Ministerie van Buitenlandse Zaken

charset="iso-8859-1"

http://www.minbuza.nl/content.asp?Key=421105


---


1 Inleiding

---

In dit rapport worden de actuele situatie in Sudan (oktober 1999 tot en met februari 2001) en enkele recente ontwikkelingen beschreven, voor zover deze van belang zijn voor de beoordeling van asielaanvragen en het vaststellen van de mogelijkheid van terugkeer van afgewezen asielzoekers uit dat land. In de verslagperiode verscheen over dit land reeds een thematisch ambtsbericht over het beleid van een aantal westerse landen ten aanzien van de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers (DPC/AM-539476/00).

Het nu voorliggende rapport begint met, in hoofdstuk twee, een beschrijving van land, bevolking en geschiedenis, gevolgd door een overzicht van de recente politieke ontwikkelingen, de veiligheidssituatie en de economische achtergronden van de huidige situatie.

Hoofdstuk drie gaat in op de mensenrechtensituatie in Sudan, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de positie van enkele specifieke groepen.

Vervolgens komen, in hoofdstuk vier, de binnenlandse vestigingsmogelijkheden aan de orde, evenals het asiel- en terugkeerbeleid van een aantal westerse landen en het beleid van de UNHCR.

Het rapport wordt afgesloten met een samenvatting (hoofdstuk vijf) en een overzicht van de gebruikte openbare bronnen.

Bij de opstelling van het rapport is gebruik gemaakt van vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse ambassade in Khartoem, Nairobi

en in andere westerse landen, naast de openbare bronnen genoemd in de literatuurlijst.


2 Landeninformatie

---

2.1 Land en volk

---
De naar schatting 28 miljoen inwoners van Sudan kunnen worden verdeeld over circa 600 stammen die 56 etnische groepen vertegenwoordigen. Er zijn meer dan 100 (stam)talen.

In het gedeelte dat kan worden aangeduid als (het
administratief-bestuurlijke) Noord-Sudan mengden Arabische stammen zich vanaf de zevende eeuw met de reeds in het gebied woonachtige Afrikaanse volken en vonden arabisering en islamisering plaats. Niet-Arabische stammen c.q. bevolkingsgroepen in Noord-Sudan zijn onder andere de Beja, de Fur, de Nubiërs, en volkeren die gezamenlijk tot de Nuba gerekend worden.

Thans is circa 90% van de bevolking in dit deel van Sudan moslim. Maar er verblijven tevens circa 2 miljoen ontheemden die uit het zuiden afkomstig zijn en hoofdzakelijk animistisch of christelijk zijn. Bovendien wonen in dit gebied circa 300.000 koptische christenen. De taal die in Noord-Sudan hoofdzakelijk wordt gesproken is het Arabisch, de officiële taal van Sudan.

In (het administratief-bestuurlijke) Zuid-Sudan leven overwegend christelijke (circa 20%) en animistische (circa 70%) Afrikaanse negroïde stammen, waarvan de Dinka, Nuer en Shilluk de omvangrijkste zijn. Hun cultuur verschilt wezenlijk van die van het Arabische en gearabiseerde bevolkingsdeel in het noorden.

De bewoners van dit deel van Sudan gebruiken, naast lokale stamtalen en het Arabisch (d.w.z. een specifiek dialect), het Engels als voertaal. Door een beperking van scholingsmogelijkheden is het gebruik van het Engels en het noordelijke Standaard Arabisch sedert 1983 (hervatting oorlog) afgenomen.

2.2 Geschiedenis

---
In deze paragraaf wordt de geschiedenis van Sudan beschreven tot en met september 1999. De recentere ontwikkelingen staan in paragraaf 2.3 (Actuele politieke ontwikkelingen).

Inleiding

Ooit duidden Arabische geografen het gebied dat in Afrika ten zuiden van de Sahara ligt aan met 'Bilad al Sudan' (Land van de Zwarten). Later sloeg de term Sudan op de brede gordel droge savanne en halfwoestijn die van oost naar west, direct ten zuiden van de Sahara, door het Afrikaanse continent liep. Het land Sudan, zoals wij dat nu kennen, omvat slechts een deel van die gordel, namelijk het gebied dat vanaf 1898 onder gezamenlijk bestuur van Groot-Brittanië en Egypte stond en in 1956 onafhankelijk werd.

Veel van de hedendaagse problemen in het land hebben hun wortels in de koloniale periode. Hoewel het land in principe een fors economisch potentieel heeft, kwam het land nauwelijks aan ontwikkeling toe. De belangrijkste oorzaak daarvan is een burgeroorlog die, met een onderbreking van 1972 tot en met 1983, sinds de onafhankelijkheid woedt en meer dan een miljoen doden heeft geëist. Het conflict behelst niet alleen strijd tussen de islamitische regering in Khartoem en christelijke en animistische verzetsbewegingen in het zuiden. Ook waren er botsingen tussen de centrale regering en bevolkingsgroepen in het oosten en westen. In het zuiden werd de situatie vervolgens verergerd door onderlinge conflicten tussen de daar wonende etnische groepen. Daar begonnen de meeste botsingen ooit als veeroof, een verschijnsel dat al eeuwenlang voorkomt. Verder ontstonden er veel conflicten om weidegebieid en/of water. De aanwezigheid van moderne wapens heeft de confrontaties bloediger en oncontroleerbaarder gemaakt. De situatie werd bovendien gecompliceerd door de keuze van de regering voor het moslim-radicalisme. Hierdoor kreeg zij te maken met een hoofdzakelijk vanuit het buitenland opererende noordelijke oppositiegroepering die die koers als te radicaal beschouwt en die ondanks deels tegengestelde belangen vervolgens ging samenwerken met de oppositie in het zuiden. Bovendien kwamen door de radicale koers van de regering de betrekkingen met het buitenland (verder) onder druk te staan. In toenemende mate werd de oliewinning vooral een haard voor conflicten.

Deze deels historisch gegroeide complexe binnen- en buitenlandse tegenstellingen hebben de politieke, veiligheids- en mensenrechtensituatie in Sudan gedurende vele jaren in belangrijke mate beïnvloed. In het volgende gedeelte wordt de geschiedenis in detail uitgewerkt, waarbij de volgende perioden worden onderscheiden:


· Prekoloniale periode;


· Koloniale periode;


· Periode na de onafhankelijkheid:

Tweede burgeroorlog

De periode Al-Bashir:


- Wijzigingen binnen de oppositie/verheviging van de strijd

- Het vredesakkoord van Khartoem


- Proces van politieke liberalisering

De prekoloniale periode

Over de pre-koloniale geschiedenis van het zuidelijke deel van Sudan is nauwelijks iets bekend. De Sudd (overstromingsvlakte van de Nijl) vormde een bijna onneembare barrière voor buitenstaanders. Vermoedelijk bestonden er kleine rijken, die weinig structuur en onderling nauwelijks contact hadden. Pas vanaf 1820, toen een Turks-Egyptisch leger Sudan veroverde en in het zuiden naar ivoor en slaven op zoek ging, is er iets meer bekend. Ook over de geschiedenis van het westelijke deel en het noordoosten is weinig bekend.

Voor het noordelijke deel ligt dat anders. In dit gebied, aanvankelijk bewoond door Bosjesmannen, vestigden de eerste landbouwers zich vanaf circa 6000 voor Christus. In de periode 3000 tot 1200 voor Christus hielden Egyptische vorsten het rijk (genaamd Nubië) dat inmiddels in het gebied was ontstaan, bezet. Tot circa 350 na Christus, toen koning Ezana van Axum (Noord-Ethiopië) binnenviel, heersten echter diverse Nubische vorsten over het gebied. Ezana introduceerde het Christendom.

In de loop van de zevende eeuw trokken Arabische nomaden op zoek naar graasland vanuit Egypte het gebied binnen en brachten de islam mee. Onder meer door onderlinge huwelijken was het na de dertiende eeuw vrijwel gedaan met het christendom in het noorden van het huidige Sudan.

In de 16 eeuw vormden de Funj, een negroïde volk van onbekende herkomst, in centraal Sudan het zogenaamde Zwarte Sultanaat. De Funj werkten nauw samen met de Arabieren en zorgden voor een verdere verspreiding van de islam. Veel bewoners van het Nuba-gebergte (gelegen in de huidige noordelijke deelstaten Southern en Western Kordofan), waar de Funj ook binnentrokken, werden tot slaaf gemaakt. Hoofdzakelijk om dienst te doen in het Funj leger.

In 1821 werd het Funj-rijk door legers van de Ottomaanse Khedive (onderkoning), die reeds over Egypte heerste, veroverd. De legers bereikten in 1843 de Sudd-moerassen, een natuurlijke barrière tussen Noord- en Zuid-Sudan, die in die tijd inmiddels door stoomboten en het gebruik van geweren kon worden genomen. De Ottomaans-Egyptische overheersers gaven in 1857 het land een bestuurlijke structuur. In 1874 lijfden zij het in het westen gelegen Keira-sultanaat in. Zuidwaarts ging de Egyptische opmars via de Witte Nijl tot aan het Victoria-meer (Uganda). Door de komst van de Egyptenaren en in hun kielzog Europese ontdekkingsreizigers, missionarissen en avonturiers, werd Sudan een wingewest. Hoewel de slavenhandel in 1860 officieel door de Egyptenaren verboden werd, kregen slavenhandelaren de ruimte in gebieden waar niet-moslims woonden.

Langzaam groeide er verzet tegen de overheersers. Dit verzet werd gekanaliseerd door Mohammed Ahmed Sayid, ofwel 'de Mahdi' (verlosser). Hij riep in 1881 op tot een jihad, een heilige oorlog, en slaagde er in 1885 in de Egyptische troepen die onder leiding van de Britse generaal Charles Gordon stonden, te verslaan. Vervolgens stichte hij de zelfstandige staat Sudan. Het Sudan van de Mahdi bestond tot 1898 toen de Mahdisten bij Omdurman door het Egyptische leger onder leiding van generaal Herbert Kitchener werden verslagen. Het jaar daarop sloten Groot-Brittannië en Egypte een verdrag om Sudan gezamenlijk te besturen, als zgn. Condominium.

De Koloniale periode

Toen in het noorden de roep om zelfbestuur luider werd, veranderden de Britten hun Southern Policy; het voornemen was de scheidslijn tussen noord en zuid te slechten. Reis- , handels- en arbeidsbeperkingen voor de bewoners van beide gebieden werden op papier opgeheven, maar in de praktijk bleef ongelijkheid bestaan. Het zuiden kreeg bijvoorbeeld maar één middelbare school.

Begin jaren '50 stemden de Britse en Egyptische regering in met het houden van verkiezingen in het noorden. Ismail al-Azhari, de leider van de National Unionist Party (NUP) won de verkiezingen en werd de eerste Sudanese premier (januari 1954) van een kabinet bestaande uit UP en NUP (inmiddels genaamd DUP). Voor zuidelijke groepen waren er geen ministersposten.

De gevolgen van de ongelijke ontwikkeling bleven niet uit. In 1955 begonnen zuidelijke eenheden van het Sudanese leger (Sudan Defence Force) te muiten. Het was het begin van een burgeroorlog die, met een korte onderbreking (1972
- 1983) thans nog gaande is.

In het noorden werd de roep om onafhankelijkheid almaar luider en op

19 december 1955 riep het Sudanese parlement unaniem Sudan tot onafhankelijke republiek uit. De Britten en Egyptenaren hadden weinig keus en stemden met de onafhankelijkheid in, waarna deze op 1 januari 1956 officieel werd geëffectueerd.

Eerste burgeroorlog (1955-1972)

Toen de muiterij in het zuiden niet de kop kon worden ingedrukt, greep in het noorden in1958 generaal Ibrahim Abboud, met instemming van de UP, de macht. Hij poogde alle Britse en christelijke invloeden uit het zuiden te weren. Zo moesten in 1964 alle missionarissen en zendelingen het land verlaten, werden scholen genationaliseerd en werd het Arabisch ingevoerd in onderwijs en bestuur. Hiermee escaleerde de oorlog en werd deze ook in het noorden meer voelbaar, doordat elke familie wel een verwant in het leger had.

In 1963 had het zuidelijke verzet zijn krachten gebundeld in de Anya-Nya beweging. Deze voornamelijk uit oud-soldaten bestaande rebellenbeweging had geen vertrouwen in de pogingen van zuidelijke leiders om tot een vergelijk met de regering in Khartoem te komen.

Abboud werd in 1964 door een algemene staking en een studentenopstand gedwongen zijn macht over te dragen aan een overgangsregering, die een rondetafelconferentie organiseerde. Deze leverde niet veel op want de belangrijkste noordelijke partijen bleven hameren op de noodzaak van een eenheidsstaat, terwijl hun zuidelijke gesprekspartners voor verregaande autonomie pleitten. De opstand in het zuiden breidde zich uit tot alle drie de toenmalige zuidelijke provincies (Bahr el Ghazal, Equatoria en Upper Nile). De centrale regering kwam steeds meer in het nauw.

Vervolgens kwam in mei 1969 door een militaire staatsgreep kolonel Gaafar Muhamed Nimeiri aan de macht. Zijn beleid was gebaseerd op pragmatisch socialisme. Hij ging een alliantie aan met de (Sudanese) Communistische Partij, (S)CP, vormde de Sudanese Socialist Union (SSU) en intensiveerde de betrekkingen met het Oostblok. Interne oppositie, vooral van de Mahdisten, werd gewelddadig onderdrukt. Het zuiden kreeg van Nimeiri regionale bestuurlijke autonomie.

Nadat de communisten Nimeiri in juli 1971 tijdelijk (slechts 3 dagen) de macht hadden ontnomen (die hij met steun van het volk terugkreeg), volgde een klopjacht op communisten, en keerde Nimeiri zich tot vreugde van de VS van het Oostblok af. Zijn persoonlijke populariteit nam sterk toe en in oktober 1971 won hij de eerste presidentiële verkiezingen van Sudan. De SSU (gezuiverd) werd de enig toegestane partij. Vervolgens richtte hij zijn aandacht op de problemen met het zuiden.

In 1972 leidden onderhandelingen tussen Nimeiri en zuidelijke leiders tot de ondertekening van de 'Overeenkomst van Addis Abeba', waarin aan de zuidelijke regio, bestaande uit de toenmalige deelstaten Bahr el Ghazal, Equatoria en Upper Nile, een grote mate van autonomie werd toegekend. Zo kwam het bestuur in het zuiden in handen van een Hoge Uitvoerende Raad, die gecontroleerd werd door een regionaal volksparlement in Juba. Deze autonomie werd in 1973 bevestigd in de Grondwet. De Grondwet stelde bovendien de islamitische, christelijke en traditionele godsdiensten gelijk en het Engels werd de officiële taal in het zuiden. De aanpak van Nimeiri leverde hem veel goodwill in het westen op en leidde tot financiële hulp, waarmee een ambitieus economisch programma werd opgezet (modernisering landbouw, aardoliewinning en aanleg Jonglei-kanaal). In de praktijk bleek echter weinig geld naar het zuiden te gaan.

Anya-Nya II (1972-1983)

Zuidelijke groepen uit de Dinka- en Nuerstammen wilden voortzetting van de strijd tegen het noorden en richtten de Anya-Nya II-beweging op. Een belangrijke drijfveer hiervoor was de toenemende ontevredenheid over (vermeende) pogingen van het noorden om de opbrengsten van de natuurlijke hulpbronnen aan het zuiden te onttrekken. Tevens verzetten zij zich tegen een voorstel van een lid van de Hoge Uitvoerende Raad, Joseph Lagu, voormalig leider van de Anya-Nya beweging, om het zuiden in drie bestuursregio's onder te verdelen teneinde de overheersing van de Dinka in het bestuur van het zuiden te verminderen.

Vanaf ongeveer 1980 verslechterde het economische en politieke klimaat in Sudan. President Nimeiri koos de kant van Joseph Lagu en besloot tot verdeling van de zuidelijke regio in drie delen. In een poging de islamitische oppositie in het noorden voor zich te winnen, voerde hij in september 1983 bij decreet de islamitische strafwetgeving in. Deze 'september-wetten' leidden in het zuiden en bij gematigde groeperingen in het noorden tot felle kritiek en verzet.

De eerste jaren van de Tweede burgeroorlog (1983-1989)

Na een machtsstrijd binnen de leiding van de Anya-Nya II in november 1983, splitste een deel zich af en vormde de Sudan People's Liberation Movement (SPLM). De SPLM onder leiding van kolonel John Garang de Mabior, streefde vooral de omverwerping na van de Sudanese regering, terwijl het resterende Anya-Nya II het zuiden wilde losmaken van het noorden. Voor het bewind-Nimeiri vormde de SPLM de grootste bedreiging, zodat Nimeiri besloot Anya-Nya II wapens te verschaffen.

Na 1985 trad Anya-Nya II vooral op als militie in dienst van de centrale regering en voerde het strijd tegen de gewapende vleugel van de SPLM, de Sudan People's Liberaton Army (SPLA), die vooral uit leden van de Dinka-groep bestond.

Vanaf 1985 volgde ook in het Nuba-gebergte(dat zich in het administratief- bestuurlijke Noord-Sudan bevindt) nog jaren militaire strijd. De in dit gebied woonachtige bevolking raakte betrokken bij de strijd tussen de regering en de SPLA toen de Al Shabiba, een militante Nuba jeugdorganisatie, zich bij de SPLA aansloot (als Nuba factie) en in diverse plaatsen Arabische bewoners aanviel. De Arabieren in het gebied vormden daarop de Arab Union, een samenwerkingsverband dat steun van regeringszijde ondervond.

Op 6 april 1985 pleegde generaal Swar Al-Dhahab een staatsgreep in Khartoem en installeerde een Transitional Military Council (TMC). Het jaar daarop kon na verkiezingen een coalitieregering onder leiding van Sadig Al-Mahdi worden gevormd. Hiervan maakten de Umma Party (UP) en de Democratic Unionist Party (DUP) deel uit en vanaf februari 1988 ook het National Islamic Front (NIF). Een vredesinitiatief van de DUP leidde tot een beginselakkoord tussen deze partij en de SPLM.

Toen bleek dat de twee andere regeringspartijen niet instemden met het akkoord, stapte de DUP eind december 1988 uit de regering. Enkele dagen voordat de nu uit UP en NIF samengestelde regering nieuwe besluiten over een vredesakkoord met de SPLM zou nemen, vond op 30 juni 1989 een staatsgreep plaats onder leiding van luitenant-generaal Omar Hassan Ahmed Al-Bashir. Deze islamitisch-fundamentalist zette de gewapende strijd tegen de SPLM/A voort.

De regering Al-Bashir (1989 - heden)

De regering van luitenant-generaal Omar Hassan Ahmed Al-Bashir liet zich sterk beïnvloeden door het NIF onder leiding van dr. Hassan Al-Turabi. Al-Bashir schortte de Grondwet van 1973 op en regeerde per decreet. Aanvankelijk werden deze decreten uitgevaardigd door een Revolutionary Command Council (RCC), vanaf oktober 1993 door president Omar Hasan Ahmed Al-Bashir alleen.

De NIF-interpretatie van de islam betekende voor het noorden dat (politieke) tegenstanders monddood werden gemaakt, onder meer door onderdrukking van de bevolking (beperking persvrijheid; beperking vrijheid van vergadering en vereniging onder meer door middel van een verbod op alle niet-religieuze organisaties; arrestaties, detenties en martelingen; maar ook ontslag, confiscatie van bezittingen, etc.). Verder bleven de islamitische wetgeving (shari'a) en de hudud-straffen (zweepslagen, amputatie en steniging) van kracht. Indien voor de berechting van een specifiek geval bestaande wetgeving ontbrak, kon de rechter terugvallen op de shari'a als bron van wetgeving.

Een groot aantal van de door Al-Bashir verboden niet-religieuze organisaties in het noorden, waar onder de DUP en UP, ging een samenwerkingsverband aan onder de naam National Democratic Alliance (NDA) .

De verdergaande islamisering en arabisering waren voor de volken van Zuid-Sudan onacceptabel. Dientengevolge verhevigde zich de strijd, onder andere doordat de regering in het noorden volksmilities (Popular Defence Forces, PDF) oprichtte en inzette.

De regering ondervond niet alleen in het binnenland weerstand. Vooral door haar doelstelling het islam-fundamentalisme internationaal te bevorderen en het feit dat zij verantwoordelijk werd gehouden voor het verlenen van onderdak aan in het buitenland opererende fundamentalistische terroristen (o.a. de daders van de aanslag in Addis Abeba op president Mubarak van Egypte, juni 1995), kwam zij in een internationaal isolement te staan. Voor de steun aan het internationale terrorisme werd Sudan door de VN-Veiligheidsraad veroordeeld en het kreeg vervolgens in mei 1996 een aantal sancties opgelegd (Resolutie 1054).

Wijzigingen binnen de oppositie, verheviging van de strijd, akkoord van Khartoem

In het najaar van 1995 kwam het tot een nauwere samenwerking tussen de noordelijke en zuidelijke oppositie. Groeiende armoede en intensivering van de dienstplicht hadden tot ernstige protesten van de noordelijke bevolking geleid. Onder meer in de vorm van studentendemonstraties (september 1995 en april 1996) waartegen de regering hard was opgetreden en waarbij enkele doden waren gevallen. De onvrede leidde ertoe dat de noordelijke oppositie bereid was verschillen in ideologie tussen de noordelijke en zuidelijke oppositie ondergeschikt te maken aan gezamenlijke strijd.

Ook een deel van de zuidelijke oppositie zocht, vanaf april 1996, toenadering tot de noordelijke oppositie. De zuidelijke oppositie had de eerste helft van de jaren '90 te maken gehad met interne verdeeldheid inzake de te volgen koers. Zo richtten in 1991 enkele leiders van de SPLA (o.a. Riak Machar, Lam Akol en William Nyuon Bany) de SPLA-United (ook wel aangeduid met Nasirfactie) op. De SPLA-United stond de afscheiding van Zuid-Sudan voor. De SPLA-hoofdstroming streefde veeleer naar een gelijkwaardige positie van de zuiderlingen in een verenigd Sudan.

In de tweede helft van 1994 richtte Riak Machar vervolgens een eigen beweging op, onder de naam South Sudan Independence Movement/Army (SSIM/A). Deze beweging had vooral aanhang onder de Nuer bevolkingsgroep en werd door de SPLA bestreden omdat deze laatste de SSIM als instrument van de Sudanese regering zag. De SPLA-United (dus zonder Machar en zijn aanhangers) werd geleid door Lam Akol en aanvankelijk ook door Bany, die in de zomer van 1995 bij de SPLA zou terugkeren.

Naast SPLA, SSIM en SPLA-United, waren in het zuiden een aantal kleinere, vaak langs tribale lijnen samengestelde, facties actief. Een andere (vooral in de deelstaat Bahr el Ghazal) tegen de SPLM strijdende factie was bijvoorbeeld de Gogrial Aweil Nyamlell Tonj Rumbek en Yirol (GANTRY) onder leiding van Kerubino Bol.

De zuidelijke oppositie raakte verder verdeeld toen de leiders van de SSIM/A (Machar) , de GANTRY (Bol) en de Sudanese regering in april 1996 een 'political Charter' ondertekenden. Mogelijk als gevolg van deze ontwikkeling zocht de SPLA van Garang toenadering tot de noordelijke oppositie.Vanaf het einde van 1996 voerde zij samen met de strijdkrachten van de NDA, de Sudan Alliance Forces (SAF), militaire acties uit nabij de grens van Eritrea. Hierdoor ontstond er voor de Sudanese regering ook een front in het Oosten.

De acties aan het oostfront leidden tot een aantal reacties van de zijde van de regering. Zo liet zij onder meer grote aantallen leden van de verboden noordelijke partijen arresteren en intensiveerde zij haar pogingen meer dienstplichtigen voor het leger te rekruteren. Unversiteiten werden tijdelijk gesloten en eindexamenresultaten van middelbare scholen werden onder de hoede van het bureau dienstplicht gebracht om scholieren tot registratie en dienstnemen te dwingen.

Verder zocht zij opnieuw toenadering tot een aantal zuidelijke verzetsbewegingen. In april 1997 werd het 'political Charter' van 1996 verder uitgewerkt en tekende zij met de SSIM/A, GANTRY en enkele kleine facties een nieuw akkoord, het vredesakkoord van Khartoem. De deelnemende facties vormden vervolgens gezamenlijk het United Democratic Salvation Front (UDSF). Het restant van de groep SPLA-United van professor Lam Akol sloot zich op 20 september 1997 te Fashoda bij het akkoord aan. Een SPLA-factie (o.l.v. Muhammad Harun Kafi) die vooral in het Nuba-Gebergte actief is, sloot eveneens een overeenkomst met de regering af.

In dit vredesakkoord van Khartoem erkent de regering formeel de religieuze, culturele en etnische diversiteit van Sudan. Verder werd vastgelegd dat na een overgangsperiode van 4 jaar door middel van een referendum over zelfbeschikking voor het zuiden zou worden besloten. Bovendien werden afspraken gemaakt over amnestieregelingen, de grondwet, fundamentele rechten en vrijheden en de rechtspraak.

Proces van politieke liberalisering

Het akkoord van Khartoem kan worden gezien als begin van een proces van politieke liberalisering zowel ten opzichte van het zuiden als ten opzichte van het noorden.

Zo liet de regering een adviescommissie een nieuwe grondwet ontwerpen, die per 7 juli 1998, na een referendum in het noorden, van kracht werd en met uitzondering van nummer 14 alle Constitutionele Decreten verving. In de nieuwe grondwet werd onder meer vastgelegd dat de shari'a-gedragsregels en inheemse gebruiken bronnen van wetgeving zijn en dat Sudan een federatie van 26 deelstaten is. Verder bevestigt de wet onder meer 'the right of political association' voor alle Sudanezen.

In de tweede helft van 1998 en het begin van 1999 was er sprake van een stagnatie in het vredes- en liberaliseringsproces. De vertaling in lagere wetgeving van de gunstige bepalingen van de grondwet met betrekking tot burgerlijke en politieke rechten vond nauwelijks plaats. Een eerste nieuwe wet die op 1 januari 1999 in werking trad, was de wet op politieke associaties ('tawali' genoemd). Op grond van deze wet was onder voorwaarden registratie van 'political associations' mogelijk en konden deze zetels in de parlementen (nationaal en op deelstaatniveau) verwerven. De wet hief weliswaar het uit juni 1989 stammende verbod op politieke partijen op, maar leidde niet tot het daadwerkelijk optreden van oppositiepartijen. Bij deze bestond onder andere veel afkeer ten aanzien van de inhoud van de grondwet. Wel lieten circa 30 politieke associaties zich registreren.

Vredesinitiatieven (IGAD, Declaration of Principles, Wunlit, Egyptisch-Libisch initiatief)

Het Akkoord van Khartoem werd aanvankelijk voortvarend uitgewerkt; rebellenleiders werden in bestuurlijke functies geplaatst en een 'Coördinatieraad voor het Zuiden' kwam tot stand.

Ook aan de wensen van haar belangrijkste zuidelijke tegenstander, de SPLM/A, kwam de Sudanese regering vervolgens gedeeltelijk tegemoet. In september 1997 accepteerde President Al-Bashir de 'Declaration of Principles' (DoP) als basis voor onderhandelingen over vrede. Deze verklaring was reeds in 1994 door de Intergovernmental Authority on Development (IGAD) opgesteld, en geaccepteerd door de SPLM/A van Garang, maar door de regering verworpen. De verklaring voorziet onder meer in een referendum over de status van Zuid-Sudan, indien de beide partijen over een aantal belangrijke issues, zoals staat en religie en verdeling van hulpbronnen, geen overeenstemming kunnen bereiken. Hoewel de militaire strijd werd voortgezet, trok de acceptatie van de DoP wel de vastgelopen onderhandelingen met de SPLM/A los.

Vervolgbesprekingen met de SPLM onder leiding van de IGAD werden enkele malen uitgesteld en leidden niet tot substantiële resultaten. Bovendien deden zich bij de verzetsbewegingen onderlinge twisten voor. Dit was onder meer het geval in het voorjaar van 1998, toen troepen onder leiding van commandant Paulino Matip nabij de olievelden in Unity State strijd leverden met commandant Tito Biel (beide commandanten komen voort uit de beweging van Riak Machar). De Sudanese regering steunde commandant Matip. Tito Biel voegde zich na zijn nederlaag bij het SPLA van John Garang.

In augustus 1998, aan de vooravond van de derde ronde IGAD-vredesbesprekingen, kondigde de regering eenzijdig een wapenstilstand voor geheel Zuid-Sudan (niet voor de conflictgebieden daarbuiten) af. De SPLM/A stemde in met een wapenstilstand voor uitsluitend de deelstaten Northern en Western Bahr el Ghazal, inclusief een aantal corridors. Hierdoor werden deze twee deelstaten weer toegankelijk voor hulpverlenende internationale organisaties.

Reeds in september 1998 verbrak de regering echter haar eigen eenzijdig afgekondigde wapenstilstand voor geheel Zuid-Sudan, toen zij SPLA-troepen die naar Torit (in de deelstaat Eastern Equatoria) leken op te trekken, liet bombarderen. In Bahr el Ghazal hield de wapenstilstand tot mei 1999 stand. In die maand werd melding gemaakt van schendingen door beide partijen. Daarna werden de wederzijdse toezeggingen om het bestand in acht te nemen telkens herbevestigd.

Mede als gevolg van het onderlinge grensconflict waarin Ethiopië en Eritrea sedert mei 1998 verwikkeld waren, verbeterden de betrekkingen die beide landen met de Sudanese regering hebben. Begin 1999 herstelde de Sudanese regering de diplomatieke en handelsbetrekkingen met Ethiopië. Deze ontwikkeling bracht Eritrea er vervolgens toe om onder bemiddeling van Libië en Qatar in april en mei 1999 eveneens overeenkomsten met de Sudanese regering te sluiten (Doha Agreement). Wat deze behelzen, is niet exact bekend. Vermoedelijk betreft het herstel van de diplomatieke betrekkingen en beëindiging van steun aan elkaars oppositiebewegingen. Tot een significante doorbraak kwam het echter niet. Voor de NDA bleef het mogelijk om acties vanaf Eritrees grondgebied te ondernemen.

Omdat enkele SAF -vertegenwoordigers in Asmara tijdens de oorlog tussen Ethiopië en Eritrea duidelijk de zijde van Eritrea kozen, sloot Ethiopië de grens met Sudan, waardoor geen bevoorrading van de SAF meer kon plaatsvinden en de 'cross-border' hulp aan de bevolking van de door de SAF beheerde gebieden in het uiterste oosten van Sudan vrijwel onmogelijk werd.

