Plan van aanpak verbetering arbeidsmarktpositie hoger opgeleide vluchtelingen


1. Inleiding


Hoger opgeleide vluchtelingen1 met een buitenlands diploma die willen gaan werken in Nederland zijn niet als vanzelf toegerust voor de Nederlandse arbeidsmarkt. In ieder geval is expertise nodig inzake de waarde van het buitenlandse diploma. In een beperkt aantal gevallen is diplomawaardering voldoende voor toerusting voor de arbeidsmarkt omdat de diplomabezitter met de verkregen diplomawaardering een werkgever vindt die hem in dienst neemt. De meeste bezitters van een buitenlands diploma moeten echter meer stappen zetten: de Nederlandse taal leren, verder inburgeren, aanvullende scholing volgen en steun zoeken bij het vinden van werk. Pas na het doorlopen van een dergelijk traject is de hoger opgeleide vluchteling in staat om de eigen competenties optimaal in te zetten in de Nederlandse samenleving.

Teneinde breed te inventariseren welke mogelijkheden er zijn om voor hoger opgeleide vluchtelingen de keten immigratie ­ inburgering ­ werk effectiever en efficiënter in te richten, hebben het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 10 december 2001 een expertmeeting georganiseerd over `Hoger opgeleide vluchtelingen op de arbeidsmarkt'. Tijdens deze bijeenkomst zijn oplossingsrichtingen en dilemma's besproken rondom kwalificaties en competenties erkennen en herkennen, doelmatige inburgeringsprogramma's inrichten ter toerusting op de Nederlandse arbeidsmarkt en effectieve toeleiding door intermediairs naar de arbeidsmarkt. De uitkomsten van deze expertmeeting zijn verder uitgewerkt en weer getoetst bij externe deskundigen om tot dit plan van aanpak te komen.

Een algemene constatering van de experts is dat er niet een specifieke organisatie is die zich verantwoordelijk voelt voor de arbeidstoeleiding van de groep hoger opgeleide vluchtelingen. Zij worden gerekend tot verschillende doelgroepen waarvoor specifiek beleid is ontwikkeld: werklozen, nieuw- en oudkomers, hoger opgeleide minderheden en vluchtelingen. Beleid en regelgeving, knelpunten en oplossingen zijn dan ook verspreid over meerdere verantwoordelijken en actoren. Dit plan van aanpak besteedt daarom speciale aandacht aan hoger opgeleide vluchtelingen binnen de bestaande kaders, maar geeft daarnaast ook aan waar aanvullend een extra inspanning gepleegd kunnen worden.


1 Onder vluchteling wordt hier verstaan personen die als uitgenodigde vluchteling of als asielzoeker naar Nederland zijn gekomen en inmiddels een verblijfstitel hebben verworven, alsmede hun gezinsleden en degenen onder hen die door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. Hoger opgeleid zijn diegenen die in het land van herkomst tenminste 3 jaar hoger onderwijs (Hoger Beroepsonderwijs dan wel Wetenschappelijk Onderwijs) hebben afgerond.


1




2. Doelstelling



2.1 Algemene doelstelling plan van aanpak
Uitgangspunt voor dit plan van aanpak is er voor te zorgen dat de toeleiding naar de arbeidsmarkt verbetert: door vroegtijdig te investeren in een passend traject neemt de kans toe dat hoger opgeleide vluchtelingen sneller aan werk komen waarbij de verkregen baan beter aansluit bij hun opleidingsniveau en werkervaring. Over de hele keten die vluchtelingen doorlopen vanaf

1. asielaanvraag, via

2. inburgering, in combinatie met c.q in aansluiting - indien nodig - met
3. een reïntegratietraject / onderwijsprogramma, tot aan
4. instroom in een baan,
worden daartoe activiteiten ontwikkeld gericht op hoger opgeleide vluchtelingen waarbij zowel recht wordt gedaan aan hun competenties, als aan de vraag op de arbeidsmarkt naar hoog opgeleid personeel. Doelgroep zijn de nieuw instromende vluchtelingen, de huidige werkloos werkzoekende vluchtelingen alsmede werkende werkzoekende vluchtelingen.

De voornaamste maatregelen om deze doelstelling te bereiken worden genomen op de volgende terreinen:

* inbedding van internationale diplomawaardering in het inburgeringsonderzoek;
* ontwikkeling en inbedding van EVC-procedures geschikt voor hoger opgeleide vluchtelingen;

* stimuleren van maatwerk in aanbod taalcursussen en duale trajecten;
* uitwerking via convenanten met de G26 (in het kader van de Agenda voor de Toekomst) om extra aandacht te besteden aan de uitstroom uit de bijstand voor hoger opgeleide vluchtelingen en met de grote ondernemingen en specifieke sectoren (in het kader van plan van aanpak voor etnische minderheden) om de instroom van hoger opgeleide vluchtelingen te bevorderen;

* verspreiding van expertise op het terrein van arbeidstoeleiding van hoger opgeleide vluchtelingen door de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF.


2.2 Achtergrondgegevens arbeidsmarktpositie van hoger opgeleide vluchtelingen Naar schatting bevonden zich in 1998 ongeveer 185.000 vluchtelingen in Nederland2. De potentiële beroepsbevolking onder de vluchtelingen (14-65 jaar) wordt geraamd op 68% zijnde 125.000.Van de bijna 100.000 werklozen onder etnische minderheden is een derde afkomstig uit landen waar veel vluchtelingen vandaan komen3. De voornaamste landen van herkomst van in Nederland verblijvende vluchtelingen per 2000 waren Afghanistan, de Federale Republiek Joegoslavië, Bosnië, Irak, Iran, en Somalië4.

Onderzoek naar nieuwe etnische groepen in Nederland5 laat zien dat slechts 35% van de vluchtelingen erin slaagt betaald werk te vinden.


