Bijlage-fichedocument - Kamerbrief inzake Informatievoorziening over nieuwe Commissievoorstellen

Fiche 1: Mededeling inzake toepassingen van het wereldwijd satellietnavigatiesysteem

1. Algemene gegevens

Titel voorstel: Actieplan inzake toepassingen van het wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS)

(Global Navigation Satellite System)

Datum Commissiedocument: 14 juni 2010

Nr. Commissiedocument: COM(2010)308 definitief

Pre-lex: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2010:0308:FIN:NL:PDF

Nr. impact assessment Commissie en Opinie Impact-assessment Board: n.v.t.

Behandelingstraject Raad: Presentatie in Transportraad juni 2010, raadsconclusies in oktober of december 2010

Eerstverantwoordelijk ministerie: Ministerie van Verkeer en Waterstaat

  1. Essentie voorstel

Egnos, (European Geostationary Navigation Overlay Service) het Europese satellietaugmentatiesysteem dat de weg voor Galileo vrijmaakt, is sinds oktober 2009 operationeel. De raadpleging over het groenboek inzake GNSS-toepassingen in 2006 bevestigde dat er in Europa een grote verscheidenheid aan potentiële toepassingsgebieden is waarop gebruik gemaakt kan worden van de door GNSS geboden mogelijkheden met betrekking tot plaatsbepaling, snelheid en tijdsbepaling. In het bijzonder gaat het om verschillende vormen van vervoer, visserij, precisielandbouw, milieu en energie.

Ondanks de investeringen in Egnos heeft het Europese bedrijfsleven nu slechts een klein aandeel in de mondiale markt voor GNSS-toepassingen. Dit verkleint de kans dat op Egnos/Galileo gebaseerde toepassingen een doorslaggevende bijdrage leveren aan het scheppen van hoogwaardige arbeidsplaatsen en vergroot de risico’s van afhankelijkheid. Ondertussen is sprake van toenemende "concurrentie" van navigatiesystemen van derde landen.

Doel van het actieplan is om het vertrouwen in de programma's te versterken en een zo snel, diep en breed mogelijke ontwikkeling van toepassingen op alle gebieden te bewerkstelligen, zodat uiteindelijk de Europese infrastructuur optimaal kan worden benut. De Commissie stelt 24 acties voor, met name gericht op kansrijke sectoren. Daarnaast is voor een hele lijn aan GNSS-toepassingen een aantal "horizontale" acties opgenomen zoals een financiele impuls aan onderzoek naar GNSS-toepassingen en apparatuur ten bedrage van 362,- mln euro in de periode 2010-2013. De Commissie wenst deze impuls gestalte te geven bij de tussentijdse evaluatie van het Zevende Kaderprogramma (KP7).

  1. Kondigt de Commissie acties, maatregelen of concrete wet- en regelgeving aan voor de toekomst? Zo ja, hoe luidt dan het voorlopige Nederlandse oordeel over bevoegdheidsvaststelling, subsidiariteit en proportionaliteit en hoe schat Nederland de financiële gevolgen in?

Het actieplan bevat coördinerende acties, bewustmakingscampagnes, informatieverspreiding, horizontale acties en regelgevingsmaatregelen. Bij dit laatste zal de Europese Commissie:

  • De wenselijkheid onderzoeken van richtlijnen over op GNSS gebaseerd toezicht op langeafstandsbussen en over op GNSS gebaseerde multimodale logistiek;

  • Onderzoeken of het wenselijk is de verordening inzake digitale tachografen te wijzigen;

  • De wenselijkheid onderzoeken van een richtlijn inzake het uitrusten van voertuigen met een voor GNSS en radiofrequentie-identificatie (RFID) geschikte functionele eenheid aan boord van voertuigen;

  • Ernaar streven het gebruik van Egnos en Galileo in de beheers- en controlesystemen van EU-programma’s ingang te doen vinden (bv. gemeenschappelijk landbouwbeleid).