De verdeeldheid binnen de zuidelijke oppositie nam af toen traditionle leiders van de Nuer, die vooral de SSIM/A (deeluitmakend van de UDSF) van Machar steunen, en leiders van de Dinka, die de SPLM/A van Garang steunen, in maart 1999 te Wunlit een overeenkomst sloten. In die overeenkomst werd tot verzoening tussen beide stammen opgeroepen en een permanent staakt-het-vuren afgekondigd. Verder werd onder meer besloten wederzijds gevangen genomen vrouwen en kinderen uit te wisselen en een gemeenschappelijke politiemacht in te stellen in grensplaatsen van de door deze volken bewoonde gebieden (oostelijke Nijloever).

In de loop van 1999 kreeg het liberaliseringsproces weer een positieve impuls. Zo riep in maart 1999 dr. Hassan al-Turabi, die op dat moment de de facto leider van Sudan was, de in het buitenland verblijvende oppositieleiders op naar Khartoem terug te keren. In dit kader voerde hij in mei van dat jaar onder meer geheime gesprekken met voormalig premier Sadig al-Mahdi. Verder bood President Al-Bashir aan om de opdeling van het land te accepteren, indien zulks tot een einde van de burgeroorlog zou leiden. Bovendien bood hij aan om rebellen die de gewapende strijd zouden opgeven, amnestie te verlenen.

De regering en de SPLM/A kondigden verder diverse malen (unilateraal) een (partiële) wapenstilstand af om humanitaire operaties in de deelstaat Bahr el Ghazal te kunnen laten plaatsvinden. Hoewel het bestand incidenteel door beide partijen werd geschonden, werd het telkenmale verlengd. Ook in de overige conflictgebieden vonden na juni 1999 geen grote offensieven plaats.

Begin juni 1999 werd in Geneina, de hoofdstad van West Darfur (Westelijk deel van Sudan) in een lokale verzoeningsbijeenkomst een vredesakkoord gesloten tussen vertegenwoordigers van diverse stammen in deze deelstaat. Hierbij werd onder meer overeenstemming bereikt over compensatiebetalingen. Traditioneel is er in het westelijke deel van Sudan sprake van een conflict tussen Afrikaanse landbouwers (zoals Fur, Masalit en Berti) en Arabische nomaden (Rizheigat). Het bewind Al-Bashir is van mening dat het land voor een ieder vrij toegankelijk moet zijn en bevoordeelt zo de nomadenstammen. Bovendien benoemde het vooral leiders van kleine arabischsprekende stammen in belangrijke bestuursfuncties. Dit leidde in de jaren '90 tot ernstige conflicten. Een en ander verergerde nog toen als gevolg van de oorlog in Tsjaad nomaden uit dat land een additionele last op het land van de landbouwers legden. Begin 1999 hadden in de deelstaat West Darfur enkele weken lang ongeregeldheden plaats gevonden tussen de daar woonachtige Masalit-stam en enkele Arabische stammen. Hierbij kwamen 131 personen om en 85 raakten gewond. Daarna is de situatie weer genormaliseerd.

Verder gaf de Sudanese regering (bewind Al-Bashir) de VN voor het eerst toestemming voor een missie tot onderzoek naar humanitaire nood in het Nuba-gebergte, dat wil zeggen in de door het SPLA-Nuba Mountains gecontroleerde delen. Deze missie had van 21 tot 24 juni 1999 een eerste gelegenheid de situatie te onderzoeken.

Na diverse keren te zijn uitgesteld vond tussen 18 en 23 juli 1999 een vierde ronde IGAD-besprekingen plaats, waarbij een speciale Keniaanse gezant ter begeleiding van het vredesproces werd aangesteld.

Egypte en Libië, die beide geen deel uitmaken van de IGAD, kwamen in augustus 1999 met een 5 punten omvattend vredesinitiatief. Dat plan voorzag onder meer in een permanent staakt-het-vuren in Sudan en een reconciliatieconferentie. De reactie van de IGAD landen was in het algemeen terughoudend.

De regering ging bovendien akkoord met de instelling en mandatering van een comité ter uitbanning van slavernij in Sudan.

Verder werd in juli 1999 de National Security Act van 1995 geamendeerd. De herziene wet reguleert onder meer de rol van de verschillende veiligheidsdiensten. Van een echte liberalisering op dit punt is echter nog geen sprake (zie paragraaf 3.1.1).

In oktober 1999 was het gebied waarvoor een wederzijds bestand gold, groter dan voorheen. De wapenstilstand, overeengekomen tussen de regering en de SPLM/A, gold op dat moment voor de zuidelijke deelstaten Northern en Western Bahr el Ghazal, Upper Nile en Unity State.

Buitenlandse betrekkingen

De regering Al-Bashir heeft zich ten doel gesteld islam-fundamentalisme ook internationaal te bevorderen. Dit, gevoegd bij het feit dat Sudan verantwoordelijk wordt gehouden voor het verlenen van onderdak aan in het buitenland opererende fundamentalistische terroristen (hetgeen tot VN-resolutie 1054 leidde), bracht het land in een internationaal isolement. Tot eind jaren '90 stonden de betrekkingen met een groot aantal landen onder druk.

Belangrijk voor de betrekkingen die Egypte met Sudan heeft is de watertoevoer van de Nijl. Egypte streeft hierom naar handhaving van één Sudan, want heeft geen belang bij nog een natie waarmee over het water van de Nijl moet worden onderhandeld. Beide landen maken bovendien aanspraak op de Hailab grensregio, hetgeen diverse malen bijna tot een militair treffen heeft geleid. Daarbij heeft Egypte zorgen over de controle over militante fundamentalistische moslimgroepen. Sudan werd verdacht van betrokkenheid bij de aanslag in juni 1995 op de Egyptische president Mubarak in Addis Abeba.

Bovendien leken alle zwart-Afrikaanse buurlanden met uitzondering van Egypte als het om afscheiding gaat, sympathie te koesteren voor de doelstellingen van de oppositie in Sudan. Deze sympathie varieerde van het gedogen dat het SPLA op het grondgebied aanwezig was en militaire voorbereidingen trof (Kenia) tot het openlijk bevoorraden van oppositiegroeperingen en daadwerkelijke steun aan militaire operaties (Eritrea, Ethiopië en Uganda). In de relatie met Uganda speelde tevens het punt van kinderslavernij een belangrijke rol. President Museveni van Uganda heeft Sudan ervan beschuldigd dat vanuit Noord-Uganda kinderen in slavernij worden weggevoerd. Een deel zou worden gerekruteerd voor het Sudanese leger of voor de op Sudanees grondgebied verblijvende Ugandese rebellen (Lords Resistance Army). In 1994 werden de diplomatieke betrekkingen tussen Uganda en Sudan verbroken en de relatie bleef jarenlang gespannen, onder meer ook door directe strijd tussen strijdkrachten van beide landen in de Democratische Republiek Congo.

De positie van de Verenigde Staten is voor de Sudanese regering belangrijk omdat deze met hun potentiële invloed op de SPLM/A een cruciale rol kunnen spelen in het vredesproces. De Verenigde Staten stelden jegens Sudan handels- en investeringssancties in, laatstelijk in november 1997. Zij namen deze maatregelen vanwege Sudans ondersteuning van internationale terroristische activiteiten, pogingen tot destabilisering van de buurlanden en ernstige schendingen van de mensenrechten. Als vergelding voor de bomaanslagen op hun ambassades in Kenia en Tanzania vuurden de Verenigde Staten in augustus 1998 vanaf schepen kruisraketten af op een farmaceutische fabriek (El Shifa) in Khartoem. Volgens de Verenigde Staten zouden in de fabriek niet alleen medicijnen, maar ook voorlopers van chemische wapens (danwel grondstoffen) worden geproduceerd. Deze beschuldigingen zijn tot op heden niet bewezen. In verband met de steun die het Verenigd Koninkrijk aan deze aanval had gegeven moest de Britse diplomatieke staf zich uit Sudan terugtrekken.

De vermeende betrokkenheid van Sudan bij de aanslag op president Mubarak van Egypte leidde er bovendien toe dat de Europese Unie de officiële politieke dialoog met Sudan voor lange tijd staakte.

2.3 Actuele politieke ontwikkelingen

---
Inleiding

In deze paragraaf worden de belangrijkste politieke ontwikkelingen beschreven van de periode okober 1999 tot en met februari 2001. Voorafgaand aan deze beschrijving worden deze ontwikkelingen kort samengevat en wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste politieke actoren.

Aan het begin van de verslagperiode leek het er aanvankelijk op dat het liberaliseringsproces zou worden stopgezet of zelfs teruggedraaid, onder meer toen president Al-Bashir in december 1999 de noodtoestand afkondigde. Met die actie verhevigde zich namelijk de strijd om de macht tussen hem en de NIF/NC(P)-ideoloog Dr. Hassan Al-Turabi. Deze strijd heeft de politieke ontwikkelingen in de verslagperiode sterk beïnvloed en gevreesd werd dat deze een negatief effect op het democratiseringsproces zou hebben. Gebleken is dat die vrees voor een belangrijk deel ongegrond was. Het liberaliseringsproces, waaronder de verzoening met politieke tegenstanders (het ging hierbij vooral om de noordelijke oppositie), zette zich in de verslagperiode in het algemeen voort, zij het dat aan het einde van het jaar 2000 en het begin van 2001 zich enkele zorgelijke ontwikkelingen voordeden. Zo werden weer enkele oppositieleiders, zonder aanklacht, gedetineerd, verlengde president Al-Bashir begin januari 2001 de noodtoestand voor een periode van een jaar, en werden conform de shari'a wetgeving, amputaties uitgevoerd.

Met betrekking tot het conflict met de zuidelijke oppositie was er sprake van een verscherping. De uitvoering van het vredesakkoord van Khartoem (april 1997) liep vast en het akkoord viel uiteen; zuidelijke partijen bij het akkoord keerden zich tegen de regering. Verder werd de partiële wapenstilstand (die de SPLM/A en de regering hoofdzakelijk ten behoeve van Bahr el Ghazal unilateraal hadden afgekondigd) verbroken en voerden beide partijen de strijd op (zie hiervoor ook paragraaf 2.4 veiligheidssituatie). Mede door de opleving van de strijd werd in de verslagperiode bij de IGAD-vredesbesprekingen nauwelijks enige vooruitgang geboekt.

De Wunlit-overeenkomst (zie bladzijde 17) hield goed stand. Een vergelijkbare bijeenkomst als de bijeenkomst die tot het akkoord van Wunlit leidde, maar dan voor de bewoners van de oostelijke Nijloever, vond in Liliir (gelegen in de deelstaat Upper Nile) plaats.

Politiek Spectrum

Voor een beter begrip van de resterende tekst van dit rapport volgt in deze paragraaf een kort overzicht van de belangrijkste actoren in de Sudanese politiek, zoals die aan het begin van de verslagperiode (oktober 1999) bestonden.

De regering van Al-Bashir,


· krijgt in het noorden steun van de regeringspartij National Congress (Party)

( voorheen NIF en in oktober 1999 nog onder leiding van secretaris-generaal en

parlementsvoorzitter Al-Turabi );


· de SPLA-Nuba (of: Nuba-group) van Muhammad Harun Kafi.

· krijgt in het zuiden vanaf 1996/1997 steun van:
de UDSF/SSDF (verzameling facties, inclusief de SPLA-United van

Lam Akol, de SSIM/A van Riak Machar en GANTRY (zonder Kerubino Bol,

want die werd in september 1999 gedood).

Het United Democratic Salvation Front is de politieke vleugel, de Southern

Sudan Defence Force de militaire.


· Ondervindt in het noorden oppositie (militair hoofdzakelijk in het oostelijke deel) van de NDA, waarin naast noordelijke partijen als UP (onder leiding van Sadig Al-Mahdi), DUP (onder leiding van Al-Mirghani) en (S)CP, ook zuidelijke bewegingingen als USAP, SPLM/A. (eerst sedert 1996) en de SPLA-Nuba Mountains factie van Yusuf Kuwah, samenwerken.


· Ondervindt in het zuiden oppositie van de SPLM/A (onder leiding van John Garang) en kleinere facties.

Machtsstrijd Al-Bashir - Al-Turabi

Op 12 december 1999 vaardigde president Al-Bashir 3 decreten uit, die deels in strijd met de grondwet waren. Hij kondigde voor een periode van 3 maanden voor geheel Sudan de noodtoestand, ontbond de Nationale Assemblee door haar zittingstermijn te beëindigen, en schortte de grondwet gedeeltelijk op. De actie van de president vloeide voort uit de machtsstrijd om de verdeling van verantwoordelijkheden waarin hij met de voorzitter van het parlement, dr. Hassan Al-Turabi, verwikkeld was geraakt. Laatstgenoemde had in oktober 1999 de machtigste plaats binnen de regeringspartij NC(P) gekregen, toen hij tot secretaris-generaal van de partij werd gekozen, terwijl president Al-Bashir 'slechts' voorzitter werd. Vervolgens poogde Al-Turabi de bevoegdheden van de president binnen de partij in te perken. Toen Al-Turabi als voorzitter van het parlement op het punt stond om ook constitutionele bevoegdheden van het staatshoofd te beperken, door een aantal amendementen op de grondwet door te voeren, voelde de president zich geroepen in te grijpen.

De actie van de president leidde niet tot de gevreesde escalatie. In de straten van Khartoem was, met uitzondering van de directe omgeving van het parlementsgebouw, geen sprake van zichtbare activiteit van leger of politie. In het hele land bleven geweld en arrestaties uit. Ook Al-Turabi kon in alle vrijheid met zijn aanhangers overleggen en persconferenties geven. Tot teleurstelling van de voorstanders van een versneld liberaliseringsproces, keurde het constitutionele hof in maart 2000 de decreten alsnog goed. De politieke strijd tussen Al-Bashir en Al-Turabi was daarmee echter nog niet beslist.

In april 2000 leidde de politieke strijd ertoe dat Al-Turabi uit de regeringspartij,

de/het National Congress (Party), NC(P), werd gestoten. Hij richtte vervolgens een eigen partij op, genaamd het Popular National Congress (PNC). Hoeveel leden hij uit de oude partij meenam is niet duidelijk. De NCP-leiding spreekt van 10 tot 15% van de leden, andere bronnen houden het op 25 tot 30%. Van de top van de partij kreeg hij niet veel personen mee. Vermoedelijk had (en heeft) hij wel een grote aanhang onder de islamitische studenten aan de universiteiten en onder leden van de PDF en veiligheidsdiensten.

Teneinde zich verder van Turabi-aanhangers te ontdoen, wijzigde de president vervolgens diverse malen de samenstelling van zijn kabinet. Zo legde hij in juli 2000 alle kernposities in de regering in handen van militairen. Hiermee verzekerde hij zich van de loyaliteit van het leger.

Op 21 februari 2001 arresteerde de veiligheidsdienst Turabi op verdenking van samenzwering tegen de president en diens regering. De dag ervoor had de PNC bekend gemaakt dat op 19 februari 2001 in Genève een 'memorandum of understanding' met het SPLA was getekend. Kort na de arrestatie van Turabi werden tientallen andere PNC-leden op diverse lokaties in Sudan gearresteerd. De arrestaties leidden vervolgens tot verschillende protestdemonstraties.

Ontwikkelingen met betrekking tot de zuidelijke oppositie

Het permanente IGAD-secretariaat dat na de vierde ronde besprekingen in juli 1999 was ingesteld, startte haar werkzaamheden effectief in oktober 1999, hetgeen resulteerde in vier gespreksronden, die tussen januari en maart 2000 en vervolgens in september 2000 plaatsvonden.

De Sudanese regering committeerde zich in januari 2000 te Nairobi aan het voeren van nieuwe besprekingen met de SPLM/A. In april 2000 bleek te Nairobi echter dat vrijwel geen vooruitgang geboekt was. De SPLM/A had vooral aangedrongen op een seculiere grondwet, terwijl de regering vasthield aan de shari'a als centrale bron van recht. Er werden geen documenten ondertekend.

De SPLM/A, die de regering ervan beschuldigde het aantal bombardementen in Zuid-Sudan te hebben opgevoerd, schortte op 8 mei 2000 haar deelname aan de vredesbesprekingen op. De regering, die erkende dat een aantal vluchten was uitgevoerd, maar stelde dat geen sprake van een toename was, reageerde teleurgesteld.

Nadat het SPLA medio juni 2000 een belangrijk offensief in de deelstaat Bahr el Ghazal in had gezet, leek ook de regering niet meer tot voortzetting van de besprekingen bereid. Toen zij zich in de loop van de tijd wel weer bereid toonde, concludeerde ze dat uitstel noodzakelijk was. Zij had inmiddels (ook) geconcludeerd dat integratie van het Libisch-Egyptische initiatief en het IGAD-vredesproces niet mogelijk was en achtte het noodzakelijk dat voorafgaand aan de IGAD-besprekingen (die immers uitsluitend met de SPLM/A worden gevoerd) een bijeenkomst met alle oppositiepartijen zou plaatsvinden. Zij nodigde vervolgens de noordelijke oppositiepartijen uit voor een voorbereidend overleg over nationale verzoening. De oppositiepartijen stemden daarmee onder voorwaarden in. Wat deze voorwaarden behelzen is dezerzijds niet bekend. Onderhandelingen daarover waren aan het einde van de verslagperiode nog gaande.

Het IGAD Partners Forum (IPF) dat in de verslagperiode eveneens een aantal malen bijeen kwam (o.m. in Den Haag en Oslo), dacht hoofdzakelijk na over een andere opzet van de IGAD besprekingen, waaraan tot op heden van de zijde van de oppositie uitsluitend de SPLM/A heeft deelgenomen. Ook het IPF zag integratie met het Libisch-Egyptisch initiatief niet als een optie, omdat Egypte de Declaration of Principles weigert te aanvaarden. Gezocht werd naar mogelijkheden om meer partijen in het overleg te betrekken. Dat had aan het einde van de verslagperiode nog geen concreet resultaat gehad.

De verdere uitvoering van het vredesakkoord van Khartoem zat gedurende de verslagperiode vast en het akkoord verloor uiteindelijk belangrijk aan betekenis. Door het gebrek aan voortgang in de uitvoering van het akkoord nam de oppositie tegen het akkoord toe. Een deel van de ondertekenaars sloot zich aan bij het SPLA. Ook de overige ondertekenaars keerden zich tegen de regering.

Uit ontevredenheid over de resultaten die Riak Machar en de regering tot dan toe hadden verwezenlijkt zegden eind 1999 de bevelhebbers van de Southern Sudan Defence Force (SSDF) het akkoord van 1997 op. Zij stelden een nieuwe, tegen de regering gerichte bevelsstructuur in, genaamd Upper Nile Provisional Command (UNPC), waaronder alle troepen van de SSDF werden geplaatst. In deze nieuwe militaire organisatie participeerden tevens een deel van de troepen van de South Sudan Unity Army (SSUA) van Paulino Matib (namelijk de troepen van bevelhebbers die Paulino Matib onttrouw waren geworden) en de SPLA. Het United Democratic Salvation Front (UDSF), de politieke vleugel van de SSDF, hield hiermee feitelijk op te bestaan, want Riak Machar en enkele andere UDSF-leiders hadden sedertdien geen militaire beweging meer achter zich.

Eind januari 2000 werd vervolgens de South Sudan Liberation Movement (SSLM) opgericht. Deze relatief kleine Nuer-beweging staat onder leiding van Dr. Wal Duany en kan als concurrent van South Sudan Independence Movement (SSIM/A) worden beschouwd. Teneinde een onafhankelijk zuiden te realiseren wil de SSLM samen met het SPLA de Sudanese regering bestrijden. Zij beheerst de stad Akobo.

Riak Machar bood begin februari 2000 zijn ontslag als vice-president van Sudan aan en trok zich formeel terug als leider van de UDSF. Uiteindelijk hebben hij en zijn aanhangers het vredesakkoord van 1997 afgeschreven. Naar zijn mening verschillen de rebellen en de Sudanese regering vooral van mening over punten als de controle over de veiligheid in de zuidelijke staten door militairen en politie, de aansturing van het vredesproces, de implementatie van vitale onderdelen uit de overeenkomst (insteling Joint Military Committees, instituties ter voorbereiding van het referendum over afscheiding, instelling van een Adviesraad voor Zuid-Sudan) en religieuze vervolging in de vorm van onthouding van toegang tot landbezit voor kerken, repressie tegen kerkelijke leiders, vernietiging kerkgebouwen, e.d.

Dr. Lam Akol, ondertekenaar van het parallelle akkoord van Fashoda, en Federaal minister van Transport, bevestigde de aangegeven problemen met de uitvoering van het vredesakkoord, maar zegde het akkoord niet op.

De in maart 1999 gesloten Wunlit-overeenkomst hield in de verslagperiode goed stand. Gevechten tussen Dinka en Nuer vonden na maart 1999 niet meer plaats. Nuer die moesten vluchten uit gebieden waar gevochten werd, zoals bijvoorbeeld Bentiu, werden als ontheemden geaccepteerd in Dinkagebied in Bahr el Ghazal, Warab en Lakes State. Verder werd geconstateerd dat veemarkten in plaatsen in Nuer-gebied (zoals Adok en Leer) regelmatig door Dinka's konden worden bezocht. Ook vond over en weer teruggave van vee plaats.

Vrouwen die in het verleden werden ontvoerd, huwden inmiddels in de nieuwe stam, waarin zij volledig worden geaccepteerd. Van ontvoering van kinderen door beide stammen bleek nauwelijks sprake te zijn geweest.

De overeengekomen opzet van gemengde grensposten is nauwelijks van de grond gekomen, maar wordt voorzover bekend ook niet gemist.

Van 9 tot 15 mei 2000 vond in Liliir in de deelstaat Upper Nile een vredesconferentie plaats die net als de bijeenkomst in Wunlit door de New Sudan Council of Churches (NSCC) was georganiseerd. De conferentie bracht meer dan 250 traditionele en burgerlijke leiders bijeen van in de regio (hoofdzakelijk de oostelijke Nijloever) woonachtige etnische groepen als Anyuak, Dinka, Jie, Kachipo, Murle en Nuer. Zij bespraken de oorzaken voor hun onderlinge conflicten. Er werden onder meer afspraken werden gemaakt met betrekking tot de terugkeer van ontvoerde vrouwen en kinderen, de toegankelijkheid van graasgebieden en waterputten, en een algemene amnestie werd afgekondigd ten aanzien van alle misdaden die zich tot dan toe tussen de verschillende groepen hadden voorgedaan.

Ontwikkelingen met betrekking tot de noordelijke oppositie

Tot ongenoegen van een deel van zijn achterban sloot de voormalige premier c.q. voorzitter van de UP (behorende tot de noordelijke oppositie, verenigd in de NDA), Sadig Al-Mahdi, op 25 november 1999 in Djibouti een overeenkomst met de Sudanese regering, de zgn. 'Motherland Call'. De regering aanvaardde bij deze overeenkomst een aantal principes met betrekking tot de politieke inrichting van Sudan: religieus, etnisch en politiek pluralisme, verdeling van de welvaart, delegatie van bevoegdheden van het centrum naar de regio's en opheffing van het verbod op politieke partijen. Daarmee was volgens Sadig Al-Mahdi in essentie aan de eisen van de oppositie voldaan. De overige in de NDA samenwerkende oppositiepartijen en een deel van zijn eigen achterban steunden de actie van Al-Mahdi niet. De actie leidde echter niet tot het uiteenvallen van de NDA.

In maart 2000 verving president Al-Bashir de Tawali wet van januari 1999 door een nieuwe wet op de politieke partijen, op grond waarvan het alle politieke partijen bestaande uit minimaal 100 leden, officieel werd toegestaan weer politieke activiteiten te ontplooien. De oppositiepartijen lieten weten zich niet te willen confirmeren aan de nieuwe wet, onder meer omdat zij in het algemeen bezwaar maken tegen de inhoud van de grondwet.

Als gevolg van de 'Motherland Call' en een bij diverse gelegenheden (onder meer schriftelijk vastgelegd op 3 juni 2000).door president Bashir afgekondigde amnestieverlening voor in het buitenland verblijvende politieke vluchtelingen, keerde op 23 november 2000 Sadig Al-Mahdi, die circa 4 jaar in het buitenland had verbleven, terug in Sudan. Andere leden van de noordelijke oppositie waren hem reeds voorgegaan. Zo keerde bijvoorbeeld Mohamed Al-Hassan Abdalla Yassin, een vooraanstaand leider van de DUP, in maart 2000 vanuit Egypte in Sudan terug. In april volgden circa 30 vooraanstaande Umma Partijleden en in de zomer van 2000 konden vervolgens ook enkele honderden UMMA-strijders die in het uiterste oosten tegen de regering hadden gestreden, zonder noemenswaardige problemen in Sudan terugkeren. Voorzover bekend keerden in de verslagperiode geen vertegenwoordigers van andere oppositiepartijen, zoals de Communistische Partij of de Baath partij, terug.

Van 13 tot en met 22 december 2000 werden vervroegde presidents- en parlementsverkiezingen gehouden. De belangrijkste noordelijke oppositiepartijen als DUP, UP, en de nieuwe partij van Al-Turabi (PNC) boycotten de verkiezingen. Hierdoor stond de uitslag vrijwel vast. President Al-Bashir werd herkozen en zijn National Congress (Party) verkreeg het overgrote deel van de beschikbare parlementszetels. De verkiezingen verliepen niet vrij en eerlijk. Zo hadden niet alle kandidaten gelijke toegang tot de media, en er bestond bijvoorbeeld geen systeem om dubbel stemmen te voorkomen. Bovendien hadden internationale waarnemers reeds het land verlaten, toen de definitieve uitslag werd bekendgemaakt.

Op 23 februari 2001 maakte president Bashir de samenstelling van zijn nieuwe kabinet bekend. Het betreft een coalitie van drie partijen, te weten de/het NC(P) met 22 portefeuilles, de Democratic Unionist Party (DUP, dat wil zeggen de factie onder leiding van Al-Hindi) met drie portefeuilles en het United Democratic Salvation Front (UDSF, dat in 1997 het vredesakkoord van Khartoem sloot) eveneens met 3 portefeuilles.

Bashir verving bovendien meer dan de helft van de 26 deelstaat-gouverneurs.

Buitenlandse betrekkingen

In de loop van 1999 verbeterden de Sudanese betrekkingen met een aantal landen. Deze verbetering zette zich in de verslagperiode voort. Aan het eind van de periode waren de betrekkingen met alle buurlanden met uitzondering van Uganda, volledig hersteld. Aannemelijk is dat de positie van de oppositiebewegingen in Sudan hierdoor is verzwakt.

Het aanhalen van de banden met Eritrea en Ethiopië geeft de Sudanese regeringenerzijds ruimte om de noordelijke oppositie, die gastvrijheid in beide landen geniet, te verzwakken en anderzijds om met een aantal belangrijke vertegenwoordigers van deze oppositie tot een vergelijk te komen. De ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie van Sudan en Eritrea ontmoetten elkaar in de verslagperiode diverse malen. De ontmoetingen hebben ertoe geleid dat de rebellen aan de noordoostgrens van Sudan, nadat eerder de steun van Ethiopië wegviel, het zonder de steun vanuit Eritrea moesten stellen.

Ook de diplomatieke betrekkingen met Egypte verbeterden in de verslagperiode.

Egypte, dat vooral een probleem had met de wijze waarop Al-Turabi de islam propageerde heeft met tevredenheid de inperking van diens macht gevolgd. De steun van Egypte voor opheffing van de VN-sancties die Sudan zijn opgelegd, kan als bewijs worden gezien dat de relatie tussen beide landen volledig is hersteld.

De arrestatiegolf die in het voorjaar 2000 in Egypte onder Sudanezen plaatsvond is in Sudan niet in de publiciteit gekomen en heeft voorzover bekend geen uitwerking in Sudan gehad (voor positie van Sudanezen in Egypte zie algemeen ambtsbericht van 1 december 2000, kenmerk DPC/AM 671540).

Vanaf december 1999 verbeterden de betrekkingen met Uganda. Op de 7e van die maand sloten president Al-Bashir van Sudan en president Museveni van Uganda namelijk een overeenkomst ter verbetering van de relaties. Het akkoord voorzag in het herstel van de diplomatieke betrekkingen, in beëindiging van steun aan elkaars gewapende opstandelingen (onder andere het Ugandese Lord Resistance Army en Allied Democratic Front en de Sudanese SPLM/A), in uitwisseling van krijgsgevangenen en terugkeer van ontvoerde kinderen en volwassenen.

Sindsdien werd er echter niet veel voortgang geboekt. Kort na de overeenkomst liet Sudan in ruil voor 72 Sudanese krijgsgevangenen 50 Ugandese krijgsgevangenen vrij. In januari 2000 volgde de vrijlating door Sudan van een groep van 70 ontvoerde vrouwen en kinderen. Het merendeel hiervan bleek overigens niet van Ugandese oorsprong te zijn. Velen van de circa 5000 ontvoerden bleken onvindbaar.

De Ugandese regering kondigde amnestie af voor de LRA-strijders, maar voorzover bekend vond terugkeer van deze rebellen vanuit hun uitvalsbases in Sudan, nauwelijks plaats.

Het belangrijke offensief van het SPLA in juni 2000 leidde ertoe dat de Sudanese regering minder geneigd was het LRA onder controle te krijgen en actief mee te werken aan de terugkeer van door het LRA geroofde Ugandese kinderen.

In september 2000 kwamen de ministers van Buitenlandse Zaken van Sudan, Uganda, Egypte en Libië in Kampala bijeen, waarbij opnieuw overeengekomen werd de Ugandese rebellen op Sudanees grondgebied te ontwapenen. Bovendien werd besloten de diplomatieke betrekkingen tussen Uganda en Sudan volledig te herstellen en aan de gezamenlijke grens Egyptische en Libische waarnemers te plaatsen. In oktober 2000 werd bovendien overeengekomen dat de LRA-kampen in Sudan zich niet op een afstand van minder dan 1000 kilometer van de Ugandese grens mogen bevinden.

In de relatie met Kenia hebben zich in de verslagperiode geen noemenswaardige wijzigingen voorgedaan. Deze relatie kan als redelijk stabiel worden beschouwd. Een punt van mogelijke irritatie aan Keniaanse zijde is de wens van de Sudanese regering om vanaf Keniaans grondgebied controle uit te oefenen op de noodhulpvluchten ten behoeve van Zuid-Sudan.

Verbetering van de relatie met Europa bleek onder meer uit de Europese steun voor de verbetering van Sudans relatie met het Internationale Monetaire Fonds, de formulering van een gezamenlijke Mensenrechtenresolutie in Genève en de overeenstemming over de terugkeer van de diplomatieke staf van de Britse Ambassade in Khartoem. Bovendien werd vanaf november 1999 een hernieuwde formele politieke dialoog gevoerd en afgerond. Vijf vaste agendapunten waren daarbij het vredesproces, democratie en rechtsstaat, mensenrechten, relaties met omliggende landen, en terrorisme. Een tweede ronde is inmiddels medio januari 2001 aangevangen. Hierbij stonden punten centraal als: verlenging noodtoestand,

positie van de oppositie en ontvoering van vrouwen en kinderen.

