Ministerie van Buitenlandse Zaken




Aan de Voorzitter van de Algemene Commissie voor Europese Zaken van De Tweede Kamer der Staten Generaal Binnenhof 4 Den Haag i.a.a. De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten Generaal Directie Integratie Europa DIE/IN Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag
Datum September 2001 Auteur Drs. J.W. Wiersma
Kenmerk DIE-466/01 Telefoon 070-3485712
Blad /16 Fax 070-3484086
Bijlage(n) E-mail Jacob.wiersma@minbuza.nl
Betreft Geannoteerde Agenda van de IMC&T raad van 27 september a.s. C.c. PV EU
Zeer geachte Voorzitter,

Hierbij gaat u de geannoteerde agenda toe van de Interne Markt-, Consumenten- en Toerismeraad van 27 september a.s.

De Minister van Economische Zaken De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Tijdens de Interne Markt-, Consumenten en Toerisme Raad van 27 september as. zal de Commissie een groot aantal nieuwe voorstellen presenteren. Meest in het oog springend zijn een tweetal verordeningsvoorstellen voor autorisatie van en traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen, een verordeningvoorstel inzake tarieven voor grensoverschrijdende betalingen en een richtlijnvoorstel voor herziening van het regelgevend kader voor farmaceutica. Voor een aantal onderwerpen die reeds eerder in Raadskader zijn behandeld, voorziet de voorliggende agenda in een bespreking van de stand van zaken dan wel een voortgangsverslag van de Commissie / Voorzitterschap. Het gaat onder meer om de voorbereiding op de introductie van de Euro waarvoor een publiek debat wordt voorzien, de Europese Voedselwet / oprichting Europese Voedselautoriteit, het Gemeenschapsoctrooi, overheidsaanbestedingen en de Strategie Chemicaliën. Voor een vijftal (langlopende) dossiers wordt besluitvorming voorzien: de richtlijn verkoop financiële diensten op afstand, de richtlijn voedingssupplementen, de verordening voor het Statuut voor de Europese Vennootschap en de richtlijnen voor de gevaarlijke stoffen pentabroomdyfenylether en azokleurstoffen.

Toerisme voor Allen


- Aanneming Raadsconclusies

Op 1 en 2 juli jl. vond te Brugge, als eerste bijeenkomst onder Belgisch Voorzitterschap, een informele ministersconferentie plaats met als thema "toerisme voor allen". Gesproken werd onder andere over hoe de verschillende lidstaten invullingen geven aan de begrippen "toerisme voor allen" en "sociaal toerisme". Uit een ter conferentie gepresenteerde enquête bleek dat in alle lidstaten initiatieven worden genomen ter stimulering van toerisme voor speciale doelgroepen zoals de jeugd, ouderen, gezinnen die in armoede leven, werkzoekenden en gehandicapten.

Niettemin waren de aanwezige bewindspersonen van mening dat de verschillende communautaire programma's meer aandacht dienen te geven aan projecten die een positief effect hebben op de deelname aan toerisme door genoemde groepen. Met name riep de informele vergadering op om te streven naar eenduidige en gestandaardiseerde informatie over de toegankelijkheid van toeristische activiteiten en accommodaties voor gehandicapten.

Inhoudelijk is tegen de uitkomsten van de conferentie geen bezwaar. Nederland is met een aantal Lidstaten echter gekant tegen het voornemen van het Belgische Voorzitterschap om de afspraken van de conferentie als formele Raadsconclusies door de aanstaande IMC&T Raad te laten vastleggen alvorens daarvoor het reguliere besluitvormingstraject (Raadswerkgroep / Coreper) te volgen. Hiervoor bestaat geen precedent en een dergelijke aanpak is naar Nederlandse mening ook niet wenselijk. Met name de noordelijke lidstaten willen eerst de verdere discussie met de Commissie afwachten, die thans doende is een mededeling op te stellen over de verdere ontwikkeling en vormgeving van het Europese toerismebeleid.

Voorbereiding op de introductie van de Euro


- Gedachtewisseling / publiek debat

De introductie van de euro is een van de belangrijkste gebeurtenissen voor de Europese Unie aan het begin van deze eeuw. Deze Raad is de laatste gelegenheid om van gedachten te wisselen over de aanpak van de introductie van de euro en concrete maatregelen voor te stellen in het licht van de specifieke problemen die zich voordoen in de verschillende lidstaten. Het Belgische Voorzitterschap heeft ten behoeve van het debat een aantal vragen voorgelegd. Hierin wordt gevraagd naar de specifieke maatregelen die de lidstaten hebben genomen om prijsstijgingen bij de conversie van de nationale munteenheid naar euro's te voorkomen en de hulp die het MKB wordt geboden bij de overgang naar de euro. Ook wordt gevraagd naar de maatregelen die de lidstaten gaan nemen in de maanden na de introductie van de euro om consumenten te beschermen tegen mogelijke fraude en bedrog met de nieuwe muntstukken en biljetten. Het Voorzitterschap zal de antwoorden op deze vragen bundelen in een synthese-rapport op basis waarvan de Lidstaten zullen worden gevraagd te interveniëren.

Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten


- Gemeenschappelijk standpunt

Zowel tijdens de Raad van 12 maart jl. als tijdens de Raad van 30/31 mei 2001 jl. werd ondanks een grote compromisbereidheid onder veel Lidstaten geen overeenstemming bereikt over voorliggend voorstel. Het Belgische Voorzitterschap streeft er thans naar om tijdens de komende Raad alsnog tot besluitvorming te komen. De richtlijn beoogt harmonisatie van de nationale regels voor de verkoop van financiële diensten (verzekeringen, bancaire diensten, hypotheken, etc.) op afstand (via internet, per post, fax of telefoon).

Belangrijkste knelpunt is het niveau van harmonisatie, mede in het licht van de in 1999 aangenomen richtlijn elektronische handel (welke als basisprincipe het oorsprongslandbeginsel hanteert). In het voorliggende richtlijnvoorstel is een aantal basisvereisten neergelegd ten aanzien van de informatieverstrekking van de aanbieder aan de consument. In beginsel geldt dat het toezicht op naleving hiervan onder de verantwoordelijkheid valt van de autoriteiten van het vestigingsland. De vraag is welke regels (die van het land van herkomst of van het land van bestemming) bepalend zijn voor het stellen van aanvullende eisen aan de verkoop op afstand van financiële diensten.

