Hoge Raad der Nederlanden

Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AN9195 Zaaknr: 02006/03


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 9-03-2004
Datum publicatie: 9-03-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie

9 maart 2004
Strafkamer
nr. 02006/03
SCR/DAT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 oktober 2002, nummer 23/003805-01, in de strafzaak tegen:
, geboren te op 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.


1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 8 november 2001 - de verdachte ter zake van "moord" veroordeeld tot zestien jaren gevangenisstraf.


2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering van de opgelegde straf in verband met de bij de behandeling in cassatie opgetreden overschrijding van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.


3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De verdachte heeft op 11 oktober 2002 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 21 augustus 2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak, zoals hieronder zal worden overwogen, zal worden verwezen zal die overschrijding bij strafoplegging dienen te betrekken.


4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte vragen van de verdediging aan de getuige heeft belet, althans dat het Hof zijn beslissing dienaangaande onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2002 houdt, voorzover hier van belang, het volgende in: "De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven -: (...)
Voorts wil ik de getuige confronteren met een artikel uit de krant. Ik leg een kopie van dit artikel en een aangifte alvast aan het hof over.
(...)
Na hervatting van het onderzoek is de getuige (...) verschenen.
(...)
De raadsman deelt mede dat hij de verklaring van de getuige in de openbaarheid wil toetsen en stelt het volgende: mijn cliënt is door de getuige direct belast en ik wil hem ook kunnen confronteren met de andere getuigen. Gezien de verklaringen die hij ook in andere zaken heeft afgelegd, is de getuige een pathologische leugenaar, aldus de raadsman.
(...)
Het hof zal moeten oordelen over de betrouwbaarheid van deze getuige, mede gezien het krantenartikel - in een andere strafzaak - dat ik heb overgelegd, aldus de raadsman.
De voorzitter deelt mede dat het krantenartikel nu niet aan de orde is en dat het gaat om de vraag of het noodzakelijk is deze getuige in deze zaak te horen.
(...)
De voornoemde getuige legt vervolgens de belofte af en verklaart - zakelijk weergegeven -:
(...) Ik hoor de voorzitter zeggen dat ik op de vraag van de raadsman, of ik op 8 januari 2002 in een andere strafzaak als getuige ben opgetreden, geen antwoord hoef te geven."

4.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2002 houdt, voorzover hier van belang, het volgende in: "De getuige (...) legt onder verband van de op de terechtzitting van 17 mei 2002 afgelegde belofte een verklaring af. (...)
De raadsman deelt op de vragen van de voorzitter mede dat hij aan de hand van een proces-verbaal van de rechtbank Alkmaar in een andere zaak de getuige vragen wil stellen omtrent de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.
De voorzitter deelt mede dat de getuige deze vragen niet hoeft te beantwoorden, nu het betreffende proces-verbaal niets met de onderhavige zaak te maken heeft.
(...)
De raadsman vraagt akte van het feit dat de vragen omtrent een andere strafzaak waarin de getuige ook is gehoord, door het hof worden belet. De betrouwbaarheid van de getuige is in het geding, aldus de raadsman. (...)
De verdachte stelt dat de getuige liegt."

4.3. Uit het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep, zoals hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 weergegeven, blijkt dat de verdediging de getuige vragen wenste te stellen die zij van belang achtte in verband met de betrouwbaarheid van verklaringen van de getuige. Het oordeel van - de voorzitter namens - het Hof dat wordt belet dat aan de desbetreffende vragen gevolg wordt gegeven houdt kennelijk in dat deze vragen niet van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraagpunten waarvoor de artikelen 348 en 350 Sv de rechter stellen. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De door de raadsman te stellen vragen hadden weliswaar (ook) betrekking op een in een andere strafzaak door de getuige afgelegde verklaring, maar strekten er onmiskenbaar toe informatie te verkrijgen welke van belang kon zijn voor de waardering van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de in de onderhavige zaak afgelegde verklaringen van de getuige (vgl. HR 13 januari 1998, NJ 1998, 464). Aldus heeft het Hof door het beletten van deze vragen een zo belangrijk beginsel van een goede procesorde geschonden dat nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting het gevolg moet zijn (vgl. HR 28 juni 1983, NJ 1983, 798).

4.4. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.


5. Beoordeling van het vijfde middel

5.1. Hoewel, gelet op het vorenoverwogene, bespreking van dit middel achterwege zou kunnen blijven, ziet de Hoge Raad niettemin aanleiding in te gaan op een rechtsvraag die in het middel wordt opgeworpen. Die vraag betreft de toelaatbaarheid van het stelselmatig inwinnen van informatie door een opsporingsambtenaar ingeval een verdachte voorlopig gehecht is, terwijl die opsporingsambtenaar zich onder een andere identiteit, dus zonder dat voor de verdachte kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, bevindt in de omgeving van de verdachte ter plaatse waar deze is ingesloten.

5.2. Art. 126j Sv voorziet in de mogelijkheid dat een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.

5.3.1. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 27 mei 1999 (Stb. 245), waarbij art. 126j Sv werd ingevoerd, houdt inzake het stelselmatig inwinnen van informatie op grond van voormeld artikel onder meer het volgende in:
"In artikel 126j wordt voorgesteld te regelen dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat een opsporingsambtenaar onder een andere identiteit, dus undercover, stelselmatig informatie over een verdachte inwint, teneinde informatie of bewijsmateriaal te verzamelen. Een opsporingsambtenaar kan dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. (...)
Bij deze vorm van opsporing kan dus, evenals bij infiltratie, niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn, maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is.
(...)
Deze bevoegdheid is alleen toegestaan ter opsporing van misdrijven. De bevoegdheid tot het undercover stelselmatig inwinnen van informatie omtrent een verdachte onderscheidt zich van de politiële infiltrant doordat niet wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen of een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd. De opsporingsambtenaar zal dan ook niet deelnemen aan het plegen of beramen van misdrijven. Aan de bevoegdheid zijn daarom minder risico's verbonden dan aan de infiltratie. Daarom is zij aan minder strenge voorwaarden gebonden. Het onderscheid met de stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk tot opdracht heeft om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte."
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3, blz. 34-35)

5.3.2. In dit verband is tevens van belang hetgeen in voormelde Memorie van Toelichting is opgemerkt met betrekking tot de in de art. 126h en 126p Sv geregelde politiële infiltratie welke samenhang vertoont met de in art. 126j Sv gegeven bevoegdheid: "Een bijzonder aspect bij de bevoegdheid tot infiltratie is, evenals bij de hierna te bespreken bevoegdheid tot het stelselmatig undercover inwinnen van informatie, dat het zich kan voordoen, en deels zelfs onvermijdelijk zal zijn, dat de opsporingsambtenaar in gesprek komt met een verdachte. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat een dergelijk gesprek belangrijk verschilt van een verhoor. De verdachte wordt namelijk niet 'als verdachte' gehoord (artikel 29 Wetboek van Strafvordering). Op hem wordt niet de druk gelegd, die kenmerkend is voor de verhoorsituatie. Die druk is, doordat de opsporingsambtenaar niet als zodanig herkenbaar is, afwezig. Het feit dat de opsporingsambtenaar undercover optreedt brengt met zich mee dat hij niet zijn bevoegdheden jegens burgers kan uitoefenen, die hem normaal gesproken toekomen. Hij mag dus ook geen verhoor afnemen. De cautie, die de verdachte erop attendeert dat hij niet aan de op hem uitgeoefende druk hoeft te geven, is hier dan ook niet aan de orde. (...)
Het probleem in de situatie als geschetst is niet de vrijheid van de verdachte ten opzichte van de opsporingsambtenaar om niet te verklaren, maar de schending van het vertrouwen van de verdachte door de opsporingsambtenaar. De verdachte zal niet verwachten dat de informatie die hij prijs geeft, wordt gebruikt voor opsporingsdoeleinden. De opsporingsambtenaar misleidt de verdachte." (Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3, blz. 30)

5.4. Mede in het licht van de wetsgeschiedenis biedt art. 126j Sv een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag als bedoeld in art. 8 EVRM voor het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, onder een andere identiteit in de omgeving van de verdachte verkeert en, met schending van diens vertrouwen, met de verdachte in contact komt.

5.5. Uit de ontstaansgeschiedenis van die bepaling en van de titel waarin zij is opgenomen volgt dat daaronder ook is begrepen het inwinnen van informatie door contacten met de verdachte zelf, terwijl tekst noch geschiedenis van die bepaling steun biedt aan de opvatting dat een dergelijk inwinnen van informatie op voorhand is uitgesloten ten aanzien van een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt.