2 Monitor Kleine Groepen Integratiebeleid Minderheden. Een vooronderzoek. Besjes e.a., 1998, Research voor Beleid, Leiden.

3 Inactiviteit van etnische minderheden. NEI, Hu e.a., 2000, Rotterdam. Het CBS is door SZW verzocht data te leveren over de bijstandsafhankelijkheid van etnische minderheden, deze gegevens zijn aangevuld met gedetailleerdere informatie uit de bestanden van Arbeidsvoorziening Nederland waaronder meer informatie over vluchtelingen.

4 Nieuwe etnische groepen in Nederland. Van den Tillaart e.a. 2000, Nijmegen.
5 Van den Tillaart e.a., 2000, Nijmegen; deze uitkomsten moeten als indicatief beschouwd worden.



---



Uit onderzoeken6 blijkt dat de arbeidsparticipatie toeneemt naarmate de verblijfsduur in Nederland langer is. De werkloosheidsduur van vluchtelingen is echter hoger dan van andere werkzoekenden: 47% van de werkzoekende vluchtelingen is langer dan drie jaar werkloos tegenover 32% van alle bij de Centra Werk en Inkomen (CWI) ingeschreven werkzoekenden. Slechts een klein deel van de vluchtelingen wordt door de CWI's beschouwd als redelijk snel te bemiddelen (indeling in fase 1: 4% of fase 2: 3%). 93% van de niet werkende werkzoekende vluchtelingen zou volgens deze indeling een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben (fase 3 of 4). In de praktijk blijkt dat de relatief hoge opleiding van sommige vluchtelingen niet aansluit bij de kwalificaties die de Nederlandse arbeidsmarkt vraagt. Ondanks hun opleiding komen ze daardoor in fase 3 of 4 terecht.

Het aantal hoger opgeleide vluchtelingen wordt geschat op circa 30.0007.. Onder de verschillende nationaliteiten van vluchtelingen bestaan grote verschillen in opleidingsniveau waarbij met name Afghanen (circa de helft) en Iraniërs (een derde) vaak hoger onderwijs hebben afgerond.

De keus van betrokkene voor opleiding of werk in een bepaalde richting (sector in Nederland) hangt samen met de in eigen land gevolgde opleiding en de werkervaringsachtergrond. Vluchtelingen kiezen ten opzichte van Nederlanders relatief vaak voor een medische richting (39% van de vluchtelingen-studenten tegenover 10% onder Nederlandse studenten op universitair niveau), en voor technische richtingen (42% van de vluchteling-studenten tegenover 23% van de Nederlandse studenten in het hoger beroepsonderwijs)8. In de centrale opvang geven asielzoekers aan vooral ervaring te hebben in de techniek of in (zakelijk) dienstverlenende beroepen, hun voorkeur voor opleiding en/of werk in Nederland gaat dan ook naar dezelfde sectoren uit9.

2.3 Algemeen en specifiek arbeidsmarktbeleid
Op toegelaten vluchtelingen is in beginsel het algemene arbeidsmarktbeleid van toepassing. De kern van dit beleid is de sluitende aanpak. Aan werklozen die er zelf niet in slagen aan het werk te komen moet binnen 12 maanden een traject aangeboden worden dat hun kans op werk vergroot. Minderheden, waaronder vluchtelingen, moeten tenminste evenredig bereikt worden met het algemene arbeidsmarktinstrumentarium. Daartoe worden afspraken gemaakt met de organisaties belast met de uitvoering van arbeidstoeleiding en reïntegratie zoals de Centrale Organisatie Werk en Inkomen en de gemeenten. Aanvullend op het algemene arbeidsmarktbeleid is er specifiek beleid geformuleerd gericht op etnische minderheden om de achterstand in arbeidsparticipatie op autochtone Nederlanders verder in te lopen en knelpunten


6 Nieuwe etnische groepen in Nederland. Van den Tillaart e.a. 2000, Nijmegen. Integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt: resultaten van een vervolgonderzoek onder statushouders afkomstig uit Iran, Somalië en voormalig Joegoslavië. Brink e.a. 1996, Amsterdam. Buitengewoon talent. Vluchtelingen in het tertiair onderwijs. Prins e.a. 1999, Nijmegen.

7 Volgens gegevens van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) heeft 24% van hen hoger onderwijs doorlopen. Dit komt overeen met de gegevens uit het onderzoek naar nieuwe etnische groepen, waaruit blijkt dat 27% van de vluchtelingen in land van herkomst hoger onderwijs heeft genoten; het betreft hier in beide gevallen een opgave van hun opleidingsniveau door asielzoekers zelf. De CWI's geven ook aan dat van de 8828 als werkzoekend geregistreerde vluchtelingen 24% hoger opgeleid is.
8 Buitengewoon talent. Vluchtelingen in het tertiair onderwijs. J.Prins en A. van der Linden, 1999, Nijmegen.
9 Steekproef van het COA van alle geregistreerde bewoners (totaal 1131) in 10 locaties in de centrale opvang.

---



op te lossen. De beleidsinspanningen gericht op minderheden zijn opgenomen in de kabinetsnota Arbeidsmarktbeleid voor Etnische Minderheden - Plan van Aanpak 2000-200310.

Een succesvol voorbeeld van de acties uit bovengenoemde nota is het MKB-convenant om werkzoekende etnische minderheden naar een vacature in het midden- en kleinbedrijf te bemiddelen. Ook vluchtelingen profiteren van de intensieve dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers die in het kader van dit convenant is ontwikkeld.