Nederland wil meewerken aan het bereiken van een politiek akkoord en kan instemmen met het tijdens de Raad van 30 mei jl. behandelde compromisvoorstel van het (destijds Zweedse) Voorzitterschap. Dit voorstel houdt o.a. een vergaande mate van convergentie in van de gedragsregels voor financiële instellingen (met name productinformatie). Ten aanzien van een aantal andere aspecten, zoals het voor Nederland belangrijke herroepingrecht, gaat het Voorzitterschapcompromis uit van maximale harmonisatie. Nederland is voorstander van een geleidelijk toegroeien naar een situatie waarin de controle op de naleving van de richtlijnbepalingen geschiedt door de toezichthouder van het land van herkomst ('oorsprongsbeginsel').

Een blokkerende minderheid van lidstaten wil lange overgangstermijnen (eind 2004) opnemen in de richtlijn waarbinnen zij nog aanvullende eisen kunnen stellen aan financiële dienstverlening vanuit andere lidstaten binnen hun rechtsgebied. Nederland verzet zich hiertegen omdat het strijdig is met de in de richtlijn elektronische handel, welke immers medio 2002 van kracht wordt, en ook omdat lidstaten dan extra handelsbarrières kunnen opwerpen binnen die periode.

Voedingssupplementen


- (evt.) Politiek akkoord

Voorliggend voorstel betreft de harmonisatie van de nationale voorschriften voor eet- of drinkwaren die in de diverse Lidstaten in de handel zijn onder de naam "voedingssupplement". Het gaat meestal om geconcentreerde bronnen van nutriënten en andere ingrediënten, alleen of gecombineerd, die als dosis (zoals capsules, tabletten, druppelflacons enz.) op de markt worden gebracht. In het voorstel wordt een lijst vastgesteld van nutriënten -- vooralsnog beperkt tot vitamines en mineralen -- die voor de vervaardiging mogen worden gebruikt. Daarnaast worden maximum- en minimumgehalten aan vitamines en mineralen per dagelijkse portie voor de consumptie bepaald. In de richtlijn is voorzien in de mogelijkheid om op een later moment lijsten op te stellen voor andere nutriënten.

Nederland acht harmonisatie dringend gewenst vanwege het toenemende diëtaire belang van de voedingssupplementen. Tijdens zijn bijeenkomst van mei jl. is de IMC&T Raad niet tot besluitvorming gekomen. De discussie spitst zich toe op de reikwijdte van de richtlijn, waarbij het de vraag is of alleen nutriënten (stoffen met een voedingskarakter zoals vitamines en mineralen) of ook stoffen met een fysiologische functie onder de richtlijn vallen. Ander discussiepunt betreft de vaststelling van maximum inname-hoeveelheden voor vitaminen en mineralen per dagelijkse portie. De vraag hierbij is of de maximum dagelijkse inname gebaseerd dient te worden op de zgn. aanbevolen voedingsreferentie-waarden (de hoeveelheid van een vitamine of mineraal waarbij geen deficiëntie-verschijnselen optreden) of op basis van toxicologisch bepaalde maxima (waarvan overschrijding schadelijk is voor de gezondheid).

Nederland steunt het voorliggende compromis van het Voorzitterschap, zij het niet van harte. Hierin is voor wat betreft de reikwijdte van de richtlijn het begrip "fysiologische functie" uit de definitie gehaald. Niettemin blijft Nederland voorstander van een ruimere reikwijdte, inclusief supplementen met fysiologische functie, aangezien dergelijke producten in Nederland en een aantal andere landen reeds op de markt is. Nederland zal aandringen op harmonisatie van regelgeving voor dergelijke producten in een later stadium. Ten aanzien van de vaststelling van de maximum dosis wordt in het Voorzitterschapscompromis in principe het toxicologisch maximum als uitgangspunt genomen. Aanvullend dienen Lidstaten bij de vaststelling van de maximumdosis rekening te houden met de voedingsreferentiewaarde. Nederland is niet gelukkig met deze vage formulering, maar kan deze, als maximaal haalbaar resultaat, aanvaarden.

Europese Voedselwet / Europese Voedselautoriteit (EVA)


- Voortgangsverslag

Voorzitterschap en Commissie zullen verslag doen van de stand van zaken inzake de tweede lezing van de Europese Voedselwet en de oprichting van de EVA.

Op 28 juni jl. heeft de Raad een politiek akkoord bereikt. Tweede lezing door het Europees Parlement is voorzien voor november van dit jaar. De belangrijkste zorg die bij het EP

leeft, is de samenstelling van de Raad van Bestuur van de EVA, vooral met het oog op de toekomst als er sprake is van een uitgebreide Unie.

Europees Verbintenissenrecht

Presentatie van de Commissie

Deze mededeling is een discussiestuk bedoeld om het debat over het Europees verbintenissenrecht (onderdeel van het materieel privaatrecht) te verbreden naar EP en Raad alsook andere betrokkenen zoals het bedrijfsleven, juristen, academici en consumentengroeperingen.

Het verbintenissenrecht op het niveau van de Gemeenschap is op een steeds groter aantal onderdelen geharmoniseerd. Tot dusver heeft de Commissie gekozen voor een selectieve benadering door richtlijnen goed te keuren over specifieke verbintenissen of specifieke verkoopmethoden. De Commissie onderzoekt nu of er behoefte is aan verdergaand Gemeenschapsoptreden op het gebied van verbintenissenrecht, met name omdat een selectieve, casusgerichte benadering mogelijk niet alle problemen zal kunnen oplossen.

In voorliggende mededeling draagt de Commissie een aantal mogelijke oplossingsrichtingen aan die de werking van de interne markt in relatie tot het verbintenissenrecht kunnen verbeteren, bijvoorbeeld:

ontwikkeling van niet-bindende gemeenschappelijke beginselen van verbintenissenrecht voor contractpartijen, nationale rechtbanken en arbiters en nationale wetgevers;

herziening en verbetering van de bestaande communautaire wetgeving met als doel het verbintenissenrecht coherenter te maken of aan te passen;

goedkeuring van een nieuw communautair instrument.

De Nederlandse regering heeft terzake nog geen standpunt ingenomen.

Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO's)

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van voedingsmiddelen en diervoeders geproduceerd met ggo's en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG.

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.


