministerie het “Lot Acceptance Flight Test Report” m.b.t. de CBU-87 ondertekend, terwijl dit rapport (nog afgezien van de vreemde kwalificatie van een ‘dud’) ook gewone en grove rekenfouten bevat? Waarom bent u op basis van zo'n foutief rapport tot aanschaf van de CBU-87 overgegaan? Welke rol speelt dit soort testrapporten bij een aanschafbesluit van bijvoorbeeld munitie?

Antwoord

Voordat Defensie overgaat tot de aanschaf van munitie, dient deze te worden getest volgens vooraf vastgestelde testcriteria. Uit het aan de Kamer gezonden testrapport blijkt dat de CBU-87 voldeed aan het destijds in 1995 gestelde criterium voor betrouwbaarheid van de submunities. De desbetreffende test was ontworpen om de betrouwbaarheid van de individuele submunities te bepalen. Zoals gemeld in de begeleidende brief bij het testrapport (Kamerstuk 21501-02, nr. 765) is de regering zich ervan bewust dat er na inzet van de CBU-87 meer onontplofte submunities zullen achterblijven dan het aantal dat in de desbetreffende test als “dud” is aangeduid.

In tegenstelling tot wat de vraag suggereert, is het rapport niet getekend door een vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie. Het uitvoeren van een Lot Acceptance Test (LAT) is niet uitgevoerd op specifiek verzoek van Defensie, maar maakte deel uit van de standaard afnamekeuring van elk geproduceerd lot. Wel is een medewerker van het Ministerie van Defensie bij de tests aanwezig geweest.

Het rapport in ogenschouw nemend kunnen wij geen grove rekenfout ontdekken. Wel staat er een typefout in die verwarring kan veroorzaken. De “functioning rate” wordt in de fabriekspecificaties gedefinieerd als: “by dividing the total number of bombs that function high-order by the total number of bombs (less the total number of NO-test units) deployed from the functioning dispenser.” Zo resulteert de eerste afworp in de volgende rekensom: (404-19-14)/385 * 100% = 96.4%. Hiermee voldeed de munitie aan de gestelde eisen. Er is dan ook geen sprake van aanschaf op basis van een foutief rapport.

Vraag 11

Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór de bijeenkomst van Regeringsdeskundigen van de CCW over clustermunitie (zie vraag 8)?

Antwoord

Ja.

1) Brief van 12 juli 2007 over het verloop van de Lima-Conferentie over clustermunitie (kamerstuk 21 501-02, nr. 761)

2) Kamerstuk 24 292, nrs. 4 en 5

3) Brief van de minister van Buitenlandse Zaken, 4 december 2007 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 781)