FNV

FNV CNV Unie MHP

Postadres Postbus 8456, 1005 AL Amsterdam

Aan de voorzitters van de fracties van de politieke partijen uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

29 april 2002
Onderwerp: SER-voorstellen WAO en kabinetsstandpunt

Mijne heren,

FNV, CNV en Unie MHP willen u met deze open brief met nadruk hun onvrede kenbaar maken met het kabinetsstandpunt over de SER-advisering ten aanzien van de WAO. Bovendien willen wij u oproepen uw verantwoordelijkheid te nemen voor de verdere gang van zaken.

Het kabinetsstandpunt doet op geen manier recht aan karakter en inhoud van het SER-advies en de werkelijkheid waarbinnen dat tot stand is gekomen. Door alle partijen in de SER is een intensieve poging gedaan de politieke patstelling te doorbreken die het WAO-debat al jaren kenmerkt en een breed draagvlak te creëren voor een krachtige gezamenlijke aanpak.

Daarnaast is gekozen voor een verantwoordelijkheidsverdeling waarmee met name de sociale partners een deel van de problematiek duidelijk voor hun rekening nemen. Er is bewust ingezet op een verantwoordelijkheidsverdeling waarbij de overheid gaat over de uitkeringen voor volledig duurzaam arbeidsongeschikten en het bedrijfsleven over alle overige mensen met arbeidsbeperkingen. De uitvoeringsstructuur is nadrukkelijk gekoppeld aan die verdeling van verantwoordelijkheden.

De uitwerking die het kabinet aan een en ander heeft gegeven is absoluut niet in verbinding te brengen met een samenhangende visie op het geheel, en is in die zin illustratief voor het selectief winkelen dat hier plaatsvindt. Bovendien wordt op geen enkele manier aangezet tot betere preventie en reïntegratie. Het kabinetsstandpunt kan dan ook niet anders worden gezien dan als een kortzichtige bezuiniging.

Het standpunt van het kabinet naar aanleiding van het SER-advies over de WAO begint met het uitspreken van waardering voor de SER-voorstellen. Ook elders in de tekst wordt geregeld met instemming uit het SER-advies geciteerd.

Het kabinet wekt met andere woorden de indruk het SER-advies op hoofdlijnen te omarmen, maar die indruk is niet bepaald juist.

Weliswaar neemt het kabinet een paar onderdelen uit het SER-advies over die kenmerkend zijn voor het onderscheid tussen de SER en de commissie-Donner, zoals het niet puur medisch beoordelen van arbeidsongeschiktheid en het creëren van een recht op gedeeltelijke uitkeringen, maar dat neemt niet weg dat men op andere wezenlijke onderdelen fundamenteel afwijkt van de lijn van de SER.

Eigenlijk wordt uit de losse pols gekozen voor een soort `derde weg'.

De verontwaardigde reacties van de kant van de sociale partners zijn goed te begrijpen als nader wordt geanalyseerd waar de voorstellen afwijken. Als vakcentrales moeten wij helaas constateren dat de afwijkingen ook nog eens vrijwel zonder uitzondering ten nadele zijn van de werknemers. Dat maakt de gang van zaken voor ons des te meer onverteerbaar.

Het (vooralsnog) schrappen van de voorstellen voor verhoging van de volledige uitkeringen en voor het afschaffen van de Pemba-premies is vooral desastreus voor het evenwicht en de samenhang in de voorstellen. Dit aspect wordt verderop nader uitgewerkt.

Maar er is veel meer aan de hand.

Vanuit de vakbeweging gezien is het afschaffen van de partnertoets in de IOAW een belangrijk punt. Het kabinet negeert dat belang en houdt ook in het nieuwe regime de partnertoets intact. Dat betekent dat mensen met behoorlijke arbeidsbeperkingen die er onverhoopt niet in slagen ander werk te vinden, na afloop van twee ziektejaren en de (vaak korte) WW, volledig afhankelijk worden van hun partner. In samenhang met het vervallen van gedeeltelijke uitkeringen in geval van werkloosheid, is hier sprake van een forse aantasting van het inkomensbeschermende karakter van de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

In het advies van de SER wordt een kleine stap voorwaarts gezet in de door velen gewenste individualisering van de sociale zekerheid. Mensen worden immers geacht hun eigen inkomen te verdienen. Het kabinet maakt echter drie sprongen achteruit. Het miskent daarmee de waarde van deze relatie met de bredere aspecten van de sociale zekerheid. Men fixeert zich zodanig op enkele onderdelen van de WAO-systematiek dat dit soort integrale afwegingen geen rol spelen. De uitkomst is echter dat daarmee juist een belangrijke kans op een breed draagvlak voor een oplossing van de WAO-problematiek wordt gemist.