- Presentatie van de Commissie

Op 25 juli jl. heeft de Commissie voornoemde twee conceptverordeningen aangenomen en zal deze tijdens de aanstaande IMC&T Raad voor het eerst presenteren.

De voorstellen hebben als voornaamste doelstellingen:

de zorgen van de consument weg te nemen omtrent risico's van ggo's door een hoog beschermingsniveau te verzekeren voor de gezondheid van mensen, dieren en het milieu;

het ontwikkelen van traceerbaarheid en etikettering van ggo's en van de daarvan afgeleide producten om zo de consument in staat te stellen een goed geïnformeerde keuze te maken;

de uitgifte van vergunningen voor ggo's weer op gang brengen;

het probleem aanpakken van de onvoorziene aanwezigheid van in de EU niet toegelaten ggo's.

Beide verordeningen dienen eveneens invulling te geven aan de verplichtingen aangegaan in het Cartagena Protocol inzake bioveiligheid.

De eerste verordening (traceerbaarheid en etikettering) beoogt dat ggo's in alle stadia van de productie- en distributieketen traceerbaar zijn en worden geëtiketteerd. Voor voedingsmiddelen en diervoeders die ingrediënten bevatten afkomstig van ggo's (al dan niet chemisch identiek) voorziet de verordening in een documentatie- en proceduresysteem voor de identificatie van de producten, eveneens door de gehele productie- en distributieketen heen. Traceerbaarheid is nodig om de etiketteringbepalingen te kunnen controleren en om producten die onvoorziene schadelijke effecten

blijken te hebben voor mens of milieu uit de handel te kunnen nemen.

De tweede verordening komt voor wat betreft de voedingsmiddelen in de plaats van verordening 258/97 inzake nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (de "Novel Food verordening"), voor zover het de bepalingen rond ggo's en producten van ggo's betreft. De verordening regelt de aspecten van voedselveiligheid en diervoederveiligheid en de keuzevrijheid van de consument (de etikettering van het eindproduct). Additieven en aroma's van ggo's vallen ook onder de reikwijdte van de verordening. De verordening regelt tevens de procedure voor het aanvragen van een vergunning voor het in de handel brengen van ggo-voedingsmiddelen
-en diervoeders. Alle producten die van een ggo afkomstig zijn moeten worden geëtiketteerd. Zowel voor diervoerder als voor voedsel wordt een drempelwaarde (1%) voor onvermijdelijke contaminatie met ggo's vastgesteld. In de procedure voor de vergunningverlening speelt de risicobeoordeling door de Europese Voedselautoriteit een cruciale rol.

Nederland verwelkomt beide verordeningen. Ze zijn grosso modo in lijn met de Nederlandse visie op etikettering van ggo-voedingsmiddelen, zoals in de Integrale Nota Biotechnologie is opgenomen en eerder dit jaar aan de Commissie kenbaar is gemaakt. Nederland is voorstander van de gepresenteerde, meer integrale, aanpak, waarin de verschillende gebieden van de productieketen van zaad, diervoeders en voedselingrediënten tot aan het consumentenproduct met elkaar worden verbonden. Ook hecht Nederland veel waarde aan transparantie, inspraak en de keuzevrijheid/mogelijkheid voor de consument. De voorstellen sluiten in het algemeen ook aan op de Nederlandse visie dat de moderne biotechnologie een technologie is die gestimuleerd dient te worden.

Overigens laat het voorgaande onverlet dat Nederland de Commissievoorstellen, gezien de complexiteit van de materie, nog nader zal bestuderen voordat een finaal standpunt wordt ingenomen. Aandachtspunten die Nederland in dit stadium reeds heeft betreffen onder meer de handelspolitieke aspecten van de richtlijnvoorstellen alsook de eventuele gevolgen voor ontwikkelingslanden. Andere aandachtspunten zijn uitvoerbaarheid voor het bedrijfsleven, fraudegevoeligheid, betrouwbaarheid voor de consument, controleerbaarheid en handhaafbaarheid.

Momenteel hanteert een aantal Lidstaten een moratorium op het verlenen van verdere vergunningen voor ggo's, met name omdat de traceerbaarheid en de etikettering onvoldoende geregeld zouden zijn. Deze voorstellen komen hen daarin tegemoet. Er is nog geen zicht op de positie van de andere lidstaten.

Gemeenschapsoctrooi


- Voortsgangsbesprekingen

De Raad bespreekt de stand van zaken in de onderhandelingen over het Gemeenschapsoctrooi (GO). Waar mogelijk zal de Raad trachten knelpunten uit de weg te ruimen.

De 4 grootste discussiepunten zijn nog altijd (i) rol van de nationale octrooibureaus binnen het systeem voor het GO (ii) het talenregime (iii) financiële aspecten en (iv) de rechtspleging. Op het gebied van de rechtspleging lijkt zich een consensus af te tekenen. Voor rechtspraak in eerste aanleg gaat de tendens naar regionale kamers van een communautaire instantie in de lidstaten. Ten aanzien van de beroepsmogelijkheid lijken de meeste lidstaten voorstander te zijn van een gecentraliseerde instantie, waarbij concreet wordt gedacht aan het Gerecht van Eerste aanleg in Luxemburg. Nederland kan zich bij deze denkrichting aansluiten.

T.a.v. de financiële aspecten liggen nog geen concrete voorstellen op tafel, maar de inschatting is dat ook op dit punt overeenstemming te bereiken is. Uitgangspunt voor Nederland is dat het GO aanzienlijk goedkoper moet worden dan het huidige Europese octrooi en dat het Europees Octrooibureau (hierna: het EOB) en de nationale octrooibureaus alleen een vergoeding op basis van kostprijs ontvangen voor feitelijk verrichte werkzaamheden.

Moeilijker ligt het punt van de rol van de nationale octrooibureaus. Alle lidstaten erkennen dat er een zekere rol moet zijn voor nationale bureaus. Daarbij wordt gedacht aan het in ontvangst nemen van aanvragen, geven van voorlichting, maar ook -- mits wordt voldaan aan strenge kwaliteitseisen -- het verrichten van nieuwheidonderzoeken. Reeds overeengekomen is dat alleen het EOB bevoegd is om een GO te verlenen, nationale bureaus in ieder geval niet. Groot verschil van mening is er nog over wat de "examination" van een octrooiaanvraag wordt genoemd; de beoordeling op inventiviteit van de aanvraag. Een aantal landen vindt dat dit voorbehouden moet blijven aan het EOB. Andere landen hebben te kennen gegeven niet te willen uitsluiten dat nationale bureaus dit werk ook doen. Nederland vindt vooral dat activiteiten door nationale octrooibureaus in geen geval ten koste mogen gaan van kwaliteit van het GO en rechtseenheid. Voorlopig is het nog zeer de vraag of er voldoende garanties komen die deze kwaliteit en rechtseenheid waarborgen.

