Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer Postbus 90801 der Staten-Generaal 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Binnenhof 1a Telefoon (070) 333 44 44 2513 AA `s-GRAVENHAGE Telefax (070) 333 4059

Uw brief Ons kenmerk 8 juli 2002 SV/R&S/02/52247 soza-02-466
Onderwerp Datum Antwoorden op vragen over toepassing van 12 september 2002 de Wet REA voor leerlingen in het
praktijkonderwijs

./. Hierbij zend ik u mede namens de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen, de antwoorden op de vragen van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Hoogervorst) van 22 april 2002 over de toepassing van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) voor leerlingen in het praktijkonderwijs (SOZA-02-321).
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
(mr. A.J. de Geus)
Kamervragen van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Hoogervorst) van 22 april over de toepassing van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten voor leerlingen in het praktijkonderwijs (SOZA-02-321)
Vraag 1
Wat wordt precies bedoeld met het mogelijk niet zuiver toepassing geven aan de Wet REA in verschillende regio's, al dan niet op basis van afspraken tussen praktijkonderwijs en het Gak? Om hoeveel regio's en aantallen gaat het daarbij? Welke regels zijn niet zuiver toegepast en in welke periode gebeurde dat? Antwoord vraag 1




---

In een aantal regio's is aan artikel 22, eerste en tweede lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) een zodanige interpretatie gegeven dat er sprake is geweest van verstrekkingen die niet geacht worden te liggen op het terrein van de Wet REA. In de brief van 22 april jl (SOZA-02-321) van mijn ambtsvoorganger aan de Tweede Kamer is aangegeven dat voor de afbakening tussen het beleidsterrein van de Wet REA en het beleidsterrein van OCenW geldt dat voor leerlingen die initieel onderwijs volgen - het onderwijs dat iedere jongere gewoonlijk volgt alvorens hij gaat deelnemen aan het arbeidsproces - het Ministerie van OCenW verantwoordelijk is voor hetgeen de leerling aan onderwijs en begeleiding nodig heeft.
De verstrekkingen op grond van de Wet REA zijn gedaan aan leerlingen in het praktijkonderwijs en aan leerlingen in het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) die als arbeidsgehandicapt werden aangemerkt. Bij leerlingen in het praktijkonderwijs kan er vanuit worden gegaan dat door de school wordt zorg gedragen voor een zodanig adequate opleiding en begeleiding dat de betrokkene met die opleiding kan gaan deelnemen aan het arbeidsproces. Het praktijkonderwijs heeft namelijk de wettelijke taak om een leerling voor te bereiden op een taak op de regionale arbeidsmarkt. In een aantal regio's is de uitvoeringspraktijk niet altijd met deze uitgangspunten in overeenstemming geweest en zijn er op grond van de Wet REA ten behoeve van praktijkschoolleerlingen scholing en activiteiten ter voorbereiding op deelname aan de arbeidsmarkt vergoed terwijl ze nog ingeschreven waren als leerling.
Er is ook een aantal projecten, welke zijn uitgevoerd in een samenwerking tussen VSO-scholen en de uitvoerder van de REA, het UWV. Vaak zijn ook nog anderen in de regio betrokken, zoals de gemeenten (de uitvoerder van de Wiw), de provincie, de uitvoeringsorganisaties van de AWBZ en particuliere stichtingen. Terwijl het praktijkonderwijs qua opdracht ook een arbeidstoeleidende functie heeft, geldt dit niet voor het VSO.
Ook bij VSO-leerlingen wordt er vanuit gegaan dat ze door de opleiding in het algemeen toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Pas indien na afronding van de opleiding blijkt dat toegang tot de arbeidsmarkt niet slaagt, is er een taak voor het UWV tot integratie.
Naar schattingen van het Ministerie van OCenW gaat het voor het VSO om 10 tot 15 grote projecten/samenwerkingsorganisaties in 8 provincies, waarbij 1500 tot 2500 leerlingen betrokken zijn (vooral leerlingen uit het onderwijs voor zeer moeilijk lerende, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen met een lichamelijke problematiek het zgn. MYTYL/TYLTYL-onderwijs). Wat betreft het praktijkonderwijs zou het naar schatting gaan om 1500 tot 2000 leerlingen verspreid over de 15 regio's waarbij bij deze vorm van onderwijs wordt uitgegaan. Vraag 2
Is de staatssecretaris bereid te bevorderen dat er overleg plaats gaat vinden tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de praktijkscholen over de bemiddeling van leerlingen richting arbeidsmarkt?
Antwoord op vraag 2
Uitgaande van de taak van het praktijkonderwijs is het in de eerste plaats de taak van de school om een leerling voor te bereiden op een plaats op de arbeidsmarkt. Mocht bij afronding van de schoolopleiding de leerling deze plaats niet verworven blijken te hebben, dan is het UWV of de Gemeente verantwoordelijk voor de arbeidsintegratie van de betrokkene.
Het UWV zal bij de invulling van deze verantwoordelijkheid gebruik maken van het instrumentarium van de Wet REA en de gemeente van het instrumentarium van deWet inschakeling werkzoekenden (Wiw). Het UWV zal in dat kader veelal een reïntegratiebedrijf (RIB) inzetten. Ook de gemeente kan voor de invulling van haar verantwoordelijkheid gebruik maken van een RIB.
Met het oog op een doeltreffende integratie van de leerlingen kan het zinvol zijn dat de scholen en reïntegratiebedrijven (RIB's) wederzijds informatie uit te wisselen over de wijze waarop ex-leerlingen zo goed mogelijk begeleid kunnen worden. Daarnaast is het van belang dat scholen goed zijn geïnformeerd over de faciliteiten waar de betrokken leerlingen in het kader van de Wet REA en de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) zonodig gebruik van kunnen maken, nadat zij de school hebben verlaten. Vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en




