Partij van de Arbeid

Inleiding PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert over de Toekomst van de Europese Unie

4 september 2001/Instituut Clingendael, Den Haag

Ik wil vandaag spreken over het politieke tekort in de Europese Unie. Over het risico dat van een teveel aan technocratisch bestuur te weinig appèl uitgaat op de belangstelling van de burgers. Over de erosie van publieke steun voor de Europese integratie die hiervan het gevolg kan zijn.

Het is temeer van belang hierover te spreken nu we aan de vooravond staan van twee ontwikkelingen die een schok teweeg zullen brengen in de decennialang vrij geleidelijk verlopen groei van de integratie.

De ene is de meer en meer tastbare invoering van de euro als enig betaalmiddel. Dit zal veel burgers voor het eerst confronteren met vragen over aanspreekbaarheid op en aansprakelijkheid voor succes en falen. Daarmee zal de behoefte toenemen aan een algemeen bekend adres voor vragen en klachten.

De andere is de nu snel in een beslissende fase komende uitbreiding van de EU met de landen van Midden- en Oost-Europa, die grote druk kan leggen op de interne economische, monetaire en politieke cohesie van de Unie. Dat de hieraan verbonden risico's moeten worden aanvaard is goed en koel te beredeneren op grond van de lessen uit het verleden en met het oog op het verlichte eigenbelang op de lange termijn. Met minder grijpbare kanten (soliditeit van bestuur, sociale achterstanden, de situatie aan de nieuwe buitengrenzen van de Unie) kan geen rekening worden gehouden omdat we het eenvoudigweg niet weten. De vraag is wel: hoe zullen straks de burgers uit het welvarende deel van Europa over de streep worden getrokken van verdragswijziging en mogelijke referenda? Wie of wat belichaamt het gemeenschappelijk gezag dat daarbij nodig is, ook zal er primair nationaal moeten worden besloten?

Ik memoreer deze twee markante momenten om tot het hoofdpunt van mijn betoog te komen, nl. dat de missie van de Europese Unie moet worden verduidelijkt, dat het politieke tekort moet worden verminderd en dat bij institutionele hervorming niet alleen of vooral moet worden nagedacht over vernieuwing, maar allereerst naar verbetering van de werkwijze binnen bestaande kaders moet worden gestreefd. Versterking van de politieke articulatie van besluitvorming op alle niveaus van de Unie is daarbij het oogmerk. Indien de voorwaarden hiervoor niet zullen worden verbeterd neemt het risico van afzijdigheid of zelfs afkeer bij Europese burgers toe. Ik wil het fenomeen niet groter maken dan het is: maar aan het signaal van protest rondom grote internationale bijeenkomsten mogen we niet schouderophalend voorbij gaan. Als ik nog een keer die twee markante momenten noem hoeven we maar aan deze scenariovragen te denken om een idee te krijgen van de urgentie: hoe zullen mensen reageren als onverantwoorde nationale beslissingen in een of meer lidstaten tot economische problemen voor de EMU als geheel leiden? En wat zullen mensen ervan vinden als toetredende lidstaten een economisch en politiek blok aan het been van de Unie blijken of de nieuwe binnengrenzen onduldbare gaten blijken te vertonen en migratie en criminaliteit uitlokken?

Dit zijn allerminst redenen om de komst van de euro te betreuren of de uitbreiding op ijs te zetten. Het historisch belang vraagt juist een groot verantwoordelijkheidsbesef en een navenante inzet. Maar juist omdat dergelijke ingrijpende vragen zich zouden kunnen opdringen is het nodig om de legitimatie van het handelen van zowel de lidstaten als de Unie-organen te versterken. De Top van Nice is in dit opzicht tekortgeschoten. Het Ierse Referendum van de Onthouding ("If you don't know vote no"!) is dan ook als een zware waarschuwing te beschouwen. Als dit in Ierland kon gebeuren, in een land met een zo positieve perceptie van de Europese samenwerking, dan kan dat overal. De Europese verkiezingen in 2004 zijn dan ook in de huidige omstandigheden geen lonkend perspectief, zeker niet in Nederland waar in '99 de opkomst al verontrustend laag was.