Het moeilijkste discussiethema betreft het talenregime. Standpunten liggen nog altijd ver uiteen. Er circuleren diverse voorstellen maar geen enkel voorstel kan rekenen op grote steun. Nederland hecht bijzonder aan zo min mogelijk vertaalkosten voor de gebruiker en dus een talenregime met zo min mogelijk talen. In dit verband denkt Nederland aan een talenregime waarbij naast het Engels tevens de mogelijkheid wordt voorzien van facultatief gebruik van de landstaal van de octrooiaanvrager; voor een Nederlandse aanvrager dus het Nederlands. Niettemin kan Nederland leven met een compromis waarbij uit praktische- en kostenoverwegingen wordt gekozen voor alleen het Engels dan wel het drie-talenregime (Eng., Fra., Dts.) van het talenprotocol van Londen, zoals in EOV-verband door Nederland en een aantal andere landen overeengekomen.

(evt.) Verzekeringsbemiddelling


- Algemene oriëntatie van de Raad

Verzekeringstussenpersonen spelen een centrale rol bij de distributie van dikwijls ingewikkelde verzekerings- en financiële producten. Het voorliggende richtlijnvoorstel heeft ten doel de vrije vestiging en dienstverlening van verzekeringstussenpersonen in de Europese Unie te vereenvoudigen. Uitgangspunten daarbij zijn het oorsprongslandbeginsel (toezicht door de toezichthouder van het land van vestiging) en vergaande minimumharmonisatie gericht op een hoog niveau van consumentenbescherming. Dit laatste betekent dat een Lidstaat naast communautaire regels desgewenst stringentere regels mag opleggen aan de eigen verzekeringsbemiddelaars. Op grond van het oorsprongslandbeginsel mag de betreffende Lidstaat dit echter niet doen ten aanzien van bemiddelaars uit andere Lidstaten.

Het richtlijnvoorstel voorziet concreet in:

een verplichting voor de Lidstaten om de beroepsbekwaamheid en de integriteit van de verzekeringstussenpersonen te waarborgen. Gekwalificeerde tussenpersonen worden bij een centrale instantie in de Lidstaat van vestiging geregistreerd, waarna de desbetreffende onderneming in beginsel grensoverschrijdend mag opereren;

het aanscherpen van de informatie die de verzekeringstussenpersonen aan de consument dienen te verstrekken, onder andere door verplichte transparantie betreffende rechtstreekse of niet-rechtstreekse banden met verzekeringsondernemingen;

de invoering van een systeem van wederzijdse erkenning, waardoor tussenpersonen die in één Lidstaat zijn geregistreerd, hun werkzaamheden ook in andere Lidstaten mogen uitoefenen.

Een Voorzitterschapscompromis wordt medio september op Raadswerkgroepniveau behandeld. Het Europees Parlement zal naar thans bekend pas op zijn vroegst in oktober zijn standpunt aannemen (EP heeft medebeslissingsbevoegdheid).

Nederland staat op hoofdlijnen positief tegenover het voorstel. Nederland is voorstander van een Europese markt voor financiële diensten waarin toezicht op de naleving van de richtlijnbepalingen geschiedt in het land van herkomst (oorsprongslandbeginsel). In Nederland wordt circa zestig procent van de verzekeringen via intermediairs gedistribueerd.

Verordening Statuut Europese Vennootschap

aanneming

De Raad zal het Statuut voor de Europese Vennootschap formeel aannemen. Het EP, dat betrokken is op basis van de adviesprocedure, heeft het voorstel begin september goedgekeurd.

Het voorstel betreft een rechtstreeks werkende verordening waarin regels worden neergelegd betreffende de nieuwe rechtsvorm "Europese Vennootschap" (EV). Het gaat om regels als vereisten voor oprichting, kapitaal en de positie van bestuur en aandeelhouders. Van belang is dat de EV alleen kan worden opgericht in Lidstaten die een richtlijn inzake werknemerparticipatie bij de EV (vertegenwoordiging van werknemers in Raad van bestuur of toezichthoudend orgaan) hebben omgezet. De EV wordt een rechtsvorm naast bestaande nationale regels. De verordening wordt behandeld door de IMC&T Raad, de richtlijn door de Sociale Raad.

Tijdens de Europese Raad van Nice bereikten de Europese Regeringsleiders een principe akkoord over de verordening voor het Statuut. Na Nice, tijdens een ingelaste gecombineerde Interne Markt en Sociale Raad op 20 december van het vorig jaar, bereikten de Lidstaten een politiek akkoord over het Statuut alsmede over de aanverwante richtlijn medezeggenschap werknemers. Formele aanneming van de richtlijn zal naar verwachting voor het einde van dit jaar door Raad en Europees Parlement worden afgerond.

Diensten van algemeen belang


- Presentatie / informatie van de Commissie

In de verklaring van de Europese Raad van Nice over diensten van algemeen economisch belang onderschrijven de Lidstaten de analyse van de Commissie, zoals neergelegd in haar Mededeling over diensten van algemeen belang van september 2000. Eén van de bedenkingen die is geuit in de verklaring van Nice is hoe de rechtszekerheid bij de toepassing van de mededingingsregels kan worden vergroot. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht verslag uit te brengen over de implementatie van de beleidslijnen met betrekking tot diensten van algemeen belang en de toepassing van het mededingingsrecht. De Commissie zal de stand van zaken van dit verslag presenteren. Het definitieve verslag zal worden gepresenteerd tijdens de Europese Raad van Laken.

Overheidsopdrachten


- Voortgangsverslag

Tijdens de Raad zal het voorzitterschap verslag doen van de stand van de onderhandelingen.Het Belgisch Voorzitterschap zal waarschijnlijk in een voortgangsverslag aangeven op welke onderdelen van het totale pakket er in grote lijnen overeenstemming bestaat. Zodoende kan de Raad zich toeleggen op de punten waarover thans nog geen overeenstemming bestaat.

