Onderwijsraad


KENMERK P E R S B E R I C H T
20020285/674

DATUM 11 juli 2002

Artikel 23 grondwet biedt ruimte voor vernieuwing
Nassaulaan 6

Artikel 23 Grondwet, waarin zowel het recht op openbaar onderwijs als de                2514 JS DEN HAAG
vrijheid van bijzonder onderwijs is verankerd, is nog steeds waardevol. Dit             TELEFOON 070 310 00 00
stelt de Onderwijsraad in zijn advies Vaste grond onder de voeten. Een ver-             FAX 070 356 14 74
kenning inzake artikel 23 Grondwet dat op verzoek van minister Hermans tot              E-MAIL SECRETARIAAT@ONDERWIJSRAAD.NL
stand is gekomen.                                                                       WEBSITE WWW.ONDERWIJSRAAD.NL
De raad brengt de mogelijke juridisch-technische knelpunten en maatschap- pelijke problemen in relatie tot artikel 23 in kaart. De nadruk ligt op het in- ventariseren en analyseren van de eventuele maatschappelijke knelpunten zoals toegankelijkheid en segregatie. Waar nodig worden suggesties voor oplossingsrichtingen aangedragen.

Het duale bestel
Het duale onderwijsbestel vloeit voort uit het grondwettelijke onderscheid tussen openbaar (vanuit overheid georganiseerd) en bijzonder (vanuit indivi- duen en particuliere organisaties georganiseerd) onderwijs. Dit onderscheid is, door bijvoorbeeld ontzuiling, uniformering van onderwijsdoelen en derge- lijke, aan het vervagen. Dat vormt op zich echter geen groot maatschappelijk probleem. De raad ziet voldoende positieve gronden het duale bestel te handhaven. De combinatie van publieke taakstelling voor zowel bijzondere als openbare scholen en daarnaast de variaties in private (bijzonder onder- wijs) en publieke (openbaar onderwijs) organisatievormen zorgt voor pluri- formiteit, dynamiek en (beheerste) concurrentie.

Segregatie, toegankelijkheid en keuzerecht
Dit neemt niet weg dat de politiek en het onderwijsveld het duale bestel vaak associëren met segregatie ofwel tweedeling in zwarte en witte scholen. Het vermoeden bestaat daar dat het bijzonder onderwijs met artikel 23 in de hand kinderen uit etnische en culturele minderheidsgroeperingen en ook autochtone achterstandsleerlingen weert. Cijfers geven evenwel aan dat bij- zondere scholen procentueel weliswaar minder allochtone achterstandsleer- lingen hebben, maar in absolute cijfers hebben ze meer van deze leerlingen. Bovendien zijn autochtone achterstandsleerlingen evenwichtig over openbaar en bijzonder onderwijs gespreid. Slechts een beperkt aantal streng confessio- nele scholen selecteert op basis van hun religieuze grondslag, het gros van de bijzondere scholen doet dat niet. De tweedeling in zwarte en witte scholen is dus niet zozeer terug te voeren op toelatingsbeleid van bijzondere scholen, als wel op bevolkingssamenstelling van wijken en schoolkeuze van ouders. Versterking van het ouderlijk keuzerecht is dan ook geen goed instrument om



KENMERK
20020285/674

Pagina 2

deze tweedeling te bestrijden. De raad ziet wel een mogelijk perspectief voor een gemeentelijk spreidingsbeleid. Zulk beleid mag niet gebaseerd worden op etnische afkomst ­ dat is in strijd met internationale discriminatieverboden- maar wel op de onderwijsachterstand van leerlingen (af te leiden uit het op- leidingsniveau van de ouders). Wel moeten de voor- en nadelen van een sprei- dingsbeleid nader onderzocht en afgewogen worden. De keuzevrijheid van ouders en de autonomie van scholen is bij gedwongen spreidingsbeleid in het geding. Bovendien zal zo'n beleid met veel bureaucratie gepaard gaan.

Nog geen noodzaak tot wijziging
Op dit moment is er volgens de raad geen maatschappelijke noodzaak wezen- lijke, inhoudelijke veranderingen in artikel 23 Grondwet aan te brengen. Zo laat het artikel de wetgever voldoende ruimte om bijvoorbeeld afwegingen te maken met het oog op de invoering van een eventueel spreidingsbeleid, mo- gelijke versterking van het ouderlijk keuzerecht en het stellen van grenzen aan fundamentalistische scholen.
Wel kan gedacht worden aan een technische wijziging ter verheldering van reikwijdte en inhoud van verouderde termen in het onderwijsartikel. Daar- naast kan verduidelijking van het artikel gerealiseerd worden door invoering van constitutionele toetsing: toetsing door de rechter van wetten aan onder andere artikel 23 Grondwet.
Toch wil dit alles niet zeggen dat een debat over mogelijke wijziging van artikel 23 op termijn niet nodig is. Het is zeer wel voorstelbaar dat nieuwe antwoorden op de snelle maatschappelijke en technologische ontwikkelingen hun vertaling in het grondwetsartikel moeten krijgen. Voor reflectie op deze antwoorden is een debat met het onderwijsveld op zijn plaats. De raad is bereid gestalte te geven aan dit debat.