Bevoegdheid: De Commissie is door de Raad aangewezen als programmamanager, en is daarmee medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van de programma’s.

Subsidiariteit wordt beoordeeld als positief. Teneinde het potentieel van GNSS-toepassingen te kunnen benutten, is actie op Europees niveau nodig. Alleen dan kan een zo hoog mogelijk niveau van investeringsrendement worden behaald.

De proportionaliteit wordt beoordeeld als positief. Het coördineren van bepaalde acties door de Commissie, het onderzoeken naar de wenselijkheid van regelgeving en de andere aangekondigde acties staan in hun verhouding tot de doelstelling. Of er sprake is van proportionaliteit bij eventuele toekomstige regelgeving waar onderzoek naar gedaan zal worden, is afhankelijk van de uitkomsten van de aangekondigde onderzoeken. Dit zal bij het eventuele uitbrengen van nieuwe voorstellen apart worden beoordeeld.

Het actieplan stelt voor over de periode 2010-2013 € 362,- mln beschikbaar te stellen voor de ontwikkeling van GNSS-toepassingen en –diensten. Doel hiervan is de totale EU-financiering voor Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) op een vergelijkbaar niveau te brengen met dat van andere landen en met dat van andere hightech-sectoren. Nederland is van mening dat financiële middelen voor O&O gevonden moeten worden binnen de bestaande kaders van de EU-begroting.

4. Nederlandse positie over de mededeling

a) Nederlandse belangen en eerste algemene standpunt

Nederland staat positief tegenover dit actieplan. De investeringen in Egnos/Galileo zijn omvangrijk en alleen bij daadwerkelijk gebruik van de systemen zullen deze investeringen de moeite waard zijn. Nederlandse ontwikkelaars van GNSS-toepassingen hebben een belang om hun positie in deze markt verder te ontwikkelen. Daarnaast is een goed renderend Egnos/Galileo belangrijk voor draagvlak voor investeringen in de infrastructuur en daarmee de positie van ESA (European Space Agency) /Estec (European Space Research and Technology Centre

Van de drie typen instrumenten die de Commissie wil inzetten hecht Nederland groot belang aan coördinatie tussen de autoriteiten, in het bijzonder door certificering en standaardisatie. Ook staat Nederland positief tegenover de initiatieven gericht op bewustmaking. Verder staat Nederland vooralsnog neutraal tegenover aangekondigde onderzoeken naar de kosten en baten van regelgeving om de benutting van GNSS-toepassingen te versterken. Eventuele nieuwe regelgeving op GNSS-terrein mag niet leiden tot afscherming van de Europese markt voor diensten en toepassingen van buiten de EU. Een definitieve positie over dergelijke regelgeving kan pas worden ingenomen wanneer de uitkomsten van deze onderzoeken alsook de vorm van de eventuele regelgeving bekend zullen zijn.

Nederland wil dat de kosten voor de uitvoering van het actieplan worden gedekt binnen de huidige financiële kaders van de Unie. Nederland is van mening dat de financiering van de meerkosten van O&O van een omvang zoals genoemd in het actieplan in samenhang moet worden bezien met mogelijke meerkosten van Galileo en andere financieringsproblemen in categorie 1A en de uitkomsten van tussentijdse evaluatie van KP7.

Fiche 2: Mededeling en en besluit inzake richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

1. Algemene gegevens

Titels

  1. Mededeling van de Commissie over de praktische tenuitvoerlegging van de duurzaamheidsregeling van de EU voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en over boekingsregels voor biobrandstoffen, met daarbij behorende:

  2. Mededeling van de Commissie over vrijwillige regelingen en standaardvoorwaarden in de EU-regeling betreffende de duurzaamheid van biobrandstoffen en vloeibare biomassa;

  3. Besluit van de Commissie betreffende richtsnoeren voor de berekening van de terrestische koolstofvoorraden voor de doeleinden van bijlage V van richtlijn 2009/28/EC.