Op dit moment bestaan er vier aparte richtlijnen die de procedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten reguleren (de richtlijnen diensten, leveringen, werken en nutssectoren). De doelstelling van voorliggende de Commissievoorstellen is vierledig: verduidelijking, modernisering, vereenvoudiging en flexibilisering van de bestaande Europese regelgeving. De bestaande richtlijnen voor de klassieke aanbestedingen (diensten, leveringen en werken) worden geconsolideerd tot één richtlijn. Er blijft een separate richtlijn bestaan voor de nutssector, waaruit de telecomsector gezien de vergaande liberalisering van die sector, zal worden verwijderd.

Nederland onderschrijft de doelstellingen van de Commissievoorstellen van harte. Nederland steunt het streven van de Europese Commissie om de concurrentie tussen leveranciers uit de gehele EU voor het verwerven van overheidsopdrachten te vergroten.

De algemene indruk is dat de meerderheid van de lidstaten de richting waarin de onderhandelingen zich ontwikkelen, ondersteunt. Zo ook Nederland. Dit geldt onder meer voor de discussie over deelonderwerpen als de bevordering van elektronisch aanbesteden, de keuze voor aanbestedende dienst bij de wijze van voorschrijven van technische specificaties en de verwijdering van de telecommunicatiesector als aanbestedende dienst uit de reikwijdte van de richtlijn. De komende periode zal de discussie zich onder meer toespitsen op de vraag hoe de competitieve dialoog moet worden vormgegeven en in hoeverre overheden doelstellingen op sociaal- en milieugebied mogen ondersteunen via een actief aanbestedingsbeleid. Een interpretatieve mededeling inzake milieu-overwegingen is reeds door de Commissie gepubliceerd. Een mededeling over sociale overwegingen wordt verwacht voor oktober / november.

Beoogd wordt dat het voorliggende wetgevingspakket voor het einde van 2002 wordt afgerond. Hiertoe heeft de Europese Raad bij herhaling (Lissabon, Stockholm) opgeroepen. Echter, aangezien nog niet alle lidstaten zich op politiek niveau hebben uitgesproken over de voorstellen als geheel, zal het een hele inspanning vergen deze "deadline" te realiseren.

Verordening 2679/98 inzake de werking van de interne markt betreffende het vrij verkeer van goederen (interventie mechanisme)


- Aanneming van Raadsconclusies

De Raad zal kennisnemen van een Commissieverslag over de werking van het mechanisme tot nog toe. Hier doet de Commissie een aantal suggesties om de werking ervan te verbeteren. Verwacht wordt dat de Raad ontwerpconclusies ter zake zal aannemen.

Het interventie mechanisme heeft tot doel ernstige belemmeringen van het vrije verkeer van goederen, bijvoorbeeld door wegblokkades aan de grens, tegen te gaan en werkt in grote lijnen als volgt:

de Commissie constateert of er zich in een Lidstaat een situatie voordoet die een belemmering voor het vrije verkeer van goederen vormt dan wel dreigt te vormen. Lidstaten hebben zelf ook de verplichting de Commissie en andere lidstaten op de hoogte te stellen van een (mogelijke) belemmering binnen hun landsgrenzen.

de Commissie roept de betreffende Lidstaat vervolgens op maatregelen te nemen ter verwijdering van de belemmering dan wel te voorkomen dat een dreigende belemmering zich daadwerkelijk voordoet.

de betreffende Lidstaat dient vervolgens alle evenredige en noodzakelijke maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het vrije verkeer van goederen op zijn grondgebied is gewaarborgd.

De Verordening op zich biedt de Commissie geen instrumenten om weigerachtige Lidstaten tot de orde te roepen. Wel kan de Commissie een reguliere rechtsgang naar het Hof van Justitie overwegen indien zij van mening is dat een Lidstaat niet voldoet aan zijn verplichtingen conform het Verdrag.

De Commissie constateert dat een meer dynamische en efficiënte toepassing van het interventie mechanisme noodzakelijk is voor een goed functioneren van de interne markt. Het merendeel van de lidstaten, waaronder Nederland, kan zich hierbij aansluiten maar acht aanpassing van de bestaande verordening (vooralsnog) niet nodig. De opgedane ervaring met de verordening is daarvoor nog te kort. Ook binnen het huidige kader van de verordening is er voldoende ruimte voor verbetering. Hiervoor is het belangrijk dat de Commissie en de lidstaten, bijvoorbeeld d.m.v. een vademecum, tot een goede beschrijving van de in de verordening gestelde verplichtingen komen. Voor marktpartijen is van belang dat d.m.v. dit vademecum inzicht wordt verschaft in bijvoorbeeld de nationale schadeloosstellingprocedures. Voor Nederland is een goede werking van het interventiemechanisme van belang gezien het aanzienlijke Nederlandse aandeel in de (trans)Europese distributie / transport.

Grensoverschrijdende betalingen


- Presentatie van de Commissie

De Europese Commissie heeft op 26 juli jl. een verordening voorgesteld waarin wordt bepaald dat de tarieven voor grensoverschrijdende retailbetalingen (kleine bedragen) niet hoger mogen zijn dan die voor binnenlandse betalingen. Voor opnames bij geldautomaten zou deze verplichting moeten gaan gelden per 1-1-2002 en voor grensoverschrijdende overboekingen per 1-1-2003. Tevens wordt voorgesteld de betalingsbalansrapportageverplichtingen verder te vereenvoudigen.

Het voorstel beoogt de tarieven voor grensoverschrijdende betalingen te verlagen. Deze zijn nu veel te hoog en verlaging ervan is dringend gewenst. Lagere tarieven zouden de grensoverschrijdende transacties van consumenten bevorderen hetgeen de interne markt in de EU zal versterken. Naar verwachting zal dit vooral ten voordele zijn van het MKB (o.a. grensverkeer).

De vraag is echter of het Commissievoorstel in deze vorm het beste middel is. Volgens de Nederlandse Vereniging van Banken zijn de kosten van het buitenlands betalingsverkeer aanzienlijk hoger dan de kosten van het nationale betalingsverkeer. Het is maar zeer de vraag of door een prijsregel deze kosten snel zullen dalen. Waarschijnlijker is dat consumenten bij een prijsvoorschrift een sigaar uit eigen doos krijgen in de vorm van kruislings subsidiëren: nationale

tarieven stijgen.

