Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

28 447 Regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet basisvoorziening kinderopvang)

Vierde nota van wijziging

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid, onderdeel k, komt te luiden:
k. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie personen met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking en voor wie bij besluit als bedoeld in artikel 20 is vastgesteld dat een of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken, of.

b. In het eerste lid, onderdeel l, wordt "bij besluit als bedoeld in artikel 21" vervangen door: bij besluit als bedoeld in artikel 20.

c. In het derde lid wordt voorafgaand aan de huidige tekst een volzin ingevoegd, luidende: Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak, indien ook de partner een persoon is als bedoeld in het eerste lid.

d. Het zesde lid komt te luiden:
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gevallen waarin of de omstandigheden waaronder kinderopvang voor een kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel l, voor een goede en gezonde ontwikkeling van het kind noodzakelijk is.

B
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt na de bestaande tekst een volzin ingevoegd, luidende: Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

b. In het vijfde lid wordt na "de hoogte" ingevoegd "en de berekeningswijze" en wordt na "van het Rijk" ingevoegd ", waarbij tevens tabellen worden vastgesteld, waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de tegemoetkoming van het Rijk kan worden afgelezen.".


1

C
Artikel 20 komt te luiden:

Artikel 20


1. Het college van burgemeester en wethouders stelt op aanvraag van de ouder vast of hij of zijn partner dan wel het kind van de ouder een geïndiceerde persoon is als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel k of l, en in welke mate uit dien hoofde, voor zover andere voorzieningen geen passender oplossing kunnen bieden, kinderopvang in de zin van deze wet noodzakelijk is.

2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Alvorens te besluiten, wint het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de vaststelling van de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld in het eerste lid advies in van een onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid.

4. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders vermeldt de geldigheidsduur van de indicatie.

5. Het college van burgemeester en wethouders kan periodiek herindicatie verrichten van personen als bedoeld in het eerste lid. De herindicatie vindt plaats overeenkomstig het derde lid.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. nadere regels worden gesteld met betrekking tot de krachtens dit artikel aan de gemeente opgedragen taken en de wijze van uitoefening daarvan; b. organisaties als bedoeld in het derde lid worden aangewezen, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld omtrent de door die organisaties te hanteren werkwijze.

D
Artikel 21 vervalt.

E
In artikel 51, tweede lid, wordt aan het slot van onderdeel e de puntkomma vervangen door een punt.

F
In artikel 56, eerste lid, onderdeel b, wordt "veiligheid, gezondheid of hygiëne;" vervangen door: veiligheid of gezondheid;.

G
Artikel 83a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel c wordt na "Rijk" ingevoegd: , van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

b. In de tweede volzin wordt na "hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2," ingevoegd " hoofdstuk 5, paragraaf 2," en wordt de zinsnede "de artikelen 87a en 87b" vervangen door "de artikelen 87a, 87b en 87c".


2

H
In artikel 87a vervalt het tweede lid en wordt het derde lid vernummerd tot tweede lid.

I
In artikel 87b vervalt het derde lid en wordt het vierde lid vernummerd tot derde lid.

J
Na artikel 87b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 87c

Bij toepassing van artikel 87a of 87b zijn de artikelen 6 tot en met 18 van overeenkomstige toepassing.

K
In artikel 101a wordt "87a, tweede lid, 87b, derde lid" vervangen door: 87c.

Toelichting

Algemeen

Het wetsvoorstel voorziet erin dat ouders die arbeid en zorg combineren en gebruik maken van geregistreerde kinderopvang, aanspraak hebben op een tegemoetkoming in de kosten. Daarnaast worden er in het wetsvoorstel nog andere groepen ouders onderscheiden die aanspraak hebben op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Verwezen zij naar artikel 5, eerste lid. Dit geldt bijvoorbeeld voor ouders met een uitkering die in een reïntegratietraject participeren, herintredende ouders, studenten etc. Ten slotte worden in het wetsvoorstel nog specifieke groepen ouders genoemd, die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie (gelegen in de ouder of het kind; artikel 5, eerste lid, onderdelen k en l). Voor deze groepen ligt er een gemeentelijke taak. Ingevolge het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel hebben ouders, wanneer zij zelf of hun kinderen positief door een Regionaal Indicatie Orgaan (RIO) of een arts, werkzaam voor de jeugdgezondheidszorg, worden geïndiceerd aanspraak op een gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Gemeenten verkrijgen voor de in het wetsvoorstel aangewezen gemeentelijke doelgroepen de verantwoordelijkheid voor de financiering van het ontbrekende werkgeversdeel (verwezen zij naar artikel 19 e.v).

Bij nader inzien is het logischer om gemeenten zelf de verantwoordelijkheid te laten nemen voor de uitvoering van de sociaal-medische indicatiestelling. In verband hiermee wordt thans voorgesteld (mede na overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; VNG) het wetsvoorstel op dit onderdeel aan te passen. Het voorstel om de regie op de sociaal-medische indicatiestelling bij gemeenten neer te leggen komt overigens overeen met de wijze waarop de relatie tussen de indicatiestelling Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de indicatieadvisering Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is geregeld.

Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog enkele technische onvolkomenheden te herstellen.


3

Artikelsgewijs

A
(artikel 5)

Het eerste lid, onderdeel k, betreft ouders die met een sociaal-medische indicatie die aanspraak hebben op een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang. Om in aanmerking te komen voor een sociaal-medische indicatie zal het gaan om personen met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen voor wie de beperkingen die hiermee gepaard gaan kinderopvang noodzakelijk maken. Daarmee is de belangrijkste norm gegeven. De in dit onderdeel opgenomen delegatiebepaling biedt de mogelijkheid om een en ander nader bij algemene maatregel van bestuur te concretiseren, waardoor interpretatieverschillen kunnen worden geminimaliseerd.