3. Plan van Aanpak

Naast beleid en projecten op regionaal, gemeentelijk en ondernemings-niveau ondersteunt het kabinet landelijke activiteiten die beogen de arbeidsmarktpositie van hoger opgeleide vluchtelingen te verbeteren. In dit plan van aanpak worden deze activiteiten beschreven en aangevuld met een aantal nieuwe actiepunten.

3.1 Asielfase
Vreemdelingen die in Nederland een asielverzoek indienen worden, voor zover zij niet binnen de Aanmeldcentrum-procedure zijn afgewezen en aan de voorwaarden voor toelating tot de opvang voldoen, toegelaten tot de centrale opvangvoorzieningen van het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA). Daar verblijven zij gedurende de procedure en in afwachting van hun uitplaatsing naar de gemeenten. Op dit moment bevinden zich 80.000 mensen in de centrale opvang.

Activiteiten in het kader van dagstructurering tijdens het verblijf in de centrale opvang kunnen een positieve invloed hebben op de aansluiting op de arbeidsmarkt na statusverlening. Ook bij terugkeer naar eigen land kan een actieve invulling van het leven tijdens de asielprocedure door middel van activiteiten zoals taalcursussen, stages, vakscholing en (vrijwilligers)werk de positie van de betrokkene in eigen land bevorderen. Een reëel beeld vormen van de mogelijkheden voor een toekomst in Nederland is in deze fase van groot belang. Een substantieel deel van de asielzoekers in de leeftijdscategorie van 18-35 jaar komt in beginsel in aanmerking voor instroom in het hoger onderwijs na statusverlening. Om deze groep tijdig te bereiken geeft de mede door het ministerie van OCenW bekostigde Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF in de asielzoekerscentra voorlichting over de (on)mogelijkheden in Nederland een studie in het hoger onderwijs te volgen.

Gedurende de opvangperiode worden asielzoekers door het COA begeleid volgens de methodiek `trajectbegeleiding asielzoekers'. Trajectbegeleiding beoogt het instrument te zijn door middel waarvan asielzoekers in staat gesteld worden zich een realistisch toekomstbeeld te vormen, dat als basis dient voor haalbare toekomstplannen. De asielzoeker wordt door de trajectbegeleider geconfronteerd met de mogelijke uitkomsten van de asielprocedure en gestimuleerd om een toekomst in Nederland of elders vorm te geven. Deze methodiek wordt op dit moment geïmplementeerd en het streven van het COA is om eind 2002 alle asielzoekers van 18 jaar en ouder op deze manier te begeleiden. Ter ondersteuning wordt een dossier opgebouwd waarin relevante gegevens over de opleidings- en arbeidsachtergrond worden verzameld, alsmede de activiteiten die ondernomen zijn in de centrale opvang. Het huidige


10 TK 1999-2000, 27223, nr.1


---



gegevensregistratiesysteem wordt vervangen met een systeem dat mogelijkheden biedt om meer gegevens te registreren.
Dit dossier wordt bij een beslissing op de asielaanvraag overgedragen aan de asielzoeker, zodat het kan worden gebruikt als input bij inburgering. Deze overdracht door het COA aan de asielzoeker vindt niet in alle gevallen plaats waardoor bij diverse instanties (de Gemeente, het Centrum Werk en Inkomen, de onderwijsinstelling) deels dezelfde gegevens opnieuw bijeengebracht moeten worden.
Het COA zal per eind 2002 aan iedere (nieuwe) statushouder zijn trajectdossier meegeven bij vertrek uit de centrale opvang. In samenwerking met de Taskforce Inburgering wordt bekeken welke informatie in het trajectdossier beschikbaar moet zijn aan het begin van het inburgeringsprogramma. Daarnaast worden de lokale, bij inburgering betrokken partijen op de hoogte gebracht van het bestaan van dit dossier zodat zij er gebruik van kunnen maken.

3.2 Inburgering
In 1998 is de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) in werking getreden met als doel nieuwe migranten in Nederland, waaronder vluchtelingen, beter op de Nederlandse samenleving toe te rusten, in termen van de WIN: een eerste stap in de richting van sociale, educatieve en/of professionele zelfredzaamheid.

3.2.1 Inburgeringsonderzoek
Om inburgeringsprogramma's op maat voor hoger opgeleide vluchtelingen te kunnen aanbieden is zicht nodig op de kwalificaties en competenties van het individu. De SER wijdt in haar advies over het grotestedenbeleid een passage aan hoger opgeleide vluchtelingen die in dit verband relevant is11: "Ook meent de Raad dat beter gebruik moet worden gemaakt van de competenties van de zogenaamde niet-traditionele doelgroepen. Hoogopgeleide vluchtelingen met een verblijfstitel bijvoorbeeld zijn vaak lang werkloos, of blijven aangewezen op laaggeschoolde arbeid. Juist de grote stad is in staat om voor deze groepen maatwerktrajecten te ontwikkelen en uit te voeren die er op gericht zijn om de toegelaten vluchteling te leiden naar een functie waarin zijn of haar competenties tot hun recht komen. Dat kan door een uitgekiende combinatie van internationale diplomawaardering, gekoppeld aan assessment en EVC, te laten volgen door een op de zwakke schakels gericht scholingsprogramma."

Internationale Diplomawaardering
Internationale Diplomawaardering (IDW) is een instrument dat ingezet kan worden om het niveau van buiten Nederland behaalde diploma's vast te stellen. Met een advies over het niveau van een buitenlands diploma kan een inschatting gemaakt worden van wat passend werk is en/of de eventuele aanvullende scholingsbehoeften zijn. Via erkenning van een buitenlands diploma kan toelating tot een (gereglementeerde) beroepsgroep worden verkregen of tot het hoger onderwijs. De Nuffic is verantwoordelijk voor de waardering van buitenlandse hoger onderwijs diploma's12. Het algemene uitgangspunt bij de inrichting van diplomawaardering in Nederland is dat de klant recht heeft op een internationale diplomawaardering. Dit recht is vastgelegd in internationale verdragen en ook Nederland dient daar uitvoering aan te geven. In


11 Steden op koers, p.39, februari 2002

12 Nuffic vormt in samenwerking met de Colo (beroeps- en volwasseneneducatie) en de IB-groep (algemeen vormend onderwijs en vmbo) de IDW-structuur in Nederland. Tot 1-1-2003 is de aanvraag mogelijk via de Adviesbureau's voor Opleiding en Beroep (AOB).