---

Wetenschappen zal bevorderd worden dat scholen, het UWV en de gemeenten tot een goede informatie- uitwisseling komen.
Verder zal ook vanuit de departementen bevorderd worden dat er geen gat valt tussen de inspanningen van de school (m.n. de arbeidsvoorbereiding), en de inspanningen van het UWV en gemeente (arbeidsintegratie) voor die leerlingen die dat nodig hebben (zowel uit het praktijkonderwijs als het VSO) en dat er sprake is van een "vloeiende" overgang van de schoolsituatie naar de werksituatie Vraag 3
Op welke wijze en door wie vindt de financiering plaats van jongeren of jongvolwassenen met een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) die praktijkonderwijs volgen en vanwege op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) alleen over zak- en kleedgeld beschikken?
Antwoord op vraag 3
Bij de beantwoording van deze vraag is ervan uitgegaan dat met deze vraag de financiering van de arbeidstoeleiding wordt bedoeld. Jongeren of jongvolwassenen met een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) die in een AWBZ-instelling wonen hebben, naast zak- en kleedgeld ook het voordeel van de fiscale Wajongkorting. In de praktijk zal waarschijnlijk nauwelijks sprake zijn van jongeren met een Wajong-uitkering die tevens praktijkonderwijs volgen. Veelal wordt de opleiding in het praktijkonderwijs op de leeftijd van 12 jaar gestart. De opleiding duurt in principe 4 jaar. Wanneer de leerling de school verlaat is hij dus veelal 16 jaar. De Wajonguitkering kan pas worden toegekend bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Wel is het mogelijk dat er voor een leerling, die gezien de periode dat hij onderwijs heeft gevolgd de school zou dienen te verlaten, een ontheffing wordt verleend zodat hij zijn opleiding op de praktijkschool kan verlengen. Er kan twee maal een verlenging voor twee jaar worden gegeven. Alleen in die situatie kan er sprake zijn van een leerling met een Wajong-uitkering die praktijkonderwijs volgt. De school is verantwoordelijk voor de voorbereiding van praktijkschoolleerlingen op de arbeidsmarkt. Zodra praktijkschoolleerlingen met een Wajonguitkering van school zijn, wordt de verantwoordelijkheid voor arbeidstoeleiding gedragen- voorzover nog noodzakelijk - door het UWV. Het is voorts de vraag of mensen die in een AWBZ-instelling verblijven en tegelijkertijd praktijkonderwijs volgen nog wel thuishoren in een instelling.
Zij zouden waarschijnlijk zelfstandig kunnen wonen en daarbij ondersteunende zorg op grond van, onder meer, de AWBZ kunnen krijgen.
Vraag 4
Welke reïntegratiebedrijven kunnen worden ingeschakeld om de overgang naar de arbeidsmarkt of verdere leer-werkplaatsen te realiseren en wie financiert die? Antwoord op vraag 4
Wanneer het gaat om door het UWV bekostigde trajecten na afronding van de opleiding ­ voor jongeren met een arbeidshandicap tot 18 jaar en jongeren vanaf 18 jaar met een Wajonguitkering - kunnen de reïntegratiebedrijven worden ingeschakeld die bij de door het UWV gevolgde aanbestedingsprocedure opdrachten zijn gegund ten behoeve van deze doelgroep. De school kan optreden als onderaannemer van een reïntegratiebedrijf voor het uitvoeren van reïntegratietrajecten. Voor de arbeidsintegratie van jongeren zonder arbeidshandicap en arbeidsgehandicapte jongeren vanaf 18 jaar die minder dan 25% arbeidsongeschikt zijn, is de gemeente verantwoordelijk. De gemeente maakt daartoe gebruik van het instrumentarium van de Wiw.
Vraag 5
Is het mogelijk om voor jongeren die de school voor praktische vorming hebben afgerond en een indicatie voor Wet sociale werkvoorziening (Wsw) hebben - ondanks de wachtlijst van de Wsw - een sluitende doorgeleiding naar de Wsw te realiseren?
Antwoord op vraag 5
Indien de jongere wordt geïndiceerd voor de Wsw, moet de jongere door de gemeente zo spoedig mogelijk een dienstbetrekking in het sw-bedrijf worden aangeboden of moet de jongere - indien er ook een indicatie begeleid werken is - in de gelegenheid worden gesteld te gaan werken in het kader van Wsw begeleid te