Nu staat wel vast dat er geen blauwdruk bestaat, en ook niet kan bestaan, van de weg waarlangs een breed gedragen democratische Unie verder vorm zou moeten krijgen. In haar gehele geschiedenis is van de sui generis constructie een enorme uitdaging en kracht uitgegaan die in de wereld haar gelijke niet kent. We mogen ook niet vergeten dat de democratische legitimatie op Unie-niveau stapsgewijs is gevolgd na de integratiebesluiten van de regeringsleiders en bovendien nog volop in ontwikkeling is nadat het Verdrag van Amsterdam het Europese Parlement nieuwe ruimte heeft geboden. Het probleem is echter niet dat we voor morgen en overmorgen nog niet kunnen vermoeden hoe de samenwerking er dan uitziet; het probleem is dat de stappen vooruit die vandaag kunnen worden gezet te laag op de agenda staan. Ik vraag me af of dat ook niet in de hand wordt gewerkt door een op zichzelf begrijpelijk verlangen om te spreken of te speculeren over de "finalite" van de integratie. Het was naar mijn mening positief dat Joshka Fischer vorig jaar het debat opende. Dat deed hij op de Humboldt-universiteit. Op veel plaatsen werden andere bijdragen geleverd. Tony Blair op de beurs in Warschau. Lionel Jospin in het Maison de la Radio in Parijs. Maar nooit - zichtbaar voor alle burgers - op de plaats waar het aan de orde zou moeten zijn, in het Europees Parlement of wellicht in een openbare zitting van de Europese Raad. Dat maakt de Europese integratie zo diffuus en daarom voor de burgers ook te weinig aanspreekbaar. Het is van belang in de komende jaren de politieke wil te bundelen om letterlijk en figuurlijk de focus beter te richten: op gezaghebbender bijeenkomsten met zichtbaarder Europees leiderschap - institutioneel en uiteindelijk ook in persoon; en gericht op de ontwikkeling van een herkenbare politieke en maatschappelijk orde die bouwt op de karakteristieken van de natie-staten waaruit de Unie groeit.

Daarover wil ik een aantal nadere opmerkingen maken, zonder te pretenderen dat deze volledig uitgewerkt zijn laat staan dat sprake zou zijn of kunnen zijn van een uitputtende opsomming. In ieder geval wil ik het belang dienen van verdere meningsvorming en gedachtewisseling in Nederland, nu ook de regering enkele hoofdlijnen heeft geformuleerd die binnenkort in de Kamer zullen worden besproken.

Voorop staat en moet staan de vraag welke politieke en maatschappelijke ontwikkeling wordt nagestreefd in de grote Europese ruimte die is ontstaan. De gemeenschappelijke markt, gebaseerd op rechtszekerheid en effectiviteit is een gegeven, nog niet geperfectioneerd, maar wel het fundament onder de integratie. Daarbovenop ontwikkelen zich de contouren van een grote interne ruimte van solidariteit en samenwerking en van een externe manifestatie als vooraanstaande macht in de mondiale betrekkingen.

Over richting en tempo van deze ontwikkeling bestaat zeker nog geen overeenstemming. Voorlopig domineren nog de landbouw, de interne markt en de Economische en Monetaire Unie het handelen van de Unie. Maar het volgende stadium dient zich nu snel aan. Het zal er nu om gaan de kracht en de opbrengst van de interne markt dienstbaar te maken aan het bereiken van breed gedeelde maatschappelijke meerwaarde - voor iedereen bereikbaar, van noord tot zuid en van west tot oost. En in dat volgende stadium zal de Unie ook meer en meer geroepen en gedwongen zijn haar opstelling te bepalen ten opzichte van de Verenigde Staten en Rusland. Hoeveel vooruitgang er ook is geboekt met het aantreden van de Hoge Vertegenwoordiger Solana, het is in institutioneel opzicht - vriendelijk gezegd - onoverzichtelijk, zoals het nu gaat. Ook daarachter gaat de vraag schuil hoe uiteindelijk ten opzichte van de burgers van de Unie de verantwoordingsplicht is geregeld over de Europese rol in de wereld.

Wie de wenselijkheid en/of onvermijdelijkheid van deze volgende stadia erkent zal niet meer bezorgd raken over de jarenlang veronderstelde spanning tussen verbreding van de Unie enerzijds en verdieping van de samenwerking anderzijds. Het is noodzakelijk en ook mogelijk dat deze hand in hand gaan. De trajecten naar uitbreiding en verdieping verlopen echter verre van synchroon. De Unie dreigt in problemen te raken doordat de tijd die gemoeid is met de drie grote (interne) vraagstukken van de komende tijd zeer krap lijkt om een goede onderlinge samenhang te kunnen waarborgen. Die vraagstukken zijn:


* de toelating tot de Unie van kandidaat-lidstaten (vanaf 2003?)
* de afbakening van het communautaire domein (subsidiariteit) en de versterking van de instellingen tijdens de IGC 2004.
* de besluitvorming over de financieringsagenda van 2006
Waar knelt het bij de afstemming?