Nederland is van mening dat de doelstellingen van de richtlijn alsook de implementatietermijn die ervoor staat niet haalbaar zijn. Het grootste probleem is dat er in Europees verband nog steeds geen goede infrastructuur bestaat voor internationale betalingen. Om de doelstelling van de verordening te realiseren moet eerst een dergelijke infrastructuur gecreëerd worden. Hieraan wordt reeds door de Europese banken gewerkt, maar omdat er circa 3000 banken in Europa zijn is het niet te verwachten dat deze banken binnen afzienbare tijd de infrastructuur gebouwd zullen hebben. Er zal hiervoor dus een extra inspanning geleverd moeten, waarbij het voor de hand ligt aan de Europese Centrale Bank een rol toe te kennen.

Een BNC-fiche zal binnen afzienbare tijd aan de Kamer worden aangeboden.

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden zich op het grondgebied van de lidstaten vrij te verplaatsen en er te verblijven


- Presentatie van de Commissie

Het betreft een richtlijnvoorstel dat beoogt het bestaande communautaire recht dat thans is neergelegd in twee verordeningen en negen richtlijnen samen te voegen in één rechtsinstrument. In het voorstel staat onder andere dat na vier jaar regelmatig en ononderbroken verblijf in het gastland, een duurzaam verblijfsrecht kan worden toegekend. De onderhandelingen over de inhoud van de richtlijn moeten nog aanvangen. Nederland stelt zich in beginsel op het standpunt dat het wenselijk is om te komen tot één stelsel op het gebied van het vrije verkeer van personen en is derhalve voorstander van een richtlijn terzake.

Rapport van de Commissie over richtlijn 91/477/EG inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (COM (2000) 837)


- Presentatie van de Commissie / Raadsconclusies
De Commissie zal haar verslag toelichten over de toepassing van richtlijn 91/477/EG inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens. De Raad zal conclusies aannemen waarin zij de Commissie oproept begin 2002 op basis van haar bevindingen voorstellen te doen ter aanpassing en verbetering van voorgaande richtlijn, daarbij rekening houdend met het VN Protocol tot bestrijding van illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens.

Richtlijn 91/477/EG is n.a.v. de Schengenovereenkomst aangenomen met het doel de openbare veiligheid te regelen in verband met het vervallen van de binnengrenzen. De richtlijn strekt tot minimumharmonisatie; lidstaten zijn derhalve vrij strengere nationale maatregelen te nemen.

In de richtlijn is een aantal minimumvoorwaarden neergelegd waaraan wapenhandelaars binnen de Gemeenschap moeten voldoen. Hetzelfde doet de richtlijn voor de verwerving en het voorhanden hebben van vuurwapens. De richtlijn verbiedt in beginsel dat men zich in het bezit van vuurwapens begeeft van één lidstaat naar een andere. Hiervan kan alleen worden afgeweken als een nauwkeurig omschreven procedure wordt gevolgd die inhoudt dat de lidstaten in kennis worden gesteld van het feit dat een vuurwapen op hun grondgebied wordt binnengebracht. Ten aanzien van jacht- en sportwedstrijden zijn echter soepeler regels vastgesteld, opdat het vrije verkeer van personen niet onnodig zou worden belemmerd. Hiervoor werd in de richtlijn met name de Europese vuurwapenpas ingevoerd waarover jagers en sportschutters de beschikking kunnen krijgen.

De Commissie stelt in de aan de Raad voorliggende rapportage vast dat de algemene doelstellingen van de richtlijn zijn bereikt. De Commissie concludeert evenwel dat de richtlijn op enkele punten -- bijvoorbeeld voor wat betreft het bijhouden van een register, de markering van vuurwapens en in- en uitvoervergunningen -- dient te worden aangepast aan het VN-protocol over illegale wapenhandel. Dit protocol is door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen op 31 mei jl. De Commissie heeft gewacht met het indienen van de wijzigingsrichtlijn tot het VN-protocol zou zijn aangenomen om te voorkomen dat de richtlijn in korte tijd tweemaal zou moeten worden gewijzigd. Nederland heeft het Protocol nog niet ondertekend omdat Nederland er de voorkeur aan geeft dit in gecoördineerd Europees verband te doen. Voorts bestaan bij de uitvoering van de richtlijn nog problemen met de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en het functioneren van de vuurwapenpas. De Commissie zal voorstellen doen om een uniforme toepassing van deze vuurwapenpas te waarborgen.

Nederland verwelkomt de rapportage van de Commissie. Tevens stemt Nederland in met de voorliggende Raadsconclusies en kijkt het uit naar de Commissievoorstellen ter aanpassing van de bestaande richtlijn.

Wijziging van Richtlijn 76/769/EEG inzake gevaarlijke stoffen - Pentabroomdifenylether


- Gemeenschappelijk standpunt

Het voorstel beoogt een totaal verbod op het gebruik van pentabroomdifenylether (pentaBDE) als brandvertrager in producten alsmede een verbod op het op de markt brengen van de stof in concentraties van meer dan 0,1 massaprocent.

PentaBDE is een broomhoudende brandvertrager die hoofdzakelijk wordt gebruikt in polyurethaanschuim bedoeld voor meubel- en autostoelbekleding. In het kader van het EU bestaande stoffenprogramma is pentaBDE als prioritaire stof opgenomen voor het opstellen van een beoordeling inzake de risico's voor mens en milieu en voor het opstellen van een aanbeveling voor risicobeperkende maatregelen. De conclusie uit de risicobeoordeling gaf aanleiding tot de aanbeveling tot een algeheel verbod in de toepassing van pentaBDE. Dit zal voor de industrie niet tot onoverkomelijke problemen leiden aangezien er voldoende alternatieve brandvertragers voorhanden zijn.

Het Europees Parlement heeft in het ontwerp voor de eerste lezing ingestemd met het voorgestelde algehele verbod op pentaBDE maar heeft wel een aantal wijzigingsvoorstellen ingediend, waaronder uitbreiding van het verbod met de stoffen octaBDE en decaBDE. De zorgvuldig opgezette beoordelingsprocedure op grond van de Bestaande Stoffen Verordening is voor deze stoffen (octa + decaBDE) echter nog niet afgerond. Wel zijn er aanwijzingen dat octaBDE risico's voor het milieu met zich meebrengt, hetgeen niet het geval is met decaBDE.