---



de praktijk betekent dit dat de klant snel en efficiënt aan een betrouwbare diplomawaardering moet kunnen komen ten behoeve van toetreding tot de arbeidsmarkt. De daarvoor benodigde expertise moet in een vroeg stadium beschikbaar zijn en toegankelijk voor iedereen.

IDW in het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) kan voor wie het nodig heeft tijdens het inburgeringsonderzoek maar ook in de loop van het inburgeringsprogramma gefinancierd worden uit gemeentelijke inburgeringsgelden. Een van de vaste onderdelen van het advies dat het CWI verstrekt bij de werkintake tijdens het inburgeringsonderzoek is de vraag of er wel of geen IDW nodig is voor de nieuwkomer. Gemeenten kunnen op dit moment er zorg voor dragen dat voor iedere nieuwkomer met een buitenlandse diploma, IDW aangevraagd wordt als onderdeel van het inburgeringsonderzoek, bekostigd vanuit inburgeringsgelden.

Per 1-1-2003 zal IDW, indien voor een nieuwkomer noodzakelijk, een structurele plaats innemen tijdens het inburgeringsonderzoek in het kader van de WIN. Met de Centrale Organisatie Werk en Inkomen en de expertisecentra diplomawaardering worden afspraken gemaakt om de IDW-aanvraag voor werkzoekenden tijdens het inburgeringsonderzoek via de CWI te laten plaatsvinden.

In 1999 heeft het ministerie van SZW onderzoek laten uitvoeren onder IDW-aanvragers en sleutelfiguren naar de marktwaarde van IDW13. De voornaamste conclusies uit het rapport zijn:
- Houders van buitenlandse diploma's zijn vaak ontevreden over de waardering van hun diploma en eventuele werkervaring. Ook vindt een meerderheid dat het vervolgtraject van opleiding en/of beroep niet goed aansluit op het diploma behaald in het land van herkomst.
- Voor de feitelijke instroom in onderwijs of voor het verwerven van een arbeidsplaats is IDW onvoldoende. Om inzicht te verkrijgen in het geheel van kennis en vaardigheden zouden behalve IDW ook andere methodieken moeten worden gebruikt. Verkeerde verwachtingen en teleurstelling kunnen voorkomen worden wanneer duidelijk wordt gecommuniceerd over het feit dat diplomawaardering een objectief en feitelijk advies betreft over de waarde van het behaalde diploma.

De bij inburgering betrokken partijen alsmede de zelforganisaties voor vluchtelingen zullen door de departementen geïnformeerd worden over de plaats die diplomawaardering inneemt in het traject dat een hoger opgeleide vluchteling doorloopt.

Erkenning van elders verworven competenties
Naast een systeem dat inzicht geeft in behaalde diploma's is de Erkenning van elders Verworven Competenties (EVC) een toenemend aandachtspunt in de aansluiting op onderwijs en arbeidsmarkt (zie ook de bijlage van het Kenniscentrum EVC `Internationale diplomawaardering en EVC'). Relevante ervaring, ook informeel opgedaan, kan vertaald worden in competenties passend bij een bepaald werkveld of opleiding. Een EVC-procedure is een middel om deze kennis, vaardigheden en attitudes zichtbaar te maken. Individuele competenties worden aldus in kaart gebracht en waar mogelijk beoordeeld en erkend, en vervolgens (waar relevant) gekoppeld aan een vervolgtraject. In Nederland is tot op heden via pilots in diverse branches ervaring opgedaan met het ontwikkelen en inzetten van EVC


13 Inventarisatie marktwaarde Internationale Diplomawaardering. Inventarisatie uitgevoerd door het GION in opdracht van het LDC, expertisecentrum loopbaanvraagstukken. Den Boer en Pot, juli 1999.


6



instrumenten, vooral gericht op het MBO, maar recentelijk ook in het HBO14. Begin 2001 hebben de ministeries EZ, OCW en SZW gezamenlijk een Kenniscentrum EVC opgericht vooralsnog voor een periode van vier jaar. Het Kenniscentrum EVC heeft tot taak het verzamelen en verspreiden van EVC-ervaringen in binnen- en buitenland, het opbouwen van netwerken en het ontwikkelen van meer gestandaardiseerde EVC-procedures.

De huidige EVC-procedures zijn niet specifiek gericht op de doelgroep hoger opgeleide vluchtelingen. Er is dan ook geen standaardverwijzing mogelijk naar EVC-procedures. Omdat vluchtelingen niet altijd hun diploma's mee kunnen nemen tijdens hun vlucht, is het des te belangrijker dat op een andere wijze vroegtijdig hun kennis en vaardigheden in kaart kunnen worden gebracht. De aansluiting tussen diplomawaardering en erkenning van competenties is een terrein waarop steeds meer Europees wordt samengewerkt met als doel te komen tot een integratie van IDW en EVC op Europees niveau.

Het Kenniscentrum EVC onderzoekt de mogelijkheden om te komen tot een transnationaal kenniscentrum EVC voor niet-traditionele doelgroepen. Daarbij gaat het onder meer om werkzoekenden, allochtonen, migranten, vluchtelingen, asielzoekers en arbeidsgehandicapten. Het doel is om EVC-methoden te ontwikkelen die specifiek op deze groepen zijn afgestemd.

