Mogelijk eerder DNA-afname bij verdachte zonder bekend adres

Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid treft voorbereidingen om mogelijk eerder DNA-materiaal af te laten nemen bij een verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats. In beginsel wordt nu volgens de huidige wetgeving celmateriaal afgenomen zodra iemand is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Het blijkt vooral lastig om celmateriaal af te nemen van veroordeelden zonder een bekend adres. Daarom bekijkt minister Grapperhaus of de afname van celmateriaal bij deze groep naar voren kan worden gehaald; naar het moment dat ze als verdachten in verzekering worden gesteld.

Dat schrijft minister Grapperhaus vandaag in een brief aan de Tweede Kamer in reactie op de rapportage “Tweede Onderzoek Verbeterprogramma Maatschappelijke Veiligheid OM'' van de Inspectie van Justitie en Veiligheid (IJV). In 2015 is het Verbeterprogramma ingezet naar aanleiding van het rapport de Commissie Hoekstra over de strafrechtelijke beslissingen in de zaak Bart van U. Er zijn volgens de IJV verbeterslagen gemaakt door betrokken ketenpartners, waaronder het openbaar ministerie (OM), de politie en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Maar er zijn meer verbeteringen mogelijk. Minister Grapperhaus gaat met de betrokken ketenpartners verder aan de slag met de aanbevelingen van IJV.

DNA-registratie

De IJV geeft aan dat bij de DNA-registratie van veroordeelden de doorlooptijd in het proces aanzienlijk is verkort. Het overgrote deel van de gesignaleerde veroordeelden met een bekend adres wordt opgespoord. Het blijkt echter lastig om celmateriaal af te nemen van de groep zonder bekend adres in de Basisregistratie Personen (BRP).

Er zijn nu ruim 268.000 profielen van veroordeelden in de DNA-databank voor strafzaken opgenomen. In 2016 en 2017 stroomden ieder jaar ruim 26.000 nieuwe profielen van veroordeelden in de databank. Veroordeelden voor een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, worden in beginsel opgeroepen om celmateriaal af te staan. Als geen gehoor wordt gegeven of er is geen geldig BPR-adres, worden deze personen gesignaleerd in het landelijk opsporingssysteem van de politie (OPS). Een persoon blijft gesignaleerd staan tot dat DNA-materiaal van hem is afgenomen. Hierdoor neemt het totaal aantal signaleringen jaarlijks toe. De Commissie Hoekstra wees daar in zijn monitor in 2016 op. Toen waren er 15.602 signaleringen, tegen 21.265 in april 2018. De meeste openstaande signaleringen in OPS betreffen personen zonder vaste woon- of verblijfplaats. Dat zijn er ruim 20.000.

Met de Tweede Kamer is al eerder besproken dat het afnemen van DNA-materiaal van verdachten die in verzekering zijn gesteld juridisch kwetsbaar is en mogelijk in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is besloten eerst de huidige wet en genomen verbetermaatregelen, te evalueren. Deze evaluatie wordt verwacht in april 2019.

Voorbereidend onderzoek

Om geen tijd verloren te laten gaan, treft minister Grapperhaus alvast voorbereidingen om te onderzoeken of eerder DNA-materiaal kan worden afgenomen bij een verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats, de grootste groep openstaande signaleringen in OPS. Wil dit kans van slagen hebben en juridisch houdbaar zijn, moeten alle processen goed worden doordacht. Er is veel zorgvuldigheid vereist bij afname van DNA-materiaal, het bewaren en vernietigen als iemand niet wordt veroordeeld. Door nu al te onderzoeken, verwacht minister Grapperhaus zijn besluit over eerder afnemen van DNA-materiaal in het voorjaar van 2019 aan de Tweede Kamer voor te kunnen leggen als ook de evaluatie van de huidige wet en al genomen verbetermaatregelen gereed is.