Tot slot lijkt ook de relatie met de Verenigde Staten (die in ruim de helft van de voedselhulp voorziet) in de verslagperiode iets te zijn verbeterd. Voor de Sudanese regering van belang vooral omdat de Verenigde Staten de SPLM/A onder druk kunnen zetten om zich in het vredesproces meer coöperatief op te stellen. Als gebaar naar de Amerikanen tekende de Sudanese regering in mei 1999 de Internationale Conventie inzake het verbod op Chemische Wapens. Ook kondigde de regering aan internationale terrorisme-verdragen te zullen ondertekenen. De reactie van de Verenigde Staten was sceptisch. Een maand later nam de Amerikaanse volksvertegenwoordiging bij overweldigende meerderheid van stemmen een resolutie aan waarin de Sudanese regering verantwoordelijk wordt gehouden voor wreedheden tegen haar eigen burgers.

Sinds april 2000 zijn er voortdurend Amerikaanse diplomaten in Khartoem aanwezig. De zaakgelastigde die in Naïrobi resideert, verblijft thans 3 weken per maand in Khartoem. Er vindt ondermeer een diepgaande dialoog plaats over terrorisme en andere veiligheidskwesties. De aanname door het Amerikaanse Conges van de Sudan Peace Act, waarin voorzien is dat de Amerikaanse president rechtstreeks voedselhulp aan de humanitaire tak van de SPLM, genaamd de Sudan Relief and Rehabilitation Association (SRRA), kan geven, maakt het daarentegen voor het State Department lastig een evenwichtig beleid ten aanzien van Sudan te voeren.

In de laatste maanden van het jaar 2000 liepen de betrekkingen wel weer schade op, onder meer toen Susan Rice, assistent Secretary of State for African Affairs, een bezoek aan de door de rebellen gecontroleerde gebieden in Zuid-Sudan bracht en de mensenrechtenschendingen door de Sudanese regering (onder meer slavernijpraktijken) hekelde. Bovendien werd een Amerikaans diplomaat persona non grata verklaard nadat hij een ontmoeting had met een aantal NDA - leden, die volgens de Sudanese autoriteiten een gewapende opstand aan het plannen waren en allen werden gearresteerd.

Dat de Sudanese regering een andere politieke koers wil varen liet zij internationaal ook zien door tijdens de 55e zitting van VN Commissie voor de Rechten van de Mens in Genève aan de aanvaarding van de landenresolutie mee te werken.

2.4 Veiligheidssituatie

---
In deze paragraaf wordt de veiligheidssituatie in de verschillende gebieden van Sudan beschreven. Ook wordt een overzicht gegeven van de veiligheidsdiensten (leger, politie en veiligheidsdiensten in engere zin) waarover de overheid beschikt.

Per regio zal een algemene typering van de veiligheidssituatie worden gegeven. Vervolgens zal een indeling worden gegeven van de delen van Sudan in relatief veilige, relatief onveilige en onveilige gebieden. De regio's die achtereenvolgens worden beschreven zijn: het zuiden (dat wil zeggen het administratief-bestuurlijke Zuid-Sudan), het Nuba-gebergte (dat in het administratief bestuurlijke Noord-Sudan ligt, maar waar in het kader van de burgeroorlog ook gevechtshandelingen plaatsvinden) en de in het oostelijk grensgebied van Noord-Sudan gelegen deelstaten Red Sea, Kassala en Blue Nile (waar in delen eveneens gevechtshandelingen plaatsvinden).

In bepaalde delen van Sudan vinden met wisselende intensiteit (hoofdzakelijk in het droge seizoen) en op wisselende lokaties gevechtshandelingen plaats. In deze gebieden is de situatie gecompliceerd, want er kunnen troepen van het officiële leger (Sudanese Peoples Armed Forces, SPAF) en Popular Defence Forces (PDF), voorts SPLA-troepen en troepen van andere verzetsbewegingen (SSLM, SSUA, e.d.), en ook milities als de Murahaleen en privé-legertjes in opereren. Het Sudanese leger is niet bij alle gevechtshandelingen die in de conflictgebieden plaatsvinden, betrokken.

Van belang is dat zelfs in de meest omstreden gebieden, onder meer in de regentijd, soms maandenlang niet wordt gevochten. Bij de gemelde gevechten blijkt het in de meeste gevallen niet om grote aantallen strijders te gaan. De conflicten kunnen daarom in het algemeen als 'low-level warfare' worden getypeerd.

De Sudanese minister van Buitenlandse Zaken kondigde op 12 oktober 1999 aan dat zijn regering het allesomvattende staakt-het-vuren in alle militaire zones met drie maanden zou verlengen. Een dag erna kondigde het SPLA aan ook het staakt-het-vuren te willen verlengen, maar de reikwijdte te beperken tot de zuidelijke deelstaten Northern- en Western Bahr el Ghazal en gedeelten van Upper-Nile en Unity State. Dat staakt-het-vuren hield tot juni 2000 redelijk stand. Wel deden zich in die periode in deze gebieden zo nu en dan op lokale schaal schermutselingen voor.

Medio juni 2000 doorbrak het SPLA deze situatie, toen het zware slagen aan de Sudanese regeringstroepen in de omgeving van Wau (gelegen in de deelstaat Western Bahr el Ghazal) toebracht en tevens plaatsen als Gogrial, Malual, Mabior, Wudweil en Akon innam.

In delen van de deelstaat Upper Nile, waar behalve Dinka's ook Nuer-stammen en Shilluk wonen, waren naast het SPLA ook andere milities actief bij gevechten betrokken. De situatie was hierdoor onduidelijk. In het westelijke deel van deze deelstaat vochten door de regering gesteunde milities tegen milities die nauw aan het SPLA zijn gelieerd. Het oostelijk deel was onveilig door de aanwezigheid van vooral uit Nuer bestaande groepen die in beginsel de regeringstroepen bevechten, maar die van tijd tot tijd ook met elkaar slaags raken. In noordelijk Upper Nile, Shilluk-gebied, werd relatief weinig gevochten. De Shilluk zijn doorgaans trouw aan dr. Lam Akol die in september 1997 met de Fashoda-overeenkomst vrede met de Sudanese regering sloot.

In de deelstaat Unity State, vooral in de omgeving van Bentiu waar zich olievelden bevinden, namen in de verslagperiode operationele acties van verzetsbewegingen toe. Daarbij bestreden diverse door de regering gesteunde milities het SPLA, maar ook elkaar, waarbij huizen en gewassen in brand werden gestoken, vee werd gestolen en vrouwen en kinderen soms werden ontvoerd.

Mogelijk als gevolg van deze toename van operationele acties nabij de olievelden, maakte de regering de eerste maanden van 2000 in de conflictgebieden toenemend gebruik van bombardementen op steden en dorpen. Niet zelden ging het daarbij om civiele doelen. Op 19 april 2000 verklaarde president Al-Bashir dat er niet meer zou worden gebombardeerd, doch sinds eind juni 2000 namen de bombardementen zelfs in aantal en hevigheid toe. Eerst in januari 2001 was een afname van het aantal bombardemneten merkbaar, nadat de Sudanese de besluitvorming over bombardementen had gecentraliseerd. Niet langer konden commandanten zelfstandig tot bombardementen besluiten.

De operationele acties hadden in dit gebied vele ontheemden tot gevolg .

Gedurende de verslagperiode werd door regering en SPLA een wapenstilstand in acht genomen in de deelstaten Northern en Western Bahr el Ghazal, gedeelten van Upper Nile en Unity State. In het overige deel van Zuid-Sudan is de situatie als onveilig aan te duiden. Bepaalde delen zijn van tijd tot tijd als conflictgebied aan te merken, als gevolg van hetzij strijd tussen rebellengroepen en regering, hetzij strijd tussen rebellengroepen onderling, hetzij gevechten tussen (sub)stammen en verschijnselen als mensenroof, veeroof en ander banditisme. Milities ontvangen wapens van de regering of het SPLA, maar opereren vaak zelfstandig.

Met betrekking tot de diverse delen van Zuid-Sudan kan in grote lijnen worden aangegeven welke partij in het conflict (regering of verzetsbeweging) het desbetreffende deel (militair) controleert. Een en ander heeft gevolgen voor bijvoorbeeld de wijze waarop het desbetreffende gebied bestuurd wordt en waarop de rechtspraak is geregeld, alsmede voor de persoonlijke veiligheid van de bewoners van het gebied.

Het platteland, dat vrijwel zonder uitzondering door niet-Arabische bevolkingsgroepen wordt bewoond, is grotendeels in handen van het SPLA en andere verzetsbewegingen (waaronder de facties die in de UDSF verenigd waren). Veel steden (o.m. Juba, Bor, Yei) en hun directe omgeving worden door de regering gecontroleerd. Een frontlijn kan hierbij niet worden aangegeven omdat de situatie bijzonder veranderlijk is, met name in de meer instabiele gebieden.

Overzicht per zuidelijke deelstaat:


· Western Bahr el Ghazal
Situatie is hier in het algemeen relatief stabiel. Het platteland wordt gecontroleerd door de SPLM/A, de steden Wau en Raga, inclusief de corridor tussen beide plaatsen, door de regering. Rond deze corridor is het onveilig. Het zuidelijke deel van deze deelstaat is relatief veilig. Wel is er incidenteel sprake van een bombardement door de regering.


· Northern Bahr el Ghazal
Situatie is fluïde (en daarmee onveilig), maar het platteland is thans in het algemeen in handen van de SPLM/A. De regering heeft daarentegen Aweil in handen. Vooral het gebied langs de spoorlijn (traject Noord-Sudan - Wau) is van tijd tot tijd onveilig door plunderende PDF-troepen en Murahaleen. Bombardementen door de Sudanese regering.


· Warab
Ook hier is de situatie fluïde (en daarmee onveilig). De meeste steden in Warab zijn thans in handen van de SPLM/A. Het platteland in het zuiden is eveneens in handen van de SPLM/A. Daarentegen wisselt de bezetting van het platteland in het noordelijke deel. Incidenteel een bombardement door de Sudanese regering.


· Buheyrat (Meren)
Deze deelstaat is grotendeels in handen van de SPLM/A. Incidenteel een bombardement door de Sudanese regering. Zuidelijkste deel relatief veilig.


· Western Equatoria
Situatie hier is relatief stabiel en veilig, met uitzondering van het grensgebied. De gehele staat is in handen van de SPLM/A. Incidenteel een bombardement door de Sudanese regering.


· Bahr el Jebel
Het platteland is hier in handen van de SPLM/A. Juba wordt echter gecontroleerd door de regering. Situatie niet stabiel, doch onveilig.


· Eastern Equatoria
In deze staat vinden veel inter-tribale gevechten plaats. Het platteland is hoofdzakelijk in handen van de SPLM/A (onder meer hoofdkwartier). Kapoeta en Torit (inclusief een groot deel van de corridor Juba-Torit-Kapoeta) is in handen van de regering. Bombardementen door de Sudanese regering. Aanwezigheid van Ugandese rebellen (LRA) rond Juba en Torit.


· Jonglei
In deze staat opereren regeringstroepen, de SPLM/A en andere milities. Onveilig. Niet kan worden aangegeven welke partij welk gebied in handen heeft. Incidenteel een bombardement door de Sudanese regering.


· Unity
Ook in deze staat (oliegebied) opereren niet alleen regeringstroepen en SPLM/A, maar ook andere milities en facties daarvan. Niet kan worden aangegeven welke partij welk gebied in handen heeft. De situatie vertoont een zeer grillig beeld en is daarmee zeer onveilig. Bombardementen door de Sudanese regering.


· Upper Nile
In deze staat is de situatie grotendeels redelijk stabiel. Regeringstroepen en milities controleren het gebied. Incidenteel in deze deelstaat een bombardement door de Sudanese regering. Met name het Shilluk gebied, onder meer gecontroleerd door Lam Akol, is relatief veilig.

Inleiding

Het gebied dat in Sudan wordt aangeduid als Nuba-gebergte, is gelegen in de noordelijke deelstaatr Southern Kordofan en voor een klein deel in Western Kordofan (dat wil zeggen het westelijke deel van deze deelstaat). In het gebied zijn zowel Arabische (bijvoorbeeld de Hawazna/Baggara en Hamar) als niet-Arabische bevolkingsgroepen woonachtig (gezamenlijk circa 1,1 miljoen). De niet-Arabische inwoners vormen veruit de meerderheid in het Nuba-gebergte en worden als 'de Nuba' aangeduid (overigens niet te verwarren met de Nubiërs die in een ander deel van het administratief-bestuurlijke Noord-Sudan woonachtig zijn). Feitelijk is het onjuist om over 'de Nuba' te spreken, omdat het gaat om diverse (meer dan 90) etnische / tribale groepen met corresponderende linguïstische verschillen.

Zowel de Arabische als de Nuba bevolkingsgroepen raakten vananf 1985 voor een periode van circa 8 jaar betrokken bij de strijd tussen de Sudanese regering en het SPLA. Een en ander leidde tot rivaliteit tussen de verschillende bevolkingsgroepen in dit gebied. Vanaf 1993 herstelde de rust zich in belangrijke mate, doordat diverse Nuba-groepen een overeenkomst met de in hun omgeving woonachtige Arabieren sloten. Wel bleef het gebied verdeeld in door de regering gecontroleerde gebieden en door het SPLA bezette gebieden. Tussen deze partijen vonden van tijd tot tijd wel schermutselingen plaats (inclusief bombardementen).

Actuele situatie

Thans wordt circa 80% van het gebied dat tot het Nuba-gebergte wordt gerekend, inclusief de urbane centra, door de Sudanese overheid gecontroleerd. Dit gebied telt circa 900.000 inwoners. Het overige deel is in handen van de SPLM/A en telt circa 200.000 inwoners. Het gaat hier om 6 van de 30 districten in Southern Kordofan: Heiban, Nagorban, Buram, Dilling, Delami en West Kadugli. In Western Kordofan bezet het SPLA slechts het district Lagawa. De hoofdplaatsen van deze districten zijn echter in handen van de regering. De gevechten beperken zich hoofdzakelijk tot genoemde zeven districten.

Waar het gaat om de strijd tussen regeringstroepen en SPLM/A-manschappen is er in het Nuba-gebergte geen echte frontlijn aanwijsbaar. Veeleer is er sprake van gebieden die als niemandsland kunnen worden aangeduid. Het zijn deze gebieden waarin de veiligheidssituatie te wensen overlaat, hoewel niet kan worden uitgesloten dat ook in andere delen van het Nuba-gebergte van tijd tot tijd militaire acties plaatsvinden. De situatie is in dat opzicht fluïde. Onder meer ook door bombardementen die de Sudanese regering van tijd tot tijd uitvoert.

In de verslagperiode is in het Nuba-gebergte niet veel meer gevochten. In de grensgebieden van de door de regering of het SPLA gecontroleerde gebieden vonden van tijd tot tijd schermutselingen plaats. Voor de lokale bewoners van deze gebieden is het in principe mogelijk om tussen de verschillende gebieden te reizen, maar het betreft hier vrijwel uitsluitend ouderen, vrouwen en kinderen. Mannen die zich naar vijandig gebied begeven, lopen onder meer het risico van spionage te worden verdacht of te worden gerecruteerd.

In enkele delen van het Nuba-gebergte kan de situatie als betrekkelijk rustig en vredig worden gekwalificeerd. Zo kwamen de door de Sudanese overheid gecontroleerde gebieden Abu Gibeiha en Rashad voor deze kwalificatie in aanmerking. In SPLM/A-gebied ging het bijvoorbeeld om Nagorban en Heiban county.

In hoeverre de rust en vrede in de genoemde SPLM/A- en regeringsgebieden van het Nuba-gebergte duurzaam zijn, kan niet worden aangegeven. Wel is het bemoedigend dat de toegang tot het SPLM/A- en regeringsgebied ter verlening van humanitaire hulp, in de verslagperiode verbeterd is.

Een belangrijke negatieve factor met betrekking tot de veiligheidssituatie in het Nuba-gebergte wordt gevormd door een groep Arabische handelaren. Door schaarste aan veel producten vIndt op grote schaal smokkel plaats van regerings- naar SPLA- gebied. Eenieder die dit verschijnsel verstoort, loopt het risico door de handelaren te worden gedood.

Er zijn geen tot de Nuba gerekende bevolkingsgroepen die als groep de SPLM/A of de regering steunen. Onder alle stammen in het gebied zijn sympathisanten en vijanden van zowel de regering als het SPLM/A te vinden.

Het conflict tussen de Sudanese overheid en de SPLM/A beheerst in hoge mate het leven van de inwoners van het Nuba-gebergte waarvan ook burgers onvermijdelijk het slachtoffer worden. Er is echter geen sprake van groepsvervolging, door hetzij de regering, hetzij verzetsbewegingen, ook niet in de gebieden waar de Nuba traditioneel woonachtig zijn.

In hoeverre voor Nuba sprake is van binnenlandse vestigingsvrijheden, wordt beschreven in hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.

Nuba Peace Villages

De situatie voor de Nuba in de Peace Villages lijkt zich in de verslagperiode verder te hebben verbeterd.

Het vredesakkoord van Khartoem van april 1997 (deels tussen de regering en de SPLA-Nuba Mountains factie van Muhammad Harun Kafi) bracht geleidelijk verbetering van de omstandigheden in de Nuba Peace Villages (gelegen in de door de regering gecontroleerde delen van het Nuba-gebied). Constante druk vanuit de 'Nuba Coordination Council' die op basis van dat akkoord tot stand kwam, heeft er toe geleid dat binnen de Peace Villages thans orde heerst. Daarmee lijkt een einde te zijn gekomen aan de in deze dorpen voorkomende praktijken van gedwongen rekrutering voor de PDF en dwang om tot de islam over te gaan. Wel is er een gebrek aan onderwijs en gezondheidszorg. In andere delen van het Nuba-gebergte, met name in de door het SPLM/A gecontroleerde delen, is de situatie op die terreinen echter zorgwekkender.

De Peace Villages worden door PDF-manschappen (deels onder islamitische Nuba zelf geworven) bewaakt. Het is Nuba in het algemeen toegestaan om vanuit deze dorpen naar elders in (door de regering beheerst gebied in) Sudan te reizen. In tijden van dreigende aanvallen door de rebellen wordt zulks echter niet toegestaan.

De in het vredesakkoord voorziene vrijheid voor niet-strijders om naar en van het door SPLA bezette gebied te reizen blijkt in de praktijk echter zeer beperkt te zijn. In feite zijn grote gebieden 'niemandsland', waar slechts ouderen, vrouwen en kinderen naar toe durven gaan om wat landbouw te bedrijven of vee te hoeden.

De door de VN gecoördineerde hulpstructuur OLS (Operation Lifeline Sudan) biedt op basis van "negotiated access" met de Sudanese autoriteiten en de rebellen hulp (voedsel en medische verzorging via NGO's) aan het Nuba-gebied dat in handen van de regering is, inclusief de Peace Villages. OLS beijvert zich om VN- en donorpresentie in het gebied, met name ook op het terrein van respect voor mensenrechten en protectie van vluchtelingen, te versterken.

Waar het gaat om het opbouwen van een bestaan en het beleven van de eigen culturele identiteit (het verwerven van bezit, vinden van werk, spreken van de eigen taal en opvoeding van de kinderen naar eigen sociale en culturele opvattingen) is de situatie voor personen behorende tot de Nuba bevolkingsgroepen in de door de regering gecontroleerde gebieden van Sudan (al dan niet in het Nuba-gebergte) en in de gebieden die door de SPLM/A of een andere verzetsbeweging worden gecontroleerd, niet verschillend van die voor de overige Sudanezen. Er is tussen deze gebieden voor Nuba uitsluitend een verschil waar het gaat om het verkrijgen van land. In de door de SPLM/A gecontroleerde delen van het Nuba-gebergte is het verwerven van land door Nuba mogelijk. In de door de regering gecontroleerde gebieden ligt dit moeilijker. Het pachtstelsel met betrekking tot grond in deze gebieden staat niet toe dat personen die hun grond moesten verlaten (bijvoorbeeld om veiligheidsredenen) nieuwe grond verkrijgen. De grond is eigendom van het desbetreffende dorp.

Op grond van bovenstaande kan het volgende worden opgemerkt. De door het SPLA gecontroleerde gebieden in het Nuba-gebergte (in casu 7 districten) kunnen als conflictgebied worden aangemerkt, want hier vinden in het kader van de burgeroorlog gevechtshandelingen plaats en voert de regering tevens met regelmaat bombardementen op landbouwgronden uit (waarmee verhinderd wordt dat de bevolking kan zaaien en planten). De situatie in de door de regering gecontroleerde delen, waar zich onder andere de Nuba Peace Villages bevinden is stabieler. De frontlijnen tussen de door de regering en de door de SPLM/A gecontroleerde gebieden fluctueren echter sterk. De doelen van bombardementen variëren eveneens. Voorzichtigheidshalve dient om deze reden vooralsnog het Nuba-gebied als geheel als onveilig te worden gekwalificeerd.

In het oostelijk grensgebied van Noord-Sudan bevinden zich onder meer de deelstaten Red Sea, Nile State, Kassala, Gedaref, Sennar en Blue Nile. De situatie in de staten Red Sea, Kassala en Blue Nile leek zich sedert eind 1996, begin 1997, toen NDA-troepen hun militaire acties (onder meer vanuit Eritrea) in delen van deze staten opvoerden, te ontwikkelen tot die van een conflictgebied. Nadien werd de situatie relatief stabieler en minder onvoorspelbaar.

In de deelstaat Red Sea was in de verslagperiode zo nu en dan sprake van een incidentele schermutseling.

In de deelstaat Kassala bezetten NDA troepen (voornamelijk SPLA aangevuld met SAF) een strook land nabij de stad Kassala tot aan de grens met Eritrea. In de strook bevonden zich slechts weinig dorpen. Sinds mei 2000 bezetten NDA troepen Hameshkareb, een vanuit religieus oogpunt bezien belangrijke plaats (belangrijke moskeeën). In oktober 2000 heroverden regringstroepen Hameshkareb.

Veel van de strijd in dit gebied droeg het karakter van incursies en banditisme vanuit Eritrea.

Op 8 november 2000 viel een onbekend aantal strijders van de NDA, hoofdzakelijk SPLA'ers, de stad Kassala aan. Zij verrasten de regeringstroepen volledig en drongen tot het hart van de stad door. Naar verluidt vielen bij de strijd tientallen doden en honderden gewonden. Binnen enkele dagen wisten de regeringstroepen de rebellen te verdrijven en sloten de stad van de buitenwereld af. Hulpverlenende organisaties in de stad moesten van de Sudanese regering hun werkzaamheden tot nader order opschorten.

Het zuidelijke deel van de deelstaat Bleu Nile was aan het einde van de verslagperiode vrijwel geheel in handen van de SPLM/A. Het gaat daarbij specifiek om het gebied tussen Kuruk, Ulu en Maban. Tot aan Melut had de regering geen posten meer. Wel beheerste de regering het gehele gebied ten noorden van Ulu.

Verder werd in de verslagperiode de oliepijplijn tussen de olievelden in het zuiden en Port Sudan minstens drie maal opgeblazen, vermoedelijk door aanhangers van de SAF en het Beja Congress, onder meer bij Atbara in Nile State en bij Sinkat in de deelstaat Red Sea. In alle gevalen kon de pijpleiding binnen enkele dagen worden gerepareerd.

Op grond van bovenstaande kunnen de oostelijke deelstaten thans als relatief veilig worden aangemerkt, met uitzondering van een deel van Kassala (waaronder de stad Kassala) en een deel van Blue Nile, hoofdzakelijk het gebied ten zuiden van Ulu (hoofdzakelijk SPLA-gebied).

In het algemeen kan over de veiligheidssituatie in de diverse delen van Sudan aan het einde van de verslagperiode het volgende worden gesteld.

Relatief veilig en stabiel is het in:


· het administratief-bestuurlijke Noord-Sudan (waarin Khartoem gelegen is), met uitzondering van een deel van de deelstaat Kassala, een deel van de deelstaat Blue Nile en het Nuba-gebergte;


· de deelstaat Western Equatoria, met uitzondering van het grensgebied;

· Zuidelijk deel van de deelstaten Western Bahr el Ghazal en Buheyrat (ten zuiden van de lijn Tonj-Rumbek-Yirol);


· Noordwestelijke deel van de deelstaat Upper Nile (Shilluk gebied)
Een relatief onveilige situatie is er in:


· een smalle strook van de noordoostelijke deelstaat Kassala, ten oosten van de stad Kassala en inclusief Kassala (sedert november 2000);


· een deel van de noordoostelijke deelstaat Blue Nile, ongeveer het gebied ten. zuiden van Ulu.

De situatie is onveilig in het Nuba-gebergte en het administratief-bestuurlijke Zuid-Sudan, met uitzondering van het grootste deel van de deelstaat Western Equatoria en het zuidelijke deel van de deelstaten Western Bahr el Ghazal en Buheyrat en het noordoostelijke deel van de deelstaat Upper Nile (Shilluk gebied).

Conflicthaarden in Zuid-Sudan zijn met name:


· gebieden waar regeringstroepen tegenover rebellen staan, zoals de corridor Juba-Torit-Kapoeta (deelstaten Eastern Equatoria en Bahr el Jebel);


· de deelstaten Northern Bahr el Ghazal en het noordelijke deel van Western Bahr el Ghazal. Dat wil zeggen in en rondom de steden Wau en Aweil en langs de corridor Wau-Raga;


· gebied langs de spoorlijn van Wau (in deelstaat Western Bahr el Ghazal) tot in de noordelijke deelstaten Southern Darfur en Western Kordofan;


· gebieden rond de olievelden in de deelstaat Unity State, waar diverse militia met elkaar strijd voeren. Hier vonden in de verslagperiode enkele hinderlagen plaats, die onder meer het leven hebben gekost van (Sudanese) hulpverleners (CARE);


· gebied langs de rivieren Soba en Nijl tussen Malakal (gelegen in deelstaat Upper Nile) en Juba (gelegen in de deelstaat Bahr el Jebel) ;


· diverse (niet nader aan te duiden) plaatsen in het zuiden door bombardementen door de regering.

Het is niet mogelijk om exacte frontlinies binnen Sudan aan te geven. Vooral in Eastern Equatoria, Bahr el Jebel, Bentiu/Mayom en gebieden rondom Malakal, Wau en ten oosten van de stad Kassala bestaat het gevaar van mijnenvelden. De lokale bevolking is meestal op de hoogte van de diverse locaties van mijnen.

Het leger in Sudan, de Sudanese People's Armed Forces (SPAF), is een beroepsleger, bestaande uit circa 70.000 manschappen en wordt aangevuld met circa 20.000 dienstplichtigen. Het wordt ondersteund door de Popular Defence Force(s) (PDF), een volksmilitie van circa 15.000 actieve manschappen en circa 85.000 'reservisten' (zie verder par. 3.4.1)

De reguliere politie in Sudan, de Public Order Police, is belast met de handhaving van de openbare orde, zoals het verbieden en opbreken van verboden vergaderingen, het tegenhouden van demonstraties op straat, e.d. De Public Order Police wordt bijgestaan door de Popular Police (PP, ook wel aangeduid met People's Police Force). De PP bestaat uit islamitische vrijwilligers, die zich in de wijken bezig houden met de controle op de naleving van de islamitische gedragscode. Vrouwen die bijvoorbeeld niet volgens die gedragscode zijn gekleed of personen die betrapt worden op het bezit of gebruik van alcohol, kunnen door deze politie worden aangehouden. Haar leden worden gerekruteerd uit NIF/NC(P) gezinde jongeren.

Naast leger en politie is in Sudan een aantal veiligheidsdiensten en paramilitaire organisaties actief. Deze worden beschreven in bijlage II.

2.5 Staatsinrichting

---
Sudan is een islamitische presidentiële republiek. Het huidige staatshoofd is sinds 1989 regeringsleider en sedert 1993 president van Sudan en voorzitter van het kabinet. In 1996 werd hij bij verkiezingen voor een ambtstermijn van 5 jaar herbenoemd. Voor december 2000 zijn vervroegde presidentsverkiezingen gepland.

In de grondwet van 1998 is de scheiding van uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht vastgelegd.

De uitvoerende macht is neergelegd bij een Raad van Ministers (zowel burgers als militairen) die door de president wordt benoemd, maar verantwoording schuldig is aan een nationaal parlement.

De republiek Sudan is een federatie van 26 deelstaten. De federale regering, zetelend in Khartoem, is verantwoordelijk voor onder meer defensie, buitenlands beleid, het juridische stelsel, nationaliteitsvraagstukken, hoger onderwijs, monetaire aangelegenheden en de buitenlandse handel.

In elke deelstaat bestaat het bestuur uit een gouverneur (Wali), een plaatsvervangend gouverneur en deelstatelijke ministers. De deelstatelijke overheden hebben verantwoordelijkheid voor de regionale economische ontwikkeling, handel, industrie, landbouw, woningbouw, toerisme, milieu, gezondheid, onderwijs, transport en sociale aangelegenheden. De deelstaten zijn bevoegd op hun niveau belasting te heffen.

De deelstaten zijn onderverdeeld in in totaal 67 provincies, die worden geleid door een 'commissioner', en een plaatsvervangend 'commissioner'. Deze functionarissen, alsmede de Wali's, hun plaatsvervangers, de Staatsministers en adviseurs worden door het staatshoofd benoemd. Lokaal spelen traditionele gezagsdragers (sjeiks en chiefs) nog altijd een bestuurlijke rol. Verder zijn de deelstatelijke overheden plaatselijk vertegenwoordigd. In grotere steden worden de wijkbewoners door zogenaamde Popular Committees (PC) vertegenwoordigd. De helft van de leden van deze PC wordt gekozen, de andere helft benoemd. Benoemingen vinden plaats door de commissioner van de provincie op advies van de hoogste gemeentelijke ambtenaar. De PC zijn op deelstatelijk niveau vertegenwoordigd door een 'Congress of Popular Committees'.

De wetgevende macht berust conform de grondwet van 1998 in beginsel bij een eenkamerparlement (National Assembly) dat na verkiezingen in 1996 werd ingesteld. Dit parlement bestond uit 400 leden, waarvan 275 gekozen via verkiezingen (elke 4 jaar) en de rest door een vergadering van belangengroeperingen, het National Congress (onder leiding van de President).

Het parlement werd echter in december 1999 door president Al-Bashir ontbonden in het kader van de machtsstrijd waarin hij en de voorzitter van het parlement, Dr. Hassan Al-Turabi, verwikkeld waren geraakt. Sindsdien regeren de president en zijn kabinet Sudan per decreet (zie ook paragraaf actuele politieke ontwikkelingen).

Politieke partijen zijn thans in Sudan toegestaan. Direct na de staatsgreep (30 juni 1989) werden alle politieke partijen en andere niet-religieuze organisaties verboden. Theoretisch gold dit ook voor het NIF(thans NC(P)), maar in de praktijk leunde het bewind Al-Bashir op het NIF. Eerst in januari 1999 werd een wet van kracht, de Al Tawali Law, op grond waarvan (uitsluitend) politieke 'associaties' werden toegestaan. In maart 2000 werd deze wet vervangen door een nieuwe wet die het mogelijk maakte dat politieke partijen officieel weer politieke activiteiten konden ontplooien.