Duidelijk is al geworden de neiging tot oneigenlijke koppeling van de uitbreiding aan de cohesiefondsen voor de zuidelijke regio's (Spanje).

Aan de andere kant houden de toetreders elkaar angstvallig in de gaten, waardoor de druk blijft bestaan die ertoe kan leiden dat de selectie van nieuwe lidstaten en de fasering van hun toetreding niet op merites van de prestatie van ieder afzonderlijk land, maar op basis van politieke groepsdwang zal geschieden.

Hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en geografische accentverschuiving in de regionale steunverlening zijn onontbeerlijk voordat een evenwichtig financieel pakket in 2006 tot stand kan komen. Met in het vooruitzicht verkiezingen in Duitsland en Frankrijk in 2002, Europese verkiezingen in 2004 en het aantreden van een nieuwe Commissie in 2005 wordt het krap in de agenda.

Daar komt dan nog bij de IGC in 2004.

Nadat de Duitse bondskanselier een steen in de vijver had gegooid heeft de Nederlandse regering een voorzichtige, realistische positie betrokken. Terecht wordt vanuit het Nederlands belang benadrukt dat versterking van de macht van de supranationale instellingen (Commissie en Parlement) niet per definitie ten koste zou moeten gaan van die van nationaal ingebedde organen (de Raad en de nationale parlementen).

De posities tot nu toe overziend lijken zich kansen af te tekenen om de weg in te slaan naar een Europese Constitutie en tegelijk daarbinnen de "federatie van natie-staten'', naar het aambeeld van Delors, als normerend kader voor de toekomst vast te leggen. Dit zou nieuwe kansen bieden zowel de ruimte voor als de begrenzing van de overdracht van bevoegdheden van het nationale naar het hoger gelegen Europese niveau vast te leggen.

Het opvatten van deze taak zou echter niet alleen mogen uitgaan van verbetering van het institutionele evenwicht binnen de Unie. De Nederlandse politiek staat voor de taak een koers uit te zetten die betere voorwaarden schept voor publieke belangstelling in eigen land en tegelijk gewicht in de schaal legt ten opzichte van de andere lidstaten.

Traditioneel heeft ons land zich opgeworpen als protagonist van verdergaande integratie op supranationale grondslag, onder het motto dat daardoor de belangen van de kleinere en grote lidstaten beter op één noemer zijn te verenigen. Als beginsel van geordende institutionalisering is hiervoor nog steeds veel te zeggen. De vraag klemt echter steeds meer hoe deze koers zich verhoudt tot veranderende realiteiten, zoals:


* de trekkracht van Frankrijk om de "federatie van natie-staten"niet alleen als doel op zichzelf na te streven maar ook als grootste gemene deler tussen de lidstaten te realiseren.

* de vastbeslotenheid van met name Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen om de gemeenschappelijke markt en de intergouvernementele samenwerking als standaard van de integratie te beschouwen;

* de restricties aan Duitse zijde, ingegeven door de sterke positie van de Länder, om tot een verdergaande overdracht van bevoegdheden te komen.
* de uitbreiding met zoveel meer lidstaten die, ook al door de diversiteit aan economische ontwikkeling en politieke cultuur, aanzienlijke druk zullen zetten op verdere verdieping van de integratie
* de ook in Nederland toenemende zakelijkheid zo niet scepsis in de publieke opinie over het appèl dat uitgaat van de Unie en over de dienstbaarheid daarvan aan ons nationaal belang.

Het zou dus kunnen zijn dat een te vergaande fixatie op de grote designs voor de toekomst (mede gestimuleerd door de vergezichten van Fischer en Schröder) in de weg staat aan praktisch nadenken en schrander handelen gericht op verbetering van de werkwijze binnen de gegeven kaders. Naarmate daardoor de rol van de politiek (ten opzichte van de technocratie) wordt versterkt zullen daarmee weer mogelijkheden ontstaan voor verkleining van de afstand tussen politiek en burger. In de notitie van de regering lijkt dit besef ook tussen de regels door te klinken.