De wijziging in het eerste lid, onderdeel l, is technisch van aard en hangt samen met onderdeel D (artikel 20). De toevoeging in het derde lid is eveneens technisch van aard.

Het zesde lid bevat een delegatiebepaling teneinde de mogelijkheid om de gevallen waarin of de omstandigheden waaronder kinderopvang voor een kind noodzakelijk is voor een goede en gezonde ontwikkeling van het kind (verwezen zij naar artikel 5, eerste lid, onderdeel l) bij algemene maatregel van bestuur nader te concretiseren. Deze bepaling is niet nieuw, doch was aanvankelijk opgenomen in artikel 21, derde lid.

B
(artikel 6)

Deze voorgestelde wijzingen zijn van technische aard. Beoogd is de delegatiegrondslag van de algemene maatregel van bestuur in het vijfde lid nauwkeuriger te omschrijven.

C
(artikel 20)

Vertrekpunt bij het nieuwe artikel 20 is dat het college van burgemeester en wethouders eindverantwoordelijk wordt voor het indicatieproces (eerste lid). Dat wil zeggen dat de ouder zich dient te wenden tot het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waar hij zijn woonplaats heeft, alvorens het indicatieproces van start gaat. Voor zover het gaat om een sociaal-medische indicatie voor een kind dient ook de ouder de aanvraag tot indicatie bij het college in.

Op basis van een indicatieadvies van een door het college van burgemeester en wethouders in te schakelen organisatie besluit het college of dat advies leidt tot een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De organisatie die advies uitbrengt over de indicatievraag zal op grond van onderzoek en beschikbare (medische) informatie in elk individueel geval de afweging maken welke voorziening de meest passende oplossing biedt voor de aanvrager. In het kader van het voorliggende wetsvoorstel kan alleen in die gevallen door het college een positief besluit worden genomen, wanneer het indicatieadvies aangeeft dat, gelet op de specifieke sociaal-medische problematiek (gelegen in de ouder of het kind) en mede in het licht van andere beschikbare voorzieningen, de reguliere kinderopvang de meest passende oplossing is.


4

Wanneer het advies niet wijst op de reguliere vormen van kinderopvang ter verzachting van de sociaal-medische problematiek bij de ouder of het kind, ligt het in de rede dat andere voorzieningen passender zijn. Daarbij valt te denken aan medische kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, bureaus jeugdzorg etc. De toegang tot die andere voorzieningen blijft in stand.

Het college dient indicaties te laten verrichten door een onafhankelijke en ter zake kundige organisatie (derde lid).

Aangezien een indicatie niet in alle gevallen een advies voor onbepaalde tijd betreft ligt periodieke herindicatie in de rede. Ook in dat geval zal het college, alvorens te besluiten, overeenkomstig de in het tweede lid beschreven procedure advies moeten inwinnen bij een organisatie die beschikt over adequate deskundigheid (vierde en vijfde lid).

Het zesde lid biedt de basis voor een algemene maatregel van bestuur om alsnog organisaties aan te wijzen die advies uitbrengen over de indicatievraag (onderdeel b). Nadere invulling hiervan dient te worden gezien in het licht van de plannen betreffende de centralisering van de RIO's (in dit verband zij verwezen naar de brief, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 februari jl.; Kamerstukken II, 2003-2004, 26 631, nr. 72) en van de ontwikkelingen rond de Wet op de Maatschappelijke Zorg (verwezen zij naar het verslag van een notaoverleg over de jeugdzorg op 9 februari jl., kamerstukken II, 2003-2004, 28 606, nr. 15). Op deze wijze kan flexibel op de nieuwe ontwikkelingen worden ingespeeld. De delegatiebepaling is voorts zo ruim geformuleerd dat hieronder tevens de uniforme werkwijze van de aan te wijzen organisatie valt. Tevens biedt dit lid (onderdeel a) de mogelijkheid om nadere regels te kunnen stellen aan krachtens dit artikel aan de gemeente opgedragen taken en de wijze waarop deze taken worden uitgevoerd.

Voor de sociaal-medische indicatie van kinderen is het de bedoeling dat de aan te wijzen organisatie zonodig jeugdgezondheidsartsen kunnen inschakelen als informant, aangezien de jeugdgezondheidszorg een hoog bereik heeft onder gezinnen met opgroeiende kinderen en beschikt over relevante informatie.

D
(artikel 21)

Aangezien de in artikel 20 voorgestelde systematiek betrekking heeft op de sociaal-medische indicatie van ouders en van kinderen, kan artikel 21 vervallen. Artikel 21 had uitsluitend betrekking op de sociaal-medische indicatie van kinderen.

E en F
(artikelen 51 en 56)

Dit betreft enkele redactionele wijzigingen.


5

G, H, I, J en K
(artikelen 83a, 87a, 87b, 87c en 101a)

Artikel 87c regelt de overeenkomstige toepassing verklaring, voor zover relevant, van een aantal artikelen van hoofdstuk 2, paragraaf 2, op de extra tegemoetkoming van het Rijk. In verband daarmee vervalt het tweede lid van artikel 87a en het derde lid van artikel 87b. Dit betreft een technische wijziging. Deze wijziging werkt door in de artikelen 83a en 101.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Staatssecretaris van Financiën,

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,


6