Artikel 101 van de grondwet van 1998 voorziet in de onafhankelijkheid van rechters. In dezelfde wet is daarentegen ook vastgelegd dat de president, chief justice (hoogste rechter), diens plaatsvervangers en eventueel rechters van lagere rechtbanken benoemt. Leden van de rechterlijke macht kunnen bij 'onwelgevallige' rechtspraak worden ontslagen.

In bijlage III wordt een overzicht gegeven van de verschillende soorten rechtbanken die in Sudan bestaan.

2.6 Sociaal-economische situatie

---
De Human Development Index (HDI) voor Sudan is 0,475 waarmee een 142e plaats op de lijst van 174 landen wordt ingenomen.

Sudan beschikt over een fors economisch potentieel dat echter onvoldoende wordt benut. Zo is er veel (vrijwel) niet gebruikte grond die voor de landbouw benut zou kunnen worden, waardoor het land de eigen bevolking zeker zou kunnen voeden. De Nijl en andere rivieren bieden bovendien volop mogelijkheden tot irrigatie.

Dat het potentieel onvoldoende wordt benut en dat in grote delen van het land van stagnatie of zelfs achteruitgang sprake is, wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de burgeroorlog. Maar factoren als droogte, milieudegradatie, het vertrek van een groot deel van de mannelijke beroepsbevolking, zijn eveneens van invloed. Voorts wordt de economie aanzienlijk belast door hoge uitgaven voor het leger en veiligheidsdiensten. Er is een buitenlandse schuld van naar schatting USD 17,33 miljard .

Er is wel sprake van economische groei. Deze bedroeg in 1999 ongeveer 6 % en loopt in 2000 vermoedelijk op tot 6,5% (schatting IMF). Hierbij is echter sprake van ongelijke ontwikkeling in termen van produktie, sociale ontwikkeling en infrastructuur, waarbij het zuiden sterk achterblijft.

Een belangrijke motor voor de economische groei is de oliewinning, die in november 1999 operationeel werd. Daarentegen doet in de landbouw de verbouw van traditionele gewassen (Arabische gom, sesam, katoen) het voortdurend slecht. Niet-traditionele gewassen (rijst) laten daarentegen een sterke stijging zien.

De prijs voor de sanering van de financiën van de centrale overheid lijkt te zijn betaald door de regeringen van de deelstaten en dan met name de zuidelijke. Sedert 1994 kregen de deelstaten namelijk de verantwoordelijkheid voor sociale uitgaven als onderwijs, gezondheidszorg, zorg voor maatschappelijk zwakkeren, e.d. toebedeeld. Met name in de zuidelijke deelstaten liep daardoor de uitvoering van sociale en economische programma's terug. In de praktijk beperkten deze programma's zich tot nauwelijks duurzame humanitaire hulpverlening met doelstellingen die niet veel verder gaan dan 'het in leven houden' van de bevolking. Bovendien ontving de Southern Sudan Coordinating Council, opgezet onder het Khartoem Vredesakkoord van 1997, geen overheidsgeld en werd daardoor niet effectief.

De economie van de zuidelijke staten, die zwaar onder druk staat vanwege de oorlogshandelingen die er plaatsvinden, ondervindt bovendien nauwelijks effect van de oliewinning, hoewel een belangrijk deel van de olieproductie in Zuid-Sudan plaatsvindt. Dit wordt veroorzaakt doordat de lokale bevolking geen toegang tot de werkgelegenheid heeft, de aangelegde wegen in beveiligde, niet toegankelijke zones liggen en de (noordelijke) arbeiders in de oliegebieden in afgesloten compounds wonen, waardoor interactie met de omliggende omgeving niet kan plaatsvinden. Bovendien worden de inkomsten door de centrale overheid geïnd en vloeien ze nauwelijks terug naar de zuidelijke deelstaten.

Hongersnood doet zich landelijk niet voor. Wel was er in de verslagperiode in het westen (d.w.z. de deelstaten Northern Kordofan en Western Darfur ) en de deelstaat Red Sea in het oosten sprake van chronisch voedseltekort als gevolg van opeenvolgende jaren van droogte. In delen van de deelstaten Upper-Nile en Southern Kordofan werd een ernstig tekort veroorzaakt door plagen van sprinkhanen en vogels. In de deelstaat Jonglei waren de oogsten laag door overstromingen. Ook de deelstaat Eastern Equatoria is doorgaans een gebied met voedseltekorten door droogte. In de overige gebieden in Sudan is de bevolking min of meer zelfvoorzienend.

In het zuiden wordt duurzame landbouw ernstig bemoeilijkt door instabiliteit als gevolg van oorlogshandelingen en door een slechte infrastructuur. Transport vanuit surplusgebieden (de deelstaten Western Bahr el Ghazal, Western Equatoria en Upper Nile) naar gebieden met een voedseltekort (als deelstaten Eastern Equatoria, Northern Bahr el Ghazal en Western Upper Nile) vindt hierdoor onvoldoende plaats. Ook gebieden met grote concentaties IDP's zijn op voedselhulp aangewezen.

Voor de circa 1,5 miljoen IDP's die in 'settlements' rond Khartoem wonen is bijvoorbeeld onvoldoende werkgelegenheid, waardoor de meesten geen eigen inkomen hebben en daarom op voedselhulp aangewezen zijn.

De officiële gezondheidszorg is ontoereikend. De meest gangbare medicijnen zijn weliswaar verkrijgbaar, maar voor het merendeel van de Sudanezen in het algemeen onbetaalbaar. Het percentage van de bevolking dat geen toegang heeft tot gezondheidsvoorzieningen bedraagt 30%. Vooral in de IDP settlements is de situatie slecht. Malaria, ingewandsziekten en ondervoeding komen hier veelvuldig voor.

In het zuiden is geen officiële gezondheidszorg. Er is sprake van primitieve Primary Health Care (PHC), met hier en daar een eenvoudig ziekenhuis, gefinancierd door donoren en beheerd door buitenlandse hulporganisaties. Gangbare medicijnen zijn hier verkrijgbaar via de PHC-structuur en plaatsen waar handel wordt gedreven, maar in het algemeen is dit systeem ontoereikend.

Internationale humanitaire hulpoperaties (onder meer Operation Lifeline Sudan ) worden uitgevoerd, maar worden geregeld door de Sudanese autoriteiten gedwarsboomd, dan wel bemoeilijkt door gewapende strijd tussen de diverse verzetsbewegingen.


3 Mensenrechten

---

Mede als gevolg van het politieke liberaliseringsproces dat vanaf april 1997 werd ingezet, verbeterde de mensenrechtensituatie in Sudan de laatste twee jaar licht, maar zij dient, met name waar het de conflictgebieden betreft, nog als zorgwekkend te worden getypeerd. De nieuwe grondwet van 1998 heeft er niet toe geleid dat deze typering kan worden bijgesteld.

In de conflictgebieden draagt mede het optreden van de verzetsbewegingen aan de kwalificatie zorgwekkend bij. In deze gebieden is door de ernst en frequentie van de schendingen de situatie het meest zorgelijk.

Voor de goede orde dient hierbij te worden opgemerkt dat er geen aanwijzingen zijn voor vervolging van personen enkel en alleen wegens hun ras, religie of nationaliteit.

3.1 Waarborgen

---
De nieuwe grondwet van Sudan trad op 7 juli 1998 officieel in werking. Deze is in een aantal opzichten liberaler dan de vorige grondwet. Praktische doorwerking via aanpassing van de lagere wetgeving begint geleidelijk aan meer gestalte te krijgen. Zo kan ten aanzien van artikel 26, betreffende de wet op de politieke partijen, worden gemeld dat de Tawali Law van 1 januari 1999 in maart 2000 werd vervangen door de wet op de politieke partijen.Op basis van artikel 105 werd een constitutioneel hof ingesteld. Op basis van artikel 128 werd een verkiezingswet van kracht en een General Elections Authority ingesteld. En op basis van artikel 130 werd inmiddels een 'Public Grievances Board (een soort ombudsman) ingesteld. Hoe laatstgenoemde in de praktijk werkt moet nog worden afgewacht.

Verder heeft de Sudanese regering verklaard bereid te zijn om amendementen in de grondwet aan te brengen. Zij riep vervolgens een commissie in het leven die voorstellen voor een dergelijke amendering moest doen. Aan het einde van de verslagperiode werden verder vele wetten voorbereid die bijstelling van de grondwet noodzakelijk maken. Een en ander geschiedde in het kader van het verzoeningsproces met de oppositie dat door de regering wordt nagestreefd.

In de praktijk blijken vooral leden van veiligheidsdiensten, aan de overheid gelieerde milities en politie nog regelmatig de mensenrechten te schenden. De National Security Act (1994/1995) ontheft functionarissen van dergelijke diensten van rechtsvervolging en geeft hen de mogelijkheid tot willekeurige arrestaties en detenties. In juli 1999 werd deze wet in het Parlement geamendeerd. De herziene wet stemde het systeem van detineren meer op de grondwet af en voorzag in de aanstelling van een Minister voor Nationale Veiligheidszaken In december 2000 volgde echter een amendement op grond waarvan een arrestant 6 maanden kan worden vastgehouden zonder dat een officiële rechtsgang wordt ingezet. De mogelijkheid van willekeurige arrestaties en detenties is nog immer aanwezig (zie paragraaf 3.3.5)

3.2 Toezicht

---
Na de coup in 1989 richtte de regering mensenrechtenorganisaties op die van haar afhankelijk zijn. De laatste jaren zijn er in Sudan ook enkele onafhankelijke mensenrechtenorganisaties actief. Een belangrijke is bijvoorbeeld de Sudan Human Rights Group (SHRG) van advocaat Ghazi Suleiman, die de regering voortdurend met mensenrechtenschendingen confronteert en de internationale gemeenschap daarvan op de hoogte houdt. Verder kunnen worden genoemd Child Right Watch, Benevolent Society, de Sudanese Victims of Torture Group (SVTG) en een advocatengroep die onder de naam'Place' actief is. Deze organisaties opereren met een laag profiel. Naast genoemde organisaties zijn er in Sudan individuen, waaronder veel advocaten, die zich (doorgaans in de anonimiteit) met mensenrechten bezighouden.

Niet altijd kan in vrijheid worden geopereerd. Van tijd tot tijd worden vergaderingen door de veiligheidsdienst of public order police opgebroken en leden gearresteerd en verhoord. In de meeste gevallen worden zij binnen een dag weer vrijgelaten. Een en ander kan als pesterij worden beschouwd.

Voorzover bekend zijn er in de door de rebellen gecontroleerde gebieden van Sudan géén onafhankelijke mensenrechtenorganisaties actief.

Sudan wordt van tijd tot tijd bezocht door door de Verenigde Naties aangestelde speciale rapporteurs, en wel hoofdzakelijk door een rapporteur voor de mensenrechtensituatie. Ook in de verslag periode bezocht Leonardo Franco, Sudan. Het rapport dat naar aanleiding van het bezoek in februari 2000 werd opgesteld is een van de bronnen die bij de totstandkoming van dit ambtsbericht zijn gebruikt. Leonardo Franco werd opgevolgd door Gerhart Baum, die aan het einde van de verslagperiode (23 februari 2001 ) een oriënterend bezoek aan Sudan bracht en in maart 2001 een eerste missie zal uitvoeren.

Op 1 januari 1999 werd een constitutioneel hof geïnstalleerd. Het hof bestaat uit een president, een vice-president en vijf rechters, waarvan er één een christen is. Aan de onafhankelijkheid van het hof wordt vooral in oppositiekringen getwijfeld.

3.3 Naleving en schendingen

---
De vrijheid van meningsuiting in Sudan verbeterde vanaf 1997 licht, maar is nog beperkt. In de verslagperiode was er voor de grotere politieke partijen als de UP en DUP bepaald meer vrijheid dan voorheen. Dat neemt niet weg dat activisten van tijd tot tijd nog werden gearresteerd en verhoord (bijvoorbeeld een DUP-leider in maart 2000). Doorgaans werden de gearresteerden wel weer snel vrijgelaten. Een uitzondering hierop vormden de NDA leden die in december 2000 werden gearresteerd. Zij kwamen pas in februari 2001 vrij. De kleinere partijen, zoals bijvoorbeeld de communistische partij, ondervonden in het algemeen vaker problemen.

De meeste dag- en weekbladen worden ofwel direct door de overheid uitgegeven of zijn daaraan nauw verbonden, bovendien worden alle binnen- en buitenlandse publicaties, alsmede radio en televisie door de Censor Board gecensureerd. Voor alles wat via internet kan worden ontvangen geldt geen censuur.

Vrijheid van meningsuiting is in de nieuwe grondwet opgenomen onder de toevoeging van 'as regulated by law'. Op grond van de vigerende wetgeving is het journalisten onder meer verboden te rapporteren over internationale veiligheidsvraagstukken, politie, leger en nationale veiligheid.

Sinds de bijstelling in mei 1997 van de Press and Publications Law van 1996 blijkt enige discussie over de binnenlandse en buitenlandse politiek in de media mogelijk.

In de verslagperiode werden van tijd tot tijd kranten verboden, zij het steeds voor korte tijd en één of enkele oplagen. Ook kwam het nog voor dat journalisten werden gearresteerd.

Opvallend is dat in de verslagperiode een nieuwe Engelstalige krant, de 'Khartoum Monitor' kon verschijnen. In deze krant wordt onder meer aan alle politieke partijen (in de praktijk vooral zuidelijke) de mogelijkheid geboden hun mening te uiten. Maar ook deze krant kreeg zo nu en dan te maken met censuur.

Gezien de intensieve controle op de bevolking door de veiligheidsdiensten (via wijkcomité's, informanten, postcensuur, e.d.), moet worden aangenomen dat een persoon die naar de mening van deze diensten te nadrukkelijk blijk geeft van een afwijkende politieke overtuiging, ongeacht zijn etnische afkomst, problemen van de zijde van deze diensten kan ondervinden, variërend van intimidatie en het opleggen van reisbeperkingen tot arrestatie en (meerdere) korte detentie(s), waarbij mishandeling niet uitgesloten is.

In maart 2000 werd de Al Tawali Law van 1 januari 1999 vervangen door een nieuwe wet voor de politieke partijen. De nieuwe wet spreekt van politieke partijen in plaats van associaties, staat externe financiering van partijen toe, staat toe dat partijen politieke activiteiten ondernemen zonder dat deze vooraf verklaren dat zij het eens zijn met de grondwet, en staat ook aan niet-geregistreerde partijen toe propaganda te maken. Daarentegen kunnen uitsluitend formeel geregistreerde partijen meedoen aan verkiezingen.

Verder werden in de nieuwe wet de bevoegdheden van de 'Registrar' beperkt. Deze kreeg uitsluitend de bevoegdheid partijen te registreren en de herkomst van fondsen te controleren. Zelfstandig onderzoek naar activiteiten van de partijen kon hij niet langer verrichten.

De praktijk heeft inmiddels geleerd dat politieke partijen inderdaad in redelijke mate ongestraft politieke activiteiten kunnen verrichten. Volledige vrijheid was er echter nog niet. Zo werden enkele malen politieke leiders door de veiligheidsdienst(en) voor verhoor opgeroepen en ook was er een enkele keer nog sprake van arrestatie . In de verslagperiode deden zich echter geen gevallen voor van detentie langer dan een dag of van grove mishandeling, zoals voorheen gebruikelijk was. Hoewel dezerzijds geen specifieke gevallen bekend zijn, kan niet geheel worden uitgesloten dat minder bekende politieke activisten (die zich wellicht in de ogen van de veiligheidsdiensten te nadrukkelijk profileerden) meer problemen ondervonden.

Aan het einde van het jaar 2000 waren er twintig politieke partijen geregistreerd (zie bijlage IV). Belangrijke oppositiepartijen, zoals (de hoofdstromen van) de UP en de DUP, de (S)CP en de nog strijd voerende zuidelijke partijen weigerden tot op heden zich te laten registreren. Bij deze partijen bestaat veel afkeer ten aanzien van de inhoud van de nieuwe grondwet alsmede de uitwerking ervan in lagere wetgeving.

President Al-Bashir verleende bovendien amnestie (presidentieel decreet 181 van 3 juni 2000) aan alle politieke tegenstanders die in het buitenland in ballingschap leefden. Volgens de verklaring konden zij zonder gevaar voor arrestatie naar Sudan terugkeren. Een aantal heeft dat in de verslagperiode gedaan. Voorzover bekend ondervonden de terugkeerders geen noemenswaardige problemen. Voorzover bekend keerden nog geen leiders van de Baath en/of (S)CP terug..

Verder is het niet toegestaan om zonder toestemming van de autoriteiten te demonstreren. Tegen zogenaamde wilde demonstraties kan hardhandig worden opgetreden. In het kader van de staat van beleg, die in december 1999 werd afgekondigd, dient strikt genomen voor elke vergadering en demonstratie een vergunning te worden aangevraagd. Dit wordt niet altijd gedaan, hetgeen desondanks niet vaak tot problemen leidt. Bepaalde groeperingen die door de regering als een bedreiging worden ervaren, zoals bijvoorbeeld de nieuwe partij van dr. Al-Turabi, lopen in dit verband in het algemeen wat meer risico.

Politieke vergaderingen bij mensen thuis worden voorzover bekend niet meer opgebroken, zoals vroeger wel gebeurde. Sommige partijen kregen een vergunning voor het organiseren van een politieke ralley op straat (bijv. de UP). Aanvragen van seculiere partijen zoals de DFF van Ghazi Suleiman, werden in het algemeen afgewezen.

Vrijheid van godsdienst is als burgerrecht in de Sudanese Grondwet opgenomen , maar is niet volledig in wetgeving vertaald, noch wordt deze vrijheid in de praktijk volledig gerespecteerd. De Sudanese regering ziet de islam als staatsgodsdienst.

Het gebrek aan vrijheid om van godsdienst te veranderen, waar het gaat om bekering vanuit de islam, vormt hierbij een van de problemen. De vigerende Sudanese wetgeving weerspiegelt hier de islamitische wetgeving (de shari'a). Een moslim is strafbaar bij geloofsafval (Criminal Code 1991, art. 126). Apostasie kan niet alleen blijken uit de overgang tot een ander geloof, maar ook uit nadrukkelijke minachting voor de centrale leer van de islam en voor de profeet Mohammed. Op deze basis kunnen ook moslims die atheïst zijn geworden in staat van beschuldiging worden gesteld.

Voor afvalligheid kan de doodstraf worden opgelegd. Voorzover bekend kregen de laatste jaren drie personen om deze reden de doodstraf opgelegd. Zij werden vrijgelaten nadat zij spijt hadden betuigd. Eén afvallige werd in absentie veroordeeld.

Het is niet-moslims verboden anderen te bekeren. Buitenlandse missionarissen en religieus georienteerde organisaties kunnen problemen ondervinden bij het verkrijgen van werk- en verblijfsvergunningen.

Er zijn geen aanwijzingen dat het enkele individueel belijden van andere religies dan de islam tot ernstige problemen met de Sudanese autoriteiten leidt. Indien een individu zich echter publiekelijk sterk als christen profileert kunnen wel problemen ontstaan en kan detentie volgen. Ook kunnen niet-moslims hinder ondervinden van fanatieke moslims (bijvoorbeeld werkzaam bij een veiligheidsdienst) en shari'a-restricties zoals kledingvoorschriften, voedingregels tijdens de Ramadan, enz.

In de verslagperiode hebben zich op dit vlak geen ernstige incidenten voorgedaan. Wel kwam het voor dat zuidelijke vrouwen in de ontheemdenkampen geslagen of gearresteerd werden vanwege het brouwen van bier of andere activiteiten die door de Islam niet worden geapprecieerd. Incidenteel was er sprake van purepesterij. Zo is bekend dat de Popular Police aan gehuwde zuidelijke vrouwen vroeg hun huwelijksakte te tonen, terwijl men wist dat zij in de meeste gevallen daarover niet beschikten. Vervolgensvolgde dan slaag.

Indien een religieuze groep zich naar de mening van de autoriteiten te nadrukkelijk manifesteert kunnen (administratieve) sancties worden opgelegd. Dit geldt ook voor groepen die de islam op een andere wijze dan het NIF/NC(P) interpreteren.

De deelstaatregeringen zijn belast met de afgifte van bouwvergunningen voor kerken. De Centrale regering oefent onvoldoende controle uit op eventueel discriminerend beleid door deze deelstaatregeringen. Opvallend vaak heet het dat illegaal gebouwde verblijven in vluchtelingenkampen, die als kerk en christelijke school dienst doen, moeten worden afgebroken omdat zij op de verkeerde plaats zijn gebouwd.

Op het ministerie van Sociale Planning waar ook religieuze zaken onder vallen, wordt thans aan een nieuwe wet gewerkt. De kerken werden tot op heden niet nauw bij de formulering van deze wet betrokken.

Het komt voor dat bij voedseldistributie door islamitische NGO's aan de ontvangers gevraagd wordt zich als moslim uit te spreken ("Er is geen andere God dan Allah"). Ook in kindertehuizen en gevangenissen komt dit voor. Bronnen verschillen van mening of deze praktijk een vorm van daadwerkelijke gedwongen bekering is. Verder werd er in de verslagperiode melding gemaakt van een gedwongen besnijdenis van dertien jongens in de leeftijd tussen 10 en 18 jaar die in een centrum voor jonge delinquenten verbleven. Over (andere) vormen van gedwongen bekering die zich in de verslagperiode mogelijk hebben voorgedaan, is dezerzijds niets bekend.

De grondwet van 1998 voorziet in bewegings- en vestigingsvrijheid. In de praktijk blijkt dit recht (nog) te zijn beperkt.

Binnenland

Buiten de conflictgebieden kunnen Sudanezen in beginsel vrij reizen. Langs de deelstaatgrenzen, de uitvalswegen naar grensposten, de toegangswegen tot grotere steden en de verbindingswegen tussen de buitenwijken van Khartoem zijn echter controleposten opgesteld. Hier wordt het verkeer onder meer gecontroleerd op het vervoer van verboden goederen (alcohol, wapens, enz.). Personen worden hier onder meer gecontroleerd in verband met de vervulling van de dienstplicht.

Niet geheel kan worden uitgesloten dat personen die door de autoriteiten worden gezocht, dergelijke controleposten kunnen passeren. Aangenomen mag worden dat de checkpoints niet altijd beschikken over up-to-date lijsten van door de overheid gezochte personen. Een voorwaarde is wel dat de persoon die de controle wenst te passeren over een geldig identiteitsbewijs beschikt.

Buiten de conflictgebieden is er geen sprake van een formele avondklok, maar in Khartoem, Omdurman en Khartoem-Noord worden 's nachts (vanaf 01.00 uur) extra controleposten ingericht. Er wordt dan hoofdzakelijk gecontroleerd op identiteitsbewijzen. Hoewel er geen verbod is om op straat te zijn, wordt uitgaan op die manier wel beteugeld.

In gebieden waar gewelddadige conflicten plaatsvinden, of waar de algehele veiligheidssituatie dat noodzakelijk maakt, wordt zo nu en dan wel een avondklok van kracht verklaard. In welke regio's in Sudan thans avondklokken zijn ingesteld is niet precies bekend. Overtreding van het uitgaansverbod kan leiden tot oplegging van een boete of arrestatie.

Het reizen vanuit (relatief) onveilige gebieden naar veilige gebieden, en omgekeerd, wordt ernstig bemoeilijkt. Voor het betreden of verlaten van veel locaties buiten Khartoem, met name de in het zuiden gelegen gebieden die onder controle van de regering staan, is een reis- toestemming vereist. Bovendien zijn er vanwege de onveiligheid in conflictgebieden (maar ook door onderontwikkeling) vrijwel geen transportmogelijkheden naar dergelijke gebieden.

Zuid-Sudanezen (en Sudanezen behorende tot de Nuba bevolkingsgroepen) hebben evenals Noord-Sudanezen in principe het recht zich overal in Sudan te vestigen, maar in het geval zij onvoldoende middelen van bestaan hebben (bijvoorbeeld ontheemden), kan een plaats van vestiging door de autoriteiten worden aangewezen, bijvoorbeeld in een ontheemdenkamp. Dit geldt voor een aanzienlijk deel van deze bevolkingsgroepen. De omstandigheden in dergelijke kampen of in nieuwe 'squatter areas' zijn niet zelden erbarmelijk. Bij gedwongen verplaatsingen, welke regelmatig plaatsvinden, kunnen de bewoners te maken krijgen met bijvoorbeeld gebrek aan (schoon) water, onderwijs, gezondheidsvoorzieningen, transportmogelijkheden, bouwmateriaal, enz.

Zuiderlingen (en Sudanezen behorende tot de Nuba bevolkingsgroepen) die over voldoende middelen van bestaan beschikken, kunnen zich legaal in de noordelijke deelstaten (veelal in de steden) vestigen. Dat de veiligheidsdiensten de conflictgebieden als risicovol beschouwen en daarom het reizen van en naar deze gebieden bemoeilijken, werd reeds hierboven aangegeven.

Personen die door de veiligheidsdiensten werden gedetineerd, kunnen bij hun vrijlating een document ter ondertekening voorgelegd krijgen, waarmee zij verklaren zonder toestemming van deze diensten de stad of het dorp niet te zullen verlaten.

Buitenland

Voor reizen van Sudanese onderdanen naar het buitenland is een geldig Sudanees paspoort met een uitreisvisum vereist.

Reisdocumenten / identiteitsbewijzen

Paspoorten, nationaliteitscertificaten en persoonlijke identiteitsbewijzen worden verstrekt door het Directoraat voor Immigratie en Nationaliteit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (gedeeltelijk naar de deelstaatautoriteiten gedelegeerd). Op het federale ministerie is een centraal register van alle reisdocumenten en identiteitspapieren, incusief namen, foto's en de locatie waarop het document betrekking heeft. Het dragen van een legitimatiebewijs is verplicht voor elke Sudanees van 16 jaar en ouder. Bij een controle dient men zich te kunnen legitimeren met behulp van een paspoort of identiteitskaart. Sudanezen onder de 16 jaar kunnen binnenlands zonder begeleiding reizen.


· Paspoorten worden verstrekt aan personen van 18 jaar of ouder of, indien jonger dan 18 jaar, met de toestemming van de ouders of de voogd(en) van betrokkene. Bij de aanvraag dient een nationaliteitscertificaat en geboorteakte te worden overgelegd.Tevens dient de aanvrager aanvullende informatie over zichzelf en zijn familie verstrekken. In dit verband kunnen de autoriteiten vragen om een bewijs (certificaat of pasje) waaruit blijkt dat de dienstplicht werd vervuld of een brief waarin uitstel van de dienstplicht wordt gegeven.


· Nationaliteitscertificaten kunnen door iedereen worden aangevraagd, maar de procedure is omslachtig. In elk geval dient aanvrager te beschikken over een verklaring van goed gedrag, afkomstig van de plaatselijke (of wijk)autoriteit. Teneinde een overheidsfunctie te kunnen vervullen, dient de sollicitant een nationaliteitscertificaat te overleggen. Ook bij officiële (financiële) transacties is overlegging van een nationaliteitscertificaat vereist.


· Voor identiteitskaarten geldt een minimumleeftijd van 16 jaar. Om een ID-kaart te verkrijgen, dient men zich te melden bij een speciaal daartoe bestemd kantoor (ressorterend onder hogergenoemdDirectoraat van het Ministerie van Binnenlandse Zaken), met overhandiging van pasfoto's en nationaliteitscertificaat. Ook UN-kantoren in Sudan geven identiteitskaarten uit die door de autoriteiten worden geaccepteerd.


· Verder zijn alle werknemers die in de publieke sector werkzaam zijn, verplicht een zogenaamde employment card te hebben. Deze worden afgegeven door het Ministry of Manpower. De employment card fungeert tevens als identiteitskaart naast het bovengenoemde identiteitsbewijs. Er zijn alszodanig geen sancties beschreven indien een kaart niet kan worden getoond. Wel kan betrokkene zijn baan verliezen.


· Uitreisvisa worden formeel verstrekt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Directoraat voor Immigratie en Nationaliteit. Ter verkrijging van een uitreisvisum dient de aanvrager in ieder geval een verklaring te overleggen dat hij/zij de militaire dienst volbracht heeft of dat daarvoor vrijstelling werd gegeven. In de praktijk geeft de directeur van de Revolutionary Security Force (RSF) instructies aan de immigratie-autoriteiten over het verstrekken van uitreisvisa. In het algemeen geldt dat alle overheidsfunctionarissen een schriftelijke toestemming van hun werkgever dienen te overleggen. Artsen wordt het in het algemeen niet toegestaan het land te verlaten of zij moeten er expliciete toestemming van het ministerie van Gezondheid voor hebben verkregen. Ook voor politiefunctionarissen en legerofficieren geldt dat zij in het algemeen moeilijk toestemming van hun hoofdkwartieren verkrijgen.


· Een vrouw die alleen buitenlands wil reizen dient tevens een goedkeuringsverklaring om te reizen te tonen die van haar vader, echtgenoot of mannelijk familielid (de zgn. mahram) afkomstig is. Deze verklaring dient te zijn afgestempeld door het popular committee van de buurt waarin men woont.

Voor Sudanezen onder de 16 jaar is het onmogelijk om op legale wijze zonder begeleiding van een volwassene Sudan te verlaten. De minderjarige dient bovendien in het paspoort van een ouder te zijn ingeschreven of over een eigen paspoort inclusief uitreisvisum te beschikken. Dat laatste kan alleen worden verkregen met een schriftelijke toestemming van de vader (of ander acceptabel familielid, indien geen vader aanwezig is).

Het komt voor dat politieke activisten bij het verkrijgen van documenten problemen ondervinden (tot weigering toe). Ook werknemers van non-governmental organizations, kunnen problemen ondervinden. Het enkele behoren tot een bepaalde etnische groep is voorzover bekend voor de autoriteiten geen reden om personen documenten te weigeren.

Controle haven van Port Sudan

Eenieder die zich op het haventerrein in Port Sudan bevindt, is verplicht over een pasje dat bij de toegangspoorten wordt verstrekt te beschikken. Personen die aan boord gaan dienen zich te legitimeren. Zij dienen een paspoort met uitreisvisum te hebben. Schepen worden vóór vertrek doorzocht. Niet kan worden uitgesloten dat personen eerst aan boord van het schip gaan als dat zich buitengaats bevindt.

Controle luchthaven

De controle op het vliegveld van Khartoem is effectief. Iedereen die het land per vliegtuig wenst te verlaten, wordt door de desbetreffende luchtvaartmaatschappij op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt verstrekt aan de (burger)luchtvaartautoriteiten, de immigratie-autoriteiten, de veiligheidsdienst op de luchthaven en de gezagvoerder van het vliegtuig.