Datum Commissiedocument: Mededelingen 19 juni 2010; besluit 10 juni 2010

Nr. Commissiedocument/Referentie: 1. (PB EU 2010/C160/01); 2. (2010/C160/08); 3. (Besluit 2010/335/EU in PB EU 2010, L 151)

Pre-lex: http://ec.europa.eu/energy/renewables/biofuels/sustainability_criteria_en.htm

Nr. impact assessment Commissie en Opinie Impact-assessment Board: De impact-assessment is opgesteld bij de totstandkoming van de richtlijn 2 jaar geleden.

Behandelingstraject Raad: Het besluit en de mededelingen worden niet behandeld in Raadskader. Normaal gesproken wordt alleen over mededelingen met beleidsvoornemens een fiche opgesteld. Het betreft hier mededelingen zonder beleidsvoornemens van de Commissie. Vanwege de prioriteitsstelling door uw Kamer wordt met het schrijven van dit fiche afgeweken van de standaardprocedure.

De twee mededelingen geven richting aan de lidstaten voor de nationale implementatie van de richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (2009/28/EG), maar hebben geen bindende status. Het besluit inzake de regels voor het berekenen van koolstofvoorraden heeft wel een bindende status en wordt in de Nederlandse wetgeving en het beleid geïmplementeerd. De Commissie heeft dit besluit op grond van de in de richtlijn gegeven bevoegdheden vastgesteld. Voor de totstandkoming van het besluit is geen speciale procedure voorgeschreven (geen comitologie).

Eerstverantwoordelijk ministerie: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

2. Essentie mededelingen en besluit

De mededelingen geven een interpretatie van de Commissie op belangrijke aspecten van de richtlijn. De richtlijn regelt dat in 2020 in Nederland 10 procent van de brandstof voor de vervoersector afkomstig moet zijn uit energie uit hernieuwbare bronnen. Hierbij is het essentieel dat de biobrandstoffen die worden ingezet duurzaam zijn. In de richtlijn zijn hiervoor belangrijke stappen gezet door duurzaamheidscriteria te formuleren. Lidstaten hebben de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat bedrijven enkel duurzame biobrandstoffen op de markt brengen, willen deze mogen meetellen voor de doelstelling.

De mededelingen hebben formeel geen bindende status. Wel geven ze een richtinggevend advies voor de werkzaamheden in de lidstaten om de richtlijn voor het einde van dit jaar in nationale wetgeving te hebben geïmplementeerd (uiterste datum 5 december 2010). De mededelingen zijn als het ware een vooraankondiging van de wijze waarop de Commissie de implementatie zal controleren.

In hoofdlijnen bestaan de mededelingen uit de volgende elementen:

  • Ten eerste geeft de Commissie uitleg over praktische aspecten van de implementatie van de in de richtlijn vastgestelde duurzaamheidscriteria. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa moeten vanaf 2011 aan deze criteria voldoen om te mogen meetellen voor het behalen van de doelstellingen hernieuwbare energie in de vervoersector.

  • Ten tweede legt de Commissie de regels uit omtrent de metingen van de broeikasgasemissiereducties. Een deel van de duurzaamheidscriteria is er op gericht enkel biobrandstoffen mee te laten tellen die een substantieel lagere broeikasgasemissie hebben dan fossiele brandstoffen.

  • Ten derde interpreteert de Commissie de standaardwaarden ter berekening van de CO2-reductie.

De Commissie vraagt in één van de mededelingen van de lidstaten de registratie van biobrandstoffen uit te voeren per levering, zoals een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of –vestiging, gedefinieerd als een geografische locatie met nauwkeurige grenzen, waarbinnen brandstofproducten kunnen worden gemengd. In Nederland voldoen accijnsgoederenplaatsen aan deze definitie van verwerkings- of logistiekfaciliteiten als een geografische locatie waarbinnen producten kunnen worden gemengd. De accijnsgoederenplaatshouders moeten de biobrandstoffen registreren.