5.6. Het vorenoverwogene neemt niet weg dat toepassing van art. 126j Sv ten aanzien van een voorlopig gehechte verdachte licht het gevaar in zich bergt dat de verdachte op zodanige wijze feitelijk komt te verkeren in een verhoorsituatie waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken, dat aldus verklaringen worden verkregen die in strijd met de in art. 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Gelet daarop zal vooreerst bij de toetsing van een zodanige toepassing van art. 126j Sv aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit uitgangspunt moeten zijn dat die toepassing eerst in aanmerking komt als de bijzondere ernst van het misdrijf zulks rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn.

5.7. Indien aan voornoemd uitgangspunt is voldaan, kan de rechter voor de vraag komen te staan of informatie van de verdachte niet in strijd met voormelde bepalingen is verkregen. De beantwoording van die vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de proceshouding die de verdachte met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht heeft ingenomen en hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (vgl. EHRM 5 november 2002, Appl. nr. 48539/99, Allan v. The United Kingdom, NJB 2003, p. 80, nr. 2).

5.8. Zowel in het geval dat de rechter bevindt dat de hier bedoelde toepassing van art. 126j Sv niet strookt met de daaraan op grond van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te stellen eisen, als in het geval dat de rechter bevindt dat die toepassing wel aan die eisen voldoet, maar tot het oordeel komt dat de verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop in de regel slechts uitsluiting van het bewijs van die verklaringen.


6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.


7. Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 maart 2004.


*** Conclusie ***

Nr. 02006/03
Mr Wortel
Zitting: 25 november 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:


1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "moord" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met beslissingen omtrent inbeslaggenomen voorwerpen.


2. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, acht cassatiemiddelen voorgesteld.


3. Het eerste middel bevat de klacht dat na het instellen van het cassatieberoep de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, aangezien er ruim tien maanden zijn verstreken tussen de dag waarop het cassatieberoep is ingesteld en de dag waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.


4. Die feitelijke vaststelling is juist en het middel treft doel. Matiging van de opgelegde straf zal het gevolg moeten zijn. Teneinde zoveel mogelijk te bevorderen dat de Hoge Raad binnen zestien maanden
- verzoeker is uit hoofde van deze zaak gedetineerd - na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal kunnen doen wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.


5. Het tweede middel betreft het horen van een getuige achter gesloten deuren en buiten aanwezigheid van verzoeker. Ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, zou zijn besloten de getuige aldus te horen.


6. Uit het proces-verbaal van de op 24 mei 2002 gehouden terechtzitting blijkt het volgende. is ter openbare terechtzitting gehoord. Er is een tamelijk uitvoerige verklaring van hem opgenomen. Daaruit blijkt dat de getuige samen met verzoeker gedetineerd is geweest. Het verhoor had betrekking op hetgeen tijdens de detentie tussen de getuige en verzoeker is besproken met betrekking tot de onderhavige zaak.


7. Op zeker moment heeft verzocht het onderzoek even te schorsen opdat hij een parkeermeter kon bijvullen. De voorzitter heeft het onderzoek geschorst voor beraad in raadkamer, maar de getuige medegedeeld dat hij de zittingszaal nog niet mocht verlaten. Na hervatting van het onderzoek deelde de gerechtsbode mee dat [getuige 2] niettemin de zaal had verlaten, onder mededeling dat hij na het bijvullen van de parkeermeter terug zou komen. Het Hof is overgegaan tot het horen van een getuige-deskundige. Tijdens dat verhoor is weer in de zittingszaal teruggekeerd. Op bevel van de voorzitter heeft hij buiten de zittingszaal plaats genomen.


8. Na het verhoor van de getuige-deskundige heeft de voorzitter weer in de zittingszaal doen verschijnen. Vervolgens heeft de voorzitter medegedeeld:
"dat het hof ambtshalve heeft besloten de getuige in het belang van de waarheidsvinding achter gesloten deuren verder te horen. De voorzitter beveelt hierop dat iedereen met uitzondering van de advocaat-generaal en de raadsman de zaal verlaat en beveelt de sluiting van de deuren."
Na het sluiten der deuren heeft de getuige wederom een (uitvoerige) verklaring afgelegd.


9. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof zijn beslissing om de getuige achter gesloten deuren te horen in het geheel niet heeft gemotiveerd. Voorts wordt betoogd dat de noodzaak tot strikte handhaving van het gebod van openbaarheid meebrengt dat het ontbreken van een deugdelijke motivering tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en mitsdien van de bestreden uitspraak moet voeren, waaraan niet afdoet dat, zoals in de bestreden uitspraak naar aanleiding van een verweer is overwogen, voor het bewijs geen gebruik is gemaakt van de door afgelegde verklaringen. Verwezen wordt naar HR NJ 2002, 498 en HR NJ 2000, 633. Bovendien zou 's Hofs oordeel dat het horen van de getuige achter gesloten deuren in het belang van de waarheidsvinding was onbegrijpelijk zijn, aangezien vóór die beslissing reeds een uitgebreide verklaring had afgelegd, waarin hij onder meer stelde dat het hem niets uitmaakte dat verzoeker en het publiek in de zaal aanwezig waren. Ook in verband met die omstandigheid zou het Hof zijn beslissing, waaraan geen verzoek van de getuige ten grondslag lag, nader hebben moeten motiveren.
Ten slotte wordt gesteld dat nietigheid moet voortvloeien uit de omstandigheid dat het Hof heeft nagelaten, alvorens zijn beslissing te nemen, verzoeker, zijn raadsman en de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen hun standpunt kenbaar te maken.


10. De klacht dat het Hof in het geheel geen motivering van zijn beslissing tot sluiting der deuren, en verwijdering van verzoeker uit de zittingszaal, heeft gegeven lijkt mij bij gebreke aan feitelijke grondslag te moeten falen, daar het Hof heeft opgegeven dat het belang van de waarheidsvinding aan die beslissing ten grondslag lag. Het debat in cassatie moet zich, naar mij voorkomt, beperken tot de vraag of die motivering toereikend genoemd kan worden.
11. De steller van het middel geef ik onmiddellijk toe dat het Hof de motivering van zijn beslissing gevaarlijk summier heeft gehouden, mede in verband met de omstandigheid dat de getuige reeds vrij uitvoerig had verklaard.


12. Ik wijs er evenwel op dat de vóór het sluiten der deuren afgelegde verklaring van de getuige passages bevat die deze beslissing begrijpelijk kunnen maken.
Op de vraag of in de contacten die er tijdens de detentie tussen verzoeker en de getuige zijn geweest aan de orde was gekomen dat verzoeker het erg vond dat zijn vrouw weg was (de bewezenverklaring betreft het om het leven brengen van verzoekers toenmalige echtgenote, en uit de stukken blijkt dat haar lichaam nooit is teruggevonden; in het vooronderzoek ging het derhalve om de vermissing van verzoekers echtgenote en de verdenking dat hij haar om het leven had gebracht) wilde de getuige niet antwoorden. Daarop is hem voorgehouden dat hij als getuige tot antwoorden verplicht was. Ook na die mededeling gaf de getuige te kennen dat hij over sommige dingen liever niet wilde praten.
Naar aanleiding van afgeluisterde telefoongesprekken (tussen de getuige en diens vriendin) is de getuige voorgehouden dat hij ter terechtzitting de indruk wekte dat er niets gezegd was, terwijl uit die telefoontaps iets heel anders naar voren komt. Toen de getuige werd voorgehouden dat hij weinig mededeelzaam was merkte hij op dat hij het heel erg vond om over de zaak te moeten praten. De getuige is iets later opnieuw voorgehouden dat hij de indruk wekte vragen te ontwijken. Op de vraag of hij een schorsing van de terechtzitting wenste gaf hij te kennen dat hij zaken had weggestopt maar de waarheid sprak.
Weliswaar heeft de getuige op enig moment - zoals in de toelichting op het middel vermeld - gezegd dat het hem niet uitmaakte dat de verdachte en het publiek in de zaal zaten, maar hij voegde daar aan toe: "ik wil het liefst hier weg".