De veiligheidsdienst bezit lijsten van personen die het land niet mogen verlaten. Deze lijsten zijn soms verouderd. De veiligheidsdienst hanteert de lijsten nauwgezet en soms voor persoonlijk financieel gewin. Het moet vrijwel uitgesloten worden geacht dat iemand Sudan zonder hulp van (hooggeplaatste) veiligheidsfunctionarissen via de luchthaven kan verlaten als hij niet in het bezit is van een (eventueel vervalst) paspoort inclusief uitreisvisum.

Sudanezen die vanuit het buitenland terugkeren doorlopen vrijwel allemaal de volgende procedure. Er dient een registratieformulier te worden ingevuld, het paspoort wordt voorzien van een stempel, een declaratieformulier dient te worden ingevuld met betrekking tot de naar Sudan meegebrachte buitenlandse valuta en de bagage wordt gecontroleerd op de eventuele aanwezigheid van niet-toelaatbare artikelen, zoals alcohol, opruiende geschriften, en dergelijke. Tevens volgt ondervraging door de belastingdienst om te verifiëren dat er vanuit het buitenland (voldoende) belasting werd betaald (een in het buitenland woonachtige Sudanees blijft belastingplichtig). Afdracht van belasting kan alsnog worden vereist.

Naast deze gebruikelijke procedure komt het voor dat leden van de veiligheidsdiensten de ingereisde Sudanees nader ondervragen over het buitenlands verblijf. De duur van het verblijf in het buitenland is niet uitsluitend het criterium op grond waarvan de ondervraging plaatsvindt. Voorzover bekend is een belangrijk ander criterium de buitenlandse bestemming. Indien de reisbestemming Addis Abeba, Asmara, Kaïro, Londen of Naïrobi was, is de kans op een relatief strengere controle van de bagage en de kans op ondervraging groter dan bij andere reisbestemmingen. In genoemde steden wonen relatief veel Sudanezen die betrokken zijn bij de oppositie.

Personen die uit gevangenschap naar het buitenland zijn gevlucht, zeker in die gevallen waarin een proces tegen hen liep, kunnen bij terugkeer opnieuw worden gearresteerd. Dat geldt evenzo voor personen die de wet hebben overtreden (commuun delict).

Politieke activisten die eerder Sudan ontvluchtten kunnen zich thans in het algemeen weer redelijk vrij in Sudan bewegen.

Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat het mogelijk is om vanuit Kenia (Lokichokkio) Zuid-Sudan (dat wil zeggen de gebieden die niet door de Sudanese regering worden gecontroleerd) in te reizen, zonder dat controle door de Sudanese regering plaatsvindt. De Keniaanse autoriteiten controleren wel. Bij aankomst in Zuid-Sudan zijn gewoonlijk wel vertegenwoordigers van de oppositiebewegingen aanwezig.

Republiekvlucht

Voorzover bekend bestaat in Sudan geen wettelijke bepaling waarin het ongeoorloofd verlaten van het land of het na het verstrijken van de toegestane termijn terugkeren in het land strafbaar worden gesteld. Voorzover bekend vindt in Sudan bij terugkeer van een illegaal uitgereisde persoon geen strafvervolging plaats vanwege de illegale uitreis.

Consequenties asiel aanvragen in het buitenland

Het indienen van een asielverzoek in het buitenland werd door de Sudanese autoriteiten niet gewaardeerd omdat, zo was de redenering, de indiener te kennen gaf zich van de regering te distantiëren. De wetenschap dat de terugkerende Sudanees een asielverzoek had ingediend was voor de Sudanese autoriteiten derhalve eveneens een criterium op grond waarvan tot ondervraging kan worden overgegaan. Teneinde te bepalen in welke mate de terugkerende Sudanees zich daadwerkelijk oppositioneel opstelde danwel in het buitenland had opgesteld en/of ter intimidatie, kon in incidentele gevallen een terugkerende Sudanees, waarvan bij de Sudanese autoriteiten bekend was dat hij asiel had aangevraagd, gedurende een bepaalde periode een meldingsplicht worden opgelegd. Betrokkene kon daarbij worden onderworpen aan ondervraging die een suggestief of beledigend karakter kon hebben. Na de door de president afgekondigde amnestie (diverse keren, bijvoorbeeld in oktober1999, januari en juni 2000), onder meer voor politieke vluchtelingen die zich in het buitenland bevinden, is het aantal meldingen hierover sterk teruggelopen.

De grondwet van 1998 voorziet in een eerlijke rechtsgang. In de praktijk is hiervan echter geen sprake.

De regering Al-Bashir herintroduceerde in maart 1991 formeel het shari'a-strafrecht, dat thans nog wordt toegepast. Er is sprake van toepassing in de door de regering gecontroleerde gebieden in Noord-Sudan. In de door de regering gecontroleerde delen van Zuid-Sudan wordt het slechts gedeeltelijk toegepast.

In de gebieden die door een verzetsbeweging worden gecontroleerd, en waar de regering dus geen zeggenschap heeft, vindt géén toepassing van het shari'a strafrecht plaats. In de gebieden die door de SPLM/A worden gecontroleerd, spreken magistraten recht op basis van een Wetboek van Strafrecht dat gebaseerd is op de '1925 Sudan Code'. Door een gebrek aan infrastructuur, communicatiemiddelen en financiën laat het rechtssysteem in veel SPLM/A-gebieden te wensen over. De SPLM/A erkent traditionele 'Courts of Elders' die naar gewoontercht rechtspreken.

In gebieden die buiten de controle van de SPLM/A (of regering) vallen, wordt door stamoudsten naar gewoonterecht rechtgesproken.

Bij rechtszaken behandeld door reguliere rechtbanken, geniet de verdachte niet altijd voldoende juridische bescherming. In de praktijk komt het voor dat de verdachte voorafgaand aan het proces langdurig op een onbekende plaats wordt vastgehouden, zonder de mogelijkheid om contact met familie of raadsman te leggen. Ook wordt wel de toegang voor de raadsman tot relevante dossiers bemoeilijkt. Bovendien zijn vonnissen doorgaans summier.

Willekeurige arrestaties en detenties voor een periode tot drie maanden waren op grond van de National Security Act (1994) en de Criminal Code mogelijk. Wel nam het aantal willekeurige arrestaties en detenties in 1998 ten opzichte van 1997 af.

De amendering van de National Security (Forces) Act die in juli 1999 plaatsvond, bracht het systeem van detineren meer in overeenstemming met de grondwet. Een verdachte moest sindsdien binnen 72 uur officieel in staat van beschuldiging worden gesteld (de mogelijkheid bestond om binnen 3 dagen verlenging van de detentie (tot maximaal 30 dagen) aan te vragen zonder formulering van de beschuldiging). In december 2000 volgde een wijziging van deze wet als gevolg waarvan een arrestant tot zes maanden kan worden vastgehouden zonder dat een officiële rechtsgang wordt ingezet.

In de praktijk komt het geregeld voor dat personen langer dan drie dagen worden vastgehouden zonder dat zij officieel in staat van beschuldiging werden gesteld. Ook kwam het in de verslagperiode voor dat personen werden verplicht zich over een periode van enkele weken (soms maanden) dagelijks bij een veiligheidsdienst te melden. Hiermee onttrok de veiligheidsdienst zich aan de verplichting (die er aanvankelijk sedert juli 1999 was) een aangehouden persoon binnen 72 uur in staat van beschuldiging te stellen. Tegen slechte of onheuse bejegening door de veiligheidsfunctionarissen blijkt in de praktijk nog geen beroep mogelijk te zijn. Mensenrechtenactivisten hebben dit in de verslagperiode diverse malen tevergeefs geprobeerd. Veiligheidsdiensten zijn hierdoor in feite onschendbaar gebleken.

Toen de president in december 1999 de staat van beleg afkondigde en het parlement ontbond, vroeg hij de oppositie namen van politieke gevangenen aan te reiken, opdat deze terstond vrijgelaten konden worden. De personen die werden gearresteerd op beschuldiging van betrokkenheid bij de bomaanslagen die eind juni 1998 in Khartoem plaatsvonden, werden eind 1999 vrijgelaten, nadat hen door de president amnestie was verleend op hun verzoek. Zij werden van rechtsvervolging ontslagen. Vervolgens waren er ongeveer een jaar officieel geen politieke gevangenen in Sudan.

Aan het einde van het jaar 2000 en in de loop van 2001 werden echter respectievelijk NDA- en PNC-leden gedetineerd. Niet kan worden uitgesloten dat de Sudanese autoriteiten vermeende politieke tegenstanders, onder voorwending van een door hen begaan commuun delict, arresteren.

Tegenstanders van het regime kunnen te maken krijgen met marteling en/of andere vormen van onmenselijke behandeling of bestraffing. Vooral veiligheidsorganen

passen dit toe. In juni 2000 werden bijvoorbeeld bij de Juba-universiteit in Khartoem 129 studenten door politie en veiligheidsdienst gearresteerd, waarvan een aantal enige tijd werd vastgehouden en mishandeld.

Dezerzijds zijn vrijwel uitsluitend meldingen van martelingen bekend die in de regio Khartoem plaatsvonden, vaak in politiecellen en kantoren van de veiligheidsdienst. Er is geen systematische monitoring van martelingen in het hele land. De Sudan Human Richts Group heeft desgevraagd gesteld dat niet gesproken kan worden van een toe- of afname van het aantal gevallen, maar dat er veeleer sprake van een grillig beeld is.

Politieke en mensenrechtenactivisten die een ander standpunt dan de regering innemen lopen een relatief groter risico om slachtoffer van mishandeling en of marteling te worden. Dit geldt evenzo voor zuiderlingen die van politiek activisme worden verdacht. De enkele etnische afkomst van de zuiderling stelt hem als zodanig niet aan meer risico bloot.

Voorzover bekend gebruikt de overheid in Sudan verbanning niet als middel om zich van politieke tegenstanders te ontdoen. Wel is bekend dat enige prominente politieke leiders zelf in ballingschap gingen, waaronder ex-premier al-Mahdi.

Soms verdwijnt een persoon voor korte tijd nadat hij/zij in handen van de veiligheidsdienst is gevallen. Na enige tijd wordt zo iemand altijd weer vrijgelaten.

Een andere vorm van verdwijning is na ronseling voor de dienstplicht. Men kan in dat geval direct naar een trainingskamp worden gezonden. Niet kan worden uitgesloten dat waar het jongens uit arme families betreft, de familie niet wordt ingelicht. Concrete gevallen zijn dezerzijds thans niet bekend.

Vooral in de conflictgebieden in Sudan komen buitengerechtelijke executies voor. De Sudanese regering bombardeerde in de verslagperiode vele malen burgerdoelen, als gevolg waarvan dodelijke slachtoffers vielen. Bekend is verder dat verzetsbewegingen politieke en andere buitengerechtelijke executies uitvoerden. Details over dergelijke moorden zijn echter vrijwel niet voorhanden.

Bij aanvallen die regeringstroepen en verzetsbewegingen op elkaar uitvoeren worden geregeld burgers gedood. Partijen in het conflict gebruiken bovendien landmijnen.

De doodstraf is in de Sudanese wetgeving al sinds de eerste Criminal Code van 1925 opgenomen. In de grondwet van 1998 (art. 33, sub.1) staat echter dat deze straf uitsluitend in gevallen van extreme misdaad zal worden opgelegd. Het gaat hier om de volgende gevallen:


· misdrijven tegen de staat, zoals samenzwering, oorlogvoering tegen de staat en verraad;


· moord, waarop tevens de islamitische wetgeving van toepassing kan zijn;

· misdrijven ingevolge de hudud, namelijk overspel, afvalligheid van de islam, roofoverval (hiriba), derde veroordeling voor (mannelijke) homoseksualiteit en derde veroordeling voor het geven van gelegenheid tot prostitutie ;


· desertie (zie paragraaf 3.4.1);


· muiterij.

De doodstraf wordt niet uitgevoerd indien de veroordeelde ouder dan 70 is of jonger dan 18. Evenmin worden zwangere vrouwen ter dood gebracht. Eerst nadat de baby 2 jaar is geworden kan executie van de moeder plaatsvinden.

In 1999 werd de doodstraf 161 maal uitgesproken en vonden er 34 executies plaats. Onder de ter dood gebrachten waren geen vrouwen.

Niet precies is bekend voor welke misdrijven de doodstraffen werden opgelegd, maar aangenomen mag worden dat het in verreweg de meeste gevallen wegens moord of roofmoord was. Cijfers over 2000 zijn dezerzijds nog niet bekend.

In de afgelopen jaren zijn 3 gevallen bekend waarbij de doodstraf wegens afvalligheid werd uitgesproken. In geen enkel geval vond tenuitvoerlegging van het vonnis plaats. In 2 gevallen werd de veroordeelde na spijtbetuiging vrijgelaten. In één geval geval werd de dader in absentie veroordeeld.

De doodstraf op afvalligheid wordt alleen opgelegd wanneer de bekeerde/afvallige zijn bekering publiek maakt. Voorzover bekend wordt deze straf op grond van een interne instructie van het ministerie van Justitie reeds sedert 1994 niet ten uitvoer gebracht. Om politieke redenen zou de overheid dit willen vermijden.

Veroordelingen wegens overspel komen, op grond van de bepaling in de bewijslast dat er vier mannelijke getuigen dienen te zijn voor een veroordeling, nauwelijks voor

3.4 Positie van specifieke groepen

---
Op grond van Section 7 van de National Service Act van 1992 kunnen alle Sudanezen die een leeftijd hebben van tussen de 18 en 33 jaar, worden verplicht een periode (van in beginsel 24 maanden ) nationale dienstplicht te vervullen. In deze wet wordt tussen mannen en vrouwen geen onderscheid gemaakt.

Na een basisopleiding van circa zes 6 maanden kan de dienstplichtige worden ingedeeld bij het officiële Sudanese leger (Sudanese Peoples Armed Forces, SPAF), de politie of andere ordediensten, overheidsdiensten of bij publieke ontwikkelingsprojecten.

De toepassing van deze wettelijke regeling blijkt in Sudan in de praktijk aan veranderingen onderhevig te zijn. Met betrekking tot vrouwen kan bijvoorbeeld worden gesteld dat ze voor de vervulling van de nationale dienstplicht niet worden opgeroepen. Een uitzondering hierop wordt echter gemaakt voor vrouwen die in een medische beroep werkzaam zijn of een medische studie hebben gevolgd (artsen, verpleegkundigen en paramedisch personeel). Deze vrouwen kunnen wel worden opgeroepen en, voor de duur van één jaar, in een civiel ziekenhuis of een kliniek in Noord-Sudan te werk worden gesteld. Een plaatsing in een ziekenhuis of kliniek in Zuid-Sudan (dat wil zeggen in de door de regering gecontroleerde gebieden) kan echter niet geheel worden uitgesloten. Ten behoeve van de verzorging van gewonden aan het front worden daarentegen uitsluitend mannen ingezet.

Dat vrouwen zich in het kader van de nationale dienstplicht vrijwillig melden is theoretisch mogelijk, maar komt in de praktijk zelden voor.

Er zijn aanwijzingen dat als men over de juiste contacten beschikt een gunstige plaatsing, bijvoorbeeld bij een sociaal project, kan worden gekocht.

Na vervulling van de dienstplicht wordt door de 'Military Service Commission' een certificaat uitgereikt waarmee kan worden aangetoond dat de dienstplicht daadwerkelijk vervuld is.

Omdat in Sudan nauwelijks adresregistratie bestaat, is controle op de naleving van de dienstplicht moeilijk. Voor de oproep voor militaire dienst wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de registratie van het ministerie van Onderwijs (alle examenkandidaten voor het middelbaar onderwijs worden hier aangemeld), maar ook vinden oproepen plaats via de media, via het popular committee in de wijk, of via de werkgever. Soms worden 'razzia's' georganiseerd, waarbij jonge mannen op straat, bijvoorbeeld bij busstations en op markten, worden aangehouden en gecontroleerd.

In de tien zuidelijke deelstaten wordt door de Sudanese autoriteiten vrijwel niet gerecruteerd voor de dienstplicht. Dit geldt niet voor jongens van zuidelijke (en Nuba) afkomst die in Khartoem verblijven. Zij kunnen wel worden gerecruteerd.

Middelbare scholieren die in april/mei 1999 eindexamen deden, dienden zich direct voor de vervulling van de nationale dienstplicht te melden (op één van de diverse verzamelpunten in de eigen stad, dan wel bij het ministerie van Onderwijs, omdat aldaar het diploma middelbaar onderwijs kan worden opgehaald ). Vanuit de verzamelpunten werden zij naar een (nabijgelegen) kazerne gebracht. De dienstplicht ving aan met een korte basistraining van circa 45 dagen in een nabijgelegen kazerne. Er zijn geen aanwijzingen dat rekruten ver van de eigen streek werden opgeleid.

Middelbare scholieren die op grond van hun eindexamenresultaten tot de universiteit werden toegelaten konden in september 1999 colleges gaan volgen. Zij dienden dan wel de basistraining en een deel van hun operationele diensttijd te hebben vervuld. Het restant van de diensttijd mag worden vervuld in de universitaire vakanties of na afstuderen. Hiermee is een langdurig verblijf aan het front vrijwel uitgesloten. Zij die niet tot de universiteit zijn toegelaten dienden na hun eindexamen de gehele dienstplichtperiode te doorlopen en ontvangen het schoolcertificaat eerst na deze periode. Voor deze categorie is een langdurig verblijf (dat wil zeggen langer dan enkele maanden) aan het front aannemelijker.

Voorzover bekend, werd niemand ongetraind naar het oorlogsfront gestuurd.

Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 is er in Sudan sprake van een 'low-level warfare'. Een klein deel van de opgekomen dienstplichtigen komt tot daadwerkelijke gevechtsacties in een of meer van de conflictgebieden. De overigen vervullen vele soorten ondersteunende taken of zijn in de niet- conflictgebieden geplaatst, bijvoorbeeld bij een ontwikkelingsproject of ordedienst. In perioden van zware strijd is het aantal dienstplichtigen dat bij de strijd wordt ingezet hoger dan in situaties waarin de gevechtshandelingen beperkt zijn.

Vrijstelling / uitstel

Personeelsleden van de politie en ordediensten zijn van de nationale dienstplicht uitgezonderd (mits een periode van drie jaar wordt volgemaakt). Definitieve vrijstelling van dienstplicht wordt verleend aan degenen die niet voldoen aan de eisen van medische geschiktheid. Gedeeltelijke vrijstelling op medische gronden is ook mogelijk. In dat geval wordt de rekruut bij een andere overheidsinstelling dan het leger geplaatst. Niet zelden wordt eerst in de trainingsperiode vastgesteld dat de opgeroepene medisch niet geschikt is. Vrijstelling op grond van gewetensbezwaren kent de wet niet.

Uitstel kan op grond van de wet worden verleend aan kostwinners, aan studenten en scholieren en aan degenen die onmisbaar zijn in een overheidsfunctie. In de praktijk blijkt dat aan scholieren en studenten geen uitstel/vrijstelling op grond van kostwinnerschap wordt verleend, omdat zo is de redenering, zij die op school zitten geen kostwinner zijn of kunnen zijn.

Het is in een aantal gevallen mogelijk om de nationale dienstplicht in gedeelten te vervullen. Zo hebben jongens die aan een universiteit of in het hoger beroepsonderwijs een studie willen volgen de mogelijkheid om na het doorlopen van een trainingsperiode van ten minste 45 dagen (tot 2 maanden), de studie aan te vangen en de resterende nationale dienst na afronding van de studie te doorlopen. Eerst na vervulling van de volledige dienstplicht wordt aan hen het einddiploma of de academische graad uitgereikt.

Volledigheidshalve dient te worden gemeld dat uitstel of vrijstelling, mits men over de juiste contacten beschikt, ook wel kan worden afgekocht.

Onttrekking/desertie

Krachtens art. 28 (National Service Act, 1992) staat op onttrekking aan de dienstplicht een boete en/of gevangenisstraf van minimaal 2 en maximaal 3 jaar. Onttrekking wordt niet als desertie beschouwd en wordt voor de niet-militaire rechter behandeld. De in de wet genoemde straf wordt in de praktijk nauwelijks ten uitvoer gebracht. Betrokkenen worden meestal direct in de opleiding geplaatst.

Het is niet aannemelijk dat een recruut enkel en alleen op grond van zijn etnische afkomst bij onttrekking aan de dienstplicht een zwaardere straf krijgt opgelegd.

Eerst gedurende de diensttijd (dat wil zeggen niet gedurende de basistraining ) is op dienstplichtigen het militair strafrecht van toepassing. Op grond van dit strafrecht kan in tijd van oorlog desertie worden bestraft met de doodstraf. In vredestijd staat op desertie een gevangenisstraf. Als gevolg van de burgeroorlog verschilt de toepassing van het militair strafrecht van gebied tot gebied. Een deserteur aan het front kan de doodstraf opgelegd krijgen, in de overige gebieden is een gevangenisstraf aannemelijker. Het afkondigen van de noodtoestand in december 1999 door president Al-Bashir heeft voor deze praktijk geen gevolgen gehad.

Popular Defence Force(s) (PDF.

In 1989 werd de Popular Defence Forces (PDF) Act van kracht. Het oorspronkelijke doel van deze wet was het trainen van burgers zodat zij het leger bij de verdediging van het land en in geval van noodsituaties zouden kunnen assisteren.

De PDF kon worden gezien als een schaduwleger, bestaande uit veelal door popaganda fervent gemaakte NIF/SNC-aanhangers, dat het reguliere leger (SPAF) in de burgeroorlog ondersteunde; een oorlog die door leden van de PDF wordt gezien als heilige oorlog of jihad.

In principe bestond de PDF uit vrijwilligers die de Sudanese nationaliteit hadden, ouder waren dan 16 jaar (en jonger dan 55 jaar), een onbesproken gedrag hadden en medisch geschikt waren. Van tijd tot tijd werden via de massamedia oproepen tot aanmelding bij de PDF gedaan.

Als gevolg van een instructie van de Director PDF werd het vanaf 1991/1992 voor bepaalde categorieën Sudanezen verplicht om naast de wettelijk gestelde nationale dienstplicht een trainingsprogramma ten behoeve van de PDF te volgen. Aanvankelijk betrof het alleen overheidsfunctionarissen (mannen en vrouwen in de leeftijd van 16-55 jaar), maar later ook jongeren die een universitaire studie of hogere beroepsopleiding wilden volgen. Met ingang van het studiejaar 1994/1995 waren de inschrijfformulieren voor deze typen onderwijs uitsluitend in de PDF-kampen verkrijgbaar.

De PDF-training, die kon variëren van 6 weken tot 6 maanden, ontwikkelde zich als instrument van de regering om de Sudanese gemeenschap te militariseren en islamitisch te indoctrineren. De training werd gebruikt om de trainees in te leiden in het door het NIF(thans NC(P)) aangehangen gedachtengoed en wereldbeeld alsmede om (potentieel) loyale NIF-aanhangers te identificeren voor volledig lidmaatschap van de PDF.

In tegenstelling tot de nationale dienstplicht kon men bij weigering een PDF-training te volgen niet formeel gedwongen worden alsnog deel te nemen. Straf / sancties die bij onttrekking aan de verplichting (konden) worden opgelegd zijn niet in de wet van 1989 opgenomen. Eerst na daadwerkelijke toetreding tot de PDF was het militaire strafrecht van toepassing, niet reeds gedurende de training.

Het weigeren om aan de PDF-training deel te nemen betekende voor betrokken werknemers echter dat zij bijvoorbeeld werden ontslagen, niet in aanmerking kwamen voor promotie, geen aanspraak konden maken op opgebouwde pensioenen en voor aankomende studenten dat zij niet tot het universitair of hoger onderwijs werden toegelaten.

Het volgen van een PDF-training hield niet in dat men nadien verplicht was om daadwerkelijk tot de PDF toe te treden. Wel werd er veel sociale druk uitgeoefend en niet alle trainees hadden zicht op de mogelijkheid om deelname te weigeren.

Voor niet-ambtenaren bestond de mogelijkheid zich vrijwillig voor een PDF-training aan te melden.

In april 1997 zette de regering, zonder daaraan officieel bekendheid te geven, de separate verplichte trainingen voor de PDF stop. De PDF bleef bestaan, maar de trainingstaak werd geheel overgenomen door de National Military Service (NMS). Daadwerkelijke plaatsing bij de PDF is een van de mogelijkheden die kan volgen na een NMS-training. Zij die reeds een PDF-training hadden gevolgd, waren niet verplicht om de NMS-training te volgen, maar moesten nog wel hun dienstplicht vervullen of werden geregistreerd als oproepbare 'reservisten'.

Dat politieke tegenstanders bij wijze van straf door de autoriteiten in een trainingskamp worden geplaatst kan dezerzijds niet worden bevestigd. Op grond van de afgekondigde amnestie voor politieke tegenstanders (zie paragraaf 3.3.2) is dit vanaf maart 2000 ook niet meer aannemelijk. Uiteraard is op grond van de bestaande wet- en regelgeving nog wel vrijwel iedere Sudanees, ongeacht zijn/haar politieke overtuiging, verplicht om de nationale dienstplicht te vervullen.

Sinds de machtswisseling van 1989 is de positie van de vrouw verslechterd. Vrouwen verdwenen naar de achtergrond van het openbare leven. Vele goed opgeleide vrouwen verloren zowel hun werk als hun bewegingsvrijheid. Voor vrouwen bij onderwijs- en (semi)overheidsinstellingen werden strikte kledings- en gedragsregels ingevoerd.

In december 2000 vaardigde president Al-Bashir met betrekking tot de Labour Act een decreet uit, waarbij vrouwen worden uitgesloten van beroepen waarin zij werken met chemicaliën (bijvoorbeeld bij tankstations) en van beroepen waarin hun eer en waardigheid kan worden aangestast.

Sinds de verkiezingen van maart 1996 zijn er in het 400-leden tellende Parlement 25 vrouwelijke parlementariërs. Een van hen werd direct verkozen, de overigen zijn benoemd. In het huidige kabinet heeft slechts één vrouw zitting.

Veel meisjes van gegoede families en van de middenklasse gaan studeren. Meer dan 50% van alle studenten aan de universiteiten zijn vrouwen.

Het is voor alleenstaande vrouwen in Sudan moeilijk om in hun levensonderhoud te voorzien. Werken buitenshuis is weliswaar in het algemeen toegestaan , maar er zijn slechts weinig banen en mannen gaan in het algemeen voor in de concurrentie op de arbeidsmarkt. Mede hierom komt prostitutie onder christelijke en de laatste jaren ook bij moslim vrouwen, veelvuldig voor.

Sudan heeft in tegenstelling tot andere Arabische en moslimlanden als Egypte, Iraq, Koeweit en Bangladesh, het 20 jaar oude UN-verdrag ter uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen nog niet ondertekend.

Besnijdenis

Besnijdenis (female genital mutilation, ofwel FGM) van vrouwen komt in Sudan onder moslimvrouwen van oudsher veelvuldig voor. Welke vormen worden toegepast is niet altijd even duidelijk omdat men niet openlijk over besnijdenis spreekt en vrouwen soms zelf niet weten welke vorm bij hen is uitgevoerd. Voorzover bekend komen alle vormen van besnijdenis in Sudan voor.

Genitale verminking, in de meest vergaande vorm van infibulatie, komt vooral voor onder moslimvrouwen in het noorden en westen van Sudan. Onder de christenen in het zuiden wordt het veel minder toegepast. Er zijn gevallen bekend van genitale verminking onder Zuid-Sudanese vrouwen die zich tijdens een verblijf in een IDP-camp in Noord-Sudan tot de Islam lieten bekeren.

In Sudan is besnijdenis een keus van de ouders. De keuzevrijheid hangt echter nauw samen met de religieus/culturele opvatting van de familie en omgeving. Het komt voor dat men zich aan besnijdenis onttrekt door naar de gemeenschap toe de schijn te wekken alsof de ceremonie plaatsvindt/vond en dat betreffende dochter besneden is. Zich aan dreigende FGM onttrekken door zich elders in Sudan te vestigen moet voor meisjes vrijwel onmogelijk worden geacht, omdat het voor alleenstaande vrouwen in Sudan moeilijk is om in hun levensonderhoud te voorzien.

De regering beschouwt vrouwenbesnijdenis evenwel als niet-islamitisch en steunt in woord de ontmoediging van deze in het land wijdverbreide praktijk. Zo is er onder meer een gezondheidswet tegen genitale verminking. In de praktijk wordt echter nauwelijks toegezien op naleving van deze wet en staan er geen straffen op het genitaal verminken van vrouwen. Wel zijn er meerdere lokale organisaties, zoals de Sudan National Committee against Traditional Harmful Practices (SNCTP), die initiatieven ondernemen om genitale verminking te bestrijden. De Sudanese media geven ruimte aan zowel voor- als tegenstanders van het toepassen van genitale verminking.

In vergelijking met de situatie van 10 jaar geleden is de toepassing van genitale verminking wel veranderd. Zo is het percentage excisie-gevallen toegenomen ten opzichte van het aantal gevallen van infibulatie.

Oorlogsgeweld tegen vrouwen

Alle bij het militaire conflict betrokken partijen in Sudan maken zich schuldig aan verkrachting van vrouwen. Slachtoffers hiervan zijn vooral ontheemde vrouwen afkomstig uit het zuiden of het Nuba gebergte. Voorzover bekend geschiedt in Sudan verkrachting niet systematisch vanuit een bepaalde strategie.

Overig geweld tegen vrouwen

Ook op politiebureaus en in gevangenissen lopen vrouwen het risico te worden verkracht. Officiële meldingen hiervan komen echter niet veel voor. Dat geldt evenzo voor verkrachtingen binnen het gezin. Hierdoor is niet aan te geven in welke mate het voorkomt. Uitgaande van de macho-cultuur en de onderdanige positie van de vrouw in Sudan kan worden aangenomen dat het vaak voorkomt.

De Sudanese overheid voert geen actief beleid ter voorkoming van geweld tegen vrouwen.

Kinderen in Sudan worden geregeld het slachtoffer van mensenrechtenschendingen en burgeroorlog.

Vooral in de grote steden in Noord-Sudan leeft een groot aantal kinderen op straat. Deze al dan niet vermeende straatkinderen lopen het risico door de politie te worden opgepakt en vervolgens te worden ondergebracht in daartoe speciaal buiten de stad opgezette kampen, die zij niet mogen verlaten. De regering stelt zulks te doen om landloperij te beperken, onderdak en onderwijs te verlenen, alsmede om de kinderen te kleden en te voeden. In de kampen vinden arabisering en islamisering plaats. Er zijn aanwijzingen dat (een deel van) de kinderen eveneens een vorm van militaire training moeten ondergaan, teneinde te kunnen worden ingezet bij (PDF) gevechtshandelingen in het zuiden. De leefomstandigheden in de kampen zijn erbarmelijk. Bezoek aan de kampen wordt zelden toegestaan. Gezinshereniging vindt slechts sporadisch plaats.

Verder komt het voor dat tijdens militaire acties in oorlogsgebieden kinderen van hun ouders worden gescheiden. Niet kan worden uitgesloten dat kinderen worden meegevoerd naar West- en Noord-Sudan en daar te werk worden gesteld in het huishouden van met name militairen, als herder, dan wel als concubine.