Bestaande instrumenten kunnen ingezet worden bij de inbedding van EVC binnen inburgering: de door CINOP ontwikkelde methode voor loopbaanoriëntatie biedt de mogelijkheid om competenties in kaart te brengen als een voorfase voor EVC. Deelnemers aan loopbaanoriëntatie kunnen hun startsituatie in een portfolio inzichtelijk maken en van daaruit de mogelijkheden verkennen - eigen verantwoordelijkheid en een actieve houding staat hierbij voorop. De kennis van de Nederlandse arbeidsmarkt laat te wensen over bij hoger opgeleide nieuwkomers en de behoefte aan extra ondersteuning is veel groter dan bij hoger opgeleide minderheden die langere tijd in Nederland verblijven15. Middels loopbaanoriëntatie, een (vaktaal)stage of werkervaringsplaats kan de nieuwkomer nagaan in hoeverre beroep of opleiding realistisch is.

De Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF heeft met steun van ECHO16 een multiculturele capaciteiten- en interessetest laten ontwikkelen door de stichting NOA (Nederlands Onderzoeksbureau Allochtonen op de arbeidsmarkt) om hoger opgeleide vluchtelingen te ondersteunen bij het maken van studie- en beroepskeuze. De uitkomst kan een handreiking bieden voor hoger opgeleide vluchtelingen die (bijvoorbeeld wegens leeftijd) geen mogelijkheden binnen hun eigen vakgebied zien en/of onvoldoende bekend zijn met de beroeps- en studiemogelijkheden in Nederland.

De multiculturele capaciteiten- en interessetest zal door het UAF getest worden, op basis van de ervaringen wordt bekeken of en hoe deze test breder geïmplementeerd kan worden.

3.2.2 Maatwerk in taalcursussen
De Regionale Opleidingen Centra (ROC's) voeren het educatief programma van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) uit. De ROC's bieden op diverse manieren flexibiliteit in het


14 Diplomawaardering en EVC, Kenniscentrum EVC, Utrecht, februari 2002
15 Vreemd Kapitaal: hoger opgeleide minderheden op de arbeidsmarkt. ISEO, Odé en Dagevos, 1999.
16 het Expertisecentrum allochtonen in het hoger onderwijs

7



educatief programma. Taalcursussen voor hoger opgeleide nieuwkomers worden, zeker in middelgrote en grote steden, vaak versneld en/of in combinatie met andere vakken aangeboden. Het aanbod van ROC's biedt echter niet in alle gevallen voldoende specifiek maatwerk voor hoger opgeleiden. Doorcontracteren vanuit ROC's naar andere onderwijsinstellingen, zoals universitaire taleninstituten of schakeljaren hoger onderwijs is daarom mogelijk gemaakt binnen de WIN, maar van deze mogelijkheid wordt nog weinig gebruik gemaakt.

Sinds de invoering van de WIN financiert het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een `project gemeentelijk beleid hoger opgeleide vluchtelingen' bij de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF. Doelstelling is om uitvoerders van het inburgeringsbeleid te ondersteunen en te stimuleren doelmatige inburgeringsprogramma's te ontwikkelen voor hoger opgeleide vluchtelingen. Via een helpdesk geeft het UAF advies aan gemeenten betreffende inburgeringstrajecten voor individuele hoger opgeleide vluchtelingen. De noodzaak tot het ontwikkelen van maatwerk voor hoger opgeleiden wordt onderkend in het manifest van de G4, `De stad in de wereld. De wereld in de stad', waarin wordt aangedrongen op het ontwikkelen van korte intensieve Nederlands als Tweede Taal cursussen voor hoger opgeleide nieuwkomers17.

De minister voor GSI zal de mogelijkheid om maatwerk voor hoger opgeleide vluchtelingen te bevorderen, zoals intensieve taalcursussen, naar aanleiding van de evaluatie van de WIN bezien. Daarbij zal bekeken worden of een meer vraaggestuurde financiering bij de categorie nieuwkomers uitvoerbaar is, ter versterking van de keuzevrijheid van de nieuwkomer18. Ook zal een relatie gelegd worden met het manifest van de G4.

3.2.3 Duale trajecten
Om de doorgeleiding naar vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt te bespoedigen is het kabinet, onder auspiciën van de Taskforce Inburgering, eind 2000 gestart met pilots duale trajecten voor inburgeraars (zowel nieuwkomers als oudkomers). In deze pilots wordt een combinatie van NT2-onderwijs met een (beroeps)opleiding en/of werk nagestreefd. Voor de inburgering van `oudkomers' (etnische minderheden die zich voor de invoering van de WIN in Nederland hebben gevestigd) heeft het kabinet middelen uitgetrokken die ten goede komen aan 54 gemeenten met de grootste concentraties minderheden. De prioritaire groepen binnen het oudkomersbeleid zijn werkzoekenden en opvoeders; ook voor deze groepen worden duale trajecten ontwikkeld.

Een belangrijke doelstelling van het kabinet is om de inzet van duale trajecten bij de inburgering en reïntegratie van oudkomers en nieuwkomers te stimuleren. In de brief met betrekking tot het groot project Inburgering19 is uw Kamer uitgebreid over de initiatieven ten aanzien hiervan geïnformeerd.

Duale trajecten speciaal voor hoger opgeleide nieuw- en oudkomers tijdens inburgering waarbij taalleren met een praktijkcomponent wordt aangevuld zijn nog niet ontwikkeld. Buiten de kaders van inburgering wordt echter al wel ervaring opgedaan met duale trajecten voor hoger

17 21 december 2001
18 Kabinetsreactie MDW rapport Slagvaardig scholen, TK 2001-2002, 24036, nr. 231 19 7 maart 2002


8



opgeleide vluchtelingen: het UAF heeft bijvoorbeeld een duaal traject voor hoger opgeleide vluchtelingen in de ICT ontwikkeld. De Belastingdienst heeft met medewerking van Emplooi een duaal traject opgezet voor ICT-ers. Het UAF ontwikkelt daarnaast een verkort traject in de zorgsector.