Nederland kan in zijn geheel instemmen met het nu voorliggende voorstel. Indien in de Raad conform de voorstellen van het EP een meerderheid voorstander is van uitbreiding van het verbod tot octa- en decaBDE zal Nederland niet tegenstemmen.

Azokleurstoffen


- Politiek akkoord

Het betreft een voorstel van de Commissie inzake de negentiende aanpassing van Raadsrichtlijn 76/769/EG betreffende beperkingen van het in de handel brengen en gebruik van gevaarlijke stoffen en preparaten. Met voorliggend voorstel beoogt de Commissie een verbod op het gebruik van azokleurstoffen in kleding en textiel. Deze kleurstoffen bevatten chemische stoffen met stikstofverbindingen (Azo). Er bestaat een risico op splitsing van deze verbindingen waarbij aromatische stoffen ontstaan die kankerverwekkend kunnen zijn.

Het voorliggende compromisvoorstel van het Voorzitterschap gaat uit van een verbod op azokleurstoffen voor textiel en leer, waarbij het uit deze materialen bestaande artikel niet meer dan 30 ppm (part per million) aan aromatische verbindingen mag bevatten. Gesproken wordt nog over mogelijke uitbreiding van het voorstel met een verbod op materialen die worden gebruikt voor speelgoed. Ander discussiepunt betreft de uitzondering op de verbodsbepaling voor kleding bestaande uit gerecycleerde vezels en tweedehands kleding tot een limiet van 90 ppm en de uitzondering voor (Perzisch) tapijt. Het voorstel inzake gerecycleerde vezels en tweedehands kleding kan vooralsnog nauwelijks rekenen op steun en over het voorstel inzake tapijt zijn de meningen eveneens nog sterk verdeeld. Gediscussieerd wordt tevens over de analysemethode voor de vaststelling van het gehalte aan azokleurstoffen (waarvoor een in Duitsland gehanteerde methode beschikbaar is maar nog geen EU-brede standaard) en het Duitse voorstel om nationaal verdergaande maatregelen mogelijk te maken. Dit laatste stuit op bezwaren van de zijde van de Commissie.

Het Europees Parlement heeft zijn eerste lezing van het voorstel afgerond en een aantal amendementen ingediend. Het Voorzitterschapsvoorstel, dat mede is gebaseerd op een aantal EP-amendementen, kan door Nederland worden ondersteund. Het voorstel voor uitzonderingen voor kleding bestaande uit gerecycleerd materiaal en voor tapijt is voor Nederland echter niet aanvaardbaar. De daarbij genoemde limiet van 90 ppm wordt door Nederland te hoog geacht. Dit zou inhouden dat Azokleurstoffen in gerecycleerde kleding weer in grotere hoeveelheden dan 30 ppm worden toegestaan, hetgeen Nederland niet wenselijk acht gezien de schadelijke gevolgen voor de gezondheid.

Veiligheid van voetgangers


- Presentatie van de Commissie

Nederland, Duitsland en het VK hebben enkele jaren geleden het initiatief genomen voor een richtlijn waarmee beoogd wordt eisen te stellen aan autofronten waardoor voetgangers die bij snelheden tot circa 40 km/u worden aangereden, zo weinig mogelijk letsel oplopen. Dit stuitte op grote weerstand van de auto-industrie. Twee jaar geleden heeft het EEVC (samenwerkingsverband van onderzoekinstituten op het gebied van verkeersveiligheid) een up to date eisenpakket aan de Commissie aangeboden voor een zogenaamde "Voetgangers Veiligheidsrichtlijn".

Binnen de Commissie bestaat nog geen consensus over de vraag of er een richtlijn moet komen of niet. Het Directoraat Generaal voor het Ondernemingenbeleid heeft nu met de auto-industrie overeenstemming bereikt over een ontwerp-convenant. Hierin verplicht de industrie zich onder meer om vanaf medio juli 2005 alle nieuwe voertuigtypen (toekomstig model van een bepaalde automerk), vanaf medio 2010 80% van alle nieuwe voertuigen (bestaande en nieuwe modellen) en uiteindelijk in 2012 alle nieuwe voertuigen aan de EEVC eisen te laten voldoen. De Commissie heeft het ontwerp-convenant voorgelegd aan de Lidstaten en hen gevraagd zich daarover voor het eind van het jaar uit te spreken. De Commissie zal op basis van de mening van de Lidstaten haar definitieve standpunt bepalen.

Nederland heeft nog geen definitief standpunt over het ontwerp-convenant ingenomen maar is kritisch. Thans wordt nagegaan wat het verschil zal zijn tussen het convenant versus een richtlijn, o.a. ten aanzien van welke verkeersveiligheidseffecten over welke periode gerealiseerd kunnen worden. In beginsel gaat de Nederlandse voorkeur uit naar een Europese richtlijn die onderhavige materie regelt.

Herziening farmaceutica-regelgeving

Wijziging van Verordening 2309/93/EG van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (werkdocument EG Commissie d.d. 18 juli 2001).

Wijziging van Richtlijn 2001/XX/ EG betreffende het communautair wetboek met betrekking tot geneesmiddelen voor humaan gebruik (werkdocument EG Commissie d.d. 18 juli 2001).

Wijziging van Richtlijn 2001/xx/EG betreffende het communautair wetboek met betrekking tot diergeneesmiddelen (werkdocument EG Commissie d.d. 18 juli 2001).


- Presentatie van de Commissie

De Europese Commissie heeft op 18 juli 2001 jl. de drie bovengenoemde voorstellen aangenomen., welke een algehele hervorming van de huidig EU-wetgeving inzake geneesmiddelen beogen. Aan de herziening liggen twee fundamentele doelen ten grondslag: de noodzaak een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van de Europese burgers te garanderen en de voltooiing van de interne markt voor geneesmiddelen.