Er bevinden zich in oorlogsgebieden eveneens speciale kampen voor (niet-moslim) kinderen, waarin zij onderwijs in het Arabisch en in de Koran en een militaire training dienen te ondergaan. De kampen staan onder toezicht van de PDF.

Alle partijen in het conflict in Sudan maken zich schuldig aan schending van de rechten van het kind. Zo zijn er aanwijzingen dat het SPLA en andere verzetsbewegingen jonge kinderen recruteren, vasthouden en bij operationele acties inzetten. In de verslagperiode heeft het SPLA aangekondigd geen kinderen meer te zullen recruteren. In hoeverre zij zich hieraan houdt zal de praktijk moeten uitwijzen.

Medio februari 2001 werden circa 3400 kindsoldaten door het SPLA aan de Verenigde Naties (UNICEF) overgedragen.

Volgens betrouwbare rapporten komen in Sudan, ondanks een wettelijk verbod, vormen van slavernij voor. Zo zouden onder meer in het grensgebied in West-Sudan bepaalde nomadische en sedentaire bevolkingsgroepen op elkaar aanvallen uitvoeren waarbij vrouwen en kinderen worden geroofd die in een later stadium deels als onderpand voor vredesovereenkomsten worden gebruikt. Verder zou het voorkomen dat SPAF, PDF en door de overheid gesteunde milities betrokken zijn bij het vanuit oorlogsgebieden in het zuiden en het Nuba-gebergte afvoeren van burgers met het doel ze in het noorden gedwongen onbetaalde arbeid te laten verrichten .

Hoewel de centrale regering dergelijke archaïsche gebruiken officieel veroordeelt, bleek in de praktijk bestrijding aanvankelijk nauwelijks plaats te vinden. Daarentegen lijkt de inzet van de regering de laatste jaren toe te nemen. Zo richtte de regering in juni 1999 het Committee for the Elimination of Abduction of Women and Children (CEAWC) op. De primaire doelstelling van het comité is het opsporen, vrijmaken en herenigen met hun familie van ontvoerde vrouwen en kinderen. Het uiteindelijke doel is het uitroeien van ontvoeringspraktijken en de bestraffing van degenen die zich daaraan schuldig maken. Het programma wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met stamhoofden van Dinka stammen (slachtoffers) en Arabische nomadenstammen (waaruit ontvoerders voortkomen). Het wordt onder meer door UNICEF en enkele donoren, waaronder Nederland, gesteund.

Aan het einde van de verslagperiode waren inmiddels 400 van de circa 1200 gedocumenteerde ontvoerde vrouwen en kinderen met hun familie herenigd.

Eerst vindt tijdelijke opvang plaats in centra in Zuid Darfur en West Kordofan, vervolgens gaan de vrouwen en kinderen naar een centrum in Aweil (in de deelstaat Northern Bahr el Ghazal). Vanuit dat centrum vindt hereniging met de familie plaats, doch het traceren van de familie blijkt tijdrovend te zijn.

3.5 Samenvatting

---
De mensenrechtensituatie in Sudan verbeterde de laatste twee jaar licht, maar zij dient nog als zorgwekkend te worden getypeerd. In de conflictgebieden is door de ernst en frequentie van de schendingen de situatie het meest zorgelijk.

Praktische doorwerking van de nieuwe grondwet van 1998 via aanpassing van de lagere wetgeving begon geleidelijk aan meer gestalte te krijgen.

Politieke partijen konden in redelijke mate ongestraft politieke activiteiten verrichten, hoewel er nog geen volledige vrijheid was. Activisten werden van tijd tot tijd nog (kort) vastgehouden en verhoord. Aan het einde van de verslagperiode verslechterde de situatie op dit punt voor NDA en PNC-leden.

Een aantal politieke tegenstanders keerde als gevolg van verleende amnestiemaatregelen zonder problemen in Sudan terug (vooral UP-leden).

De onafhankelijke mensenrechtenorganisaties die de laatste jaren in Sudan actief zijn geworden, konden niet in volledige vrijheid opereren. Kranten werden van tijd tot tijd verboden en het kwam nog voor dat journalisten werden gearresteerd.

Met betrekking tot de godsdienstvrijheid hebben zich geen noemenswaardige ontwikkelingen voorgedaan. Er zijn geen aanwijzingen dat het enkele individueel belijden van andere religies dan de islam tot ernstige problemen met de Sudanese autoriteiten leidt. Indien een persoon zich echter publiekelijk sterk als christen profileert kan hij/zij wel problemen van overheidszijde (bijvoorbeeld arrestatie) of van fanatieke moslims ondervinden. In de verslagperiode hebben zich op dit vlak geen ernstige incidenten voorgedaan.

In de praktijk blijken bewegings- en vestigingsvrijheid beperkt te zijn. Vooral het reizen vanuit (relatief) onveilige gebieden naar veilige gebieden, en omgekeerd, wordt ernstig bemoeilijkt.

Zuid-Sudanezen (en Nuba) hebben evenals Noord-Sudanezen in principe het recht zich overal in Sudan te vestigen, maar in het geval zij onvoldoende middelen van bestaan hebben (bijvoorbeeld als vluchteling), kan een plaats van vestiging door de autoriteiten worden aangewezen.

Voor reizen van Sudanese onderdanen naar het buitenland is een geldig Sudanees paspoort met een uitreisvisum vereist. Personen onder de 16 jaar en vrouwen kunnen zonder begeleiding niet op legale wijze Sudan verlaten. Politieke activisten en werknemers van NGO's kunnen bij het verkrijgen van reis- en verblijfsdocumenten problemen ondervinden (tot weigering toe).

Personen die uit gevangenschap naar het buitenland zijn gevlucht kunnen bij terugkeer opnieuw worden gearresteerd. Dat geldt evenzo voor personen die de wet hebben overtreden (commuun delict).

Van een eerlijke rechtsgang is in de praktijk nog geen sprake. Zo kunnen personen lang (tot 6 maanden) worden vastgehouden zonder dat zij officieel in staat van beschuldiging worden gesteld. Ook komt het voor dat personen worden verplicht zich over een periode dagelijks bij een veiligheidsdienst te melden.

Tegen slechte of onheuse bejegening door de veiligheidsfunctionarissen bleek in de praktijk nog geen beroep mogelijk te zijn.

Voor zover bekend waren er gedurende een groot deel van de verslagperiode geen politieke gevangenen in Sudan. Militaire gevangenen op verdenking van poging tot staatsgreep en dergelijke waren er evenmin. Aan het einde van 2000 werden daarentegen zeven NDA leden gearresteerd en weken vastgehouden en in februari 2001 werden Turabi en tientallen PNC aanhangers gearresteerd.

Niet kan worden uitgesloten dat de Sudanese autoriteiten vermeende politieke tegenstanders, onder voorwending van een door hen begaan commuun delict, arresteren.

Politieke en mensenrechtenactivisten die een ander standpunt dan de regering innemen lopen een relatief groter risico om slachtoffer van mishandeling en of marteling te worden. Dit geldt evenzo voor zuiderlingen (of Sudanezen die tot een Nuba bevolkingsgroep behoren) die van politiek activisme worden verdacht. De enkele etnische afkomst van de zuiderling (of Nuba) stelt hem als zodanig niet aan meer risico bloot.

Van verbanning als middel van de overheid om zich van politieke tegenstanders te ontdoen, was voorzover bekend in Sudan geen sprake.

Buitengerechtelijke executies komen daarentgen, vooral in de conflictgebieden, voor. De doodstraf werd vele malen uitgesproken en soms ook ten uitvoer gebracht.

Sudanezen die een leeftijd hebben van tussen de 18 en 33 jaar, kunnen worden verplicht een periode (van in beginsel 24 maanden ) nationale dienstplicht te vervullen. Controle op de naleving van de dienstplicht is moeilijk.

Voorzover bekend wordt niemand ongetraind naar het oorlogsfront gestuurd.

Het is niet aannemelijk dat een rekruut enkel en alleen op grond van zijn etnische afkomst bij onttrekking aan de dienstplicht een zwaardere straf krijgt opgelegd.Dat politieke tegenstanders bij wijze van straf door de autoriteiten in een trainingskamp worden geplaatst kan dezerzijds niet worden bevestigd.

De PDF bestaat nog, maar de trainingen vinden thans onder National Military Service (NMS) voorwaarden plaats.

Voor alleenstaande vrouwen in Sudan is het moeilijk om in het levensonderhoud te voorzien. Mede hierom komt prostitutie onder christelijke en de laatste jaren ook bij moslimvrouwen, veelvuldig voor.

Besnijdenis is in Sudan een keus van de ouders, doch de keuzevrijheid hangt nauw samen met de religieus/culturele opvatting van de familie en omgeving. In het extreme geval kan men zich aan dreigende FGM (van de dochter) onttrekken door zich elders in Sudan te vestigen, doch het zal van persoon tot persoon verschillen of men in dat geval elders ook een bestaan kan opbouwen

Er zijn in Sudan ook gevallen van gedwongen besnijdenis bekend.

Alle bij het militaire conflict betrokken partijen in Sudan maken zich schuldig aan verkrachting van vrouwen. Systematische verkrachting vanuit een bepaalde strategie vindt echter niet plaats.

Alle partijen in het conflict in Sudan maken zich schuldig aan schending van de rechten van het kind.

De inzet van de regering tegen vormen van slavernij lijkt de laatste jaren te zijn toegenomen.


4 Vluchtelingen en ontheemden

---

4.1 Inleiding

---
Er zijn diverse motieven achter de aanhoudende vluchtelingenstromen vanuit Sudan bekend. Deze motieven zijn vooral gelegen in de voortdurende burgeroorlog. Hierbij kan worden gedacht aan het (tijdelijk) vluchten voor bombardementen, het platbranden van dorpen, mijnen, en dergelijke, maar ook aan het zich willen onttrekken aan de nationale dienstplicht of recrutering door een verzetsbeweging. Daarnaast is de sociaal-economische situatie (inclusief de gevolgen van perioden van droogte) waarin Sudan verkeert voor veel Sudanezen een belangrijke pushfactor om het oorspronkelijke woongebied te verlaten en zich eventueel in het buitenland te vestigen.

Op grond van de mensenrechtensituatie kan op individuele gronden vrees voor vervolging bestaan. Geïndiceerde kwetsbare groepen met betrekking tot de individuele vrees voor vervolging zijn:


· (vermeende) leden en actieve sympathisanten van verzetsbewegingen;

· (vermeende) actieve leden en sympathisanten van oppositiepartijen, m.n. NDA en PNC (het enkele lidmaatschap leidt niet tot bijzondere risico's);


· (prominente) mensenrechtenactivisten, studentenleiders, journalisten, advocaten (mits zij actief naar buiten treden);


· niet-moslims die zich politiek-religieus en/of maatschappelijk dissident gedragen;


· kinderen (dat wil zeggen vooral straat- en zwerfkinderen).
4.2 Binnenlandse vestigingsvrijheden

---
Personen die door de Sudanese regering als politieke tegenstanders worden gezien en te maken krijgen met maatregelen van de zijde van de veiligheidsdiensten, kunnen zich daaraan in het algemeen niet onttrekken door zich elders in Sudan te vestigen. Hoewel de organisatie van de veiligheidsdiensten te wensen kan overlaten, moeten deze diensten (op termijn) in staat worden geacht in alle door de regering gecontroleerde gebieden vervolgingsmaatregelen uit te voeren. Dat personen zich gedurende kortere tijd aan de diensten onttrekken wordt mogelijk geacht. Sudan is immers een zeer groot land en er zijn niet overal goed ontwikkelde geautomatiseerde bestanden van gezochte personen aanwezig.

De gebieden die niet door de regering worden gecontroleerd bieden doorgaans geen alternatief omdat deze in het algemeen (zonder reistoestemming) niet toegankelijk zijn.

a. Personen behorende tot deze categorie die reeds langere tijd in een door de regering gecontroleerd gebied wonen

Een aanzienlijk deel van de groep personen die behoren tot een (zuidelijke) niet-Arabische bevolkingsgroep (incl. de groepen die gezamenlijk tot de Nuba worden gerekend), is reeds langere tijd in een door de regering gecontroleerd gebied (hoofdzakelijk in Khartoem en omgeving) woonachtig. Redenen om zich hier te vestigen waren bijvoorbeeld de wens zich te onttrekken aan het geweld in een conflictgebied of de wens werk te vinden in de hoofdstad. Zij die voldoende middelen van bestaan hadden, konden zich in het algemeen in de stad vestigen. De minder bedeelden kwamen vooral in de IDP-kampen buiten de stad terecht. Aldus verblijven in en rondom Khartoem naar schatting 1,5 tot 2 miljoen zuiderlingen en Nuba die daarmee ruim 40 % van de totale bevolking van de deelstaat Khartoem uitmaken.

Personen die tot deze categorie behoren (en dat geldt ook voor personen van gemengde afkomst Arabisch/niet-Arabisch) lopen in het algemeen géén groter risico dan de Noord-Sudanezen om hinder van de zijde van de veiligheidsdiensten te ondervinden. Voor hen geldt evenzo dat zij eerst problemen ondervinden, indien zij zich te nadrukkelijk op politiek of religieus terrein manifesteren, bijvoorbeeld door voor een verzetsbeweging actief te zijn.

Deze personen kunnen zich echter, bijvoorbeeld door een verblijf in het buitenland, verdacht maken. Zij lopen dan bij terugkeer in Sudan het risico te worden geconfronteerd met vormen van negatieve bejegening door de veiligheidsdiensten, zoals ondervragingen, (korte) detentie en meldingsplicht. Met het verblijf elders hebben zij zich immers onttrokken aan de controle door de veiligheidsdiensten. Op grond van hun etnische afkomst kunnen zij ervan worden verdacht activiteiten voor een verzetsbeweging te hebben verricht.

Hierbij dient te worden opgemerkt, dat voor een persoon uit deze categorie die vóór zijn vertrek uit Sudan langere tijd probleemloos in het noorden heeft kunnen verblijven en (ook) in het buitenland geen (prominente) oppositionele activiteiten heeft verricht, de kans gering is dat hij ernstige problemen van de zijde van de autoriteiten zal ondervinden. In dergelijke gevallen is het aannemelijk dat de veiligheidsdiensten met een ondervraging en eventuele kortdurende meldplicht voor betrokkene volstaan.

b.Personen behorende tot deze categorie die zich thans nog in het noorden willen vestigen

Ook wanneer zuiderlingen zich heden ten dage in het noorden willen vestigen profileren zij zich hiermee in de ogen van de autoriteiten.

Personen behorend tot een (zuidelijke) niet-Arabische bevolkingsgroep (incl. de groepen die gezamenlijk tot de Nuba worden gerekend) die woonachtig zijn in een gebied dat niet door de regering gecontroleerd wordt en die door een verzetsbeweging worden vervolgd, kunnen zich dan ook hieraan in het algemeen niet onttrekken door zich elders in Sudan te vestigen. Ook deze personen vestigen immers bij binnenkomst in een door de regering gecontroleerd gebied de aandacht van de Sudanese veiligheidsdiensten op zich en kunnen op grond van hun etnische afkomst worden verdacht van lidmaatschap van of sympathie voor een verzetsbeweging (die vooral langs tribale lijnen zijn ontstaan). Voor deze categorie kan een ernstige bejegening (verhoor en/of detentie, mogelijk inclusief mishandeling) door de veiligheidsdiensten niet worden uitgesloten.

Hierbij dient te worden opgemerkt, dat voor een persoon uit deze categorie die vóór zijn/haar vertrek uit Sudan langere tijd probleemloos in het noorden heeft kunnen verblijven en (ook) in het buitenland geen (prominente) oppositionele activiteiten heeft verricht, de kans gering is dat hij/zij ernstige problemen van de zijde van de autoriteiten zal ondervinden. In dergelijke gevallen is het aannemelijk dat de veiligheidsdiensten met een ondervraging en eventuele kortdurende meldplicht voor betrokkene volstaan.

Bij aankomst in een gebied dat door een (vijandige) verzetsbeweging wordt gecontroleerd, geldt voor deze categorie personen mutatis mutandis hetzelfde.

c. Personen behorende tot deze categorie, maar die tot een verzetsbeweging behoren die een vredesakkoord met de regering naleeft .

Personen die behoren tot een (zuidelijke) niet-Arabische bevolkingsgroep (inclusief Nuba) die tevens behoren tot een verzetsbeweging die een vredesakkoord met de regering naleeft, kunnen zich in het algemeen wel naar een door de regering gecontroleerd gebied begeven zonder te worden verdacht van lidmaatschap van een vijandige verzetsbeweging. Een gebied dat wordt gecontroleerd door een vijandige verzetsbeweging biedt deze categorie daarentegen in het algemeen geen adequaat vestigings- of verblijfsalternatief.

Voor de goede orde dient dat in principe elke Sudanees in staat moet worden geacht aan te geven tot welke bevolkingsgroep hij behoort. De familienaam is veelal reeds een eerste aanwijzing, maar ook de taal of het dialect van betrokkene geeft een belangrijke aanwijzing.

4.3 Beleid van de UNHCR

---
De UNHCR heeft haar beleid ten aanzien van de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers in de verslagperiode niet gewijzigd. Dat wil zeggen dat terugkeer van uitgeprocedeerde afgewezen Sudanese asielzoekers naar Sudan mogelijk wordt geacht, onder voorwaarde dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden en kenmerken van betrokkene(n).

Onvrijwillige terugkeer van Zuid-Sudanezen (en Sudanezen behorende tot een Nuba bevolkingsgroep) naar Khartoem wordt door UNHCR ten sterkste ontraden. Dit beleid is gebaseerd op het principe dat men bij repatriëring in staat moet kunnen zijn om naar het gebied van oorsprong of naar een gebied van eigen keuze te kunnen terugkeren. Vooral door de oorlogshandelingen die in delen van Zuid-Sudan (en het Nuba-gebergte) plaatsvinden is een veilige terugkeer naar Zuid-Sudan vaak niet mogelijk. Bovendien ontbreekt adequaat openbaar transport tussen Khartoem en Zuid-Sudan en Nuba-gebergte), waardoor het grootste deel van de Zuid-Sudanese repatrianten onder moeilijke omstandigheden in IDP-kampen (gesitueerd in en rondom Khartoem) zou terechtkomen. Verder gaat UNHCR er van uit dat Zuid-Sudanezen bij terugkeer in Sudan op grond van hun etnische afkomst, van SPLA-sympathie kunnen worden verdacht.

UNHCR acht onvrijwillige terugkeer van Noord-Sudanezen uitsluitend mogelijk indien vaststaat dat betrokkene bij terugkeer niet zal worden vervolgd voor onttrekking aan de dienstplicht en/of het illegaal verlaten van het land (republiekvlucht).

Voor individuen die vrijwillig naar Sudan (zowel noord als zuid) willen terugkeren is UNHCR-Khartoem bereid faciliterend op te treden, hoofdzakelijk door middel van het geven van voorlichting over de veiligheidssituatie in Sudan. Maar ook kan begeleiding op het vliegveld plaatsvinden en hulp bij het vinden van huisvesting en onderwijs. Betrokkene dient echter zelf zorg te dragen voor een ticket naar Khartoem en de reis van Khartoem naar de gewenste eindbestemming te regelen. In het algemeen voert UNHCR echter een ontmoedigingsbeleid jegens hen die naar Zuid-Sudan willen terugkeren. Bij uitzondering keerden vanuit Kenia en Uganda enkele Zuid-Sudanese vluchtelingen over de grens naar Zuid-Sudan terug. Dat ging slechts om enkele gevallen en betrof hoofdzakelijk gezinshereniging.

In tegenstelling tot hetgeen hierboven met betrekking tot vermeende SPLA-sympathieën is opgemerkt, bleken de via Khartoem vrijwillig terugkerende personen, behoudens de normale checks op het vliegveld van Khartoem, geen problemen van de autoriteiten te ondervinden.

4.4 Beleid van andere Westerse landen

---
Het beleid dat andere Westerse landen ten aanzien van Sudanese asielzoekers voeren wordt beschreven in de brief van 21 juni 2000 met kenmerk DPC/AM-539476/00. Sedertdien hebben zich geen wijzigingen in het beleid voorgedaan.

België, Duitsland, Frankrijk en Zweden maken in de beoordeling van de asielaanvragen onderscheid tussen Noord- en Zuid-Sudanezen (op individuele basis, zonder beleidsmatige richtlijnen), maar als de aanvraag eenmaal definitief is afgewezen, wordt in het verwijderbeleid dit onderscheid niet meer gemaakt. Er wordt (theoretisch) slechts verwijderd naar Khartoem. In alle vier de landen gaat het in vergelijking met Nederland om betrekkelijk kleine aantallen asielaanvragen. Het aantal effectieve verwijderingen naar Khartoem is, mede om technische redenen, zeer gering.

Aanvragen van Zuid-Sudanezen (en Nuba) die voor hun vertrek uit Sudan enige tijd zonder problemen in Noord-Sudan verbleven, kunnen in de vier landen in theorie worden afgewezen, waarna uitzetting naar Noord-Sudan zou volgen.

Over het beleid van het Verenigd Koninkrijk, dat niet in de brief van 21 juni 2000 werd weergegeven, kan het volgende worden vermeld.

Het aantal asielverzoeken door Sudanezen in het Verenigd Koninkrijk over de periode oktober 1999 - november 2000 bedroeg 460 (waarvan 70 ingewilligd). Het enkele behoren tot een bepaalde etnische groep of het enkele afkomstig zijn uit een bepaald geografisch gebied in Sudan, is onvoldoende om als politiek vluchteling in het Verenigd Koninkrijk te worden erkend. Het Verenigd Koninkrijk heeft geen beleidsmatige richtlijnen op grond waarvan bepaalde categorieën Sudanezen van terugkeer naar Sudan uitgezonderd zijn. Er wordt hierbij bijvoorbeeld geen onderscheid gemaakt tussen Noord- en Zuid-Sudanezen. Het Verenigd Koninkrijk heeft in genoemde periode afgewezen asielzoekers naar Sudan, dat wil zeggen naar Khartoem, verwijderd. Cijfers over de exacte aantallen zijn dezerzijds niet bekend. Voorzover bekend ondervonden de terugkerende Sudanezen bij of na terugkeer in Sudan geen noemenswaardige problemen.

4.5 Alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's)
---
Een Sudanese jongen is meerderjarig op de leeftijd van 18 jaar. Een meisje is dat op de leeftijd van 16 jaar. Vooral op het platteland worden meisjes vaak al eerder meerderjarig geacht en huwelijken van meisjes die jonger zijn dan 16 jaar komen voor. Bij de stedelijke bevolking wordt niet meer zo jong als vroeger gehuwd.

Het is in de Sudanese cultuur (zowel in het noorden als het zuiden) gebruikelijk dat minderjarigen die (bijvoorbeeld vanuit het buitenland) terugkeren door familieleden (eerste graad plus ooms, tantes, neven en nichten) worden opgevangen. Er zijn slechts weinig instanties die alleenstaande kinderen opvangen. Er zijn enkele kerkgebonden tehuizen alsmede tehuizen van islamitische NGOs of overheid. Deze instanties kampen alle met een chronisch tekort aan financiële middelen. De enkele weeshuizen die er zijn, staan bekend om de slechte leefomstandigheden. Misbruik van kinderen komt er niet zelden voor.

Christelijke kinderen die in een islamitisch tehuis terechtkomen, kunnen gedwongen tot de Islam worden bekeerd, terwijl jongens daar soms gedwongen worden besneden. Niet kan worden bevestigd dat in deze weeshuizen gedwongen recrutering plaatsvindt. Voorzover kan worden ingeschat kan vanuit Nederland geen beroep op deze instellingen worden gedaan. IOM-Khartoem speelt thans geen rol bij de opvang van AMA's, maar heeft zich bereid verklaard in de toekomst mogelijkheden tot samenwerking (via IOM-Den Haag) te willen bezien.

Een Britse NGO schat dat circa 10 tot 15% van het totale aantal wezen in een opvanghuis wordt opgevangen. De overigen worden door familie opgevangen of zijn op de straat aangewezen.


5 Samenvatting

---

Deels historisch gegroeide complexe binnen- en buitenlandse tegenstellingen hebben de politieke, veiligheids- en mensenrechtensituatie in Sudan gedurende vele jaren in belangrijke mate beïnvloed. Ondanks dat het over een fors economisch potentieel beschikt, kwam het land nauwelijks aan ontwikkeling toe. De belangrijkste oorzaak daarvan is een burgeroorlog die, met een onderbreking van 1972 tot en met 1983, sinds de onafhankelijkheid woedt en meer dan een miljoen doden heeft geëist.

Het conflict behelst naast strijd tussen de islamitische regering in Khartoem en christelijke en animistische verzetsbewegingen in het zuiden ook botsingen tussen de centrale regering en bevolkingsgroepen in het oosten en westen. In het zuiden werd de situatie vervolgens verergerd door onderlinge conflicten tussen de daar wonende etnische groepen. De aanwezigheid van moderne wapens maakte reeds bestaande confrontaties bloediger en oncontroleerbaarder. De situatie werd nog meer gecompliceerd nadat op 30 juni 1989 luitenant-generaal Omar Hassan Ahmed Al-Bashir een staatsgreep pleegde en voor het moslim-radicalisme koos. Zijn regering kreeg hierdoor te maken met een hoofdzakelijk vanuit het buitenland opererende noordelijke oppositiegroepering die die koers als te radicaal beschouwt en die ondanks deels tegengestelde belangen vervolgens ging samenwerken met de oppositie in het zuiden. De radicale koers van de regering zette bovendien de betrekkingen met het buitenland (verder) onder druk. Thans is de oliewinning vooral een haard voor conflicten.

Een deel van de zuidelijke oppositie en de Sudanese regering tekenden in april 1996 een 'political Charter'. Mogelijk als gevolg van deze ontwikkeling zocht de belangrijkste verzetsbeweging, het SPLA van Garang, toenadering tot de noordelijke oppositie.Vanaf het einde van 1996 werden gezamenlijke militaire acties nabij de grens van Eritrea uitgevoerd en ontstond er voor de Sudanese regering ook een front in het Oosten. Dit leidde er onder meer toe dat de regering verdere toenadering zocht. Zij tekende in april 1997 met de SSIM/A, GANTRY en enkele kleine facties het vredesakkoord van Khartoem.

Het akkoord van Khartoem kan worden gezien als begin van een proces van politieke liberalisering. In het akkoord erkent de regering formeel de religieuze, culturele en etnische diversiteit van Sudan. Verder werd vastgelegd dat na een overgangsperiode van 4 jaar door middel van een referendum over zelfbeschikking voor het zuiden zou worden besloten. Bovendien werden afspraken gemaakt over amnestieregelingen, de grondwet, fundamentele rechten en vrijheden en de rechtspraak. Het Akkoord van Khartoem werd aanvankelijk voortvarend uitgewerkt; rebellenleiders werden in bestuurlijke functies geplaatst en een 'Coördinatieraad voor het Zuiden' kwam tot stand.

Ook aan de wensen van het SPLA kwam de Sudanese regering vervolgens gedeeltelijk tegemoet. In juli 1997 accepteerde President Al-Bashir de 'Declaration of Principles' (DoP) als basis voor onderhandelingen over vrede.

In de tweede helft van 1998 en het begin van 1999 was er sprake van een stagnatie in het vredes- en liberaliseringsproces. De vertaling in lagere wetgeving van de gunstige bepalingen van een in 1998 inwerking getreden nieuwe grondwet vond nauwelijks plaats.

In de loop van 1999 kreeg het liberaliseringsproces weer een positieve impuls. Zo riep in maart 1999 de toenmalige de facto leider van Sudan, dr. Hassan al-Turabi, de in het buitenland verblijvende oppositieleiders op naar Khartoem terug te keren. In dit kader voerde hij geheime gesprekken met een van de belangrijkste noordelijke opponenten, voormalig premier Sadig al-Mahdi. Verder bood President Al-Bashir aan om de opdeling van het land te accepteren indien zulks tot een einde van de burgeroorlog zou leiden. Bovendien bood hij aan om rebellen die de gewapende strijd zouden opgeven, amnestie te verlenen.

Aan het begin van de verslagperiode leek het er aanvankelijk op dat het liberaliseringsproces zou worden stopgezet of zelfs teruggedraaid, onder meer toen president Al-Bashir in december 1999 de noodtoestand afkondigde. Met die actie verhevigde zich namelijk de strijd om de macht tussen hem en de NIF/NC(P)-ideoloog dr. Hassan Al-Turabi. Deze strijd heeft de politieke ontwikkelingen in de verslagperiode sterk beïnvloed en gevreesd werd dat deze een negatief effect op het democratiseringsproces zou hebben. Gebleken is dat die vrees voor een belangrijk deel ongegrond was. Het liberaliseringsproces, waaronder de verzoening met politieke tegenstanders (hierbij ging het vooral om de noordelijke oppositie), zette zich in de verslagperiode in het algemeen voort, zij het dat aan het einde van de verslagperiode de spanningen tussen de regering en vooral PNC- en NDA-leden opliepen.

Met voormalig premier en voorzitter van de Umma partij (deeluitmakend van de noordelijke oppositie, verenigd in de NDA), Sadig Al-Mahdi, sloot de regering in november 1999 een overeenkomst. De regering aanvaardde bij deze overeenkomst een aantal principes met betrekking tot de politieke inrichting van Sudan: religieus, etnisch en politiek pluralisme, verdeling van de welvaart, delegatie van bevoegdheden van het centrum naar de regio's en opheffing van het verbod op politieke partijen. Volgens Sadig Al-Mahdi was daarmee in essentie aan de eisen van de oppositie voldaan. De overige in de NDA samenwerkende oppositiepartijen en een deel van zijn eigen achterban steunden de actie van Al-Mahdi niet. De actie leidde echter niet tot het uiteenvallen van de NDA.

In april 2000 leidde de politieke strijd tussen de president en Al-Turabi ertoe dat laatstgenoemde uit de regeringspartij, de/het National Congress (Party), NC(P), werd gestoten. Hij richtte vervolgens een eigen partij op, genaamd het Popular National Congress (PNC), dat vervolgens een van de belangrijkste oppositiepartijen werd.

De SPLM/A, die de regering ervan beschuldigde het aantal bombardementen in Zuid-Sudan te hebben opgevoerd, schortte in mei 2000 haar deelname aan de vredesbesprekingen op.

Aan het eind van de verslagperiode waren de betrekkingen met alle buurlanden met uitzondering van Uganda, volledig hersteld. Aannemelijk is dat de positie van de oppositiebewegingen in Sudan hierdoor is verzwakt. De relatie met de Verenigde Staten die zich goed leek te ontwikkelen, liep aan het einde van de verslagperiode weer enige schade op.

Delen van Sudan zijn niet veilig. Het gaat dan vooral om Zuid-Sudan, het Nuba-gebergte en (in mindere mate om) een smalle strook van de noordoostelijke deelstaat Kassala, ten oosten van de stad Kassala en inclusief Kassala (sedert november 2000) en een deel van de noordoostelijke deelstaat Blue Nile, het gebied ten zuiden van Ulu.