13. Het zou naar mijn inzicht aangewezen zijn geweest in de beslissing de getuige verder achter gesloten deuren te verhoren tot uitdrukking te brengen dat het Hof bij het voorafgaand verhoor de stellige indruk had gekregen dat de getuige zich door de openbaarheid van de terechtzitting en de aanwezigheid van verzoeker belemmerd voelde op alle vragen volledig antwoord te geven. Nu uit de weergave van het vóór het sluiten der deuren afgenomen verhoor van de getuige kan blijken dat die stellige indruk bij het Hof is gerezen, kan, dunkt mij, in cassatie worden vastgesteld dat het Hof op niet-onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat voortzetting van het verhoor van de getuige achter gesloten deuren in het belang van de waarheidsvinding was, waarin besloten ligt dat het belang van een goede rechtspleging ernstig zou worden geschaad indien het verhoor van de getuige in openbaarheid zou worden voortgezet.


14. Naar luid van art. 269, tweede lid, Sv kan het bevel de behandeling ter terechtzitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren te doen plaatsvinden ambtshalve worden gegeven. Daaruit vloeit voort dat het bevel óók gegeven kan worden indien de verdediging daar bezwaar tegen heeft. Naar mijn oordeel behoeft de omstandigheid dat het Hof, alvorens het bevel te geven, de verdachte, diens raadsman en de advocaat-generaal niet de gelegenheid heeft gegeven dienaangaande een standpunt kenbaar te maken daarom niet tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting te voeren. Overigens kan er op gewezen worden dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat door of namens verzoeker bezwaar is gemaakt tegen de beslissing het verhoor van de getuige met gesloten deuren voort te zetten.


15. Het tweede middel houd ik voor tevergeefs voorgesteld.


16. In het derde middel wordt er over geklaagd dat het Hof tijdens de terechtzittingen van 17 mei 2002 en 20 september 2002 ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, vragen van de verdediging aan de getuige heeft belet en/of ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft geweigerd stukken betreffende die getuige aan het dossier toe te voegen.


17. Uit het proces-verbaal van de op 17 mei 2002 gehouden terechtzitting blijkt het volgende.
De gerechtsbode deelde mee dat de gedetineerde getuige niet was aangevoerd. De advocaat-generaal deelde mee dat de getuige bericht had gegeven niet te willen verschijnen tenzij zijn veiligheid gewaarborgd was. De getuige zou in verband met zijn af te leggen verklaring bedreigd zijn. Na enige discussie over de vraag of de getuige al dan niet op diezelfde terechtzitting gehoord diende te worden heeft het Hof beslist dat de getuige nog die dag gehoord zou worden en een bevel tot medebrenging gegeven.
Nadat diverse andere getuigen gehoord waren verklaarde de raadsman dat hij de getuige wilde confronteren met een artikel uit een krant, waarvan de raadsman een kopie overlegde.


18. De inmiddels aangevoerde getuige bleek niet in de zittingszaal te willen verschijnen omdat hij zich niet veilig voelde. Op voorstel van de advocaat-generaal, en met instemming van verzoeker en zijn raadsman, heeft het Hof de getuige in staat gesteld buiten tegenwoordigheid van verzoeker toe te lichten waarom hij voor zijn veiligheid vreesde.
Na beraad heeft het Hof het verzoek van de getuige niet gehoord te worden afgewezen. Verzoeker heeft weer in de zittingszaal plaatsgenomen. Partijen hebben zich uitgelaten over de wenselijkheid van gijzeling van de getuige, waarbij de raadsman heeft opgemerkt dat het Hof diende te oordelen over de betrouwbaarheid van de getuige, mede met het oog op het krantenartikel betreffende een andere strafzaak dat de raadsman had overgelegd.
Daarop deelde de voorzitter mee dat het krantenartikel op dat moment niet aan de orde was, en dat het ging om de vraag of het horen van de getuige in de onderhavige zaak noodzakelijk was.


19. Uiteindelijk heeft de voorzitter de getuige tot het afleggen van een verklaring weten te bewegen.
In de weergave van die verklaring is vermeld dat de voorzitter de getuige heeft medegedeeld dat hij geen antwoord behoefde te geven op de door de raadsman gestelde vraag of de getuige op 8 januari 2002 in een andere strafzaak als getuige was opgetreden.


20. Blijkens het proces-verbaal van de op 20 september 2002 gehouden terechtzitting heeft de raadsman diverse stukken aan het Hof overgelegd. Voorts wenste de raadsman een proces-verbaal over te leggen dat de Rechtbank te Alkmaar in een andere zaak heeft opgemaakt. De voorzitter heeft besloten dat dit proces-verbaal niet bij de stukken mocht worden gevoegd daar het op deze zaak geen betrekking heeft. De raadsman maakte bezwaar tegen die beslissing. De getuige is wederom verschenen en heeft onder verband van de op de eerdere terechtzitting reeds afgelegde belofte een verklaring afgelegd.
Op vragen van de voorzitter deelde de raadsman mee dat hij de getuige aan de hand van het proces-verbaal van de Rechtbank te Alkmaar in de andere zaak vragen wilde stellen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen.
De voorzitter heeft medegedeeld dat de getuige deze vragen niet behoefde te beantwoorden, nu het betreffende proces-verbaal niets met de onderhavige zaak te maken heeft.


21. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het beletten van de door de raadsman gestelde vragen, alsmede de weigering het in een andere zaak door de Rechtbank opgemaakte proces-verbaal aan de stukken toe te voegen, hetzelfde motiveringsgebrek vertonen als in HR NJ 1998, 464 en HR NJ 1998, 874 werd vastgesteld. Het Hof zou hebben miskend dat de verdediging bij het stellen van die vragen, respectievelijk het aan de stukken toevoegen van dat proces-verbaal, belang kon hebben in verband met het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuige.


22. De omstandigheid dat in verband met een andere strafzaak ten aanzien van een getuige door de verdediging is aangevoerd, of door de rechter al dan niet expliciet is vastgesteld, dat diens verklaringen betreffende de in die zaak te beoordelen feiten onbetrouwbaar zijn kan nopen tot bijzondere behoedzaamheid bij het waarderen van de verklaringen die dezelfde persoon in verband met een later te berechten zaak heeft afgelegd. Daarmee is nog niet gezegd dat de rechter moet toestaan dat in het door hem te berechten geding de feiten en omstandigheden worden ingebracht die in de eerder behandelde zaak hebben gevoerd tot het betoog of het oordeel dat de desbetreffende persoon in zijn uitlatingen onbetrouwbaar was. De betrouwbaarheid van door een getuige afgelegde verklaringen kan immers alleen worden onderzocht en beoordeeld in het licht van de feiten en omstandigheden waarop die verklaringen betrekking hebben en van hetgeen overigens blijkt omtrent de redenen waarom en de wijze waarop de getuige in verband met de te berechten zaak verklaringen heeft afgelegd.


23. Het is volstrekt duidelijk dat de behandeling van deze zaak veel van het Hof heeft gevergd. Er zijn zeven zittingen aan gewijd, en het kan - gelet op het aantal gehoorde personen en de uitgebreidheid van hun verklaringen - bijna niet anders of dat zijn lange zittingsdagen geweest.
Niettemin heb ik bedenkingen tegen de wijze waarop de in dit middel bestreden beslissingen genomen zijn. Grote terughoudendheid is geboden bij het beletten van vragen en het weigeren kennis te nemen van door de verdediging aangedragen stukken. De verdediging heeft het recht aandacht te vragen voor al hetgeen in het voordeel van de verdachte kan zijn, ook indien de feitelijke grondslag van het aangevoerde (nog) niet in de stukken besloten ligt en met het tenlastegelegde niet aanstonds in verband te brengen is. Zo de rechter vreest dat de verdediging zich onvoldoende beperkt tot datgene wat voor de berechting werkelijk van belang kan zijn, lijkt mij de aangewezen weg te zijn dat de verdediging eerst wordt verzocht om de relevantie van de aan een getuige te stellen vragen of van over te leggen stukken toe te lichten. Indien geen afdoende toelichting gegeven kan worden verdient het aanbeveling in het proces-verbaal van de terechtzitting nader te omschrijven dat om die reden de vragen zijn belet of de stukken zijn geweigerd. Het gaat tenslotte om een beperking in de uitoefening van aan de verdediging toekomende bevoegdheden. Zoals de in dit middel bestreden beslissingen in het proces-verbaal van de op 20 september 2002 gehouden terechtzitting zijn weergegeven - als voorzittersbeslissing, terwijl niet blijkt dat de raadsman de gelegenheid is geboden nader toe te lichten waarom de feiten en omstandigheden die bij het verhoren van de getuige in de Alkmaarse zaak aan de orde waren geweest van belang konden zijn bij het waarderen van de betrouwbaarheid van de verklaringen die de getuige met betrekking tot het aan verzoeker verweten feit heeft afgelegd - treffen zij mij als minder gelukkig.


