Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
TRCJZ/2001/12320
datum
31-08-2001

onderwerp
Noodplan ex artikel 16a Bestrijdingsmiddelenwet 1962 doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer van 15 augustus jl. over het vervallen van de toelatingen van rechtswege voor de landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen waarvoor per 1 juli jl. geen volledige onmisbaarheidsaanvragen zijn ingediend, is vanuit uw Kamer gevraagd om een 'noodplan' in de zin van artikel 16a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Bmw) voor situaties waarin gewasbeschermingsmiddelen niet beschikbaar zijn voor het bestrijden van een bepaalde ziekte of plaag. Mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bericht ik u hierover het volgende.

datum
31-08-2001

kenmerk
TRCJZ/2001/12320

bijlage

De noodvoorziening van artikel 16a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Bmw) voorziet in een bevoegdheid van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tot het afgeven van vrijstellingen of ontheffingen voor het gebruik van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen voor ten hoogste 120 dagen in gevallen waarin de plantaardige productie door onvoorziene, op geen enkele andere wijze te bestrijden gevaren wordt bedreigd. Gedurende de afgelopen jaren is artikel 16a Bmw met betrekking tot niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen enkele keren toegepast. Voor de bestrijding van het quarantaine-organisme Thrips palmi zijn in 1996, 1998 en 1999 op basis van artikel 16a Bmw ontheffingen afgegeven voor het gebruik van het tegen dat organisme meest effectieve middel, dat voor die toepassing evenwel niet toegelaten was. Hierbij heeft steeds een essentiële rol gespeeld dat het optreden van dat organisme niet voorzien was: Thrips palmi is een uitheems organisme, dat vermoedelijk via invoer van voortkwekingsmateriaal van Ficus vanuit het buitenland op enkele bedrijven in Nederland is terechtgekomen. Bovendien geldt ten aanzien van Thrips palmi vanwege de grote schadelijkheid van dit organisme voor veel verschillende teelten een communautaire bestrijdingsplicht voor de lidstaten. In 1998 zijn, met het oog op de bestrijding van Phytophthora in de aardappelteelt door middel van vliegtuigspuiten, vijftien verzoeken ingediend voor ontheffingen ten behoeve van het gebruik van niet voor dat doel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen.
Die verzoeken zijn alle afgewezen, mede omdat de Phytophthora-schimmel geen onvoorziene plaag betreft, maar een probleem in de aardappelteelt dat zich al vele jaren voordoet.

Indien zich een situatie voordoet zoals aangeduid in artikel 16a Bmw, kunnen betrokkenen een aanvraag voor een vrijstelling of ontheffing op basis van artikel 16a Bmw indienen bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De Plantenziektenkundige Dienst (PD) zal na ontvangst van de aanvraag inhoudelijk onderzoeken of inderdaad sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16a. De bevindingen van dat onderzoek rapporteert de PD vervolgens aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die vervolgens in overeenstemming met de andere betrokken bewindslieden een besluit zal nemen. Daarbij zij benadrukt dat artikel 16a Bmw is bedoeld om, onder voorwaarden, snel en effectief te kunnen optreden tegen nieuwe schadelijke organismen en ziekten of tegen schadelijke organismen en ziekten die zich sinds geruime tijd niet meer regulier als plaag hebben gemanifesteerd, maar plotseling toch als plaag optreden. Omdat deze organismen en ziekten thans geen feitelijk probleem zijn voor de landbouw, is er doorgaans geen toegelaten middel beschikbaar om dit soort organismen of ziekten te kunnen elimineren.

De vraag naar de mogelijkheden om artikel 16a Bmw toe te passen ten behoeve van de landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen is ten algemene reeds aan de orde geweest tijdens het Voortgezet Algemeen Overleg van 30 november 1999. Ik verwijs in dat verband naar de brief van 13 december 1999 (TK 1999-2000, 26 800 XIV, nr. 77) die ik uw Kamer naar aanleiding van die vraag heb toegezonden. De onderhavige middelen hebben geen van alle betrekking op de bestrijding van plagen of ziekten die in Nederland niet voorkomen en waarvan het optreden dus onvoorzienbaar zou zijn.
In dat kader zij opgemerkt dat de beëindiging van toelatingen niet als onvoorzienbaar kan worden aangemerkt. Het is namelijk inherent aan het toelatingsstelsel dat toelatingen voor een bepaalde periode worden verleend en aan het eind van die periode worden herbeoordeeld teneinde na te gaan of zij nog steeds aan de toelatingseisen voldoen. Ook het vervallen van de toelatingen van rechtswege voor de onderhavige middelen kan niet als onvoorzienbaar worden aangemerkt. In artikel II van de wet van 25 januari 2001 houdende wijziging van de Bmw is met betrekking tot de toelating van rechtswege immers duidelijk aangegeven dat die in eerste instantie tot 1 juli 2001 zou duren en slechts verlengd zou worden indien vóór die datum een volledige onmisbaarheidsaanvraag zou zijn ingediend. De mogelijkheid dat de toelatingen van rechtswege na 1 juli zouden kunnen komen te vervallen, was daarmee dus een voorzienbare omstandigheid.

Resumerend zie ik geen juridisch houdbare mogelijkheid om artikel 16a Bmw in het kader van een noodplan toe te passen voor problemen in teelten die ontstaan ten gevolge van de niet onvoorzienbare beëindiging van de toelating van voor die teelten belangrijke middelen.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

G.H. Faber

Reageren