Zowel aan de onderkant als aan de bovenkant van het loongebouw tracht het kabinet te sleutelen (of liever gezegd rommelen) aan het door allen inmiddels geaccepteerde criterium van de verdiencapaciteit. Aan de onderkant doet men dit door functies te hanteren die niet voorkomen op de reguliere arbeidsmarkt. Daarmee worden kunstmatig te lage te verdienen lonen in de vergelijking betrokken.

Aan de bovenkant wil men het `maatmanloon' begrenzen op het maximumdagloon. Daarmee wordt bereikt dat werknemers met een hoger loon een lager loon wordt toebedeeld dan het feitelijke. De indruk wordt gewekt dat het hier gaat om het wegwerken van onvolkomenheden in de schattingssystematiek. In werkelijkheid komt het echter neer op een geforceerde manier om in een aantal gevallen op een lager WAO-recht uit te komen.

Ten aanzien van de keuringen wekt de tekst van het kabinetsstandpunt evenzeer de indruk in grote lijnen mee te gaan met de SER-voorstellen, maar opnieuw is dit gezichtsbedrog. De SER stelt voor `positieve' lijsten te hanteren, als hulpmiddel voor keuringsartsen. Het gaat dan om aandoeningen die in beginsel als duurzaam kunnen worden aangemerkt. Het kabinet gaat vooral in op het nut van `negatieve' lijsten, die juist bedoeld zijn om aandoeningen uit te sluiten voor de nieuwe WAO. Bovendien wekt de tekst de indruk een veel absolutere werking te willen geven aan deze lijsten, waar in het SER-voorstel het verstand van artsen niet op nul wordt gezet.

De keus die het kabinet maakt op het punt van het flexibele keuringsmoment is merkwaardig en inconsistent. Enerzijds neemt men met enkele mitsen en maren het onderscheid over dat de SER maakt tussen duurzame arbeidsongeschiktheid en de situatie waarin op afzienbare termijn herstel mogelijk is, maar anderzijds mag de keuring waarbij die duurzaamheid wordt vastgesteld niet eerder dan na een jaar plaatsvinden. In het SER-voorstel is drie maanden de grens, mist het om evidente gevallen gaat. De aangevoerde argumenten voor de keus van het kabinet om ook bij het evident ontbreken van arbeidsmogelijkheden werkgever en werknemer een jaar aan elkaar te binden zijn niet overtuigend, terwijl de logica van het geheel er zwaar onder te lijden heeft.

De (voorwaardelijke) keus voor publieke uitvoering van de loonaanvullingsregeling wordt door het kabinet wel uitvoerig beargumenteerd, maar roept ook vragen op. Op de argumenten van de SER om een voorkeur uit te spreken voor private uitvoering wordt niet ingegaan. Met name de verbinding die verzekeraars kunnen leggen met de verzuimbegeleiding en arbozorg, die vaak eveneens voorwerp van verzekering zijn, verdient in dat verband de aandacht. Bovendien komen eventuele arrangementen voor mensen met een lichte arbeidsbeperking op deze manier in de lucht te hangen. Helemaal merkwaardig wordt het als opeens gekozen wordt voor een algemene financiering van de loonaanvullingsregeling, terwijl dat in de ogen van de SER nu juist thuishoort in de bedrijfsspecifieke prikkels, deels als compensatie voor het vervallen van de Pemba-systematiek.

Misschien wel het meest destructief voor het draagvlak is de dreigende taal die het kabinet bezigt over de uitwerking van de WAO-voorstellen naar de huidige populatie. Deze dreiging legt ten onrechte en op een volledig onnodige manier een nog grotere hypotheek op de maatschappelijke acceptatie dan altijd al het geval is bij WAO-discussies. Maar bovendien miskent men op deze manier het ingrijpende karakter van de SER-voorstellen. Er is geen sprake van een simpele aanpassing van een onderdeel van de wet, maar wat voorligt is een samenhangend geheel van voorstellen dat de omgang met ziekte en arbeidsongeschiktheid fundamenteel wil veranderen. Door het perspectief voor alle partijen ingrijpend te wijzigen, waar dat nu gedomineerd wordt door de vanzelfsprekendheid van een WAO-uitkering na 12 maanden ziekte, wil de SER partijen aanzetten tot een heel ander gedrag.