24. Intussen kan worden vastgesteld dat de hier bestreden beslissingen voor de verdediging geen beletsel behoefden te zijn om te betogen dat de betrouwbaarheid van de getuige twijfelachtig was, mede omdat hij in een andere strafzaak op vergelijkbare wijze heeft verklaard omtrent hetgeen een medegedetineerde hem zou hebben verteld en de verdediging (ook) in die zaak twijfelde aan de betrouwbaarheid van die verklaring. Dat heeft de raadsman duidelijk kunnen maken door het overleggen, ter terechtzitting van 17 mei 2002, van het bij de stukken gevoegde krantenartikel.
Het oordeel van de voorzitter dat verdere kennisneming van hetgeen in die andere zaak was voorgevallen bij de berechting van de onderhavige zaak niet van belang kon zijn, zodat de daarop betrekking hebbende vragen aan de getuige niet beantwoord behoefden te worden en toevoeging aan de stukken van het door de Alkmaarse Rechtbank in de andere zaak opgemaakte proces-verbaal geweigerd diende te worden, komt mij daarom niet onbegrijpelijk voor.
Naar mijn inzicht is het middel daarom vruchteloos voorgesteld.


25. Het vierde middel komt op tegen de beslissing af te zien van nadere oproeping van zekere als getuige.


26. De oproeping van deze persoon is, op verzoek van de verdediging, bevolen ter terechtzitting van 25 april 2002. Ter terechtzitting van 17 mei 2002 bleek de getuige niet verschenen te zijn. De advocaat-generaal deelde mee dat diens psychiater De Winter telefonisch had laten weten dat niet ter terechtzitting kon verschijnen omdat hij met de spanningen niet kon omgaan. De raadsman persisteerde bij zijn verzoek, en het Hof heeft de nadere oproeping van de getuige ter terechtzitting van 24 mei 2002 gelast.


27. Op die terechtzitting is wederom vastgesteld dat de getuige niet was verschenen. De advocaat-generaal deelde mede dat er een bericht was binnengekomen van drs De Winter, behandelaar van , inhoudend dat destijds het verhoor bij de Rechtbank had geleid tot een terugval in de gezondheidstoestand van , en dat het medisch niet verantwoord was hem nogmaals te laten getuigen. De advocaat-generaal verzocht het Hof de getuige niet nogmaals op te roepen, nu het gegronde vermoeden bestond dat zijn gezondheidstoestand door het afleggen van een verklaring ernstig in gevaar werd gebracht. De raadsman deelde daarop mede dat hij de brief van De Winter onvoldoende concreet achtte om van verdere oproeping van de getuige af te zien. De raadsman noemde het onvoldoende duidelijk of drs De Winter arts is, en betoogde dat de getuige eventueel buiten aanwezigheid van de verdachte en het publiek gehoord zou kunnen worden. Na beraad heeft de voorzitter als beslissing van het Hof medegedeeld dat de getuige niet meer opgeroepen behoefde te worden, aangezien het Hof de verklaring van De Winter toereikend vond om aan te nemen dat de gezondheidstoestand van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in gevaar zou worden gebracht.


28. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar enkele uitspraken van de Hoge Raad. Daarin heeft het niet nader oproepen van getuigen op grond van de mededeling van een psychiater dat het afleggen van een verklaring de gezondheid van de getuige in verband met diens psychische gesteldheid ernstig kon schaden de cassatietoets doorstaan. Anders dan in die zaken, zo wordt gesteld, blijkt in het onderhavige geval dat De Winter geen psychiater is, maar een behandelaar verbonden aan een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Voorts wordt betoogd dat, nu de in art. 288, eerste lid onder b, Sv voorziene weigeringsgrond een gefundeerde inschatting van de risico's voor de gezondheid van de getuige veronderstelt, het Hof niet zonder nadere motivering voorbij had mogen gaan aan het door de raadsman geuite bezwaar dat onduidelijk is of De Winter arts is, en uit dien hoofde voldoende deskundig om het risico voor de gezondheid van de getuige in te schatten.
Bovendien zou de hier bestreden beslissing onbegrijpelijk zijn omdat het bij de stukken gevoegde schrijven van De Winter onvoldoende informatie bevat om vast te stellen dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheidstoestand van de getuige door het afleggen van een verklaring ernstig in gevaar wordt gebracht.
Ten slotte zou die beslissing onbegrijpelijk zijn omdat het Hof niet is ingegaan op de suggestie van de raadsman om de getuige buiten aanwezigheid van verzoeker en het publiek te horen.


29. Noch uit de tekst van art. 288, eerste lid onder b, Sv, noch uit de wetsgeschiedenis, volgt dat het oordeel van de rechter gebaseerd moet worden op een verklaring van een onafhankelijke deskundige, vgl HR 27 mei 2003, griffienr 01464/02, LJN AF6551. 's Hofs oordeel dat De Winter, als behandelaar verbonden aan een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, beschouwd moet worden als voldoende deskundig om een oordeel te kunnen geven omtrent de risico's die het afleggen van een verklaring ter terechtzitting voor de gezondheid van de getuige meebrengen, is niet onbegrijpelijk. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld kon het Hof voorts oordelen dat de brief van De Winter voldoende inzicht geeft in de redenen waarom naar medisch inzicht het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig gevaar voor de gezondheidstoestand van de getuige kan opleveren.
Ook kon het Hof - wederom anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld - uit die brief afleiden dat elk afleggen van een verklaring ter terechtzitting, ook indien dat buiten tegenwoordigheid van de verdachte en het publiek zou geschieden, dit gevaar voor de gezondheidstoestand van de getuige meebrengt.
Het middel faalt.


30. Het vijfde middel behelst klachten betreffende de verwerping van het verweer dat de inzet van een opsporingsambtenaar als voorzien in art. 126j Sv - een politiefunctionaris die zich liet insluiten in de penitentiaire inrichting waarin verzoeker gedetineerd was, en die zich aan verzoeker als medegedetineerde heeft gepresenteerd - tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet leiden.


31. Dat verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard nu


- artikel 126j Wetboek van Strafvordering, op basis waarvan de getuige/politie-informant A 1052 ("Ko") in het onderzoek in de onderhavige zaak is ingezet, in strijd is met artikel 29 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 5, 6 en 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM),

- de inzet van A 1052, gelet op diens handelwijze, in strijd met meergenoemde verdragsbepalingen is geweest.

De raadsman heeft het navolgende in dit verband naar voren gebracht: artikel 126j Wetboek van Strafvordering is in strijd met artikel 29 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 5, 6 en 8 EVRM. Door het inzetten van een informant wordt onder meer door het niet verlenen van de cautie, het zwijgrecht van verdachte geweld aangedaan. Dit dient te leiden, aldus nog steeds de raadsman, tot de conclusie dat reeds om die reden sprake is van een schending van het "fair trial" principe.

Het hof overweegt aangaande deze verweren als volgt. De stelling dat artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering in strijd is met artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 5, 6 en 8 EVRM vindt geen steun in het recht. Door het stelselmatig inwinnen van informatie als bedoeld in artikel 126j Wetboek van Strafvordering, ook indien dit gebeurt in een Huis van Bewaring, vindt geen inbreuk in de persoonlijke levenssfeer van verdachte plaats. Inzet van een informant laat immers steeds de keuzevrijheid van een verdachte om al dan niet te verklaren intact. Tenslotte tast genoemde inzet (bijzondere omstandigheden daargelaten, waarvan hier niet is gebleken) op geen enkele wijze de rechtmatigheid van het voorarrest aan.

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat in casu de voorlopige hechtenis (waaraan mede de zogenaamde onderzoeksgrond ten grondslag is gelegd) slechts zou zijn gelast om aan verdachte een verklaring te ontfutselen wordt dit verweer verworpen reeds omdat aan de voorlopige hechtenis tevens ten grondslag is gelegd de omstandigheid dat het hier een feit betrof waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig was geschokt alsmede het gevaar voor vlucht.

Gelet op het voorgaande worden deze verweren van de raadsman verworpen. Nu ook voorts geen omstandigheden zijn gebleken die tot een ander oordeel dienen te leiden, kan het openbaar ministerie in zijn vervolging worden ontvangen."