Indien deze gedachtegang hout snijdt is het de moeite waard te verkennen op welke inhoudelijke punten en met welke institutionele aanpassingen in Brussel en in eigen huis het profiel van de Nederlandse Europapolitiek scherper zou kunnen worden getekend en uiteindelijk ook meer van invloed zou kunnen zijn op gebeurtenissen die alle Nederlanders steeds meer zullen raken.

Inhoudelijk heeft de regering reeds de goede weg gewezen door in te stemmen met snelle vrijmaking van het verkeer van werknemers van straks toegetreden nieuwe lidstaten. Dit kan uiteraard van betekenis zijn zolang het aanbod op onze arbeidsmarkt krap blijft. Ook als signaal gaat hier kracht van uit: vertrouwen in de uitbreiding, vertrouwen ook in de betekenis voor mensen in de nieuwe landen en in ons eigen land. Het is nu vervolgens van belang dat het niet hierbij blijft. Waarom niet met een aantal toekomstige partners bilaterale afspraken maken die vooruitlopen op de feitelijke toetreding? En waarom niet gericht gekeken naar wat in bepaalde sectoren gevraagd en in naburige landen geboden kan worden (bijvoorbeeld verpleegkundigen uit Polen). Gegeven de waarschijnlijkheid dat de meeste mensen zich hier slechts tijdelijk zullen vestigen zou hiervan ook een economische impuls kunnen uitgaan naar - in dit geval - Polen, hetgeen ook ons eigen belang van economische groei en stabiliteit oostwaarts zou dienen.

Een tweede voorbeeld van een terrein waar een Nederlands initiatief bredere betekenis zou kunnen hebben is de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Gevreesd moet worden voor een patstelling die kan ontstaan tussen Duitsland en Frankrijk en voor oneigenlijke dwarsverbanden die kunnen worden gelegd met de regionale verdeling van de structuur- en cohesiefondsen. Het valt niet goed in te zien hoe het vooruitschuiven van drastische ingrepen samen zou kunnen gaan met het dienen van een versnelde integratie van de nieuwe lidstaten, ook door tijdelijke steun op landbouwgebied. Zonder bereidheid tot aanpassing zou de totaalrekening wel eens hoger kunnen worden dan de burgers van de huidige Unie zouden willen betalen. Het zou een grote fout zijn dit ten koste te laten gaan van de kwaliteit van de uitbreiding. Nederland kan hier gewicht in de schaal leggen door zelf bereid te zijn het beroep op de landbouwfondsen drastisch te verminderen.

In de derde plaats kan ons land bijdragen aan het verkennen van een invulling van de in het Verdrag van Nice geopende mogelijkheid tot "versterkte samenwerking" binnen een groep van lidstaten. Tot op heden is hiervan nog nergens veel vernomen, maar toch zou van de zichtbare wil van een aantal lidstaten om op een aantal terreinen het acquis communautaire te overstijgen een belangrijk - tweeledig - effect kunnen uitgaan. Aan de ene kant als trekpaard naar lidstaten die nog niet meteen, maar graag wel later aansluiting zouden willen vinden. Aan de andere kant als buffer naar lidstaten die niet verder willen gaan in verdieping van de integratie en dan toch gedwongen zullen blijven om zich meer te richten op het volgen van de voorhoede. Waaraan valt te denken? Aan asiel- en immigratiebeleid; politie- en justitiesamenwerking; erkenning van diploma's; faciliering van grensarbeid; om een paar voorbeelden te noemen van terreinen die vooral het verkeer van personen aangaan. Ook op het terrein van de tweede pijler zouden initiatieven de moeite waard zijn, maar het is de vraag of de tijd rijp is de drie grootste landen zonder de druk van een algemene verdragswijziging op één noemer te krijgen voor bijvoorbeeld de bundeling van krachten in de Veiligheidsraad of in het IMF.