Het staat buiten kijf dat een dergelijk recept, dat begint met sterke prikkels voor reïntegratie in de eerste twee ziektejaren, geen enkele werking heeft voor mensen die al hoog en breed in de WAO zitten. Wat uiteraard niet betekent dat er aan die categorie niets hoeft te gebeuren. De SER-voorstellen beogen nu juist de ruimte te creëren voor de uitvoerders om een maximale inspanning te leveren voor de reïntegratie van de huidige WAO'ers.

Al met al is het duidelijk dat het kabinet geen enkele waarde hecht aan het draagvlak voor de SER-voorstellen en aan het evenwicht en de samenhang die er in zitten.

Terwijl dat laatste nu net het cruciale punt is.

De SER-voorstellen behelzen voor zowel de werkgevers als de werknemers een aantal forse aderlatingen. Die zijn, vaak met moeite, acceptabel gebleken voor de respectievelijke achterbannen, juist omdat het geheel van de voorstellen als evenwichtig werd ervaren en bovendien als een coherente, geloofwaardige bijdrage aan de oplossing van de WAO-problematiek.

En die acceptatie in de achterban is een absolute noodzaak om te bereiken dat alle partijen ook echt mee willen werken aan de uitvoering van een nieuw WAO-systeem. Het beeld dat door sommigen wordt opgeworpen, als hebben de sociale partners in de SER elkaar over en weer wat cadeau gedaan, is dan ook absoluut in strijd met de werkelijkheid.

Als het hele traject van de commissie-Donner en de SER-advisering bedoeld was om tot dit standpunt te komen, hadden veel partijen zich alle moeite kunnen besparen, en had het kabinet veel eerder kleur kunnen en moeten bekennen. Deze gang van zaken is goedbeschouwd een belediging voor de partijen uit de overlegeconomie.

Op zich kan gesteld worden dat dit verhaal toch de prullenmand in kan vanwege de demissionaire status van het kabinet, maar ook dat zou zeer onbevredigend zijn. Ons inziens hebben de kiezers er recht op te weten waar ze aan toe zijn met de politieke partijen, als het gaat om een zo belangrijk vraagstuk als de WAO.

In onze ogen staan er twee opties open als het parlement de SER-voorstellen evenmin wenst over te nemen.

Optie 1 is dat de politiek de lijn van het kabinetsstandpunt doorzet. Dan ontbreekt niet alleen ieder draagvlak voor de uitvoering, maar zal men bovendien grote weerstanden oproepen. Zeker als wij daarbij de dreiging betrekken om bovenwettelijke aanvullingen bij ziekte te `ontmoedigen'. Welke (re)acties deze ontwikkeling teweeg zal brengen, laten wij in dit stadium in het midden, maar wij willen wel nadrukkelijk wijzen op de preambule van de aan het SER-advies verbonden verklaring van de Stichting van de Arbeid. Die tekst laat er geen misverstand over bestaan dat de partijen uit de Stichting zich op geen enkele manier gebonden achten aan de daarin vervatte afspraken, waaronder die over het niet-aanvullen in het tweede ziektejaar, wanneer de hoofdlijnen van het SER-advies door de politiek niet worden overgenomen.

Optie 2 is opnieuw gaan sleutelen aan een oplossing die wel op een breed draagvlak kan rekenen. De ervaring leert dat dit een lastige en zeer complexe operatie is, die jaren gaat duren. Voordat dan sprake kan zijn van de implementatie van nieuwe wetgeving, zullen veel mensen de dupe zijn geworden van de huidige situatie, en onnodig in de WAO terechtkomen.

Wij vragen u dan ook op dit moment de enig juiste rationele keuze te maken: een inrichting van het WAO-stelsel langs de lijnen van het SER-advies. Op die manier kunnen politiek en sociale partners alsnog de rijen sluiten en de broodnodige gezamenlijke aanpak in gang zetten van deze laatste `sociale quaestie'.

Na jaren van onophoudelijk politiek rumoer is het opeens onwezenlijk stil geworden rond de WAO.

De werknemers hebben echter recht op duidelijkheid, in ieder geval voor 15 mei.

Wij doen daarom bij deze een klemmend beroep op u over uiterlijk een week een heldere politieke uitspraak te doen over het SER-advies, het enige voorstel met werkelijk draagvlak en bovendien het enige uitgewerkte voorstel dat voorligt.

Wij zullen uw reactie vóór de verkiezingen via de daartoe geëigende kanalen bekend maken aan de werknemers van Nederland.

Met vriendelijke groet,

Lodewijk de Waal Doekle Terpstra Ad Verhoeven
voorzitter FNV voorzitter CNV voorzitter Unie MHP