Beantwoording vragen van het lid Boekesteijn over relatie tussen hulp en ontwikkeling

Zeer geachte Voorzitter,

Graag bied ik u hierbij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door het lid Boekestijn over Relatie russen hulp en ontwikkeling. Deze vragen werden ingezonden op 1 oktober 2008 met kenmerk 2008Z03569 / 2080901650.

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Bert Koenders

Antwoorden van de heer Koenders, minister voor Ontwikkelingssamenwerking op vragen van het lid Boekestijn (VVD) over relatie tussen hulp en ontwikkeling.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de uitlatingen van uw partijgenoot Prof. P. van Lieshout, die een rapport aan het schrijven is bij de WRR over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking en over de relatie tussen hulp en ontwikkelingen? 1

Antwoord

Ja.

Vraag 2
Bent u het eens met Prof. Van Lieshout dat hulp en ontwikkeling in Afrika niet zoveel met elkaar te maken hebben?

Antwoord

Nee en de heer Van Lieshout heeft dat ook niet zo gezegd.

Vraag 3
Bent u het eens met Prof. Van Lieshout dat hulp in Europa goed heeft gewerkt, dat Azië het zonder grote hulpbedragen het goed heeft gedaan en dat Afrika het met veel hulp slecht heeft gedaan?

Antwoord

Deze vraag miskent de strekking van Van Lieshouts woorden.

Van Lieshout maakt in de eerste plaats analytisch onderscheid tussen hulp en ontwikkeling, zoals ook in ons beleid het geval is. Het begrip ontwikkelingssamenwerking is inmiddels jaren ingeburgerd. Hulp wordt gegeven daar waar noden zijn en waar hulp een bijdrage kan leveren aan het lenigen van die nood. Ontwikkeling is daarentegen een complex proces, zoals Van Lieshout zelf ook benadrukt. Ontwikkelingsamenwerking kan daar een belangrijke katalyserende bijdrage aan leveren. De constatering dat Europa, Azië en Afrika ieder een andere ontwikkeling hebben doorgemaakt, is evident en logisch en heeft met dit onderscheid te maken. In de eerste plaats is de effectiviteit van hulp sterk afhankelijk van de politieke/sociaal/economische/culturele context die voorwaarden zijn voor ontwikkeling, die in Afrika, Azië en Europa (en binnen die continenten) sterk uiteenlopen. In de tweede plaats zijn in Afrika wel degelijk ook goede resultaten geboekt, waaraan de hulp heeft bijgedragen.

Gedurende de afgelopen decennia is het beleid om ontwikkeling te bevorderen, zoals Van Lieshout ook schetste, een aantal malen aangepast. Binnen ontwikkelingssamenwerking is veel lering getrokken uit evaluaties, op basis waarvan het beleid steeds effectiever is geworden. Hij benadrukt tevens de noodzaak om structurele investeringen te doen en daarbij oog te hebben voor het functioneren van overheden. Hij geeft aan dat we oog moeten hebben voor de samenhang tussen ontwikkeling en onderwerpen als klimaataanpassing, migratie en handel. Ik ben het met deze invalshoeken eens en dat is dan ook centraal onderdeel van ons beleid. Ik verwijs u daarvoor naar de analyse van de nota Een Zaak voor Iedereen en de diverse notities die op basis daarvan zijn verschenen. Tevens verwijs ik naar onze multilaterale inzet op het terrein van internationale publieke goederen, die ik van plan ben verder te versterken.

Vraag 4
Bent u het eens met Prof. Van Lieshout dat het veel beter zou zijn om eerst ontwikkelingsdoelstellingen, en een daarbij horende intelligente strategie te formuleren en dan pas te bezien welk budget daarbij past? Deelt u kortom de mening dat zowel het huidige hoge budget en de koppeling met de groei van het BNP ter discussie zouden moeten staan?

Antwoord

Inderdaad is het nuttig om ontwikkelingsdoelstellingen als uitgangspunt te nemen. Duidelijk is dat daar veel geld voor nodig is – zie ook de recente opmerkingen van de SG-VN over onderfinanciering van de MDG’s - en omdat internationaal is afgesproken 0,7 % van BNP aan ODA te geven houdt Nederland zich hieraan. De toevoeging van milieudoelstellingen (Rio afspraken) heeft dit percentage laten oplopen tot 0,8% BNP. Hiermee kiest Nederland voor een duidelijk afgebakend ambitieniveau. Daarbij heeft Nederland heel duidelijke doelstellingen voor ogen, te weten het bereiken van de MDG’s via een verscherpte inzet op vier beleidsprioriteiten zoals in de vorig jaar verschenen beleidsnotitie verwoord en door de Kamer goedgekeurd. Het is belangrijk dat internationale afspraken worden nageleefd, zoals mede op Nederlands initiatief is herbevestigd op de Jaarvergadering IMF/WB. Juist in tijden van internationale crisis wordt de committering aan internationale afspraken als essentieel gezien.

Vraag 5

Bent u het eens met Prof. Van Lieshout dat investeringen in landbouw en infrastructuur meer opleveren voor ontwikkeling dan in onderwijs en gezondheidszorg?

Antwoord

Nee, Van Lieshout wordt selectief aangehaald. Voor duurzame ontwikkeling is nodig dat op alle genoemde terreinen gebalanceerd geïnvesteerd wordt.

Vraag 6

Bent u het eens met Prof. Van Lieshout dat ontwikkeling niet noodzakelijkerwijs democratisering vereist aangezien verlicht despoten heel goed groei weten te bereiken? Welke gevolgen zou deze empirische conclusie moeten hebben voor de rol van het Netherlands Institute for Multiparty Democracy?

Antwoord

Nee, Van Lieshout wordt wederom selectief aangehaald. Zijn empirische conclusies worden in 2009 vastgesteld.

Het is bewezen dat hulp effectiever is, naar mate het bestuur van een land beter op orde is. Zo stelt Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve op blz 27 van zijn publicatie “Rechtsstaat in ontwikkelingslanden? Aspecten van een liberale ontwikkelingssamenwerking” dat algemeen wordt aangenomen dat er een positieve, wederzijds versterkende relatie is tussen democratisering en ontwikkeling. Aangezien onderdrukking en slecht bestuur maatschappelijke en individuele ontplooiing schaden, is het ontwikkelen van goed bestuur en democratie belangrijk”. De kwaliteit van bestuur heeft allerlei aspecten en moet niet versmald worden tot een specifiek model van democratie in West-Europese zin. Ook kan democratisering niet worden opgelegd. Democratisering is een context specifiek proces naar betere participatie en representatie van burgers in politiek bestuur en betere verantwoording van dat bestuur, de ontvangende overheden, aan hun burgers. Daarom wordt in mijn beleid ook zo sterk de nadruk op “accountability” gelegd. Want zo kunnen democratische ontwikkeling en sociaaleconomische ontwikkeling met elkaar worden verbonden. In dit verband vervult ook het NIMD een functie.

Vraag 7

Bent u bereid om het bovengenoemde rapport van de WRR zo snel mogelijk na afronding naar de Tweede Kamer te sturen zodat wij de hervorming van het huidige beleid zo spoedig mogelijk kunnen doorvoeren?

Antwoord

Na verschijning van het WRR rapport zal het op de gebruikelijke wijze, voorzien van een beleidsreactie, aan de Kamer worden aangeboden.

1: Buitenhof, 28 september 2008