Het is niet mogelijk om exacte frontlinies binnen Sudan aan te geven. Vooral in Eastern Equatoria, Bentiu/Mayom en gebieden rondom Malakal, Wau en ten oosten van de stad Kassala bestaat het gevaar van mijnenvelden.

De mensenrechtensituatie in Sudan verbeterde de laatste twee jaar licht, maar zij dient nog als zorgwekkend te worden getypeerd. In de conflictgebieden is door de ernst en frequentie van de schendingen de situatie het meest zorgelijk.

In de verslagperiode begon praktische doorwerking van de nieuwe grondwet van 1998 via aanpassing van de lagere wetgeving geleidelijk aan meer gestalte te krijgen.

Politieke partijen konden in redelijke mate ongestraft politieke activiteiten verrichten, hoewel er nog geen volledige vrijheid was. Activisten werden van tijd tot tijd nog (kort) vastgehouden en verhoord. Het zijn vooral NDA- en PNC-leden die thans nog problemen (arrestatie en detentie) van de zijde van de autoriteiten ondervinden.

Als gevolg van verleende amnestiemaatregelen keerde in de verslagperiode een aantal politieke tegenstanders 9vooral UP-leden) zonder problemen in Sudan terug.

De belangrijkste noordelijke oppositiepartijen boycotten de vervroegde presidents-en parlementsverkiezingen die in december 2000 plaatsvonden. De verkiezingen bleken niet eerlijk en vrij te zijn verlopen.

De onafhankelijke mensenrechtenorganisaties die de laatste jaren in Sudan actief zijn geworden, konden niet in volledige vrijheid opereren. Kranten werden van tijd tot tijd verboden en het kwam nog voor dat journalisten werden gearresteerd.

Met betrekking tot de godsdienstvrijheid hebben zich geen noemenswaardige ontwikkelingen voorgedaan. Er zijn geen aanwijzingen dat het enkele individueel belijden van andere religies dan de islam tot ernstige problemen met de Sudanese autoriteiten leidt. Indien een persoon zich echter publiekelijk sterk als christen profileert kan hij/zij wel problemen van overheidszijde (bijvoorbeeld arrestatie) of van fanatieke moslims ondervinden. In de verslagperiode hebben zich op dit vlak geen ernstige incidenten voorgedaan.

In de praktijk blijken bewegings- en vestigingsvrijheid beperkt te zijn. Vooral het reizen vanuit (relatief) onveilige gebieden naar veilige gebieden, en omgekeerd, wordt ernstig bemoeilijkt.

Politieke activisten en werknemers van NGO's kunnen bij het verkrijgen van reis- en verblijfsdocumenten problemen ondervinden (tot weigering toe).

Personen die uit gevangenschap naar het buitenland zijn gevlucht kunnen bij terugkeer opnieuw worden gearresteerd. Dat geldt evenzo voor personen die de wet hebben overtreden (commuun delict).

Van een eerlijke rechtsgang is in de praktijk nog geen sprake. Zo kunnen personen lang (tot zes maanden) worden vastgehouden zonder dat zij officieel in staat van beschuldiging worden gesteld. Ook komt het voor dat personen worden verplicht zich over een periode dagelijks bij een veiligheidsdienst te melden.

Tegen slechte of onheuse bejegening door de veiligheidsfunctionarissen bleek in de praktijk nog geen beroep mogelijk te zijn.

Voorzover bekend waren er gedurende een groot deel van de verslagperiode geen politieke gevangenen in Sudan. Militaire gevangenen op verdenking van poging tot staatsgreep en dergelijke waren er evenmin. Aan het einde van de periode vond daarentegen arrestatie van vooral NDA- en PNC-leden plaats.

Niet kan worden uitgesloten dat de Sudanese autoriteiten vermeende politieke tegenstanders, onder voorwending van een door hen begaan commuun delict, arresteren.

Politieke en mensenrechtenactivisten die een ander standpunt dan de regering innemen lopen een relatief groter risico om slachtoffer van mishandeling en of marteling te worden. Dit geldt evenzo voor zuiderlingen die van politiek activisme worden verdacht. De enkele etnische afkomst van de zuiderling stelt hem als zodanig niet aan meer risico bloot.

Buitengerechtelijke executies komen voor, vooral in de conflictgebieden.

De doodstraf werd vele malen uitgesproken en soms ook ten uitvoer gebracht.

Sudanezen die een leeftijd hebben van tussen de 18 en 33 jaar, kunnen worden verplicht een periode (van in beginsel 24 maanden ) nationale dienstplicht te vervullen. Controle op de naleving van de dienstplicht is moeilijk.

Voorzover bekend wordt niemand ongetraind naar het oorlogsfront gestuurd.

Het is niet aannemelijk dat een rekruut enkel en alleen op grond van zijn etnische afkomst bij onttrekking aan de dienstplicht een zwaardere straf krijgt opgelegd.Dat politieke tegenstanders bij wijze van straf door de autoriteiten in een trainingskamp worden geplaatst kan dezerzijds niet worden bevestigd.

De PDF bestaat nog, maar de trainingen vinden thans onder National Military Service (NMS) voorwaarden plaats.

Voor alleenstaande vrouwen in Sudan is het moeilijk om in het levensonderhoud te voorzien. Mede hierom komt prostitutie onder christelijke en de laatste jaren ook bij moslimvrouwen, veelvuldig voor.

Besnijdenis is in Sudan een keus van de ouders, doch de keuzevrijheid hangt nauw samen met de religieus/culturele opvatting van de familie en omgeving.

Er zijn in Sudan ook gevallen van gedwongen besnijdenis bekend.

Alle bij het militaire conflict betrokken partijen in Sudan maken zich schuldig aan verkrachting van vrouwen. Systematische verkrachting vanuit een bepaalde strategie vindt echter niet plaats.

Alle partijen in het conflict in Sudan maken zich schuldig aan schending van de rechten van het kind.

De inzet van de regering tegen vormen van slavernij lijkt de laatste jaren te zijn toegenomen.

Op grond van de mensenrechtensituatie kan op individuele gronden vrees voor vervolging bestaan.

Personen die door de Sudanese regering als politieke tegenstanders worden gezien en te maken krijgen met maatregelen van de zijde van de veiligheidsdiensten, kunnen zich daaraan in het algemeen niet onttrekken door zich elders in Sudan te vestigen.

Personen die behoren tot een (zuidelijke) niet-Arabische bevolkingsgroep (inclusief Nuba) en die reeds langere tijd in een door de regering gecontroleerd gebied wonen.lopen in het algemeen géén groter risico dan de Noord-Sudanezen om hinder van de zijde van de veiligheidsdiensten te ondervinden. Voor hen geldt evenzo dat zij eerst problemen ondervinden indien zij zich te nadrukkelijk op politiek of religieus terrein manifesteren, bijvoorbeeld door voor een verzetsbeweging actief te zijn.

Deze personen kunnen zich echter, bijvoorbeeld door een verblijf in het buitenland, verdacht maken.

Ook wanneer zuiderlingen zich heden ten dage in het noorden willen vestigen profileren zij zich hiermee in de ogen van de autoriteiten.

Hierbij dient te worden opgemerkt, dat voor een persoon uit deze categorie die vóór zijn/haar vertrek uit Sudan langere tijd probleemloos in het noorden heeft kunnen verblijven en (ook) in het buitenland geen (prominente) oppositionele activiteiten heeft verricht, de kans gering is dat hij/zij ernstige problemen van de zijde van de autoriteiten zal ondervinden.

Personen die behoren tot een (zuidelijke) niet-Arabische bevolkingsgroep (inclusief personen behorende tot de Nuba bevolkingsgroepen) die tevens behoren tot een verzetsbeweging die een vredesakkoord met de regering naleeft, kunnen zich in het algemeen wel naar een door de regering gecontroleerd gebied begeven zonder te worden verdacht van lidmaatschap van een vijandige verzetsbeweging.

De UNHCR heeft haar beleid ten aanzien van de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers in de verslagperiode niet gewijzigd. Dat wil zeggen dat terugkeer van uitgeprocedeerde afgewezen Sudanese asielzoekers naar Sudan mogelijk wordt geacht, onder voorwaarde dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden en kenmerken van betrokkene(n).

Onvrijwillige terugkeer van Zuid-Sudanezen naar Khartoem wordt door UNHCR ten sterkste ontraden.

Het beleid dat andere Westerse landen ten aanzien van Sudanese asielzoekers voeren wordt vooral beschreven in de brief van 21 juni j.l. met kenmerk DPC/AM-539476/00. Sedertdien hebben zich geen wijzigingen in het beleid voorgedaan.

Het is in de Sudanese cultuur (zowel in het noorden als het zuiden) gebruikelijk dat minderjarigen die (bijvoorbeeld vanuit het buitenland) terugkeren door familieleden worden opgevangen. Er zijn in Sudan slechts weinig instanties die alleenstaande kinderen opvangen.

Voorzover kan worden ingeschat kan vanuit Nederland geen beroep op deze instellingen worden gedaan. IOM-Khartoem speelt thans geen rol bij de opvang van AMA's, maar heeft zich bereid verklaard in de toekomst mogelijkheden tot samenwerking (via IOM-Den Haag) te willen bezien.

LIJST VAN AFKORTINGEN

DUP Democratic Unionist Party, verboden politieke partij o.l.v. Muhammad Uthman Al-Mirghani. Maakt deel uit van de NDA.

EVRM Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

GANTRY

Gogrial Aweil Nyamlell Tonj Rumbek and Yirol, rebellenbeweging die tot september 1999 onder leiding van Kerubino Bol stond. Zie ook SPLA-BEG.

IDP Internally Displaced Person

IGAD Intergovernmental Authority on Development. Leden zijn Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Kenia, Somalië, Sudan en Uganda. Huidige voorzitter is Sudan.

IPF IGAD Partners Forum. Leden zijn Canada, Italië, Nederland, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Huidige voorzitter is de Noorse mw. Johnson.

LT-SAF Legitimate Command of the Sudanese Armed Forces. Gevormd door dissidente offcieren uit het Sudanese leger. Maakt deel uit van de NDA. Staat o.l.v. Lt-Gen. Abd al-Rahman Sa'id.

NC(P) National Congress (Party). Voor januari 1999 bekend als National Islamic Front (NIF).

NDA National Democratic Alliance, een samenwerkingsverband van een aantal sinds 1989 verboden Sudanese politieke partijen, vakbonden, officiersgroepen, e.d. die zich verzetten tegen de islamisering en het militaire en ondemocratische karakter van het regime. De SPLM is formeel geen lid, maar werkt wel samen met de NDA. De NDA is de belangrijkste noordelijke opponent van de regering.

NIF National Islamic Front. Sedert januari 1999 geregistreerd als politieke associatie onder de naam National Congress (Party), NC(P). Voorzitter was Dr Hassan Al-Turabi, maar die geeft thans leiding aan een politieke partij, genaamd het Popular National Congress (PNC).

NSCC New Sudan Council of Churches

OLS Operation Lifeline Sudan, een door de VN gecoördineerde noodhulporganisatie met hoofdkwartieren in Khartoem en Nairobi.

PDF Popular Defence Forces, paramilitaire eenheden aangestuurd door de Sudanese regering.

PNC Popular National Congress. Sedert juni 2000 officieel geregistreerde politieke partij o.l.v. Dr. Hassan Al-Turabi, die kort daarvoor uit het NIF was gestoten.

PPF People's Police Force

SAF Sudan Allied Forces, gewapende strijdkrachten van de NDA. Vanaf begin 1996 actief. Gevormd door voormalige (ontslagen) militairen o.l.v. Brig. Abdul Aziz Khalid. Opereren onder meer vanuit kampen in het grensgebied met Eritrea.

SHRG Sudan Human Rights Group

Groep advokaten die zich met de mensenrechtensituatie in Sudan bezighouden. Leiding in handen van Ghazi Suleiman

SPAF Sudanese Peoples Armed Forces (regeringsleger)

SPLM/A Sudan People's Liberation Movement / Army - (SPLA-mainstream) oppositiebeweging o.l.v. Kol. John Garang. Vnml. Dinka aanhangers. Maakt deel uit van de National Democratic Alliance (NDA). De humanitaire vleugel van deze bewging heet Sudan Relief and Rehabilitation Association (SRRA).

(SPLA-BEG) SPLA-Bahr-el-Ghazal

Afsplitsing van de SPLA, o.l.v. Kerubino Bol. Medeondertekenaar van het vredesakkoord van Khartoem in april 1997. Vanaf februari 1998 o.l.v. Lawrence Lual Lual, nadat Kerubino zich weer bij het SPLA aansloot.

Maakt deel uit van de Southern Sudan Defence Force (SSDF). Ook wel GANTRY genoemd.

SPLA-Nuba Mountains

Afsplitsing (juni 1996) van het Central Commitee of the Nuba Mountains SPLA o.l.v. Muhammad Harun Kafi. Tekende een akkoord met de Sudanese regering. Het restant van de Nuba Mountains SPLA o.l.v. Yusuf Kuwah bleef bij de SPLA-Mainstream van Garang behoren.

SPLA-United

(voormalig SPLA-Nasir) Afsplitsing van het SPLA o.l.v. Lam Akol welke een overeenkomst met de Sudanese regering afsloot.(Een deel reeds in april 1997). De humanitaire vleugel van de ze beweging is genaamd Fashoda Relief and Rehabilitation Association (FRRA).

SRRA Sudan Relief and Rehabilitation Association

Humanitaire vleugel van de SPLM/A

SSDF / UDSF

Southern Sudan Defence Force (de naam van de poltieke vleugel luidt United Democratic Salvation Front).

Militaire beweging die de gewapende vleugels van de ondertekenaars van het vredesakkoord van Khartoem april 1997 omvat (SSIM/A, GANTRY, Bor Independence Group, Equatoria Defence Force, SPLA-United factie van Prof. Lam Akol)

Stond tot februari 2000 onder leiding van Riak Machar, die zich die maand formeel terugtrok.

Naast de formele SSDF bestaat een SSDF-2. Deze strijdkrachten maakten zich in december 1998 o.l.v. de militaire leider Gatwich Gatkouth los van de SSDF. Niet duidelijk is of deze factie samenwerkt met het SPLA van John Garang.

SSIM/A South Sudan Independance Movement/Army

Deel van de SPLA-United dat o.l.v. Riak Machar andere naam aannam.. De beweging van Riak Machar heet thans Sudan Peoples Democratic Front (SPDF). Maakte deel uit van het SSDF.

SSLM Suuth Sudan Liberation Movement

rebellenbeweging die sedert januari 2000 bestaat en onder leiding staat van Dr Wial Duany. Komt voort uit de SSIM, maar is thans een concurrent van deze beweging. Staat niet aan de zijde van de Sudanese regering.

UNPC Upper Nile Provisional Command

Militaire bevelsstructuur die eind 1999 voortkwam uit de SSDF. De UNPC richt zich tegen de regering. Een deel van de factie van Paulino Matib (SSUA) en een factie van het SPLA maken deel uit van de UNPC.

USAP Union of Sudanese African Parties

Een niet officieel geregistreerde politieke organisatie waarin diverse zuidelijke organisaties samenwerken, en die deeluitmaakt van de NDA. De USAP is nauw verwant aan de SPLM/A. De USAP wil via een vreedzame weg een politieke oplossing van het conflict in Sudan. De USAP functioneert in Khartoem als spreekbuis voor de SPLM/A.

LITERATUUR

Bij de totstandkoming van dit ambtsbericht is onder meer gebruik gemaakt van de volgende bronnen.

Africa Confidential, SUDAN, The NIF goes on a charm offensive (Vol 40 No 13, 25 juni 1999)

Africa News Service, Inc., Africa News, Central Africa (24 juni 1999)

Africa South of the Sahara 1999, SUDAN (pag. 1014 - 1044)

Al Sadig Al Mahdi, Human Rights in the Sudan (brief aan UN High Commissioner for Human Rights, Genève, d.d.24 maart 1999)

Amnesty International, Amnesty's Wordt Vervolgd, nr. 9 (september 1999)

Amnesty International, Bliksemactie, SUDAN (Amsterdam,

AFR 54/05/99, 54/06/99, 54/07/99, 54/08/99, 54/08/99, 54/09/99, 54/10/99, E54/14/99, 54/10/00, 54/11/00, 54/07/00,54/03/01, 54/06/01)

Amnesty International, Afdeling Nederland, Brief aan de Rechtbank Haarlem Sectot bestuursrecht (REK) (Amsterdam, 9 april 1999)

Amnesty International, Jaarboek 1999, 1 januari 1998 - 31 december 1998, Soedan/Afrika (Amsterdam, 16 juni 1999)

Amnesty International, SUDAN, Justice? The trial of Father Hillary Boma and 25 others, An update (Londen, AFR 54/03/99, 22 februari 1999)

Amnesty International, Sudan: The Human Price of Oil (Londen, AFR54/01/00, mei 2000)

Amnesty International, Urgent Action, SUDAN, Fear of torture or ill-treatment / Possible Prisoner of Conscience (Londen, AFR 54/01/99, 5 januar 1999)

Arada persberichten

BBC News, Africa, Controversial poll boycott in Sudan, 12 december 2000

The Economist Intelligence Unit, kwartaaloverzichten en Country Profiles 1999-2000, 2000-2001, (londen)

Grimes, B.F., Ethnologue, 13th edition, Summer Institute of linguistics, 1996

Home Office, Immigration and Nationality Directorate, Country Information and Policy Unit, Sudan, Country Assessment (oktober 1998 en maart 1999)

Human Rights Watch, Famine in Sudan, 1998, The Human Rights Causes (februari 1999)

Human Rights Watch, SUDAN, global trade, local impact, Arms Transfers to all Sides in the Civil War in Sudan (Vol.10, No.4(A), augustus 1998)

Human Rights Watch, Sudan Government and Rebels Guilty of Death in Custody (New York, 21 april 1999)

Human Rights Watch, World Reports 1999, 2000,2001 SUDAN

Immigratie- en Naturalisatiedienst, Bureau Buitenland, Beleid van andere landen t.a.v. uitgeprocedeerde Sudanese asielzoekers (29 oktober 1999)

Koninklijk Instituut voor de Tropen, Landenreeks, Sudan (Amsterdam, 1998)

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Sudan, situatie i.v.m. asielprocedures (kenmerk DPC/AM-539476, 23 september 1998)

Minority Rights Group International, Sudan: Conflict and minorities (Londen, 1995)

Press Digest, Vol.VI, No.7, SUDAN (18 februari 1999), Vol.VI, No.16, SUDAN (22 april 1999), Vol.VI, No.19, SUDAN (13 mei 1999), Vol.VI, No.32, SUDAN (12 augustus 1999)

Reuters, Africa Highlights (5 juli 1999)

Sudanese Victims of Torture Group, Report on Human Rights Practices in Sudan, January - December 1998 (Londen, maart 1999)

Sudan Human Rights Organisation, Review of the Human Rights Situation in Sudan, Presented to the 55th Session of the UN Commission on Human Rights, Maart 1999 (Londen, maart 1999)

UN, General Assembly, Situation of human rights in the Sudan A/54/467 (14 oktober 1999)

UN, High Commissioner for Refugees, UNHCR's position on the expulsion of rejected Sudanese asylum seekers, (brief aan Permanente Vertegenwoordiger te Genève, 23 september 1999)

UN, Mr. Leonardo Franco, Speciale VN rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Situation of human rights in the Sudan (Addendum to E/CN.4/1999/38), Visit of the Special Rapporteur, Mr. Leonardo Franco, to the Republic of the Sudan, 13-24 February 1999.

UN, Mr. Leonardo Franco, Speciale VN rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Interim report of the Special Rapporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in the Sudan (A/55/374), 11 september 2000

US Department of State, Bureau of Democracy, Human Rights, and Labour, U.S. Department of State, Sudan Country Report on Human Rights Practices for 1998 (februari 1999), for 1999 (februari 2000), en 2000 (februari 2001)

BIJLAGE I Kaart SudanBIJLAGE II

VEILIGHEIDSDIENSTEN / PARAMILITAIRE ORGANISATIES


· National Security Force(s) (NSF)

De veiligheidsdienst die sedert 1999 het best kan worden aangeduid met National Security Force(s) (NSF) werd opgericht ten tijde van president Nimeiri. Tot 1990 werden medewerkers van deze veiligheidsdienst gerecruteerd uit het beroepsleger (SPAF). Na twee jaar dienst te hebben gedaan bij de security werd hen de keuze geboden om of terug te gaan naar het leger of te blijven bij de veiligheidsdienst. Na 1990 werden ook personen van buiten het leger gerecruteerd. De NSF, die belast is met de nationale en territoriale verdediging, stond sinds 1990 tot medio 1995 onder leiding van de van buiten aangetrokken NIF-ideoloog Nafie Ahmed Nafie. Deze moest zijn functie opgeven vanwege diens (vermeende) betrokkenheid bij de moordaanslag op president Mubarak.

Zowel de NSF-afdeling Internal Security (Force) als de afdeling External Security(Force), die ook wel wordt aangeduid met Sudanese Inteligence Organ(isation), staan onder officieel toezicht van de President.Deze heeft de directe dagelijkse leiding gedelegeerd aan de minister van Binnenlandse Zaken, thans Maj. General El Hadi Abdallah, het voormalige hoofd van de interne veiligheidsdienst.

De huidige directeur van de Internal Security (Force) is Abdelkarim, een neef van president Al-Bashir. Het hoofd van de External Security (Force) is thans El Fatih Al Geili, een professionele veiligheidsfunctionaris uit de tijd van president Nimeiri.


· Revolutionary Security Force (RSF) ( Amn Al Thawra)
De Revolutionary Security Force (RSF) was tot voor kort de facto een instrument van voormalig NIF/SNC leider Dr. Hassan Al Turabi en hield toezicht op (vermeende) politieke tegenstanders van de regering. Daarnaast hield deze veiligheidsdienst toezicht op het leger en politie. De RSF rapporteerde aan het NIF/SNC. Daar waar deze veiligheidsdienst samenwerkte met de NSF prevaleerde de SR.

Of Dr. Hassan Al Turabi na diens uitstoting uit het NIF/SNC en de oprichting van zijn nieuwe Popular National Congress (party) in mei 2000, de dienst nog kan aansturen, is niet duidelijk. Algemeen wordt in Sudan aangenomen dat de gouverneur van Khartoem, Mahjoub El Khalifa Ahmed, de leiding van deze dienst heeft overgenomen. Omdat het hier een fanatieke islamitische groep betreft, kan niet worden uitgesloten dat Dr. Hassan Al-Turabi nog belangrijke invloed uitoefent. De dienst heeft door het meer liberale regeringsbeleid wel aan belang ingeboet en het is niet waarschijnlijk dat ze thans nog prevaleert over de nationale veiligheidsdienst die onder bevel van president Al-Bashir staat.


· Military Intelligence (of: Military Security)
Naast de Nationale Veiligheidsdienst en de Revolutionary Security Force fungeert op militair vlak nog de Military Intelligence. Deze dienst staat onder het bevel van de minister van Defensie en werkt samen met de militaire politie, wiens leden op straat vaak te zien zijn in militair kaki en vuurrode baretten.


· Popular Defence Force(s) (PDF)

Zie beschrijving in paragraaf 3.4.1.


· Popular Committees (PC)

De Popular Committees (PC) vormen geen veiligheidsdienst of paramilitaire organisatie, maar worden door hun werkzaamheid als collaborateurs van het regime wel vaak als zodanig beschouwd.Deze buurtcomite's zijn samengesteld uit enkele het regime welgevallige moslims. Tot voor enkele jaren geleden hielden de PC zich onder meer bezig met het verschaffen van bonnen, waarmee goedkoop basisvoedsel als suiker, bonen of olie kon worden gekocht. Daar er thans aan dergelijke produkten geen tekort meer is, hebben de PC aan macht en invloed ingeboet. Buurtbewoners dienen zich voor bepaalde zaken nog wel bij de PC te melden, zoals voor de verificatie/legalisatie van de goedkeuring van een echtgenoot of vader voor een buitenlandse reis van echtgenote of dochter. Verder hebben de PC een sociale functie bij huwelijken en begrafenissen, bijvoorbeeld door middel van de verhur van tenten, stoelen, e.d.

BIJLAGE III

OVERZICHT RECHTBANKEN IN SUDAN

Civil Courts

De Civil Courts kennen een viertal echelons, te weten de District/Magistrate Courts, de Provincial Courts, de Courts of Appeal en de Supreme Court.

In het District Court komen civiele kwesties aan de orde, in de Magistrate Courts strafzaken. In District Courts worden als straffen zgn. 'Remedies' opgelegd, zoals compensatie voor aangebrachte schade, speciale taakstelling (zoals tenuitvoerlegging van overeenkomsten) en lastgevingen. De meeste civiele zaken die aan de District Courts worden voorgelegd worden daar ook afgehandeld. De rechter dient rekening te houden met de omvang van de claim en de daarbij behorende strafmaat. Wanneer deze zijn bevoegdheden te boven gaan dient hij de zaak voor te leggen aan het eerstvolgende hogere gerechtshof, het Provincial Court.

Strafzaken voorgelegd aan de Magistrate Courts betreffen in het algemeen lichtere vergrijpen. Straffen die door de Magistraat kunnen worden opgelegd zijn veelal boetes, korte gevangenistraffen, zweepslagen e.d. Zwaardere gevallen worden voorgelegd aan de Provincial Courts.

Waar in de District en Magistrate Courts maar één rechter aanwezig is, zijn in de hogere gerechtshoven drie of meer rechters aanwezig.

In zwaardere strafzaken die in de Provincial Courts worden behandeld kunnen straffen worden opgelegd als boetes, gevangenisstraffen, geseling, amputaties van ledematen alsmede de doodstraf. Deze laatste straf kan worden uitgevoerd door ophanging, steniging (in geval van overspel) of in de vorm van vergelding (gsas). Dit laatste houdt in dat de straf op identieke wijze als het vergrijp wordt uitgevoerd. Eveneens kan volgens sommige rechtsgeleerden een veroordeelde voor gewapende moordoverval worden veroordeeld tot kruisiging. Hieronder wordt verstaan dat een verdachte eerst door ophanging ter dood wordt gebracht, waarna hij aan een kruis (of paal) wordt genageld als afschrikwekkend voorbeeld voor de bevolking. Zoals eerder vermeld worden in Sudan voorzover dezerzijds bekend hududstraffen, met uitzondering van geseling, niet ten uitvoer gebracht.

Wanneer een veroordeelde een financiële compensatie aanbiedt welke door de aanklager wordt geaccepteerd moet de rechter zich bij deze onderling overeengekomen regeling neerleggen.

De doodstraf, maar ook een levenslange gevangenisstraf, uitgesproken door een Provincial Court dient altijd te worden geconfirmeerd door het Hooggerechtshof dat vervolgens een aanbeveling doet aan de President van de republiek die het vonnis dient te bekrachtigen. Het advies van het Hooggerechtshof kan, ook wanneer het van oordeel is dat de gevolgde procedures en het vonnis op zich correct zijn, adviseren om de doodstraf niet uit te voeren.

In iedere wat grotere plaats zijn District Courts en/of Provincial Courts. In elk van de vroegere 9 deelstaten bevond zich een Court of Appeal. Na de uitbreiding van het aantal deelstaten tot 26 in 1994, is dat niet meer het geval. In veel deelstaten is geen Court of Appeal aanwezig. Men kan zich dan wenden tot een Court of Appeal in een andere deelstaat.

Beroepsmogelijkheid

In het algemeen is beroep tegen uitspraken van Provincial Courts mogelijk bij het Court of Appeal en uiteindelijk bij het Hooggerechtshof.

Het Hooggerechtshof bestaat uit een aantal afdelingen die zich buigen over de zaken die door de civiele en religieuze gerechtshoven worden voorgelegd (de Customary Law Courts kunnen dit niet). Voor wat betreft strafzaken fungeert het Hoogerechtshof als een beroepsinstantie. Voorts dient het Hof zaken waarin de doodstraf is uitgesproken te bevestigen. Het Hof kan ook op eigen initiatief strafzaken qua gevolgde procedure aan een nader onderzoek onderwerpen en opdracht geven tot een nieuwe behandeling.

Voor wat betreft civiele zaken fungeert het Hof als een beroepsinstantie.

In eerste aanleg spreekt het Hof zich uit over constitutionele aangelegenheden.

Voorheen waren alle rechters van het Hooggerechtshof juridisch geschoold, maar tegenwoordig hebben in het Hooggerechtshof ook sharia rechters zitting. Wel dient de Chief Justice allround juridisch geschoold te zijn.

Het Hooggerechtshof bestaat uit maximaal 45 rechters. Thans zijn het er slechts 24. Dit zijn de opperrechter, 3 waarnemend opperrechters, 3 vrouwelijke rechters, 2 rechters afkomstig uit Zuid-Sudan en de overigen uit Noord-Sudan. Aantal en samenstelling van het hof veranderen van tijd tot tijd.

De Customary Law Courts

De meest gefrequenteerde rechtbanken zijn de Customary Law Courts. Voorheen waren deze bekend als de Chief Courts in het zuiden van het land en als Native Courts in het Noorden. In de eerste treden de zgn. chiefs en in de laatste de sjeiks op als rechters. De reden dat de Customary Law Courts zo vaak gefrequenteerd worden is dat de Civil Courts en Sharia Courts overwegend te vinden zijn in de grotere plaatsen, terwijl de Customary Law Courts ook in kleinere plaatsen en op het platteland aanwezig zijn. De Customary Law Courts zijn in Khartum afgeschaft. Daarnaast zijn de procedures er minder formeel, zijn de kosten aanmerkelijk lager en de rechtspraak sneller. De rechters zijn niet juridisch geschoolden, maar leken die over het algemeen een goede reputatie hebben. De rechters zijn notabelen, volkshoofden en sheiks van goede naam en faam. Zij spreken recht naar traditioneel gewoonterecht, hetgeen met name in het islamitische Noorden van het land betekent dat er een grote invloed is van de sharia. Aanvankelijk werden in de Customary Law Courts alleen civiele zaken behandeld, maar met de modernisering van het land en de daarmee gepaard gaande grotere invloed van de overheid zijn ook strafzaken doorverwezen naar de Customary Law Courts. In tegenstelling tot de Civil Courts en Sharia Courts is beroep op het Hooggerechtshof niet mogelijk. De Customary Law Courts kunnen alle straffen opleggen die Civil Courts kunnen opleggen, met uitzondering van de doodstraf (deze dient immers door het Hooggerechtshof en de President van de republiek te worden bekrachtigd). Naar verluidt zouden soms wel doodstraffen worden opgelegd door de Customary Law Courts, waarbij evenwel moet worden aangetekend dat daarvan dezerzijds geen bevestiging is verkregen.