32. In de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het Hof gesignaleerd dat het hierboven gecursiveerd weergegeven woord "ontoelaatbare" per abuis is weggevallen. In de toelichting op het middel wordt, met verwijzing naar (onder meer) HR NJ 2000, 71 en HR NJ 2003, 168, gesteld dat het Hof niet de vrijheid had om haar in het verkorte arrest opgenomen overweging in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv te herstellen, en dat in cassatie uitgegaan moet worden van de overweging zoals die in het verkorte arrest is weergegeven.
Het laatste is naar mijn inzicht niet noodzakelijk. Daar de zinsnede voldoende duidelijk maakt dat het Hof het oog heeft gehad op de gestelde schending van art. 8 EVRM, die zich zal voordoen bij een ontoelaatbare inbreuk op het recht op een persoonlijke levenssfeer, kan de overweging verbeterd worden gelezen.


33. Het middel komt in hoofdzaak neer op de klacht dat het uitgebreide, uit diverse onderdelen bestaande verweer dat ten aanzien van de inzet van politiefunctionaris A 1052 is gevoerd (het verweer besloeg de bladzijden 11 tot en met 68 van in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen) onjuist en onvolledig is opgevat, met gevolg dat niet alle stellingen zijn besproken en weerlegd, en het Hof bovendien op enkele punten onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang heeft gegeven.


34. In de kern beschouwd hield het verweer het volgende in. A. Art. 126j Sv kon geen toereikende wettelijke basis voor de inzet van A 1052 vormen omdat deze bepaling niet voldoet aan de eis van voorzienbaarheid die in verband met art. 8 EVRM gesteld wordt aan bij wet te regelen bevoegdheden die tot een inbreuk op het recht op een persoonlijke levenssfeer kunnen leiden, en omdat de in art. 8, tweede lid, EVRM uitputtend opgesomde gronden voor rechtvaardiging van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet toepasselijk zijn op de inzet van deze politiefunctionaris.
B. De wijze waarop A 1052 is ingezet of opgetreden brengt mee dat er geen sprake is geweest van informatie-inwinning als bedoeld in art. 126j Sv, maar van infiltratie, terwijl de daaraan in art. 126h Sv gestelde beperkingen zijn overschreden.
C. Naast art. 29 Sv is art. 6 EVRM is geschonden, (C.1) enerzijds omdat de inzet van A 1052, door het op misleidende wijze wekken van een indruk van vertrouwelijkheid en het achterwege blijven van de cautie, inbreuk heeft gemaakt op het zwijgrecht dat een verdachte ten overstaan van een opsporingsambtenaar heeft en (C.2) anderzijds omdat de verdediging in haar ondervragingsrecht is beknot doordat A 1052 als bedreigde getuige is aangemerkt. D. De verslaglegging omtrent de activiteiten van A 1052 heeft niet aan de eis van art. 152 Sv voldaan, en A 1052 heeft herhaaldelijk in strijd met de waarheid verklaard.
E. Tenslotte is één der gronden waarop de voorlopige hechtenis is gelast, te weten het onderzoeksbelang, misbruikt doordat A 1052 in staat is gesteld verzoekers detentie te benutten om hem heimelijk te benaderen teneinde verklaringen te verkrijgen.


35. Dit uit diverse onderdelen bestaande verweer is op wel heel bondige wijze samengevat en verworpen. Daar kan ik overigens begrip voor opbrengen. De raadsman heeft het Hof een wel zeer breedvoerig betoog voorgehouden. Zelf zou ik het ook buitengewoon moeilijk vinden om binnen veertien dagen zo een, vele tientallen bladzijden omvattend, betoog (nog afgezien van hetgeen verder nog bij pleidooi is aangevoerd) nauwkeurig samen te vatten en gedetailleerde beslissingen te formuleren.


36. Bondig als 's Hofs overwegingen ook zijn, is daarin mijns inziens voldoende tot uitdrukking gebracht dat de in art. 126j Sv gegeven regeling van een opsporingsbevoegdheid in het licht van art. 8 EVRM voldoet aan de eis van voorzienbaarheid, terwijl de toepassing van deze opsporingsbevoegdheid een belang dient dat krachtens het tweede lid van art. 8 EVRM een inbreuk op het recht op een persoonlijke levenssfeer kan rechtvaardigen. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor, nu de wetgever de bepaling juist heeft ingevoerd teneinde een duidelijke grondslag voor deze vorm van informatie-inwinning te bieden, de wettelijke bepaling voor eenieder kenbaar is, en de door de wetgever gestelde voorwaarden voldoende nauwkeurig grenzen stellen aan de gevallen waarin en de wijze waarop de bevoegdheid kan worden uitgeoefend.


37. Toepassing van art. 126j Sv kan meebrengen dat de functionaris die informatie omtrent de verdachte inwint zonder zijn hoedanigheid van opsporingsambtenaar kenbaar te maken, aan de verdachte niet de in art. 29, tweede lid, Sv bedoelde cautie geeft. Dat heeft de wetgever voorzien (Kamerstukken II, 1996-1997, 25 403, nr 3, p. 30), evenals de omstandigheid dat het optreden van de opsporingsambtenaar een element van misleiding kent (idem, p. 34).


38. In Kamerstukken II, 1996-1997, 25 403, nr 3, p. 30 is te vinden: "Een bijzonder aspect bij de bevoegdheid tot infiltratie is, evenals bij de hierna te bespreken bevoegdheid tot het stelselmatig undercover inwinnen van informatie, dat het zich kan voordoen, en deels zelfs onvermijdelijk zal zijn, dat de opsporingsambtenaar in gesprek komt met een verdachte. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat een dergelijk gesprek belangrijk verschilt van een verhoor. De verdachte wordt namelijk niet > gehoord (artikel 29 Wetboek van Strafvordering). Op hem wordt niet de druk gelegd, die kenmerkend is voor de verhoorsituatie. Die druk is, doordat de opsporingsambtenaar niet als zodanig herkenbaar is, afwezig. Het feit dat de opsporingsambtenaar undercover optreedt brengt met zich mee dat hij niet zijn bevoegdheden jegens burgers kan uitoefenen, die hem normaal gesproken toekomen. Hij mag dus ook geen verhoor afnemen. De cautie, die de verdachte erop attendeert dat hij niet aan de op hem uitgeoefende druk hoeft toe te geven, is hier dan ook niet aan de orde.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt in zijn uitspraken over de verklaringsvrijheid van de verdachte eveneens de op de verdachte uitgeoefende druk centraal (vgl recentelijk Case of Saunders v. the United Kingdom, 17 december 1996, nr. 43/1994/490/572). Die zal nu, zoals gezegd, bij toepassing van deze bevoegdheid gewoonlijk afwezig zijn. Het probleem in de situatie als geschetst is niet de vrijheid van de verdachte ten opzichte van de opsporingsambtenaar om niet te verklaren, maar de schending van het vertrouwen van de verdachte door de opsporingsambtenaar. De verdachte zal niet verwachten dat de informatie die hij prijs geeft, wordt gebruikt voor opsporingsdoeleinden. De opsporingsambtenaar misleidt de verdachte. Deze misleiding wordt gerechtvaardigd door de ernst van de verdenking die tegen de verdachte bestaat, dan wel de ernst van de misdrijven die in georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd. Dit aspect vormt een van de redenen voor de wettelijke regeling van deze bevoegdheid."


39. Ik zie geen reden waarom het Hof van dit inzicht van de wetgever afstand behoorde te nemen. In de overweging dat in het recht geen steun is te vinden voor de stelling dat art. 126j Sv in strijd is met art. 29 Sv en de art. 5, 6 en 8 EVRM ligt naar mijn inzicht eveneens de verwerping besloten van de stelling dat toepassing van de in art. 126j Sv gegeven bevoegdheid strijdig is geweest met art. 29 Sv en met art. 6 EVRM voor zover het verzoekers verklaringsvrijheid betreft.


40. In de toelichting op het middel wordt dit oordeel onbegrijpelijk genoemd in verband met een beslissing van het EHRM die na het wijzen van de bestreden uitspraak bekend is gemaakt, te weten de uitspraak die het EHRM op 5 november 2002 deed in de zaak Allan vs het Verenigd Koninkrijk (appl. no. 48539/99).


