Beantwoording vragen van het lid Peters over de uitbreiding van het industriegebied bij de stad Ariel op de Westelijke Jordaanoever

Graag bied ik u hierbij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door het lid Peters over de uitbreiding van het industriegebied bij de stad Ariel op de Westelijke Jordaanoever. Deze vragen werden ingezonden op 22 juli 2008 met kenmerk 2070825850.

De minister van Buitenlandse Zaken,
Drs. M.J.M. Verhagen

Antwoorden van de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, op vragen van het lid Peters (GroenLinks) over de uitbreiding van het industriegebied bij de stad Ariel op de Westelijke Jordaanoever.

Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de uitbreiding van het industrieterrein bij de stad Ariel? 1) Deelt u de mening dat Israël met de uitbreiding van dit industrieterrein in de bezette gebieden de afspraken van het Annapolis akkoord over uitbreiding van nederzettingen niet nakomt?

Antwoord
Ja. Overigens is er geen sprake van een zogenaamd ‘Annapolis-akkoord’, maar van een Annapolis-proces, dat tot op heden niet tot een akkoord heeft geleid. Wel is in Annapolis een gezamenlijke verklaring afgelegd waarin beide partijen het belang van de road map hebben onderstreept en de intentie hebben uitgesproken implementatie van de road map voort te zetten.

Vraag 2
Deelt u de mening dat uitbreiding van dit industrieterrein met 27 fabrieken onrechtmatig is volgens het internationaal recht, omdat deze uitbreiding in bezet gebied (OPT) plaatsvindt? Heeft u hierover contact gehad met de Israë lische autoriteiten? Zo neen, bent u van plan dit alsnog te doen?

Antwoord
Ik deel de mening dat uitbreiding van nederzettingen onrechtmatig is volgens het internationaal recht, in het bijzonder het Vierde Verdrag van Genève. Nederland dringt, in EU-verband en bilateraal, voortdurend bij Israël aan op stopzetting van bouwactiviteiten in nederzettingen in de bezette gebieden. Zo heeft het Franse voorzitterschap op 16 en 25 juli j.l. een verklaring afgegeven waarin ze haar zorgen uitspreekt over de voorgenomen uitbreiding van dit industrieterrein. Tijdens mijn laatste bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden, van 27 – 30 mei jl., heb ik er bij mijn Israëlische ambtgenoot, minister Livni, krachtig op aangedrongen een moratorium af te kondigen op de bouwwerkzaamheden in de nederzettingen. Ook tijdens een eerder bezoek aan o.a. Israël van 20–24 januari jl. heb ik Israël gewezen op het belang te komen tot ontmanteling van de outposts en beëindiging van de uitbreiding van nederzettingen.

Vraag 3
Zijn er Nederlandse bedrijven direct betrokken bij dit industrieterrein en de uitbreiding ervan? Gaat er direct of indirect Nederlands overheidsgeld naar dit industrieterrein?

Antwoord
Bij de Nederlandse overheid zijn geen gevallen bekend van Nederlandse bedrijven die betrokken zijn bij de uitbreiding of financiering van het industriegebied op de Westelijke Jordaanoever. Bedrijven zijn niet verplicht zich te registreren bij de Nederlandse ambassade in Tel Aviv en/of de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah. Beide ontmoedigen economische activiteiten van Nederlandse bedrijven in de nederzettingen en bieden geen ondersteuning aan bedrijven die zich wensen te vestigen of reeds gevestigd zijn in nederzettingen in de bezette gebieden om redenen die staan beschreven in antwoord op vraag 2. Het is Nederlandse bedrijven overigens niet verboden om dergelijke economische relaties aan te gaan. De regering voert daarom geen actieve controle uit op dergelijke relaties.

Vraag 4
Deelt u de mening dat uitbreiding van dit industrieterrein geen werkelijk profijt oplevert voor Palestijnse werknemers zoals Israël betoogt, omdat Palestijnse werknemers in dienst in de nederzettingen niet dezelfde (burger) rechten genieten als Israëlische werknemers en niet beschermd worden door de Israëlische arbeidswetten, zoals Israëlische arbeiders?

Antwoord
Het Israëlisch Hooggerechtshof heeft in oktober 2007 bepaald dat Israëlische arbeidswetgeving van toepassing is op alle werknemers van bedrijven in Israël of in de nederzettingen en dus ook op Palestijnse werknemers. In de praktijk blijft de rechtspositie van Palestijnen achter bij die van niet-Palestijnen, als gevolg waarvan de positie van Palestijnse werknemers kwetsbaarder is dan die van Israë lische werknemers.

1) Jerusalem Post, ‘Ariel given the OK for 27 new factories’, 14 juli 2008.