Bij de ontwikkeling en inzet van duale trajecten blijkt het in de praktijk niet altijd duidelijk te zijn welke middelen en welke regelingen op welke manier kunnen worden ingezet ter financiering van de verschillende trajectonderdelen. Gemeenten die, in samenwerking met andere partijen, duale trajecten willen ontwikkelen ervaren dit als een knelpunt. Daarnaast geven gemeenten aan behoefte te hebben aan ondersteuning waar het gaat om de manier waarop duale trajecten kunnen worden georganiseerd, welke partijen daarbij kunnen worden betrokken etc. In overleg met de gemeenten zullen deze knelpunten worden weggenomen.

De minister voor GSI stelt in afstemming met OCenW, VWS en SZW een inventarisatie op van voor duale trajecten inzetbare middelen en de mogelijkheden voor het gecombineerd inzetten daarvan. Deze inventarisatie wordt medio 2002 in de vorm van een handreiking onder gemeenten verspreid.
De minister voor GSI verzorgt in afstemming met OCenW, VWS en SZW een handreiking waarin de methodiek van duale trajecten wordt beschreven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de ervaringen die zijn opgedaan met gerealiseerde duale trajecten, onder meer die van het UAF voor hoger opgeleiden.

3.3 Arbeidsmarkt en/of vervolgonderwijs
Voor langdurig werkloze hoger opgeleide vluchtelingen is in veel gevallen een kort scholings en/of begeleidingstraject nodig om de kansen op werk te vergroten. Expertise over de arbeidsmarktoeleiding bij de toeleidende instantie is daarbij van groot belang.

3.3.1 Hoger onderwijs
Bij de doorgeleiding na inburgering is vervolgonderwijs regelmatig noodzakelijk om eerder behaalde kwalificaties en competenties aan te vullen tot het in Nederland geaccepteerde minimumniveau in een bepaald vak.

Inpassing in een hoger studiejaar binnen het hoger onderwijs kan de meest effectieve weg zijn naar een Nederlandse kwalificatie en passende baan. Meestal zijn vrijstellingen voor vakken en/of studiejaren op basis van het in eigen land gevolgde onderwijs mogelijk, waardoor de studie verkort wordt. In het regulier hoger onderwijs zijn de afgelopen jaren duale opleidingen ontwikkeld die de mogelijkheid bieden om te werken en te leren tegelijkertijd / in afwisselende periodes. Verder zijn er in veel studierichtingen deeltijdopleidingen die gecombineerd kunnen worden met werk.

De Tweede Kamer heeft bedongen dat vrijvallende studiefinancieringsmiddelen (`SUS- middelen')20 bij de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF moeten blijven staan, ter besteding aan projecten die de in-, door- en uitstroom van vluchteling-studenten in het hoger

20 SUS: Stichting UAF Steunpunt, voert op verzoek van het ministerie van OCW twee bijzondere studiefinancieringsregelingen uit voor vluchtelingen. Door het verhogen van de leeftijdsgrens waarop reguliere studiefinanciering kan worden aangevraagd van 27 naar 30 jaar (WSF 2000), wordt de SUS regeling voor voltijdstudenten (op termijn) overbodig en komen er SUS middelen vrij.


9



onderwijs bevorderen. Het UAF heeft met het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen afgesproken deze middelen in te zetten voor de volgende vier projecten:


1. Voorlichting in asielzoekerscentra aan potentiële studenten hoger onderwijs (zie `asielfase').


2. Schakeljaren hoger onderwijs.
Het gaat hier om voorbereidingscursussen voorafgaand aan de studie om de aansluiting bij het Nederlands hoger onderwijs voor vluchtelingen te verbeteren. Centraal staan hierbij Nederlandse taal, vaktaal en vakdeficiënties (bijvoorbeeld Engels en informatica). Met een deel van de vrijvallende SUS-middelen kan het UAF deelname van vluchteling-studenten aan schakeljaren bekostigen.


3. Module medisch Nederlands.
Door de Universiteit Utrecht is een module 'Medisch Nederlands' ontwikkeld die voorziet in aanvullend (vak)taalonderwijs voor geneeskunde studenten die een medische opleiding in het buitenland hebben genoten doch waarvan de diploma's niet erkend worden door het ministerie van VWS. Dergelijke cursussen hebben doorgaans een positieve invloed op het studierendement. Het UAF begeleidt ruim 400 vluchtelingen die geneeskunde willen studeren en maakt het voor deze studenten (financieel) mogelijk de module Medisch Nederlands te volgen.


4. Ontwikkeling verkorte reguliere studietrajecten. Doelgroep zijn toegelaten vluchtelingen die in het land van herkomst reeds een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond. Het betreft veelal mensen die inmiddels een leeftijd (35+) hebben bereikt waarbij een regulier meerjarig onderwijstraject in het hoger onderwijs niet de meest doelmatige route is. Om hen toch een herkenbare beroepskwalificatie te laten behalen wordt deze groep een maatwerktraject van maximaal twee jaar aangeboden door een hogeschool of universiteit.

Een deel van de hoger opgeleide vluchtelingen is te oud voor reguliere studiefinanciering. Voor Abw-gerechtigden is scholing mogelijk indien dit noodzakelijk is voor toetreding op de arbeidsmarkt. Bij de Tweede Kamer ligt een wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene bijstandswet (Abw) met betrekking tot scholingsmogelijkheden. Het voorstel ter wijziging van de Algemene Bijstandswet beoogt aan de gemeenten meer mogelijkheden te bieden om maatwerk toe te passen als het gaat om noodzakelijke scholing voor de inschakeling op de arbeidsmarkt. Deze wijziging kan ook van belang zijn voor hoger opgeleide vluchtelingen.