In het besluit stelt de Commissie regels voor het berekenen van koolstofvoorraden (koolstof vastgehouden in de grond). Eén van de duurzaamheidscriteria uit de richtlijn regelt dat biobrandstoffen en vloeibare biomassa niet uit grondstoffen geproduceerd mogen zijn afkomstig van land dat over hoge koolstofvoorraden beschikt, indien de beschermde status van het betreffende gebied daardoor verloren gaat. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan waterrijk gebied of permanent beboste gebieden.

Het besluit bevat tevens een gedetailleerde uitwerking over hoe bij het maken vanbroeikasgasemissieberekeningen de directe verandering van landgebruik moet worden meegerekend.

3. Kondigt de Commissie acties, maatregelen of concrete wet- en regelgeving aan voor de toekomst? Zo ja, hoe luidt dan het voorlopige Nederlandse oordeel over bevoegdheidsvaststelling, subsidiariteit en proportionaliteit en hoe schat Nederland de financiële gevolgen in?

Uit de mededelingen noch het besluit vloeien acties, maatregelen of concrete wet- en regelgeving voor de toekomst voort. Het besluit is weliswaar verbindend in al zijn onderdelen (art. 288 VWEU), maar het betreft in dit geval richtsnoeren. Het gaat om uitleg en invulling van de richtlijn, die is vastgesteld op grond van art. 175 en art. 95 EG (thans artikelen 192 en 114 VWEU). Een nader oordeel over de subsidiariteit en proportionaliteit is dan ook niet aan de orde. De mededelingen en het besluit hebben geen financiële gevolgen.

4. Nederlandse positie over de mededelingen en het besluit

In de mededelingen en het besluit wordt geen nieuw beleid aangekondigd. De wijziging ten opzichte van een eerdere concept-versie om palmolieplantages niet meer als een bos te beschouwen is een winstpunt. Nederland zal erop toezien dat het implementatietraject van de richtlijn in Nederland in lijn is met de mededelingen. Voor de praktische uitvoering van de richtlijn in Nederland hebben de mededelingen en het besluit van de Commissie geen verdere consequenties. Op een paar punten kent Nederland een specifieke invulling, zoals:

- Transparantie: de richtlijn verplicht additionele duurzaamheidsinformatie, zoals lokale milieu-omstandigheden, openbaar te maken. De lidstaten zijn hierin vrij. In Nederland is er een intentieverklaring getekend waarin overheid en bedrijfsleven met elkaar afspreken in 2010 op vrijwillige basis de informatie openbaar te maken.

- Toetsingsprotocol: zolang er nog geen door de Commissie goedgekeurde vrijwillige nationale of internationale systemen bestaan, kiest Nederland voor de mogelijkheid om zelf een nationaal systeem op te zetten. Bedrijven kunnen daardoor aantonen dat ze voldoen aan de duurzaamheidseisen. Hiervoor wordt op dit moment een toetsingsprotocol opgesteld.

- Registratie: de in Nederland thans gehanteerde praktijk, waarbij de registratie van biobrandstoffen per accijnsgoederenplaats wordt opgelegd, kan worden voortgezet. De publicatie van deze mededeling staat toe dat er in Nederland wordt aangesloten bij de huidige accijnsadministratie, hetgeen betekent dat de administratieve lastendruk niet verandert.

- CO2-tool: het besluit betreffende het richtsnoer voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond zal worden gebruikt om de in Nederland beschikbare "CO2-tool biobrandstoffen" voor bedrijven die onder de richtlijn vallen, te actualiseren. Daarnaast zullen gebruikers van de tool in staat worden gesteld om met de getallen uit het besluit de broeikasgasemissies van direct landgebruik te berekenen.

6

Bijlage fichedocument, pagina