Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Flesvoeding van Nutricia

De Voorzitter van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

DBO-K-U-2312564

5 september 2002

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen, gesteld door het Kamerlid Kant (SP) over flesvoeding van Nutricia (2010212940).

De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

dr. Eduard J. Bomhoff

Flesvoeding van Nutricia 1. Flesvoeding van Nutricia Kamerstuk, 5-9-2002

Om het kamerstuk op te halen: Zie het origineel http://www.minvws.nl/document...er=393&page=18303 .

Antwoorden op kamervragen van Kant over flesvoeding van Nutricia (2010212940).
---
Vraag 1.
Wat is uw reactie op het artikel in het blad Kinderen waarin flesvoeding van Nutricia wordt aangeprezen omdat het nu net als borstvoeding natuurlijke prebiotische vezels zou bevatten? 1)
Antwoord
Het artikel is mij bekend. Ik heb het ter beoordeling voorgelegd aan de Keuringsdienst van Waren.
Vraag 2.
Bent u van mening dat hiermee de Warenwet is overtreden? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen? Antwoord
Ik acht het artikel een mogelijke overtreding van het verbod op de aanprijzing van volledige zuigelingenvoeding in het Warenwetbesluit Zuigelingenvoeding. Ik heb de Keuringsdienst van Waren verzocht een nader onderzoek in te stellen, en zonodig op te treden. Hierbij zal ook worden gekeken naar soortgelijke boodschappen in andere media. Vraag 3.
Worden ook via Gezondheidsplein en "Wij jonge ouders" dergelijke boodschappen van fabrikanten van flesvoeding gegeven?
Antwoord
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Vraag 4.
Herinnert u zich dat de stichting Zorg voor Borstvoeding al eerder haar zorg uitte over misleidende gezondheidsclaims naar aanleiding van uitspraken van de bestuursvoorzitter van DSM over onverzadigde vetzuren en zuigelingenvoeding en dat deze u als misleidend beschouwde? 2) Zo ja, heeft dit bedrijf gehoor gegeven aan uw verzoek en zijn misleidende uitspraken daarna achterwege gelaten?
Antwoord
Ja. Op 15 augustus 2001 heb ik de bestuursvoorzitter van DSM per brief verzocht de marketing van arachidonzuur (AA) en docosahexaeenzuur (DHA) als nieuwe ingrediënten voor zuigelingenvoeding met de vereiste terughoudendheid ter hand te zullen nemen. In mei 2002 ben ik gewezen op uitspraken over deze ingrediënten in het programma Gezondheidsplein van 3 april 2002 en op de DSM website. Ik heb op 21 mei aan de Keuringsdienst van Waren (KvW) verzocht deze uitlatingen te onderzoeken. De KvW heeft mij op 8 juli op de hoogte gebracht 2
van haar voorlopige bevindingen. In het TV-programma werd weliswaar aandacht besteed aan de onverzadigde vetzuren AA en DHA en werd de relatie gelegd naar borstvoeding en volledige zuigelingenvoeding, maar onvoldoende om dit te kwalificeren als het aanprijzen van de rechtstreekse verkoop van volledige zuigelingenvoeding. Op de website zijn teksten opgenomen, waarvan gezegd kan worden dat zij aanprijzingen van volledige zuigelingenvoeding kunnen zijn. Het onderzoek naar deze teksten is nog niet afgerond. Vraag 5.
Is het u bekend dat Abott Ross schuldig is bevonden aan overtreding van de Warenwet en een boete kreeg opgelegd van 2000 Euro vanwege het uitdelen van folders waarin flesvoeding werd aangeprezen? 3) Zo ja, denkt u dat dergelijke boetes voldoende zijn om deze bedrijven op het rechte pad te houden?
Antwoord
Ja, de uitspraak in de zaak Abbott B.V. is mij bekend. Artikel 6 van de Wet op de Economische Delicten geeft maximumstraffen en geen minimumstraffen. In ieder individueel geval kan de rechter beslissen over de hoogte van de sanctie. De openbaarheid van een strafproces wordt door bedrijven die van een strafbaar feit worden verdacht in hoge mate belastend gevonden. Dit tezamen met de mogelijke veroordeling tot een boete acht ik voldoende om bedrijven te motiveren om de reclamebepalingen van het Warenwetbesluit Zuigelingenvoeding in acht te blijven nemen.
Vraag 6.
Deelt u de mening dat de Nederlandse wetgeving borstvoeding voldoende beschermt en dat borstvoeding voldoende wordt gepromoot? Zo neen, wat gaat u hieraan doen? Antwoord
Naar mijn mening biedt de Warenwet voldoende bescherming van borstvoeding. De Keuringsdienst van Waren voert bovendien een actief en repressief handhavingsbeleid. Tegen overtredingen wordt terstond strafrechtelijk of bestuursrechtelijk opgetreden. Wel is de reikwijdte van de Warenwetregeling Zuigelingenvoeding beperkter dan die van de WHO Code. De Warenwetregeling is gebaseerd op de daartoe strekkende Europese richtlijnen. Nederland kan in de uitvoering daarvan ook niet verder gaan dan waartoe deze richtlijnen ruimte bieden. Tot een leeftijd van ongeveer zes maanden heeft het kind over het algemeen geen andere voeding nodig dan moedermelk. Uit recente peilingen van TNO-Preventie en Gezondheid blijkt dat in Nederland nog 18,5 % van de moeders uitsluitend borstvoeding geeft op het moment dat hun kind zes maanden oud is. Dit percentage vertoont een stijgende lijn. Het is aannemelijk dat de toegenomen positieve aandacht voor borstvoeding door o.a. het in Nederland lanceren van het Baby Friendly Hospital Initiative (BFHI) door de stichting Zorg voor Borstvoeding hierbij een rol heeft gespeeld. Het accent ligt hierbij op de verbetering van de begeleiding en ondersteuning van borstvoeding in de zorg. Ondanks de stijgende lijn in de peilingen kunnen nog steeds te weinig kinderen ten volle van de voordelen van borstvoeding profiteren. Moeders stoppen sneller met borstvoeding geven dan met het oog op de te behalen gezondheidswinst wenselijk is. Het Voedingscentrum heeft op mijn verzoek een plan van aanpak ontwikkeld gericht op de verdere stimulering van borstvoeding. Voor de uitvoering daarvan heb ik voor de periode 2002 - 2006 een budget van ruim 1 miljoen Euro ter beschikking gesteld. Het project moet leiden tot synergie van de huidige activiteiten en het initiëren van nieuwe activiteiten 3
gericht op het stimuleren van het geven van borstvoeding. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met professionele en vrijwilligersorganisaties.
---
1) Kinderen juli jl.
2) http://www.minvws.nl/document.html/folder=393&page=16496 3) Persbericht Wemos 30 mei jl.