41. Het EHRM heeft vooropgesteld:
"44. As regards the privilege against self-incrimination or the right to silence, the Court has re-iterated that these are generally recognised international standards which lie at the heart of a fair procedure. Their aim is to provide an accused with protection against improper compulsion by the authorities and thus to avoid miscarriages of justice and secure the aims of Article 6 (John Murray v. the United Kingdom judgment of 8 February 1996, Reports 1996-I, p. 49, § 45). The right not to incriminate oneself is primarily concerned with respecting the will of an accused person to remain silent and presupposes that the prosecution in a criminal case seeks to prove the case against the accused without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused (Saunders v. the United Kingdom judgment of 17 December 1996, Reports 1996-VI, p. 2064, §§ 68-69). In examining whether a procedure has extinguished the very essence of the privilege against self-incrimination, the Court will examine the nature and degree of the compulsion, the existence of any relevant safeguards in the procedures and the use to which any material so obtained is put (see e.g. Heaney and McGuinness v. Ireland, no. 34720/97, judgment of 21 December 2000, §§ 54-55, and J.B. v. Switzerland, no. 31827/96, judgment of 3 May 2001)."
Vervolgens heeft het EHRM evenwel overwogen:
"50. While the right to silence and the privilege against incrimination are primarily designed to protect against improper compulsion by the authorities and the obtaining of evidence through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused, the scope of the right is not confined to cases where duress has been brought to bear on the accused or where the will of the accused has been directly overborne in some way. The right, which the Court has previously observed is at the heart of the notion of a fair procedure, serves in principle to protect the freedom of a suspected person to choose whether to speak or to remain silent under police questioning. Such freedom of choice is effectively undermined in a case in which, the suspect having elected to remain silent during questioning, the authorities use subterfuge to elicit from the suspect confessions or other statements of an incriminatory nature which they were unable to obtain during such questioning and where the confessions or statements thereby obtained are adduced in evidence at trial."
Daarmee lijkt het EHRM mij een zekere uitbreiding te hebben gegeven aan de strekking van het zwijgrecht. Het beschermt niet alleen tegen ontoelaatbare druk door verhorende functionarissen, maar ook tegen bewuste misleiding, hieruit bestaande dat de verdachte, die tijdens zijn verhoor te kennen heeft gegeven van zijn zwijgrecht gebruik te maken, in de waan wordt gebracht dat hij in vertrouwelijkheid kan spreken, waarbij aandrang op hem wordt uitgeoefend tot het doen van uitlatingen betreffende de tegen hem gerezen verdenking.


42. Deze vorm van misleiding levert naar het oordeel van het EHRM niet zonder meer een schending van art. 6 EVRM op:
"51. Whether the right to silence is undermined to such an extent as to give rise to a violation of Article 6 of the Convention depends on all the circumstances of the individual case."
In zijn onderzoek naar die omstandigheden van het individuele geval betrekt het EHRM blijkens zijn hierboven weergegeven overweging 44 "the nature and degree of the compulsion, the existence of any relevant safeguards in the procedures and the use to which any material so obtained is put".
Dienaangaande heeft het EHRM in zijn overweging 52 vastgesteld dat de verdachte bij verhoren stelselmatig een beroep op zijn zwijgrecht had gedaan, dat de informant die bij hem in de cel was geplaatst de instructie had gekregen "push him for what you can", dat de verdachte bekennende uitlatingen had gedaan na "persistent questioning" door die informant onder omstandigheden die zijn aan te merken als het functionele equivalent va een verhoor, doch zonder de daarbij in acht te nemen waarborgen, en dat de bekennende uitlatingen die de verdachte tegenover de informant had gedaan het voornaamste of doorslaggevende bewijsmateriaal was in de strafzaak tegen de verdachte.


43. Deze uitspraak van het EHRM brengt niet mee dat de uitoefening van de in art. 126j Sv gegeven bevoegdheid steeds tot een inbreuk op de in art. 6 EVRM gewaarborgde rechten voert. Toepassing van deze opsporingsbevoegdheid kan zodanige inbreuk opleveren, maar alleen indien aannemelijk wordt dat de ingezette functionaris ontoelaatbare aandrang tot het doen van uitlatingen op de verdachte heeft uitgeoefend, of - bijvoorbeeld door het doen van toezeggingen - op ontoelaatbare wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de functionaris bij de verdachte heeft gewekt. Indien zulke ontoelaatbare aandrang of zulk misbruik aannemelijk is, zal de strijdigheid met art. 6 EVRM gelegen zijn in het tot bewijs bezigen van de verklaringen van de ingezette functionaris. In dat geval zal de rechter derhalve de verklaringen van de ingezette functionaris buiten beschouwing dienen te laten. Ontoelaatbaar optreden van de in art. 126j Sv bedoelde functionaris kan niet zonder meer tot het oordeel voeren dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk is.


44. De onderdelen van het verweer, hierboven onder 34 samengevat onder A en C.1, vinden in de bestreden uitspraak een toereikende en niet onbegrijpelijke weerlegging.
Het middel, waarin het Hof wordt verweten dat het met zijn overweging dat in het recht geen steun is te vinden voor de stelling dat art. 126j Sv in strijd is met art. 29 Sv en de art. 5,6 en 8 EVRM langs het verweer heen is gegaan, omdat het verweer inhield dat voor de inzet van A 1052 geen toereikende basis in art. 126j Sv gevonden kan worden, en dat het optreden van A 1052 om verschillende redenen tot schending van de art. 6 en 8 EVRM heeft geleid, kan in zoverre geen doel treffen.


45. Het Hof heeft zich niet nader uitgelaten over de onderdelen van het verweer die inhielden dat A 1052 de in art. 126j Sv gestelde grenzen heeft overschreden; diens optreden gezien moet worden als een, in het licht van art. 126h Sv ontoelaatbare, vorm van infiltratie; de verslaglegging omtrent de activiteiten van A 1052 niet aan de eisen van art. 152 Sv heeft voldaan, en A 1052 herhaaldelijk niet naar waarheid heeft verklaard.
De vraag doet zich voor of het ontbreken van op die onderdelen van het verweer toegesneden overwegingen de bestreden uitspraak met nietigheid treft.


46. De beslissing op deze onderdelen van het verweer vergt bij uitstek waarderingen van feitelijke aard. In cassatie kan slechts naar behoren worden onderzocht of de verwerping van verweren als de zo-even genoemde binnen de grenzen van het begrijpelijke blijft indien de feitenrechter in toereikende mate tot uitdrukking heeft gebracht dat hij hetzij de feitelijke grondslag van het gestelde niet aannemelijk heeft bevonden, hetzij heeft geoordeeld dat het aangevoerde, voor zover feitelijk gegrond, niet tot het door de verdediging beoogde gevolg kan voeren.
In dit opzicht schiet de bestreden uitspraak tekort. Daar moet naar mijn inzicht het volgende tegenover worden gesteld.


47. Blijkens de ter terechtzitting van 23 september 2002 overgelegde pleitaantekeningen (p. 28 - 66) heeft de raadsman breedvoerig betoogd dat A 1052 te ver is gegaan door in zijn contacten met verzoeker misbruik te maken van de omstandigheid dat verzoeker gefixeerd was op een mogelijkheid om nog vóór de behandeling in hoger beroep te ontsnappen. Op grond van een gedetailleerde vergelijking van (vastgelegde) telefoongesprekken tussen A 1052 en diens begeleiders, in de periode waarin A 1052 in het Huis van Bewaring verbleef, en verklaringen die A 1052 en zijn begeleiders nadien hebben afgelegd, heeft de raadsman betoogd dat A 1052 zijn instructies - inhoudend dat hij ten aanzien van het bij verzoeker (naar reeds bekend was) bestaande verlangen uit de penitentiaire inrichting te ontsnappen geen initiatieven mocht nemen en geen behulpzaamheid mocht aanbieden - heeft overschreden. Die instructies zou A 1052 hebben genegeerd door met verzoeker, die er op zinspeelde dat hij een helikopter kon arrangeren, 'mee te praten' en te suggereren dat hij, A 1052, ook niet van plan was zijn hele straf uit te zitten en dat hij kennissen had die bij het ontsnappen konden helpen. Nadien, zo werd betoogd, heeft A 1052 hieromtrent in zijn verklaringen onjuistheden gedebiteerd. Dat levert, aldus de raadsman, infiltratie op, door een politie-infiltrant die zich aan strafbare feiten te buiten is gegaan (uitlokken van geweldpleging bij een ontsnappingspoging) en daarover vervolgens heeft gelogen.


