Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzittervan de TweedeKamerderStaten-Generaal

Binnenhof4

Den Haag.


- Directie Juridische Zaken

Afdeling Internationaal Recht

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061

2500 EB Den Haag


Datum


- 13 september 2004

Behandeld


- mr. drs. W.E.M. van Bladel


Kenmerk


- DJZ/IR-321/04

Telefoon


- 31 70 348 4931


Blad


- 1/3

Fax


- 31 70 348 5128


Bijlage(n)


- -


- ineke-van.bladel@minbuza,.nl


Betreft

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake arbitrage betreffende de spoorlijn "IJzeren Rijn"

Op 17 mei 2004 is het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake arbitrage betreffende de spoorlijn "IJzeren Rijn" ter stilzwijgende goedkeuring overgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK 29 579, A en nr. 1). Op 15 juni 2004 hebben 44 leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen de wens te kennen gegeven dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal zal worden onderworpen. Op 22 juli 2004 werden vervolgens het Voorstel van wet, houdende goedkeuring van het betreffende Verdrag, alsmede de memorie van toelichting, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden (TK 29 579, nrs 4, 5 en 6). Bekrachtiging van het Verdrag door België heeft reeds plaatsgevonden.

Een snelle behandeling van het wetsvoorstel zou door mijn ambtgenote van Verkeer en Waterstaat en mijzelf zeer op prijs worden gesteld. Ik wil u dan ook verzoeken om een snelle agendering van de behandeling te bewerkstelligen. De redenen voor dit verzoek zijn als volgt.

De onderhandelingen met België over het IJzeren Rijn-dossier lopen sedert medio 1998. Nederland heeft destijds op internationaalrechtelijke gronden het Belgische recht van doortocht erkend en derhalve zijn medewerking toegezegd aan de reactivering van het tracé, dat overigens nationaalrechtelijk (bijvoorbeeld in bestemmingsplannen) nog steeds bestaat. België heeft gevraagd om het IJzeren Rijn-tracé te reactiveren, met als prognose dat er in 2020 met 43 doorgaande internationale goederentreinen tussen België en Duitsland per etmaal (beide richtingen opgeteld) over zal worden gereden. In het voorjaar van 2001 kwam er een milieueffectrapportage gereed, op basis waarvan bleek dat de Neder­landse regelgeving de reactivering slechts toelaat indien er maatregelen worden getroffen ter bescherming van het milieu en de omwonenden. Het gaat daarbij met name om de aanleg van een omleiding rond Roermond, de bouw van een tunnel in het natuurgebied de Meinweg en het treffen van geluidwerende maatregelen.

België wilde de kosten van de maatregelen voortvloeiend uit de toepassing van het Nederlandse recht niet voor zijn rekening nemen. Omdat aan Nederlandse kant op deze maatregelen werd geïnsisteerd, raakten de onderhandelingen in een impasse. In december 2002 werd op voorstel van België tot arbitrage besloten. Een belangrijke reden daarbij was, dat de politieke relatie tussen Neder­land en België zou worden ontlast. België heeft destijds overigens niet over­wogen om gebruik te maken van de mogelijkheid Nederland eenzijdig te dagen voor het Internationaal Gerechtshof (waarvan beide landen de jurisdictie heb­ben erkend). Internationaal gezien wordt een dergelijke stap namelijk als relatief onvriend­schap­pelijk beschouwd. België kan evenwel, bij onverhoopte stopzetting of vertraging van de arbitragezaak, deze stap nog steeds zetten.

België heeft om politieke redenen aangedrongen op een snel verloop van de arbitrage­procedure. Er werd dan ook tot een strak tijdschema besloten. Inmiddels verkeert de arbitragezaak in het stadium waarin het Tribunaal, dat ­ conform zijn afspraak met Neder­land en België ­ eind september met zijn uitspraak dient te komen, beraadslaagt. Omdat het Verdrag inzake arbitrage betreffende de spoorlijn "IJzeren Rijn", overeenkomstig artikel 15 Rijkswet goedkeuring en bekendmaking ver­dra­gen, voorlopig wordt toegepast, bestaat er voor deze uitspraak een internationaal­rechtelijke grond. Een uitspraak op basis van een verdrag dat niet parlementair is goedgekeurd, wordt echter niet wenselijk geacht. Bij het onverhoopt ontbreken van deze goedkeuring vóór de overeengekomen datum zal daarom worden getracht met het Tribunaal en met België ­ dat daar negatief tegenover staat - enig uitstel van de uitspraak overeen te komen.

Overigens is de Tweede Kamer door de Minister van Verkeer en Waterstaat uitvoerig geïnformeerd over de onderhandelingen. Verwezen zij naar de brief van 20 december 2002 (TK 28 600 A en 27 737, nr. 46) en naar het overleg in de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat in het voorjaar van 2003 (TK 27 737, nrs. 7 en 8).


- De Minister van Buitenlandse Zaken,

Dr. B.R. Bot