Tenslotte ligt er nog een hoogst actuele opgave. Nu gisteren de eurobiljetten over ons land zijn uitgerold komt het potentiële moment naderbij dat we de spanning gaan ervaren tussen de enorme integrerende kracht van de euro aan de ene kant en de divergerende invloeden van het ontbreken van een gecoördineerd economisch beleid aan de andere kant. Het kan zijn dat collectieve wijsheid de ministers van Financiën of de regeringsleiders in staat stelt langs alle denkbare klippen te laveren zodat als bij toverslag de inflatieniveaus en rentevoeten in de lidstaten zullen convergeren. Het kan ook zijn dat er tegenstellingen aan het licht treden. In ieder geval moet rekening worden gehouden met een toenemende roep om politieke verantwoording in de economische coördinatie. Het franse pleidooi voor een "economische regering" is in de afgelopen jaren door Nederland met scepsis tegemoet getreden. Inmiddels kan toch geen twijfel meer bestaan aan het breed gedeelde respect voor de onafhankelijkheid van de ECB. Meer dan voorheen is er iets voor te zeggen de economische coördinatie zichtbaarder te organiseren en te verantwoorden.

Hier ligt ook een verband met andere kwesties van institutionele aard, bezien vanuit de zorg om het politieke tekort. Ik zie een paar mogelijkheden die ik nog kort wil toelichten.

De klassieke Nederlandse reflex als het gaat om institutionele veranderingen ligt in het benadrukken van de instrumenten bij uitstek om de communautarisering te versnellen: versterking van de rol van de Commissie, uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming door de Raad en volledige zeggenschap van het EP over het communautaire beleid.

Ik wil niet ter discussie stellen dat stappen in deze richting het Nederlands belang dienen. Maar ik plaats er wel twee kanttekeningen bij.

De ene is dat - na Nice - twijfel gewettigd is of op de kortere termijn realistische vooruitzichten bestaan dat het die kant ook op gaat.

De andere dat indien dat al het geval zou zijn daarmee niet in alle opzichten de afstand tot de Nederlandse burger zou worden verkleind.

We doen er daarom goed aan te verkennen wat er in de gegeven omstandigheden dan wel zou kunnen gebeuren en hoe het politieke tekort van de Unie ten opzichte van de burgers zou kunnen worden verminderd.

De eerste mogelijkheid betreft een politieke versterking van de werkwijze van de Raad. Die is nodig om een natuurlijker inbedding van de bijeenkomsten van de Europese Raad in het geheel van het werk van de Raad te bevorderen. Dat wil zeggen: bijdragen aan het normaliseren van ontmoetingen van de regeringsleiders, zonder de toeters en bellen die er nu nog bij horen mogelijk ook in een hogere frequentie van bijeenkomen. Het vooruitzicht dat Brussel vaste vergaderplaats wordt past hierin. Een zichtbaar platform van voorbereiding en follow-up in Brussel zou dit doel kunnen dienen: de (nieuwe) Coördinatieraad, bestaande uit ministers van Europese Zaken. De Algemene Raad kan zich dan bezighouden met het omvangrijke netwerk van externe betrekkingen. Daarmee komt ook een politiek dak te staan op het huis van COREPER, dat weliswaar voortreffelijk werk verricht, maar natuurlijk zonder directe verantwoordingsplicht naar de burger.

Het noemen van de ambtelijke voorbereiding brengt me ook bij het nauw verwante tweede punt, de minister van Europese Zaken in Nederland. By the way: een uit zijn verband gerukt citaat heeft de indruk gewekt dat naar mijn mening Nederland in Brussel te vaak de boot zou missen. Ik wil hier nog eens plechtig onderstrepen dat over het algemeen terecht veel waardering bestaat voor het werk op onze Permanente Vertegenwoordiging. Ook tijdens mijn verblijf op het ministerie van SZW heb ik niet dan met plezier en respect met onze mensen in Brussel gewerkt.

Nu terug naar het hoofdpunt: de benoeming van een minister van Europese Zaken zou ook in eigen land bijdragen aan herkenbaarder politieke leiding van de Europese coördinatie tussen de departementen en in de Ministerraad. Het gaat hier in wezen om het versterken van de binnenlandspolitieke poot van het ministerie van Buitenlandse Zaken en ik begrijp heel goed dat het aan de Bezuidenhoutseweg even wennen zou zijn. Maar het is een illusie dat een minister van Buitenlandse Zaken (om een mogelijk misverstand te voorkomen: ik spreek hier slechts over de functies, niet over personen) de tijd en de belangstelling zou vinden om zich te mengen in de afwegingen die relevant zijn voor tal van kwesties op het terrein van vakdepartementen. En het is niet te verwachten dat een staatssecretaris, hoe competent als persoon ook, binnen de Ministerraad hetzelfde gewicht zal kunnen verwerven als een minister. Ook voor besprekingen in de andere lidstaten zou het zeker van voordeel zijn. En dit geldt a fortiori in geval een coördinatieraad in Brussel het licht zou zien.