Het ministerie van SZW zal door middel van een handreiking heldere informatie bieden over wat binnen de wettelijke kaders wel en niet mogelijk is op het terrein van scholing voor hoger opgeleide vluchtelingen en deze informatie verspreiden via de VNG, Divosa, onderwijsinstellingen, alsmede belangen- en zelforganisaties.

3.3.2 Reïntegratie
Voor langdurig werkloze hoger opgeleide vluchtelingen is een extra impuls wenselijk om hen te bereiken middels de sluitende aanpak en zo mogelijk een traject naar passend werk te bieden. Individuele trajectbegeleiding en coaching (maatwerk) vormt in de praktijk een succesfactor bij het verwerven van een arbeidsplaats21. Daarbij blijkt uit de ervaringen van

21 Inventarisatie marktwaarde Internationale Diplomawaardering. Inventarisatie uitgevoerd door het GION in


10



gespecialiseerde bureau's22 dat vaak een intensieve begeleiding noodzakelijk is en een kort traject niet altijd mogelijk.

In het kader van de uitwerking van de intentieverklaring gesloten tussen het ministerie van SZW en de VNG, de Agenda voor de Toekomst, heeft SZW in januari 2002 de G26 voorgesteld extra aandacht te besteden aan de uitstroom uit de bijstand van hoger opgeleide vluchtelingen. Het merendeel van de gemeenten geeft aan bereid te zijn deze intentie op te nemen in de overeenkomsten. Het streven is om convenanten per gemeente te sluiten in het eerste kwartaal van 2002, waarna de concrete uitwerking van de afspraken volgt.

Bij gereglementeerde beroepen zijn de knelpunten voor instroom vaak groter dan bij niet- gereglementeerde beroepen, omdat bij de eerste een formele erkenningsuitspraak nodig is. Illustratief is de situatie van buitenslands gediplomeerden in de zorgsector. De medische en tandheelkundige faculteiten worden geconfronteerd met een groeiende groep buitenlandse medici, veelal vluchtelingen, die toelating wenst tot een van de medische opleidingen om via instroom in een hoger studiejaar een in Nederland erkende diploma te behalen23. De capaciteit van deze faculteiten is beperkt, met name bij de tandheelkundige faculteiten.

Sinds 1996 hebben de acht medische faculteiten het initiatief genomen om gezamenlijk te werken aan de verbetering en stroomlijning van de instroom in de opleiding tot basisarts van buitenlandse artsen van wie de diploma's niet erkend worden door het ministerie van VWS. Hiertoe is de Commissie Instroom Buitenlandse Artsen (CIBA) ingesteld door de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). De medische faculteiten laten jaarlijks ongeveer 100 buitenlandse artsen toe in de laatste fase van de geneeskunde opleiding. Sinds de oprichting van CIBA zijn 600 artsen toegeleid naar een van de medische faculteiten.

opdracht van het LDC, expertisecentrum loopbaanvraagstukken. Den Boer en Pot, juli 1999. 22 zoals Emplooi, nOva, UAF. Een samenwerkingsverband van deze organisaties getrokken door Emplooi heeft een plan uitgewerkt voor een project gericht op het (thuis) actief opzoeken en activeren van langdurig werkloze vluchtelingen. Daarbij worden landgenoten ingezet om werkloze vluchtelingen te informeren en weer in contact te brengen met de wereld van onderwijs en arbeid.
23 Artsen in 1999, totaal: 274 (waarvan gelijkwaardig 30, nagenoeg gelijkwaardig 87, niet gelijkwaardig 157).
Artsen in 2000, totaal: 257 (waarvan gelijkwaardig 44, nagenoeg gelijkwaardig 97, niet gelijkwaardig 116).
Tandartsen in 1999, totaal: 25 (waarvan gelijkwaardig 5, nagenoeg gelijkwaardig 5, niet gelijkwaardig 15).
Tandartsen in 2000, totaal: 46 (waarvan gelijkwaardig 13, nagenoeg gelijkwaardig 9, niet gelijkwaardig 24).
Verpleegkundigen in 1999, totaal: 97 (gelijkwaardig 71, nagenoeg gelijkwaardig 18, niet gelijkwaardig 8).
Verpleegkundigen in 2000 totaal: 137 (gelijkwaardig 72, nagenoeg gelijkwaardig 39 niet gelijkwaardig 29).


11



Uit onderzoek blijkt dat vrijwel alle afgestudeerde buitenlandse artsen snel werk als arts hebben gevonden24.

Per 1-1-2002 is door het ministerie van VWS een Verwijspunt buitenslands gediplomeerden volksgezondheid opgericht die het relatief hoge aantal vluchtelingen met een medisch beroep de weg wijst binnen de Nederlandse regelgeving en instanties. Daarnaast zal worden onderzocht hoe een toelatingsexamen voor buitenslands gediplomeerden in de zorg bij zou kunnen dragen aan een versnelling van de procedure voor erkenning25. In het advies `Plan van Aanpak Interculturalisatie van de Gezondheidszorg'26 wordt voorgesteld op basis van te ontwikkelen meetmethoden de kennis, vaardigheden en attitude te toetsen, op basis waarvan het vervolgtraject voor snellere inpassing in het medisch vakgebied kan worden vastgesteld. Ook wordt voorgesteld de begeleiding tijdens de opleiding en bij instroom op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen.