---

werken. Er is soms nog sprake van een wachttijd. Overigens kan in de tussentijd de gemeente via de Wiw een tijdelijk traject bieden om de wachttijd te overbruggen. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat jongeren over het algemeen sneller in de Wsw geplaatst worden dan mensen uit andere leeftijdsgroepen. Het streven is er evenwel op gericht de wachttijd (ook voor jongeren) nog verder te bekorten Vraag 6 Wordt de mening gedeeld dat ten alle tijden voorkomen moet worden dat er een wachttijd zit tussen het afsluiten van de opleiding en het aanvaarden van werk of een werkervaringsplaats? Antwoord op vraag 6
De optimale situatie zou zijn dat een leerling vanuit de onderwijssituatie direct kan doorstromen naar (al dan niet gesubsidieerd) werk of een werkervaringsplaats. Dit kan evenwel niet in alle gevallen worden gerealiseerd. Het UWV of de gemeente is dan, zoals hiervoor gezegd, verantwoordelijk voor de arbeidsintegratie van de leerling nadat hij de school heeft verlaten. Teneinde de wachttijd in die gevallen zo kort mogelijk te houden is met name van belang dat er tijdig voldoende informatie bij scholen en leerlingen bekend is over de arbeidsintegratie-mogelijkheden voor de leerlingen die in aansluiting op de opleiding geen arbeidsplaats hebben kunnen verwerven. Zoals bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven zal vanuit de departementen worden bevorderd dat de inspanningen van de school (m.n. de arbeidsvoorbereiding) zo goed mogelijk aansluiten op de inspanningen van het UWV of gemeente (arbeidsintegratie), voor die leerlingen die dat nodig hebben (zowel uit het praktijkonderwijs als het VSO. Samenwerking op alle niveaus is wenselijk teneinde een zo naadloos mogelijke overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt te realiseren.
Vraag 7
Zal worden onderzocht hoe lang die wachttijd is en hoe de regeling aangepast kan worden, zodat voor deze groep ook sprake is van een sluitende aanpak?
Antwoord op vraag 7
Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven zal een goede voorlichting aan de scholen en de leerlingen een bijdrage kunnen leveren om de wachttijd zo kort mogelijk te houden. Een nader onderzoek naar de duur van de wachttijd, naast hetgeen daarover nu bekend is, wordt met het oog hierop niet opportuun geacht. Evenmin als een aanpassing van de desbetreffende regelgeving. Het is van belang dat de school een leerling zo spoedig mogelijk aanmeldt voor een indicatiestelling voor de Wsw indien ze vermoedt dat de leerling op een Wsw-dienstverband is aangewezen. In die gevallen waarin de leerling is geïndiceerd voor de Wsw maar nog geen Wsw-plaats beschikbaar is, biedt de gemeente een Wiw-dienstbetrekking aan ter overbrugging van deze wachtperiode, waarbij werk wordt verricht onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in de Wsw (art. 10 lid 2, Wiw). Indien de leerling niet geïndicieerd is voor de Wsw en een Wajong-uitkering ontvangt, dient het UWV direct een reïntegratietraject te starten indien er geen uitzicht is op werk zonder ondersteuning. Vraag 8
Wat betekenen de plannen van het nieuwe kabinet voor de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een traject in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden? Antwoord op vraag 8
Deze plannen zijn door het kabinet aangeduid in het strategisch akkoord. Daarin is vastgelegd dat gemeenten voor het activerend reïntegratiebeleid gebruik kunnen maken van een ongedifferentieerd, flexibel vrij besteedbaar reïntegratiebudget. De komende maanden zal het akkoord nader uitgewerkt worden, waarbij de precieze vormgeving van dit budget en bestedingsmogelijkheden verder ingevuld worden. Vraag 9
Wanneer beslist het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de ESF-financiering voor het onderwijs van praktijkschoolleerlingen en stageleerkrachten? In hoeverre wordt deze beslissing gehinderd door de perikelen rondom de ESF-financiering 1994-1999?