In het voorstel staat versterking van het in 1995 opgerichte Europees Bureau voor Geneesmiddelenbeoordeling (EMEA) centraal. Door de goedkeuring van medicijnen steeds vaker centraal, via EMEA, te laten verlopen krijgt de consument sneller toegang tot innovatieve medicijnen. Door een snelle registratieprocedure (verkort van 18 naar 9 maanden) in te voeren voor producten met een aanzienlijk therapeutisch belang kunnen deze snel worden beoordeeld en toegelaten. Dit zal de concurrentiepositie van de EU ten opzichte van de VS als vestigingsplaats van de farmaceutische industrie versterken. Ook wordt voorgesteld om voor bepaalde schrijnende gevallen gebruik en beschikbaarheid van (experimentele) medicijnen toe te laten ("compasionate use") Daarnaast oppert de Commissie in haar voorstellen de reclamevoorschriften voor medicijnen te versoepelen, in eerste aanleg voor aids, astma en diabetes. Ten aanzien van deze ziektes wil de Commissie de industrie in staat stellen om consumenten direct voor te lichten over behandelingen. Verder beogen de voorstellen verbeteringen in de zogenaamde wederzijdse erkenningsprocedure tussen Lidstaten, welke van toepassing is op aanvragen voor een handelsvergunning in één of meerdere lidstaten.

Nederland hecht aan het bevorderen van een innovatief en concurrerend klimaat voor de Europese farmaceutische industrie. Echter, primair uitgangspunt is de garantie van een hoog beschermingniveau van de volksgezondheid. Nederland benadrukt daarom met klem dat de beoogde aanpassingen in de regelgeving niet ten koste mogen gaan van de kwaliteit van de farmaceutische zorgverlening en van de belangen van de patiënten. Alleen in dat geval kan Nederland de voorstellen voor een versnelde registratieprocedure ondersteunen.

Strategie Chemicaliën


- Presentatie van de Commissie van de stand van zaken
Tijdens IMC&T Raad zal de Commissie de voortgang met de uitvoering van het Witboek nader toelichten. Het Europees Parlement heeft een resolutie over het Witboek in voorbereiding.

Het Witboek schetst een strategie voor een herziening van het EU chemische stoffen beleid uitgaand van de volgende doelstellingen: (i) het handhaven van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu, (ii) een effectief functioneren van de interne markt, en (iii) het verbeteren van het vermogen van de industrie tot innovatie en het versterken van de concurrentiepositie. Voor een overzicht van de belangrijkste elementen van het Witboek wordt hier verwezen naar de geannoteerde agenda van de IMC&T Raad van februari dit jaar (kamerstuk 25501, nr.148).

Het Witboek is gepresenteerd in de IMC&T Raad van 12 maart 2001. Besluitvorming erover vindt echter plaats in de Milieuraad. Tijdens de Milieuraad van juni 2001 zijn Raadsconclusies over het Witboek aangenomen. De Raad was in het algemeen positief over het Witboek, maar er werd door een aantal lidstaten nog wel de aandacht gevestigd op die naar hun idee onderbelicht zijn in het Witboek, zoals: gezondheid en veiligheid van werknemers alsmede het beperkt houden van de kosten en sancties voor het bedrijfsleven indien niet voldaan wordt aan de eisen van het nieuwe goedkeuringssysteem. Nederland heeft bewerkstelligd dat in de Raadsconclusies een oproep is opgenomen voor een nieuwe paragraaf die er toe strekt criteria te ontwikkelen om stoffen te classificeren in "categories of concern", gekoppeld aan een pakket standaardcontrolemaatregelen. De Raad heeft de Commissie uitgenodigd om eind 2001 met voorstellen voor regelgeving te komen.

De Nederlandse gedachtevorming over de strategie inzake het omgaan met chemische stoffen (Strategienota SOMS) is recentelijk met een notitie aangeboden aan de Tweede Kamer en op 13 juni jl. besproken met de Vaste Kamercommissie VROM. De Nederlandse inzet is erop gericht om de uitgangspunten uit de strategienota in te brengen in de discussie over het Witboek Chemische Stoffen.

Standaardisatie


- Presentatie van de Commissie

De Commissie zal vermoedelijk een korte mondelinge presentatie geven over de procedurele stand van zaken over de rol van standaardisatie en normalisatie in Europa. Er zal zullen geen inhoudelijk debat of Raadsstandpuntbepaling plaats vinden.

In de Raadsresolutie van 28/10/1999 over "de rol van de normalisatie in Europa" wordt de Commissie verzocht om vóór 30 juni 2001 aan de Raad verslag uit te brengen over de maatregelen die zij in overeenstemming met deze resolutie heeft genomen. Afronding van een Commissierapport ter zake wordt echter niet voor de aanstaande IMC&T Raad verwacht.

Normalisatie en certificatie leveren een bijdrage aan het opheffen van technische handelsbelemmeringen. Nederland onderstreept het economisch belang van normalisatie en certificatie (zie ook de Nota "Internationaal is de Norm" Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 21760, nr. 10). Tevens juicht Nederland Commissie-initiatieven toe die strekken tot verdere harmonisatie van het standaardisatiebeleid op EU-niveau, en zo mogelijk tevens op WTO-niveau. Nederland wacht met belangstelling de nadere rapportage van de Commissie af.

Biotechnologie


- Presentatie van de Commissie

De Commissie zal in de tweede helft van dit jaar, na een uitgebreide consultatieronde, komen met een document (Witboek) over biowetenschappen en biotechnologie. Tijdens de Voorjaarstop in Stockholm is op initiatief van de Britse en de Nederlandse regering het onderwerp biotechnologie geagendeerd voor de komende Voorjaarstop in Barcelona. Premier Kok en zijn Britse ambtgenoot Blair hebben daartoe een gezamenlijke brief over biotechnologie aan het (destijds Zweedse) Voorzitterschap gezonden. Afgesproken is dat de Commissie tezamen met de Raad zal nagaan welke maatregelen nodig zijn om het potentieel van deze technologie ten volle te benutten en het concurrentievermogen van de Europese biotechnologie-industrie te versterken. Dit met inachtneming van de maatschappelijk gewenste randvoorwaarden. In het te verwachten document zal de Commissie een allesomvattende benadering schetsen met aandacht voor problemen in de landbouw- en voedingsmiddelensector, de gevolgen voor het milieu maar ook voor geneesmiddelen en nieuwe ontwikkelingen die zowel de Europese burgers als de industrie ten goede kunnen komen.

Tijdens de IMC&T Raad zal de Commissie naar verwachting een mondelinge toelichting geven over de stand van zaken bij de voorbereiding van dit document. Nederland zal de Commissie oproepen tot voortvarendheid.

Kenmerk DIE-466/01
Blad /16

===