De methodiek die binnen de medische faculteiten ontwikkeld is gericht op de instroom van artsen die niet erkend worden, wordt door het ministerie van VWS verder verspreid naar andere studierichtingen in de zorg, waaronder tandheelkunde en verpleegkunde.

Daarnaast wordt door het ministerie van VWS in afstemming met het ministerie van OCenW een betere voorlichting verstrekt over de paramedische beroepen en de HBO- opleiding verpleegkunde in Nederland, vooral gericht op (vaak oudere) vluchtelingen die met een korte omscholing aan het werk willen gaan in de medische sector.

In zogenaamde `tekort-sectoren' op de arbeidsmarkt kan de vraag naar hoger opgeleiden aan het aanbod van hoger opgeleide vluchtelingen worden gekoppeld via arbeidsmarktgerichte verkorte maatwerktrajecten uitgevoerd in samenwerkingsverbanden tussen werkgevers en andere partijen onder de regionale platforms arbeidsmarktbeleid. Op deze wijze wordt de expertise t.a.v. hoger opgeleide vluchtelingen regionaal geclusterd. Te denken valt hierbij aan sectoren als de zorg het onderwijs en de techniek.

De Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF ontwikkelt in 2002 in opdracht van de minister voor GSI een overdraagbaar methodiek gericht op de arbeidsmarkttoeleiding van hoger opgeleide vluchtelingen. De methodiek wordt middels een pilot in de sector techniek beproefd en zal bij succes verbreed worden naar andere sectoren. Met de sector zorg zal de minister van VWS afspraken maken gericht op het bevorderen van een efficiënte en effectieve arbeidstoeleiding van hoger opgeleide vluchtelingen. De minister voor GSI zal de mogelijkheid onderzoeken om binnen de Rijksoverheid een extra inspanning te leveren ten behoeve van de instroom van hoger opgeleide vluchtelingen. Voorts zal de minister van SZW nagaan binnen welke specifieke sectoren arbeidsmarktknelpunten voorkomen die matchen met opleidingsniveau en/of werkervaring van hoger opgeleide vluchtelingen.

24 Onderzoek naar de loopbanen van `CIA-artsen. Herfs e.a., Universiteit Utrecht, januari 2001. 25 Kabinetsstandpunt MDW werkgroep toetredingsbelemmeringen medische beroepen, TK 2001-2002, 24036 nr. 230
26 30 november 2001


12



3.3.3 Toeleiding
Het Raamconvenant Grote Ondernemingen is gericht op het bevorderen van de instroom, behoud en doorstroom van etnische minderheden. Ruim Baan voor Minderheden bij het ministerie van SZW adviseert en begeleidt de grote ondernemingen bij de implementatie van hun convenantsafspraken. Deze afspraken bevinden zich in verschillende stadia van uitvoering. De afspraken worden momenteel op uitvoeringsniveau verder uitgewerkt, waarbij vluchtelingenorganisaties zoals Emplooi en nOva betrokken worden.

Thans is met 110 bedrijven een convenant gesloten. Inmiddels hebben 18 bedrijven in hun convenant specifieke afspraken opgenomen gericht op de instroom van hoger opgeleide minderheden, zoals het aanbieden van stages, trainee-programma's of duale trajecten. Een kleiner aantal bedrijven noemt specifiek vluchtelingen als een doelgroep voor de uitwerking van hun convenantsafspraken. De concretisering van de afspraken met de grote ondernemingen krijgt in de periode 2002-2003 zijn beslag.

De bij UAF Job Support aanwezige kennis over arbeidstoeleiding van hoger opgeleide vluchtelingen wordt ontsloten middels een door het ministerie van SZW gefinancierde adviesfunctie ter ondersteuning van uitvoeringsorganisaties zoals de CWI, als ook de gemeenten. Het UAF kan op deze wijze een `aanjaagfunctie' vervullen en de aanwezige expertise breder verspreiden waardoor deze ingebed wordt in de werkwijze van andere intermediairs. De adviesfunctie wordt voor een periode van twee jaar gefinancierd.

3.4 Gegevens over vluchtelingen
Het kabinet heeft in juni 2000 besloten om de kennis over vluchtelingen te verdiepen zodat op basis daarvan gerichte en effectieve aanvullende maatregelen voor vluchtelingen kunnen worden ingezet. De Organisatie voor Strategische Arbeidsmarktvraagstukken (OSA) heeft aan het ITS in Nijmegen een onderzoeksopdracht verstrekt die deze vraag moet beantwoorden. Dit onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van vluchtelingen wordt naar verwachting mei 2002 opgeleverd.

Om tegemoet te komen aan de behoefte aan meer kwantitatieve en kwalitatieve informatie over vluchtelingen en om te kunnen bepalen of de getroffen beleidsmaatregelen effectief zijn, zal de vierjaarlijks te verschijnen SPVA-onderzoek naar de sociale positie en het voorzieningengebruik van allochtone groepen in Nederland vanaf 2003 worden uitgebreid met de grootste nieuwe etnische groepen, waaronder veel vluchtelingen.

4. Financiering en voortgang

Het plan van aanpak wordt gefinancierd uit de beschikbare middelen voor Inburgering oud- en nieuwkomers en de Sluitende Aanpak. Daarnaast kan voor de uitvoering van de projecten en experimenten die in de G26 worden opgezet, gebruik gemaakt worden van middelen in het kader van de Agenda voor de Toekomst waaronder de experimenteerregeling. Tevens kan een beroep worden gedaan op Europese fondsen (waaronder het Europees Vluchtelingen Fonds).

De beschreven activiteiten worden gecoördineerd vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarbij advies wordt ingewonnen bij een te vormen landelijk platform. Over de voortgang van de activiteiten wordt gerapporteerd in het jaarlijks verschijnende Rapportage Integratiebeleid etnische minderheden.


13




14