Kamerbrief inzake procesvertegenwoordiging van het parlement in subsidiariteitsgeschillen voor het EU-Hof

Naar aanleiding van uw brief d.d. 22 juni 2010 beantwoord ik graag uw vragen over de procesvertegenwoordiging van het parlement in subsidiariteitgeschillen voor het EU-Hof.

In mijn beantwoording zal ik dezelfde volgorde aanhouden als in uw brief. Ik zal eerst ingaan op uw vragen over het instellen van het beroep en de vertegenwoordiging. Vervolgens zal ik uw vragen over de praktische uitwerking van het instellen van een beroep beantwoorden. Als laatste zal ik enkele opmerkingen maken over het zogenaamde ‘vol beroep’ naast het subsidiariteitsberoep.

Instellen van het beroep en de vertegenwoordiging

Uw vraag of het beroep kan worden ingesteld namens de Staten-Generaal kan ik als volgt beantwoorden. Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bepaalt dat het beroep door de lidstaat moet worden toegezonden ‘namens zijn nationaal parlement of een kamer van dat parlement’. Met deze formulering is rekening gehouden met de verschillende parlementaire stelsels van de lidstaten. Sommige lidstaten hebben een eenkamerstelsel en andere lidstaten een tweekamerstelsel. In het geval van Nederland ga ik ervan uit dat een besluit tot het instellen van een beroep genomen wordt door de Eerste Kamer of de Tweede Kamer. Als beide Kamers graag samen beroep willen instellen, dan kan de regering dat in dat geval doen namens de Staten-Generaal.

Een situatie waarin beide Kamers van mening verschillen over de inhoudelijke motivering van het beroep acht ik onwenselijk en zal moeten worden voorkomen. Belangrijker is immers dat de eindconclusie gelijk is, namelijk dat sprake is van een schending van het beginsel van subsidiariteit. Ik acht het daarom wenselijk dat de beroepsgronden met elkaar sporen. Verschillende beroepsgronden kunnen elkaar wel versterken, maar niet tegenspreken. Het debat voor het Hof moet niet gaan tussen de beide Kamers onderling, maar tussen de beide Kamers enerzijds en Raad en Europees Parlement als vaststellers van de wetgevingshandeling anderzijds.

Met betrekking tot uw vragen over de mogelijkheden voor parlementen van verschillende lidstaten zich te laten vertegenwoordigen bij het Hof door één advocaat, mogelijk zelfs afkomstig uit een andere lidstaat, merk ik op dat de kaders van Protocol nr. 2 dit naar mijn mening niet toelaten.

Een beroep van het parlement kan volgens het Protocol alleen worden ingesteld of toegezonden door de eigen lidstaat. Voor het toezenden aan het Hof namens parlementen uit andere EU-lidstaten biedt het Protocol geen ruimte. Alleen beroepschriften van uw Kamer of de Tweede Kamer komen hiervoor in aanmerking. Ik acht het ook niet mogelijk dat een beroep namens uw Kamer wordt toegezonden door een andere lidstaat dan Nederland. Het Protocol bepaalt immers dat de lidstaat het beroep toezendt namens ‘zijn parlement’. Een andere werkwijze zou indruisen tegen deze bepaling en leidt naar verwachting tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Een andere werkwijze zou ook stuiten op het voorschrift dat de lidstaten enkel in hun eigen taal bij het EU-Hof procederen 1 . Dit geldt zowel voor de schriftelijke fase als de mondelinge fase. Stukken die door Nederland worden toegezonden aan het Hof dienen te worden opgesteld in het Nederlands. Deze taal is gedurende de gehele procedure verplicht. Ook uw raadsman of advocaat dient tijdens de mondelinge behandeling in het Nederlands te pleiten.

Dit laat onverlet dat nationale parlementen kunnen samenwerken. Er zijn praktische oplossingen denkbaar als een groep parlementen gezamenlijk wil optrekken. Zo kan tussen parlementen van lidstaten inhoudelijke afstemming van de beroepsgronden plaatsvinden ten behoeve van de opstelling van het verzoekschrift. Ook kan de gemachtigde van de regering of uw raadsman of advocaat tijdens de mondelinge behandeling van het beroep verwijzen naar het pleidooi van een gemachtigde, raadsman of advocaat van een andere lidstaat.

Praktische uitwerking voor het instellen van het beroep

In mijn brief van 26 mei 2010 heb ik aangegeven dat uw Kamer bij motie de regering kan verzoeken het beroep in te stellen. U heeft mij gevraagd of een ‘besluit van de Kamer’ niet de voorkeur verdient. Ik kan u meedelen dat ik mij op dit punt had aangesloten bij het voornemen van de Tweede Kamer, die voorstander is van het gebruik van een motie. Het staat uw Kamer echter vrij om bij besluit de regering te verzoeken het beroep in te stellen.

Wanneer u uw besluit om beroep in te stellen kenbaar hebt gemaakt, is het aan uw Kamer om zelfstandig de inhoudelijke gronden van het beroep te bepalen. Of u de verdere uitwerking wenst te mandateren aan een bepaalde commissie van uw Kamer, is aan uw Kamer.

Subsidiariteitsgeschil naast vol beroep

U heeft in uw brief opgemerkt dat er ‘fricties’ kunnen ontstaan indien de regering een beroep instelt naast uw subsidiariteitsberoep. Naar mijn mening moeten dergelijke fricties zoveel mogelijk worden voorkomen. Mocht een dergelijke situatie zich voordoen, dan zal worden getracht een goede afstemming te bewerkstelligen tussen hetgeen uw Kamer naar voren wenst te brengen en wat de inzet van de regering is. Het is daarbij mijn overtuiging dat het beroep aan kracht wint als het parlement en de regering een eensgezind standpunt uitdragen voor het EU-Hof.


De Minister van Buitenlandse Zaken,

Drs. M.J.M. Verhagen

1 Artikel 29, lid 2 van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie


Laatst aangepast: 28 september 2010