48. De raadsman heeft passages uit afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen aldus uitgelegd dat A 1052 het 'meepraten' met verzoeker heeft gebruikt als drukmiddel, met dien verstande dat A 1052 zou hebben gesuggereerd dat hij alleen samen met verzoeker wilde ontsnappen indien verzoeker hem zijn vertrouwen zou schenken door te vertellen wat er werkelijk met zijn verdwenen vrouw was gebeurd. Dat onderdeel van het betoog stoelde op de interpretatie die de raadsman aan de door hem aangehaalde passages uit telefoongesprekken en verklaringen hechtte. Naar mijn oordeel wijzen die passages niet rechtstreeks uit dat A 1052, gebruikmakend van verzoekers verlangen te ontsnappen of van een andere omstandigheid, onaanvaardbaar grote en/of stelselmatige druk op verzoeker heeft uitgeoefend om hem over de verdwijning of de dood van zijn vrouw te laten verklaren.


49. Hetzelfde geldt voor het standpunt dat A 1052 nadien heeft gelogen. De door de raadsman in een volgorde gezette passages uit verklaringen van A 1052 en diens begeleiders bevatten verschillen ten aanzien van het moment waarop A 1052 toestemming kreeg bij verzoekers ontsnappingsplannen aan te haken, en de instructies die hem vervolgens zijn gegeven. Dàt A 1052 is toegestaan om bij het opbouwen van een vertrouwensrelatie met verzoeker in ieder geval tot op zekere hoogte met diens ontsnappingsplannen mee te praten zal op grond van die passages aangenomen moeten worden. Het komt mij voor dat de raadsman onvoldoende aanwijzingen heeft gegeven voor de stelling dat A 1052 zijn instructies bewust heeft genegeerd en daaromtrent nadien in strijd met de waarheid heeft verklaard.


50. Uit een penitentiaire inrichting ontsnappen door een aldaar gedetineerde levert ten aanzien van die gedetineerde op zichzelf beschouwd geen strafbaar feit op. Uit het door de raadsman genoemde materiaal kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat A 1052 zich heeft laten betrekken bij de voorbereiding van strafbare feiten, zoals vormen van geweldpleging die met een door verzoeker voorgenomen ontsnapping gepaard zouden moeten gaan, dat hij verzoeker daartoe heeft uitgelokt, of iets heeft gezegd of gedaan waardoor verzoekers wil gericht is geraakt op het begaan van strafbare feiten die verzoeker uit zichzelf niet overwogen zou hebben. Aanstonds kan worden vastgesteld dat het betoog dat het optreden van A 1052 neerkomt op een (de in art. 126h Sv gestelde grenzen te buiten gaande) vorm van infiltratie iedere grond ontbeerde.


51. Ten betoge dat de verslaglegging omtrent de inzet van A 1052 niet aan de eis van art. 152 Sv heeft voldaan wees de raadsman er op dat, ofschoon diens bevindingen dagelijks door een begeleider zijn aangehoord en ten dele op band vastgelegd, een proces-verbaal pas werd opgemaakt nadat de inzet van A 1052 ten einde was gekomen. De raadsman wees er op dat de verbalisanten daaromtrent hebben opgemerkt dat het proces-verbaal niet eerder kon worden opgemaakt omdat A 1052 in de penitentiaire inrichting verbleef, fysiek contact met hem onmogelijk was, en A 1052 in die inrichting geen aantekeningen kon bewaren. De raadsman stelde dat art. 152 Sv niettemin is veronachtzaamd. Mij komt het voor dat in deze bijzondere situatie, waarin de opsporingsambtenaar wiens bevindingen bij proces-verbaal vastgelegd moeten worden zich in een penitentiaire inrichting heeft laten insluiten, waardoor het hem fysiek onmogelijk is aan eerdere vastlegging van het proces-verbaal mee te werken, in redelijkheid geen verdergaande eis gesteld kan worden dan dat het proces-verbaal wordt vastgesteld zodra de betreffende verbalisant daartoe in staat is. Doch wat daar ook van zij, niet-naleven van het in art. 152 Sv gegeven voorschrift zou in dit geval aan het verweer slechts steun hebben kunnen bieden indien het verzaken van dat voorschrift ertoe heeft bijgedragen dat op onrechtmatige wijze een verklaring van verzoeker is gekregen, althans tot gevolg heeft gehad dat twijfel omtrent de rechtmatige verkrijging van zo een verklaring blijft bestaan.


52. Ik geef mij er rekenschap van dat ik ver ga in het herstellen van een lacune die de verwerping van het verweer vertoont. Niettemin meen ik dat zulk herstellen in dit geval mogelijk is. Voor het Hof moest uitgangspunt zijn dat toepassing van de in art. 126j Sv gegeven bevoegdheid alleen een schending van art. 6 EVRM oplevert indien een verklaring, verkregen door het bij toepassing van die bevoegdheid op de verdachte uitoefenen van ontoelaatbaar grote aandrang, tot bewijs wordt gebezigd.
Er is geen zodanige verklaring voor het bewijs gebruikt. Daarom kon het onderdeel van het verweer, hierboven onder 34 samengevat onder C.2, geen doel treffen.


53. Voorts heeft te gelden dat de gestelde onrechtmatigheden uitsluitend met de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in verband gebracht zouden kunnen worden indien zij de gevolgtrekking kunnen dragen dat doelbewust of met grove verwaarlozing van verzoekers belangen in ernstige mate tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces, of is gehandeld in strijd met een norm die tot de wezenlijke grondslagen van een behoorlijk proces behoort, vgl HR NJ 1996, 249 en HR NJ 1999, 567.
Naar mijn oordeel kon het ten verweer aangevoerde die gevolgtrekking onmogelijk dragen, nu niet de klemmende aanwijzingen zijn getoond dat verzoeker door A 1052 is bewogen tot het begaan van strafbare feiten en ook overigens niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker door de inzet van A 1052 in die mate is benadeeld dat van een eerlijk proces niet meer gesproken kan worden.


54. Daarom kan worden vastgesteld dat ook de onderdelen van het verweer, hierboven onder 34 samengevat onder B en D, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met het in volle omvang gevoerde verweer, slechts verworpen konden worden.
Ook voor zover het middel er - terecht - op wijst dat onderdelen van het verweer in de verwerping ervan onvoldoende bespreking hebben gevonden behoeft het daarom, naar mij voorkomt, niet tot cassatie te leiden.


55. In de toelichting op het middel wordt voorts gesteld dat ook het onderdeel van het verweer, hierboven onder 34 samengevat onder E, door het Hof is misbegrepen en daarom niet naar behoren weerlegd. Het Hof heeft dat onderdeel van het verweer aldus samengevat dat de voorlopige hechtenis, onder meer wegens 'onderzoeksbelang', slechts is gelast om verzoeker een verklaring te ontfutselen. Het verweer hield evenwel niet in dat 'onderzoeksbelang' aan de voorlopige hechtenis ten grondslag is gelegd om de inzet van de politie-informant mogelijk te maken, doch dat deze grond voor de voorlopige hechtenis is misbruikt om toepassing aan art. 126j Sv te kunnen geven.


56. Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat naast het onderzoeksbelang ook andere gronden tot de toepassing van voorlopige hechtenis hebben geleid. Daar ligt in besloten dat het benutten van verzoekers voorarrest om een politie-informant met hem in contact te brengen niet is aan te merken als tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis met een ander oogmerk dan waarvoor zij is bevolen. Bovendien blijkt niet dat de rechters die, oordelend over het toepassen en voortzetten van de voorlopige hechtenis, het onderzoeksbelang hebben beperkt tot bepaalde onderzoekshandelingen. Daarop moet dit onderdeel van het middel afstuiten.


57. Het zesde middel behelst de klacht dat art. 422 (OUD) Sv is geschonden doordien voor het bewijs gebruik is gemaakt van verklaringen die ter terechtzitting in eerste aanleg zijn afgelegd door de getuigen en , terwijl uit het proces-verbaal van die terechtzitting niet blijkt dat die verklaringen niet zijn betwist.


58. Tot 1 juli 2003 (inwerkingtreding van de Wet van 3 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van de raadsheer-commissaris en enige andere onderwerpen, Stb 143; de datum van inwerkingtreding is bekend gemaakt in Stb 260) hielden de eerste twee leden van art. 422 Sv in dat bij de berechting in hoger beroep, indien die op tegenspraak plaatsvond, voor het bewijs gebruik mocht worden gemaakt van de verklaringen van getuigen en deskundigen zoals zij volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg waren afgelegd, voor zover uit de inhoud van dat proces-verbaal bleek dat die verklaringen aldaar niet waren betwist.


59. Bewijsmiddel 4 is een zakelijke weergave van de verklaring die de getuige heeft afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 oktober 2001. Bewijsmiddel 7 is een zakelijke weergave van de verklaring die de getuige op diezelfde terechtzitting heeft afgelegd.