---

Antwoord op vraag 9
Op basis van de subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 2000-2006 kunnen scholen voor praktijkonderwijs ESF-subsidie aanvragen voor projecten in de slotfase van het praktijkonderwijs en de periode vlak na het verlaten van de school; dit in aanvulling op het reguliere takenpakket. Deze regeling: d.d. 8-2-2002, BVE/B-2002/1470, gepubliceerd in het Gele Katern no. 4 van 27-2-2002 heeft naast het Praktijkonderwijs betrekking op leerlingen/ deelnemers bij projecten bestrijding van voortijdig schoolverlaten en versterking beroepsbegeleidende leerweg. De activiteiten voor het Praktijkonderwijs zijn gegroepeerd in een zevental thema's:

1. Arbeidskundig onderzoek

2. Netwerkvorming in relatie tot arbeidsintegratie;
3. Leerlingwerkplaatsen in directe samenwerking met branches en bedrijven;
4. Branchegerichte cursussen voor leerlingen, gericht op civiele effect: certificering;
5. Informatietechnologische programma's, in aanvulling op de rijksregeling, voor de onderwijskundige ondersteuning van de arbeidsintegratie en in relatie tot de overige thema's;
6. Scholingsprogramma's arbeidsintegratie voor docenten;
7. Vormgeven en intensiveren van begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde stagebegeleiding op basis van een overeenkomst.
De perikelen rondom ESF ­ financiering in de periode 1994 ­ 1999 hebben geleid tot een nieuwe controle- beheer- en toezichtstructuur voor de programmaperiode 2000-2006. Hierdoor is enige vertraging opgetreden in de openstelling van het ESF ­ programma. Het programma is met de vaststelling van de subsidieregeling in juni 2001 geopend. OC en W dient bij het verstrekken van ESF ­ subsidies te opereren binnen dit ESF ­ programma en heeft daardoor de subsidieregeling ESF ­ 3 voor onderwijsinstellingen 2002 ­ 2006 pas in februari 2002, bekend kunnen maken. In 2002 en 2001 zijn door de eerder genoemde vertraging geen nieuwe projecten gesubsidieerd en is alleen subsidie verstrekt aan doorlopende projecten uit 1999. Vanaf 2002 kan er weer voor nieuwe projecten ESF ­ subsidie worden aangevraagd. Vraag 10
Hoe reëel wordt de mogelijkheid voor scholen om afspraken met werkgevers te maken over verdeling van de premiekorting Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering/ Werkloosheidswet geacht? Antwoord op vraag 10
De scholen zijn vrij om wanneer zij een (ex-)leerling met een arbeidshandicap bij een werkgever plaatsen en met de werkgever enig vorm van nazorg en begeleiding afspreken, met de werkgever overeen te komen dat de werkgever een deel van de premiekorting die met ingang van 1 januari 2002 op grond van de WAO/WW aan de werkgever kan worden toegekend, beschikbaar stelt aan de school. Indien sprake is van een goed overleg tussen de school en de werkgever kan dit als een reële mogelijkheid worden beschouwd.