Reactie LHV aan ministerie VWS over positie apotheekhoudende huisarts

17 juli 2001

Geachte mevrouw Borst,

Tijdens het bestuurlijk overleg van 10 juli jl. hebben wij over de positie van de apotheekhoudende huisartsen gesproken. Het besprokene stemt de LHV somber. Somber over het door u voorgenomen beleid dat zo abrupt afwijkt van de tezamen ingeslagen weg.
Welke majeure veranderingen zijn er geweest die een radicale omwenteling van het beleid van de Minister rechtvaardigen?

Het kan u niet ontgaan zijn dat uw plannen géén maatschappelijk draagvlak hebben. Immers, de Tweede Kamer is mordicus en unaniem tegen, u vindt de LHV op uw weg, andere partijen spreken zich uit tegen uw plannen (misschien apothekersorganisaties uitgezonderd) en niet in de laatste plaats de patiënten zelf zijn er op tegen.

Uw plannen zijn huisarts- en patiëntonvriendelijk; een fijnmazig en goed kwalitatief net dreigt te verdwijnen. Verder creëert u in feite met uw voorgenomen beleid het tegenovergestelde van een marktwerking, wordt de voorrangspositie van de apotheker gewijzigd in een monopoliepositie, met als onvermijdelijk neveneffect een stijging van de kosten in het geneesmiddelendossier.

Wat verder in het oog springt is dat uw voorgenomen beleid ook volstrekt in tegenstelling is met hetgeen tussen ons tot nog toe in dit dossier is besproken. Wij roepen het volgende bij u in herinnering.

In de Ledenvergadering van de LHV van december 1998 werd unaniem uitgesproken dat het wenselijk is dat de positie van de apotheekhoudend huisarts zal worden versterkt. In de periode daaraan voorafgaand was een overnamegolf in gang gezet met als inzet doktersapotheken over te nemen. Wij hebben dit bij u aangekaart en wij vonden bij u een positieve grondhouding. Dit vertaalde zich in twee aspecten.
Er werd uwerzijds genuanceerder naar verzoeken tot intrekking van de vergunningen van de huisartsen gekeken. Daarnaast werd er een afspraak gemaakt inzake het experiment scheiding, zorg en handel. Huisartsen zouden daaraan meedoen en u zou een maximale inspanning leveren om vergunningen te behouden.

Nu doet u plotseling het tegenovergestelde. Dit betekent dat u toezeggingen niet nakomt en wij vragen ons dan ook af of op dit onderdeel door u het convenant wordt opgezegd. Wij onderschrijven uw argumenten niet en u creëert een situatie die wij op onze beurt niet kunnen en willen uitleggen in de Ledenvergadering van de LHV.

Wij kunnen niet begrijpen dat u beleidsmatig een uitdeelpost van een apotheek (met al zijn beperktheden, zoals beperkte openstelling, bemensing door een assistent, etc) boven een doktersapotheek meent te kunnen stellen. Het is ons onduidelijk waarom de belangrijke taak van de apotheekhoudend huisarts nu dreigt te worden beëindigd.

Wij moeten constateren dat u niet goed bent geïnformeerd over het apotheekhoudende dossier. U heeft te kennen gegeven dat er géén experiment loopt. Dit is niet juist. Er loopt wel degelijk een experiment en wel bij Zorgverzekeraar Het Groene Land. Andere experimenten zijn in voorbereiding. Het feit dat er op dit moment nog niet meer experimenten lopen, is geheel gelegen aan de omstandigheid dat ambtenaren uwerzijds bij herhaling hebben uitgesproken de toegezegde bescherming niet te kunnen bieden.

Ook dit laatste is onwaar. Prof. mr. R.J.G.M. van Widdershoven heeft gerapporteerd dat de deelnemende huisartsen kunnen worden beschermd ófwel door een wetswijziging ófwel door een (gemotiveerde) beleidswijziging.

Het is buitengemeen teleurstellend dat er geen welwillende poging tot invulling van "bescherming" is en wordt ondernomen. Plotseling wordt gekozen voor iets geheel anders op grond van weer nieuwe discutabele argumenten.. zo wordt het argument europese regelgeving minimaal weersproken door diverse voorbeelden van landen met apotheekhoudende huisartsen.

Bijgaand zenden wij u toe de brief die de LHV op 29 juni 2001 aan de Tweede Kamer heeft gezonden. In die brief zijn wij ingegaan op uw plan om aan door apothekersassistenten bemande satellietapotheekjes de voorkeur te geven boven doktersapotheken en de opeffecten van uw beleid op het goodwillbezit van apotheekhoudend huisartsen.

Verder verwerpen wij uw stelling dat uw aanpak individuele rechtsbescherming biedt. Wij zijn van mening dat deze aanpak in feite de opheffing van het instituut van de apotheekhoudend huisarts alleen maar zal versnellen. U moet zich hierbij bijvoorbeeld realiseren dat waarneemsituaties alleen maar kunnen functioneren bij de gratie van voldoende vergunningen.
Wij doen een dringend beroep op u om terug te keren op uw schreden. Is het niet veel beter, gehoord hebbende alle signalen uit de samenleving, om het beleid tot behoud van de apotheekhoudend huisarts (weer) op te pakken? Uw handelwijze roept zoveel breed gedeelde weerstand op, dat dit slechts polarisatie oplevert. Alleen al kan gewezen worden op de motie van Van Blerck d.d. 30 november 2000 (TK vergaderjaar 2001-27400 XVI nr 42), het recente algemeen overleg gezondheidszorg waarin uw voorgenomen beleid unaniem werd afgekeurd en het aangekondigde initiatief wetsontwerp. Mocht uw beoogde handelwijze wel worden geëffectueerd, dan zal dat hoe dan ook negatieve gevolgen hebben voor de zorgverlening en dat kan en mag toch niet de bedoeling zijn van de Minister voor de Volksgezondheid. Het is bovenal toch van belang dat de spelers in de gezondheidszorg van elkaar op aan kunnen?

Wij horen graag zeer spoedig van u.

Met vriendelijke groet,

Mw. T.M. Slagter-Roukema, huisarts
voorzitter
Zie ook : LHV neemt het op voor apotheekhoudende huisarts