Bijzondere rechtbanken (Special Courts)

De Special Courts zijn met name belast met vergrijpen die strafbaar zijn krachtens de shari'a. Deze rechtbanken worden ingesteld door de Chief Justice. Beroep tegen uitspraken van deze rechtbanken is in principe mogelijk bij een Court of Appeal. Cassatie bij het Hooggerechtshof is slechts mogelijk indien de Chief Justice hierin op verzoek van betrokkenen toestemt.

(Price Courts and) Public Order Courts

Kort na de machtsovername op 30 juni 1989 werden de Revolutionary Courts ingesteld. Zij dienden ter berechting van overtreders van de noodwetgeving. Bepaalde strafrechtelijke vergrijpen zoals het in gevaar brengen van de staatsveiligheid, hoogverraad alsook niet geautoriseerde handel in vreemde valuta werden aan de jurisdictie van de reguliere rechterlijke macht onttrokken en toegewezen aan deze nieuw ingestelde revolutionaire rechtbanken. De rechters waren niet altijd juridisch geschoold en deelden strenge straffen uit, waaronder de doodstraf.

In 1991 zijn de Revolutionary Courts vervangen door de Price Courts en Public Order Courts. Laatstgenoemde rechtbanken staan ook bekend als "Special Security Courts". Sedert de komst van een nieuwe Chief Justice in 1994, bestaan de Price Courts alleen nog op papier. In de praktijk functioneerden sedertdien slechts de Public Order Courts en dan uitsluitend in Khartoum State. Medio 2000 hief de minister van Justitie de speciale status van de Public Order Courts op. Overtredingen van de de Public Order Law, die sedert 1985 uitsluitend in Khartoum State van toepassing is, dienen thans in de criminal courts te worden behandeld. De praktijk is dat uitsluitend de naam Public Order Court gewijzigd is. Het zijn nog immer ad hoc samengestelde rechtbanken, dat wil zeggen speciaal ingericht voor de te behandelen zaak. Straflegging wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd. Er is geen beroep mogelijk. Wel dient er nu tenminste één magistraat (persoon met partiële juridische opleiding) aanwezig te zijn.

De benoeming van de rechters, die niet altijd juridisch zijn geschoold, vindt plaats door een panel dat nauwe banden met het NIF onderhoudt. De Public Order Courts worden veelal bemand door jonge aanhangers van het regime en van de ideologie van het NIF. Deze bijzondere rechtbanken zijn vooral belast met vergrijpen die strafbaar zijn krachtens de shari'a. Ze behandelen onder andere alcoholdelicten, het onwettig bewonen van andermans goed, de verstoring van de openbare orde en handelingen in strijd met de volksgezondheid zoals het eten van vlees van een dier dat niet op islamitische wijze is geslacht. De rechtsgang is uiterst summier en wordt niet schriftelijk vastgelegd. (De Price en) Public Order courts zijn berucht om hun strenge straffen. Naast boetes, gevangenisstraffen en inbeslagneming van bezittingen, leggen zij ook zweepslagen op. Ze worden beschouwd als instellingen van onderdrukking en intimidatie. (Price en) Public Order Courts mogen geen doodstraf opleggen.

Military Courts

In de jaren volgend op de machtsovername in juni 1989 zijn op ad hoc basis militaire rechtbanken ingesteld voor de berechting van militairen en burgers die verdacht werden van samenzwering tegen het regime. De procesvoering bij de militaire rechtbanken is niet openbaar en de mogelijkheden tot verdediging zijn inadequaat. De vonnissen zijn onherroepelijk. Militaire rechtbanken zijn bevoegd, ter bestraffing van misdrijven tegen de staatsveiligheid, de doodstraf op te leggen. De doodstraffen, uitgesproken in april 1990 en in juli 1992, in verband met couppogingen, werden onmiddellijk ten uitvoer gebracht.

de militaire rechtbanken bestaan thans nog wel, maar worden nauwelijks meer voor civiele rechtszaken gebruikt. De huidige militaire rechtbanken baseren zich dan ook vrijwel uitsluitend op militair recht, toegepast op militair personeel.

BIJLAGE IV

OVERZICHT POLITIEKE PARTIJEN IN SUDAN

De officieel geregistreerde (d.w.z. op 12 augustus 2000) politieke partijen zijn:


· Coalition of Employees Forces (CEF) - (Tahalof Qowa Al Shab Al Amela);

· Democratic Unionist Party (DUP, d.w.z. de factie o.l.v. Al Hindi) - (Al Etihady Al Demograty);


· Democratic Salvation Unionist Movement (DSUM) - (Gabhat Al Enqaz Al Demogratia Al Motahedah);


· Free Democrats - (Al Demograteen Al Ahrar);


· Free Sudanese National Party (FSNP) - (Al Qawmi Al Sudani Al Hurr);

· Islamic Umma - (Al Umma El Islami);


· Muslim Brothers - (Al Akhwan Al Muslimeen);


· Nation Party - (Hizb Al Umma);


· National Alliance for South Sudan (NASS) - (Al Tagamo'e Al Watany Leharkat Ganoub Al Sudan);


· National Congress (Party) (NC(P)) - (Al Mou'tamar Al Watani) = Regeringspartij;


· National Correction Congress (NCC) - (Moa'atamr Al Esslah Al Watany);

· National Islamic Front (NIF) - (Al Gabbha Al Ghaoumia Al Sudania);

· Nile Valley Congress (NVC) - (Moa'tamar Wadi El Nil);

· Nile Valley Union (NVU) - (Wehdat Wadi El Nil);

· Peoples Congress (PC) - (Al Moa'tamar Al Shaabia);

· Popular National Congress (PNC) - (Al Mou'tamar Al Sha'abi) = nieuwe partij van Dr. Hassan Al Turabi;


· Progress and Social Justice (PSJ) - (Al Taqadom Wa' Al Adalla El Egtma'ia);


· Sudanese Central Movement (SCM) - (Al Harka Al Sudania Al Markazia (Hasam));


· Sudanese National Labour Party (SNLP) - (Al Aamal Al Watany Al Qawmi Al Sudani);


· Sudanese National Movement (SNM) - (Al Gabb'ha Al Qawmia Al Sudania).
Belangrijkste niet-geregistreerde politieke partijen en organisaties zijn:


· Baath Party (pro Syrian) - (Hizb Al Baath);


· Baath Party (pro Iraq) - (Hizb Al Baath);


· Beja Congress - (Moutammar Al Beja);


· Democratic Forces Front (DFF) - (Gabbhat Al Ghowa Al Democratia, GAD);

· Democratic Unionist Party (DUP, d.w.z. mainstream o.l.v. Al Mirghani) - (Al Ittihadi aL Democraty);


· National Congress (NC) - (Al Moutammar Al Watani);

· National DemocraticAlliance (NDA) - (Al Tahaluf Al Watani Al Democrati);

· Nation Party/Umma Party (UP, d.w.z. mainstream o.l.v. Al-Mahdi) - (Al Umma);


· Nasir Arab Party (NAP) - (Al Arabi Al Nasiri);

· New Forces Movement (NFM) - (Harakat Al Ghowa Al Haditha, HAG);

· Sudan African National Union (SANU) - (Ittihad Al Sudan Al Ghaoumi Al Afrighi);


· Sudanese Communist Party (S)(CP) - (Al Shioue'ei Al Sudani);

· Sudan Federal Party (SFP) - (Al Hizb Al Federali Al Soudani);

· Sudanese National Party (SNP) - (Al Hizb Al Ghoumi al Soudani);

· Sudan People's Liberation Movement (SPLM) - (Al Harakat Al Shaabia Le Tahreer Al Sudan);


· Union of National Democratic Forces (UNDF) - (Ittihad Al Ghowa Al Wataannia Al Dimocratia);


· Union of Southern African Parties (USAP) - (Ittihad Al Ahzab Al Ganoubia Al Afrigia).

BIJLAGE V

OVERZICHT VERDRAGEN

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste verdragen op het gebied van de mensenrechten. Indien Sudan partij bij het desbetreffende verdrag is, is de datum van toetreding aangegeven. In het geval Sudan geen partij is zulks aangegeven.

a. Slavery Convention; Genève, 25 september 1926 - 15.09.1927

b. Supplementary Convention on the Abolition of Slavery,

the Slave Trade and Institutions and Practices similar to Slavery;

Genève, 7 september 1956 - 09.09.1957

c. Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or

Degrading Treatment or Pument; New York, 10 december 1984 -

(nog) geen partij

d. Convention on the Rights of the Child; New York, 20 november 1989 -

03.08.1990

e. Convention on the Elimination of all forms of Discrimination

against Women; New York, 18 december 1997 - geen partij

f. International Convention on the Suppression and Punishment of the

Crime of Apartheid; New York, 30 november 1973 - 21.03.1977

g. International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights;

New York, 19 december 1966 - 18.03.1986

h. International Covenant on Civil and Political Rights (ICCP;

New York,19 december 1966 - 18.03.1986

i. International Convention on the Elimination of All Forms of

Racial Discrimination; New York, 7 maart 1966 - 21.03.1977

j. Convention on the Prevention and Punishmanet of the Crime of

Genocid; New York, 9 december 1948 - geen partij

k. Convention for the Suppression of the Traffic in Persons and

of the Exploitation of the Prostitution of Others; New York,

21 maart 1950 - geen partij

l. Convention on the Non-Applicability of of Statutory Limitations to

Warcrimes and Crimes Against Humanity; New York,

16 december1968 - geen partij

m. Convention on the Political Rights of Women;

New York, 31 maart 1953 - geen partij

n. Convention relating to the Status of Stateless Persons;

New York, 28 september 1954 - geen partij

o. Conventiomn relating to the Status of Refugees; Genève

28 juli 1951 - 02.02.1974

p. International Convention on the Protection of the Rights of All Migrant

Workers and Members of their Families; New York

18 december 1990 - geen partij

q. African Charter on Human and people's rights 1986

r. Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading

Treatment or Punishment (CAT) -

1997 (nog niet

geratificeerd)

Volgens UN schatting medio 1997 bedroeg het aantal 27.899.000.

Africa South of the Sahara 2000, Sudan, pag. 1037

Op grond van de administratief-bestuurlijke indeling van februari 1994 worden 16 van de in totaal 26 deelstaten van Sudan tot Noord-Sudan gerekend. Het gaat hier om: Northern, Darfur (Northern, Western en Southern), Kordofan (Northern, Western en Southern), Red Sea, Nile, Khartoum, Kassala, El Gezira, Gedaref, White Nile, Blue Nile en Sennar (zie bijgevoegde landkaart).

Minority Rights Group International Report, Sudan: Conflict and minorities, juli 1995

Op grond van de administratief-bestuurlijke indeling van februari 1994 worden 10 van de in totaal 26 deelstaten van Sudan tot Zuid-Sudan gerekend. Het gaat hier om:

Bahr el Ghazal (Northern en Western), Unity (of: Wehida), Warap, Lakes (of: Buheyrat), Upper Nile, Jonglei, Equatoria (Western en Eastern) en Bahr el Jebel.

Minority Rights Group International Report, Sudan: Conflict and minorities, juli 1995

De leefgebieden van de zuidelijke niet-Arabische stammen komen veelal niet exact overeen met de grenzen van het administratief-bestuurlijke Zuid-Sudan. Partijen verschillen mede op grond hiervan van mening waar de grens van 'Zuid-Sudan' ligt, hetgeen ook een struikelblok bij de vredesonderhandelingen is.

Koninklijk Instituut voor de Tropen, Landenreeks Soedan, 1998

Grimes, B.F. (e.d.), Ethnologue, 13 edition, Summer Institute of Linguistics, 1996

Koninklijk Instituut voor de Tropen, landenreeks Sudan, 1998

Nuba-Arab historical relatiuons and the present civil war in the Nuba Mountains: In search of the wisdom of the indigenous peacemaking institutions.

Groot-Brittanië heerste vanaf 1882 in Egypte. Gordon, een christen, was in 1877 door de Egyptische koning tot gouverneur van Sudan benoemd.

Koninklijk Instituut voor de Tropen, landenreeks Sudan, 1998

Dit is een religieuze broederschap (tariga). Tarigas zijn gesticht door een sufi, een religieus leider. Een andere traditionele tariga in Sudan is de Ansar. Zowel de Khatmiya als de Ansar zijn strak georganiseerd. Beide worden gedomineerd door de familie van de stichter, respectievelijk de families Mirghani en Mahdi. Bepaalde praktijken van beide broederschappen worden door de Moslim Broederschap, die thans de macht in Sudan heeft, als niet-islamitisch gehekeld.

Africa South of the Sahara 2000, Sudan

Koninklijk Instituut voor de Tropen, Landenreeks Sudan, 1998

Africa South of the Sahara 2000, Sudan

Nuba-Arab historical relations and the present civil war in the Nuba mountains: In search of the wisdom of the inigenous peacemaking institutions, pag. 86.

De belangrijkste punten daaruit betroffen een wapenstilstand, de opheffing van de noodtoestand en het bijeenroepen van een constitutionele conferentie.

De NDA (National Democratic Alliance) is een samenwerkingsverband van een aantal sinds 1989 verboden Sudanese partijen (DUP, Umma Party, Communistische Partij, USAP, enz.), vakverenigingen, officiersgroepen, e.d. De NDA is de belangrijkste noordelijke politieke tegenstander van de Sudanese regering. De NDA heeft eigen strijdkrachten, w.o. de Sudan Allied forces (SAF) die onder meer vanuit Eritrea en Ethiopië opereren. Deze werken samen met het SPLA van John Garang. De NDA maakt voor haar hoofdkwartier in Asmara gebruik van het gebouw waarin de voormalige Sudanese vertegenwoordiging gehuisvest was.

De Intergovernmental Authority on Development (IGAD) is een regionale organisatie ter bevordering van economische samenwerking, regionale integratie en conflictbeheersing en -oplossing. Leden zijn Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Kenia, Somalië, Sudan en Uganda.

De activiteiten van de IGAD worden ondersteund door het IGAD Partners' Forum (IPF). Leden van het IPF zijn: Oostenrijk, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Japan, Nederland, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Zweden, Zwitserland, Europese Commissie, VN Secretariaat, UNDP, UNESCO, UNHCR, WPF en Wereldbank. Egypte heeft de status van waarnemer.

Sudan Allied Forces. Dit zijn de gezamenlijke strijdkrachten van de organisaties verenigd in de NDA.

UN, Mr. Leonardo Franco, Speciale VN rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Situation of human rights in the Sudan (Addendum to E/CN.4/1999/38), Visit of the Special Rapporteur, mr. Leonardo Franco, to the Republic of the Sudan, 13-14 February 1999, punt 162.

The Economist Intelligence Unit, Sudan, Country Report, 3rd qr. 1999, pag.12

T he Economist Intelligence Unit, Sudan, Country Report, 3 qr. 1999, pag. 11

Press Digest, Vol. VI no. 7, 18 februari 1999

Africa News Service, Inc., Africa News, Central Africa, 24 juni 1999.

De missie, geleid door Ross Mountain, concludeerde onder meer dat de humanitaire noden in het (SPLA)Nuba gebied ernstig, maar op het eerste gezicht niet dramatisch waren: geen zichtbare ondervoeding, problemen op de terreinen van gezondheid, water, sanitatie en onderwijs.

UN, General Assembly, Situation of human rights in the Sudan, A/54/467 (14 oktober 1999)

UN, General Assembly, Situation of human rights in the Sudan, A/54/467, 14 oktober 1999.

The Economist Intelligence Unit, Sudan, Country Report, 3 qr. 1999, pag. 16/17

Turabi zou echter later (december 1999) van zijn functie als parlementsvoorzitter worden ontheven. Bovendien zou hij in juni 2000 als secretaris generaal van het/de National Congress (Party) worden vervangen door Prof. Ibrahim Ahmed Omar.

In maart 2000 verlengd tot 31 december 2000

Dat wil zeggen de artikelen 56, 57, 59, 62 en 63, allen betrekking hebbend op de positie van de deelstaat-gouverneurs.

De amendementen hadden onder meer betrekking op de instelling van het ambt van premier en de overdracht van bevoegdheden tot benoeming en ontslag van de deelstaat-gouverneurs van de president naar het parlement. Het eerste voorstel werd door de Assemblee niet in behandeling genomen, maar het tweede zou wel in stemming worden gebracht.

Ontheven uit hun functie werden de ministers voor de Presidency, Defensie, Binnenlandse Zaken, Federale Zaken en die voor Luchtverkeer. Verder werden vanwege aansluiting bij de nieuwe partij van Al-Turabi ontslagen de ministers voor Kabinetszaken en van Landbouw. Ook ging de belangrijke Adviseur van de President inzake Vrede werd vervangen.

Reuters-persberichten, o.m. d.d. 28 februari 2001

Riak Machar, brief aan de Nederlande Ambassadeur te Naïrobi, getiteld 'The collapse of the Sudan peace Agreement', 9 april 2000

UN, Mr. Leonardo Franco, Speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Interim report of the Special Rappporteur of the Commission on Human Rights on the situation of human rights in the Sudan, (A/55/374), 11 september 2000.

Press Release, Liliir Peace Coference, East Bank Nilotic People to People Peace & Reconciliation Conference, Upper Nile, Sudan, May 2000, http://members.tripod.com/SudanInfonet/LiliirPeace.htm

Zowel in 1998 als in 1999 kondigden de Sudanese regering en het SPLA een staakt-het-vuren af voor de deelstaten Northern en W estern Bahr el Ghazal. Uiteindelijk kwamen daar ook delen van de deelstaten Upper Nile en Unity State bij (maar dus niet alle andere conflictgebieden in Sudan). Beide partijen schonden het bestand, maar verlengden c.q. herbevestigden het telkens weer. Zie ook paragraaf 2.2.

BBC News, Africa, Controversial poll boycott in Sudan, 12 december 2000

Al-Bashir verkreeg 86,5 procent van de stemmen. Voormalig president Nimeiri, een van de vier tegenkandidaten, verkreeg slechts 9,6 %. De/het NC(P) kreeg meer dan 95 % van de zetels in bezit.

AP-persberichten d.d. 29 en 30 december 2000.

Reuters-persberichten d.d. 23 en 24 februari 2001

Arada persbericht, 9 oktober 2000

Tot dan toe had Sudan, evenals andere Arabische landen, geweigerd het verdrag te tekenen omdat Israël eveneens weigerde.

Reuters-persbericht d.d. 4 december 2000

Amnesty International, Bliksemactie, Fear of Torture, AFR 54/07/00, 11 december 2000

De speciale rapporteur van de VN, Franco spreekt in het rapport dat naar aanleiding van zijn bezoek aan Sudan in februari 1999 werd opgesteld, van 'war zones'. In deze gebieden vinden in het kader van de burgeroorlog gevechtshandelingen plaats. Er is in dergelijke gebieden sprake van ernstige schendingen van fysieke integriteit en het dagelijks leven wordt dusdanig ontwricht dat humanitair onverantwoorde risico's optreden. Het gaat dan om verschijnselen als marteling, verkrachting, mishandeling, buitengerechtelijke executies, langdurige arbitraire detenties, situaties van slavernij, hongersnood, schendingen van het oorlogsrecht als bombarderen van burgerdoelen, vernietigen van dorpen, enz.

Zie onder meer Amnesty International, Sudan: The Human Price of Oil, Mei 2000, (AFR-54/01/00)

Vertrouwelijk gerubriceerd VN-rapport dat werd opgesteld naar aanleiding van een missie die in september/oktober 1999 in het Nuba-gebergte werd uitgevoerd.

Deze dorpen c.q. kampen werden in regeringsgebied in het Nuba-gebrgte opgezet om de grote hoeveelheden vluchtelingen op te kunnen vangen. Zij worden geleid door de Peace and Resettlement Administration (PRA) en zijn primair toegankelijk voor lokale islamitisch georiënteerde NGO's. Naast militaire bescherming en onderdak bieden deze dorpen gezondheidszorg, schoon water en onderwijs en zij oefenen daardoor een zekere aantrekkingskracht uit op de minder bedeelde bevolking in de door het SPLA bezette delen van het Nuba-gebergte. Daar staat tegenover dat betrouwbare bronnen melding maakten van praktijken als gedwongen recrutering ten behove van de PDF, gedwongen bekering tot de Islam en verkrachtingen.

Ambtsbericht Sudan d.d. 23 september 1998, par. 2.4.3

Om die reden vaart WFP sedert augustus 1999 niet meer naar Juba. Op de Soba werd begin augustus 2000 nog een UNICEF-boot beschoten

Africa South of the Sahara 2000, Sudan, pag. 1067

In maart 1996 werden er voor het eerst sinds de machtsovername in 1989 presidents- en parlementsverkiezingen gehouden. Politieke partijen waren nog verboden, maar kandidaten konden zich als individu, zonder partijbinding, verkiesbaar stellen.

Dit parlement bestond uit één kamer, de Nationale Vergadering, bestaande uit 400 leden. Hiervan werden er 275 direct door de bevolking gekozen. De resterende leden 125 waren door een Nationaal Congres (o.l.v de president) benoemd. Omdat vooraanstaande leden van de politieke oppositie tot een boycot van de verkiezingen hadden opgeroepen, bestond het parlement vooral uit oude regeringsgetrouwe leden van het NIF/SNC. Voormalig leider van het NIF/SNC, Dr Hassan Al-Turabi, was voorzitter.

Het betreft hier 'The Association and Political Parties Act, 2000'.

UNDP, Human Developmant Report 1999, New York, 1999

Volgens schatting van The Economist Intelligence, 1997.

John Harker, Sudan: The Report of a Canadian Assessmant Mission, Ottawa, januari 2000

het percentage geldt voor de periode 1981-1992.

UNDP, Human Development Report 1999, New York, 1999

Dit is een consortium van VN-organisaties en circa 40 NGO's.

The Economist Intelligence Unit, Sudan Country Report, 3 qr. 1998, pag. 13

UN, Mr. Leonardo Franco, Speciale VN rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Situation of human rights in the Sudan (Addendum to E/CN 4/1999/38), Visit of the Special Rapporteur, Mr. Leonardo Franco, to the Republic of the Sudan, 13-24 February 1999, punt. 37

UN, General Assembly, Situation of human rights in the Sudan, A/54/467, 14 oktober1999, punt 104

Home Office, Immigration and Nationality Directorate, Country Information and Policy Unit, Sudan, Country Assessment, maart 1999

Home Office, Immigration and Nationality Directorate, Country Information and Policy Unit, Sudan, Country Assessment, maart 1999

In dit verband kan bijvoorbeeld de PNC, de nieuwe partij van Dr Al-Turabi, worden genoemd. Deze partij is officieel geregistreerd, maar aanhangers ondervonden problemen en in september en oktober 2000 werden partijbijeenkomsten door de veiligheidsdienst verstoord.

Zo keerde op 7 maart 2000 Mohamed Al-Hassan Abdella Yassin, een belangrijk leider van de DUP, in Sudan terug. Op 7 april volgden circa dertig leden van de UP, waaronder leiders als Omar Nud Ed Daiem, Mubarak Al-Fadil en Abdul Rasoul Al Nur. Nadien kwam ook nog de voormalige vice-president onder Nimeiri, generaal Omer Mohamed El-Tayeb weer terug. Op 23 november 2000 volgde Sadig Al-Mahdi.

In de nieuwe grondwet als art. 24 ('Freedom of Creed and Worship') opgenomen, vlg. UN, Mr. Leonardo Franco, Speciale VN rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Situation of human rights in the Sudan (Addendum to E/CN 4/1999/38), Visit of the Special Rapporteur, Mr. Leonardo Franco,to the Republic of the Sudan, 13-24 February 1999

U.S. Department of State, Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor, 1999 Country Reports on Human Rights Practices, Sudan, 25 februari 2000

Home Office, Immigration and Nationality Directorate, Country Information and Policy Unit, Sudan, Country Assessment, maart 1999, pag.10

Volgens statistieken van de Sudanese overheid werden in de afgelopen 10 jaar 48 bouwvergunningen verstrekt.voor kerkenbouw in het Noorden, waarvan de helft in Gedaref. Opvallend was dat geen enkele vergunning in Khartoum State werd verstrekt en slechts één in Gezira, terwijl juist daar de christelijke gemeenschap enorm toenam. Niet kan worden uitgesloten dat dit te maken had met de sterk fundamentalistische gouverneur van Khartoum, Mahjoub Al-Kalifa Ahmed, die een discriminerend beleid ten aanzien van christenen voert.

Home Office, Immigration and Nationality Directorate, Country Information and Policy, Sudan Country Assessment, (maart 1999)

Dit wordt door het ministerie van Binnenlandse Zaken in het paspoort aangebracht.

U.S. Department of State, Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor, 1999 Country Reports on Human Rights Practices, Sudan, 25 februari 2000

President Nimeiri had in 1983 de bestaande wetgeving vervangen door de Shari'a. Na de coup van april 1985 werden de Shari'a-hoven echter opgeheven.

Africa South of the Sahara, 1999, Sudan, pag. 1041

De Sudanese wetgeving, gebaseerd op de principes van de Shari'a, heeft nationale werking, met uitzondering van de Personal Affairs Law for non-Muslims (die naast de Personal Affairs Law for Muslims, 1991, bestaat). Een niet-moslim, waar dan ook woonachtig in Sudan (dat wil zeggen in de praktijk in de door de regering gecontroleerde gebieden), kan niet weigeren voor een shari'a court te verschijnen, maar kan inzake familierecht toepassing vragen van de Personal Affairs Law for non-Muslims. In het algemeen zal de rechter hiertoe besluiten indien beide partijen bij het dispuut geen moslim zijn en de zaak niet in een islamitische context speelt (is aan de rechter om te bepalen). Het algemene principe in de Sudanese wetgeving is: toepassing van islamitisch recht, tenzij... Toepassing van Common Law of Customary Law zijn uitzonderingen op de regel. Verder zijn er in de strafmaat beperkingen aan islamitische straffen (hudud). Deze worden namelijk niet toegepast in het administratief-bestuurljke Zuid-Sudan. In het noorden werden in de verslagperiode enkele kruisamputaties (rechterhand en linkervoet) in verband met diefstal/roof uitgevoerd. Deze straf werd na de periode Nimeiri lange tijd niet meer ten uitvoer gebracht, maar vond de afgelopen twee jaar weer op beperkte schaal plaats.

UN, Mr.Leonardo Franco, Speciale VN rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Situation of human rights in the Sudan (Addendum to E/CN.4/1999/38), Visit of the Special Rapporteur, Mr. Leonardo Franco, to the Republic of the Sudan, 13 - 24 february 1999, punt 113.

idem voorgaande noot, punt 123

U.S. Department of State, Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor, 1999 Country Reports on Human Rights Practices, Sudan, 25 februari 2000

Artikel 155 van de 1991 Penal Code geeft de dood aan als straf voor 'the third-time offence of running a place of prostitution'. Art. 154 behelst de beschuldiging van 'practising prostitution' , waarvoor de doodstaf niet wordt genoemd.

Deze wet verving de National Compulsary Service Act van 1989

Voor afgestudeerden aan universiteiten en instituten van hoger onderwijs is de termijn 12 maanden en voor hen die een middelbare school hebben voltooid 18 maanden)

Vanaf de zomer van 1997 wordt in de praktijk een minimumleeftijd van 16 jaar gehateerd. In het voorjaar van 1995 werd de maximumleeftijd opgetrokken naar 37 jaar. Nadien is deze niet opnieuw bijgesteld.

In het voorgaande jaar werden de middelbare-schooldiploma's uitsluitend in de kazernes uitgereikt (n.b. tot 1998 werden de diploma's door het ministerie van Onderwijs uitgereikt).

Deze stelling is onder meer gebaseerd op vergelijking van gegevens over de omvang van de strijdmacht, schattingen over daadwerkelijke recrutering en informatie over het verloop van de oorlog i.h.b. het 'screenen' van berichten over gevechtshandelingen op aantallen soldaten die daarbij betrokken waren.

Gedurende de basistraining zijn de NSA-bepalingen van toepassing.

Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat veel jongemannen de dienstplicht proberen te ontlopen door naar het buitenland te gaan of registratie op school te ontlopen door een eenvoudig baantje te zoeken..

Medio september 2000 werd het vrouwen in Khartoem door de gouverneur van Khartoem op grond van de Shari'a verboden om nog langer in openbare gelegenheden als hotels, restaurants en benzinestations te werken, omdat zij aldaar in direct contact met mannen komen. Dit besluit, in strijd met de grondwet, werd echter door de bekende mensenrechtenadvocaat Ghazi Suleim ter toetsing aan het constitutionele hof voorgelegd. Bron: Arada persbericht d.d. 6 september 2000.

Het hof heeft tot op heden nog geen definitieve uitspraak gedaan.

Arada persbericht d.d. 5 eptember 2000

In de groep moeders van 45 tot 49 jaar nam het percentage infibulatie af van 91% naar 85 % terwijl het percentage excisie toenam van 9% naar 15%. In de groep dochters van 15 tot 19 jaar nam het percentage infibulatie af van 805 naar 57% terwijl het percentage excisie van 20% tot 43% was opgelopen. E.e.a. vlg. informatie van het SNCTG.

af&

Verwijs in dit verband ondermeer naar Human Rights Watch / Africa, Human Rights Watch Children's Rights Project, Children of Sudan, Slaves, Street Children and Child Soldiers, september 1995.

Bron: U.S. Department of State, Sudan Country Report on Human Rights Practices for 1997, 30.01.1998.

Dit wordt door het ministerie van Binnenlandse Zaken in het paspoort aangebracht.

Voor afgestudeerden aan universiteiten en instituten van hoger onderwijs is de termijn 12 maanden en voor hen die een middelbare school hebben voltooid 18 maanden)

Thans gaat het hier om de volgende bewegingen: de SSIM/A (maar niet meer onder leiding van Riak Machar), Equatoria Defence Force, SPLA-Nuba (Nuba Group) van Muhammad Harun Kafi, Independent Movement van Kawaj Makwal, de 'Group of Samuel Aru Bol' en het restant van de SPLA-United van Lam Akol.

Het gaat hier slechts om die landen die een instroom van enige importantie hebben.

Zowel in 1998 als in 1999 kondigden de Sudanese regering en het SPLA een wapenstilstand af voor de deelstaten Northern en W estern Bahr el Ghazal. Uiteindelijk kwamen daar ook delen van de deelstaten Upper Nile en Unity State bij (maar dus niet alle andere conflictgebieden in Sudan). Beide partijen schonden het bestand, maar verlengden c.q. herbevestigden het telkens weer. Zie ook paragraaf 2.2.

Voor afgestudeerden aan universiteiten en instituten van hoger onderwijs is de termijn 12 maanden en voor hen die een middelbare school hebben voltooid 18 maanden)

Het gaat hier slechts om die landen die een instroom van enige importantie hebben.

Voorheen, dat wil zeggen vóór de invoering van de nieuwe National Security Forces Act van 1999, werd deze veiligheidsdienst aangeduid met National Security (NS) of State Security (SS).

De Revolutionary Security Force (RSF) werd/wordt ook wel aangeduid met 'Security of the Revolution (SR)' of 'Comprehensive Security Police'.

Dit verdrag werd reeds ondertekend, maar nog niet geratificeerd