Ik pleit ervoor in de komende tijd beide opties nog eens goed te doordenken op de voors en tegens en de bijkomende gevolgen. Het staat voor mij vast dat de nieuwe Europese tijd die met de komst van de euro wordt gesymboliseerd ook aanpassingen in onze werkwijze en verantwoording vereist. Voor Buitenlandse Zaken ligt hier een opdracht en een kans.

Twee andere mogelijkheden liggen meer in de Europese arena, maar zouden zeker bijdragen aan versterking van de band met de burger.

De eerste is nu opgenomen als doelstelling in het PvdA-verkiezingsprogramma: Europese lijstvorming bij de Europese verkiezingen en het daarmee mogelijk maken dat de voorzitter van de Commissie uit een van de lijsttrekkers wordt gekozen door het Europees Parlement. Een dergelijke indirecte verkiezing zou als een stap kunnen worden gezien op weg naar uiteindelijke directe verkiezing; wezenlijker voor de korte termijn zou zijn dat van Europese partijvorming een stimulerende werking uitgaat op methoden van mobilisatie van en verantwoording jegens Europese kiezers.

De tweede mogelijkheid kent zeker haken en ogen en is ook verbonden met verschillende zienswijzen op de toekomst van de Unie. Toch staat op de agenda van Laken de rol van de nationale parlementen en daar is ook echt wat voor te zeggen nu voor de overzienbare toekomst wel vaststaat dat de Europese constructie een meervoudige dimensie behoudt, met diverse vormen van intergouvernementele afstemming naast de communautaire methode. Ik meen dat we er goed aan doen na te gaan hoe de aansluiting van nationale parlementen zou kunnen worden versterkt. De hiermee verbonden gedachte aan een senaat van vertegenwoordigers uit nationale parlementen zou ook vanuit Nederlands oogpunt van belang kunnen zijn om de herkenbaarheid voor de nationale constituency te vergroten. Dat zou echter niet ten koste mogen gaan van de evolutie van de rol van het Europees Parlement dat in het hart van de democratische controle moet blijven. Dat is dus nog wel een breinbreker. Misschien dat aan een beperkte functie en beperkte frequentie van bijeenkomsten zou kunnen worden gedacht. Wellicht zijn ook andere vormen denkbaar om de complementaire functie van de nationale democratische organen een plaats te geven in de balans van de instituties. Ik pleit voor een verdere verkenning.

Afrondend, geen van de mogelijkheden is een panacee voor het probleem dat de EU vanaf het begin met zich heeft meegedragen: schepping van bovenaf, door nationale parlementen in uiteenlopende omstandigheden gefiatteerd. In de deels federale fase waarin we nu komen te verkeren als gevolg van de onomkeerbare introductie van de euro zijn echter initiatieven nodig om niet het risico te lopen dat deze schepping van bovenaf de grond onder de voeten voelt wegzakken. Initiatieven die inhoudelijke leemtes opvullen. En initiatieven die structuren scheppen waarbinnen politieke aanspreekbaarheid beter wordt geregeld. Het politieke tekort wordt verminderd.

Nederland heeft alle recht en reden om zich als founding father te laten gelden. Ook in de bilaterale betrekkingen met Duitsland, Frankrijk en het VK en zeker in verdieping van de afstemming binnen de Benelux.

Ik hoop dat u met mij dit gevoel van urgentie deelt, ook al weten we dat na fases van zorg het proces van integratie altijd weer momenten van hoop en blijvende vooruitgang wist te bereiken. Er is ook ontzaglijk veel bereikt. Mijn generatie heeft een dure plicht om hierop voort te bouwen. De reikwijdte van de Europese Unie strekt zich nu zo ver uit dat een terugkeer naar oude verhoudingen ondenkbaar is.

Maar toch: als de burgers in de Unie op te grote afstand blijven en zich onthouden op momenten dat hun actieve steun broodnodig is om het ideaal van het democratisch Europa keer op keer te bevestigen en te versterken: dan loopt de Europese toekomst averij op. En ruiken juist Europeanen van het eerste uur en hun navolgers het gevaar; een point of return is nooit ver weg.