60. Blijkens bewijsmiddel 3 heeft de getuige ter terechtzitting in hoger beroep wederom een verklaring afgelegd, die inhoudt dat deze getuige bleef bij de verklaring die hij ter terechtzitting in eerste aanleg had afgelegd.
Art. 422, tweede lid (OUD), Sv is niet geschonden doordat voor het bewijs gebruik is gemaakt van de verklaring waarin deze getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft volhard, vgl HR NJ 2000, 581.


61. Hierboven werd naar aanleiding van het vierde middel opgemerkt dat de getuige in verband met diens gezondheid in hoger beroep niet kon worden gehoord. Uit het proces-verbaal van de op 24 en 25 oktober 2001 gehouden terechtzitting in eerste aanleg blijkt niet dat verzoeker of zijn raadsman de aldaar afgelegde verklaring van [getuige 3] hebben betwist. Weliswaar blijkt uit dat proces-verbaal evenmin dat die verklaring, nadat zij was afgelegd, wèl met zoveel woorden is betwist, doch het Hof had daar naar mijn oordeel vanuit moeten gaan. De verklaring van komt er namelijk op neer dat hij verzoeker in het Huis van Bewaring heeft horen zeggen dat deze zijn vrouw gestoken had, terwijl verzoeker ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn laatste woord heeft opgemerkt dat hij medegedetineerden alleen heeft verteld over onderzoeken die gaande waren. Daarom is deze verklaring inderdaad in strijd met art. 422, tweede lid (OUD), Sv tot bewijs gebezigd.


62. Opmerking verdient dat bedoelde, als bewijsmiddel 7 opgenomen, verklaring inhoudt dat niet persoonlijk met verzoeker heeft gesproken, maar heeft gehoord, toen hij langs verzoeker en liep, dat verzoeker tegen zei dat hij zijn vrouw had gestoken.
Blijkens de bewijsmiddelen 3 en 4 heeft ook zelf verklaard dat verzoeker hem deze mededeling deed.


63. Bewijsmiddel 7 vormt derhalve niet meer dan een bevestiging van de juistheid van de bewijsmiddelen 3 en 4, en is zelfs overbodig te noemen. Dit klemt temeer daar bij de bewijsmiddelen ook een ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 3], eveneens inhoudend dat deze getuige verzoeker tegen heeft horen zeggen dat hij, verzoeker, zijn vrouw met een mes heeft gestoken, is opgenomen (bewijsmiddel 8). Voor die bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring gold de in art.422, tweede lid (OUD), Sv opgenomen beperking niet.
De bewijsconstructie kan worden verbeterd door haar aldus te lezen dat het in strijd met art. 422, tweede lid (OUD), Sv opgenomen bewijsmiddel 7 daar geen deel van uitmaakt. In die verbeterde lezing blijft de genoegzaamheid van de bewijsmiddelen over het geheel beschouwd onaangetast.
Daarom behoeft het deels terecht voorgestelde middel niet tot cassatie te leiden.


64. Het zevende middel bevat de klacht dat het Hof nader had moeten motiveren waarom het een verklaring van tot bewijs heeft gebezigd.
Vooropstellend dat naar vaste rechtspraak de selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden, die zijn oordeel daaromtrent in beginsel niet nader behoeft te motiveren, wordt het standpunt verdedigd dat het Hof in dit geval toch tot zulke nadere motivering gehouden was omdat de verdediging er nadrukkelijk op heeft gewezen dat de desbetreffende verklaring een aantoonbaar onmogelijke voorstelling van zaken schetst.


65. De verdediging heeft, dadelijk nadat zijn verklaring had afgelegd en nadien bij pleidooi, opgemerkt dat de verklaring van inhoudt dat hij in het Huis van Bewaring op dinsdag en donderdag samen met verzoeker luchtte, en dat verzoeker hem tijdens het luchten op een donderdagmiddag vertelde dat hij zijn vrouw met een mes heeft vermoord. Gelet op overige gegevens moet dat, aldus de verdediging, op donderdag 15 maart 2001 zijn geweest, en het kan niet juist zijn dat verzoeker dit op donderdag 15 maart 2001 tijdens het luchten in de middaguren heeft horen zeggen, aangezien deze getuige zijn daarop betrekking hebbende verklaring bij de politie heeft afgelegd op 15 maart 2001 om 10.30 uur.


66. Kennelijk heeft het Hof aan de verklaring die ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en de verklaring die opsporingsambtenaren op 15 maart 2001 van hebben opgenomen deze betekenis toegekend dat ter terechtzitting doelde op een ander gesprek met verzoeker dan het gesprek of de gesprekken waarvan hij bij de politie mededeling heeft gedaan. Dat komt mij niet onbegrijpelijk voor, daar in zijn verklaring die is opgenomen in het proces-verbaal van de op 17 mei 2002 gehouden terechtzitting heeft verwezen naar hetgeen "in het groepje" op dinsdag 13 maart 2001 was besproken, en heeft medegedeeld dat hij op dinsdagavond met de politie heeft gebeld. Het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren vermeldt dat op 15 maart 2001 omstreeks 10.30 in het Huis van Bewaring is verhoord. Het Hof kon, dunkt mij, aannemen dat ter terechtzitting doelde op een gesprek met verzoeker dat plaatsvond nadat in het Huis van Bewaring door de politie was verhoord, en dat [getuige
1] in dat voorafgaand politieverhoor mededeling heeft gedaan van hetgeen hij verzoeker bij eerdere gelegenheid heeft horen zeggen.


67. Het Hof was niet gehouden nader uiteen te zetten dat het de verklaringen van in deze zin heeft verstaan. Het middel faalt derhalve.


68. Het achtste middel keert zich tegen de bewezenverklaring met de klacht dat de bewijsmiddelen op een essentieel punt een tegenstrijdigheid bevatten.


69. Gedoeld wordt op de verklaring van (bewijsmiddel 3), voor zover inhoudend dat hij altijd met hetzelfde groepje over de luchtplaats van het Huis van Bewaring liep. Dat zou onverenigbaar zijn met de tot bewijs gebezigde verklaringen van (bewijsmiddelen 7 en 8), voor zover inhoudend dat verzoeker alleen met liep op het moment waarop , toevallig passerend, verzoeker tegen hoorde zeggen dat hij zijn vrouw met een mes had gestoken.


70. De als bewijsmiddel 3 weergegeven verklaring van luidt, voor zover hier van belang:
"Ik heb op dinsdag en donderdag gesproken. We liepen altijd met hetzelfde groepje. Ik heb toen donderdagmiddag van gehoord dat hij zijn vrouw met een mes had vermoord (...) De mensen die in het groepje liepen waren , , en ".
Als bewijsmiddel 4 is een verklaring van weergegeven die, voor zover hier van belang, luidt:
"Er was een groepje met onder andere , , en . Met bedoel ik dan [getuige 3]. Wij probeerden een beetje uit te lokken. Wij gingen vragen stellen. Op een gegeven moment heeft hij toen gezegd dat hij zijn vrouw vermoord had met een mes. Hij vertelde dit op de luchtplaats. Er waren meer mensen bij. (het hof begrijpt: ), ik en liepen links." Aan de als bewijsmiddel 7 weergegeven verklaring van , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, ga ik, in verband met hetgeen naar aanleiding van het zesde middel is opgemerkt, voorbij. De als bewijsmiddel 8 weergegeven verklaring van houdt, voor zover hier van belang, in:
"Het was tijdens het luchten met andere jongens erbij. Er waren een , , , , [betrokkene 3] en twee anderen (...) Ik heb tegen iets over een mes (het hof begrijpt: horen) zeggen (...) Ik heb tegen (het hof begrijpt: ) horen zeggen: "Ik heb haar gestoken in de bus". Ik liep er vlak langs, op een of twee meter."


71. Deze verklaringen, in onderling verband beschouwd, laten zich aldus verstaan dat zich bij het luchten een groepje placht te vormen, doch verzoeker, en zich ('links lopend') op het moment waarop verzoeker de bedoelde mededeling deed van de andere leden van het groepje hadden afgezonderd, met dien verstande dat op dat moment niet het gezelschap van verzoeker en had gezocht maar hen toevallig passeerde. Aldus verstaan bevatten deze bewijsmiddelen geen tegenstrijdigheid, zodat het middel faalt.


72. Het eerste middel treft doel. De andere middelen falen of behoeven
- voor zover terecht voorgesteld - niet tot cassatie te leiden. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering van de opgelegde straf in verband met de bij de behandeling in cassatie opgetreden overschrijding van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,