Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Antwoorden op kamervragen van het Kamerlid Kant over vergoeding van vloeibare voeding voor kankerpatiënten (2030420130).

1.
Wat is uw reactie op de grote problemen die kankerpatiënten ondervinden om de voor hen onmisbare dieetvoeding door zorgverzekeraars vergoed te krijgen, en het feit dat een vijftal van hen zelfs hierover juridische procedures is gestart tegen zorgverzekeraar AGIS? (1)

1.
Ik ben ervan op de hoogte dat er een aantal juridische procedures loopt van patiënten die het duurdere dieetpreparaat Prosure bij hun zorgverzekeraar hebben aangevraagd en een goedkoper dieetpreparaat van hun verzekeraar vergoed krijgen. Van grote vergoedingsproblemen bij dieetpreparaten bij kankerpatiënten in het algemeen is mij niets bekend. De verzekerde heeft recht op vergoeding van de kosten van dieetpreparaten, indien is voldaan aan de indicaties vermeld in artikel 9, derde lid, onderdeel d van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering. Het gaat om de volgende indicaties: een ernstige slikstoornis, een ernstige passagestoornis, een ernstige resorptiestoornis, een ernstige voedselallergie, een ernstige stofwisselingsstoornis, chronisch obstructief longlijden, cystische fibrose of een ernstig congenitaal hartfalen en verzekerde bij dat hartfalen een dreigende groeiachterstand heeft. De toevoeging `ernstig' bij de opgenomen indicaties en het gestelde in artikel 2a, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering (de aanspraak op een verstrekking kan slechts tot gelding worden gebracht voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop naar aard, inhoud en omvang is aangewezen) houdt in dat de verzekerden uitsluitend aanspraak hebben op dieetpreparaten als de aandoening zodanig ernstig is dat niet kan worden uitgekomen met normale aangepaste voeding en/of dieetprodukten. Bij een verzekerde met één van de hierboven genoemde aandoeningen (behalve bij de aandoeningen chronisch obstructief longlijden en cystische fibrose) moet het ziekenfonds toetsen of de aandoening van zijn verzekerde zodanig ernstig is dat niet kan worden uitgekomen met normale aangepaste voeding. Als hiervan sprake is kan een dieetpreparaat ten laste van de ziekenfondsverzekering worden afgeleverd. Welk dieetpreparaat vervolgens wordt verstrekt is een afweging die het ziekenfonds - aan de hand van de relevante feiten en af te wegen belangen van de verzekerde (wordt bij de beantwoording van onderstaande vragen nader op ingegaan) ­ moet maken.
Overigens is voor het volgen van oncologiediëten belastingaftrek mogelijk. Het ziektebeeld oncologie is als zodanig opgenomen in de dieetkostenlijst (onderdeel van de Buitengewone uitgavenregeling). Het vaste bedrag dat een belastingbetaler mag aftrekken (als het dieet het gehele jaar is gevolgd, anders bij een deel van het jaar een evenredig deel van het bedrag) bedraagt voor het jaar 2003 1063.

2.
Hoe oordeelt u het feit dat zorgverzekeraars de vergoeding van bijvoorbeeld het dieetpreparaat ProSure aan kankerpatiënten weigeren, terwijl artsen het middel wel hebben voorgeschreven?

2.
Een verzekerde dient te voldoen aan de indicaties als in vermeld in artikel 9, derde lid, onderdeel d van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering. Een zorgverzekeraar toetst of hieraan voldaan wordt. Vervolgens moet de zorgverzekeraar onderzoeken welk dieetpreparaat verzekerde vergoed krijgt (zie antwoord 1).
Het voorschrijven door een arts is een wettelijke voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op dieetpreparaten. Een voorschrift van een arts alleen is niet voldoende voor de verzekerde om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van dieetpreparaten, maar kan wel mede inzicht geven in de gezondheidstoestand van de verzekerde/patiënt. Het weegt dus zeker wel mee bij

de beoordeling door de zorgverzekeraar of verzekerde in aanmerking komt voor ­ in dit geval ­ het dieetpreparaat Prosure, maar is hiervoor niet allesbepalend.

3.
Is het u bekend dat de situatie rond de vergoedingen steeds problematischer wordt, en dat veel weigeringen niet of op volstrekt onbegrijpelijke gronden worden gemotiveerd?

3.
Mij is bekend dat in het veld onduidelijkheid heeft bestaan over de vraag of zorgverzekeraars de BMI mogen hanteren voor de beoordeling van de aanspraak op dieetpreparaten. Eerder heeft het kamerlid Kant hierover vragen gesteld (9 februari 2004). In mijn antwoorden van 3 maart 2004, kenmerk DBO-K-U-2455735, heb ik hierover duidelijkheid gegeven. Een ziekenfonds heeft tot zijn wettelijke taak, dat hij zowel de aanspraak van de verzekerde moet waarborgen als onnodige verstrekkingen moet voorkomen. Het ziekenfonds zal iedere aanvraag individueel moeten beoordelen. Op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) zal het ziekenfonds bij de voorbereiding van het besluit (de toewijzing of de afwijzing) de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen moeten vergaren (artikel 3:2 AWB). Vervolgens moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 AWB). Afwijzingen van een aanvraag moeten op grond van de AWB dus goed gemotiveerd worden. Het is mij niet bekend dat veel weigeringen niet of op volstrekt onbegrijpelijke gronden worden gemotiveerd. Tegen een afwijzing die volgens de aanvrager niet deugdelijk is gemotiveerd kan de verzekerde bezwaar maken bij het ziekenfonds. Vervolgens bestaat nog de mogelijkheid tegen de beslissing op bezwaar in beroep te gaan bij de rechter.

4.
Is het u bekend dat ook indien `goedkopere'dieetpreparaten niet bleken aan te slaan, ProSure is geweigerd?

4.
Nee, dit is mij niet bekend. Indien sprake is van een patiënt die voldoet aan de in het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering vermelde indicaties en bij deze patiënt eerdere, goedkopere dieetpreparaten niet werkten, dan kan een verzekerde in aanmerking komen voor het dieetpreparaat Prosure.
Het is in het algemeen niet aangetoond dat Prosure beter werkt dan een goedkoper dieetpreparaat. De zorgverzekeraar zal voor de verzekerde een individuele afweging moeten maken of voor deze ene verzekerde het middel Prosure doelmatiger zal zijn dan andere goedkopere dieetpreparaten.

5.
Erkent u dat bezwaarprocedures vaak erg lang zijn, zeker voor kankerpatiënten die niet lang meer te leven hebben?

5.
Voor de behandeling van bezwaarschriften gelden een wettelijk voorgeschreven procedure en wettelijke termijnen (artikel 74 van de Ziekenfondswet). Deze is als volgt: een ziekenfonds mag pas een beslissing op bezwaar nemen nadat daarover door het CVZ advies is uitgebracht. Het CVZ brengt een advies uit binnen tien weken na ontvangst van alle gegevens en bescheiden die voor de beoordeling noodzakelijk zijn. Wordt het advies van het CVZ niet binnen de termijn van tien weken uitgebracht, dan mag het ziekenfonds ­ zonder dit advies ­ een beslissing op bezwaar nemen. De beslissing op bezwaar wordt vervolgens genomen binnen een en twintig weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Ik realiseer mij dat deze groep patiënten zeer ernstig ziek is en geen tijd heeft om wekenlang te wachten op een besluit van de zorgverzekeraar. De AWB biedt voor dit soort situaties de

mogelijkheid een verzoek om een voorlopige voorziening te vragen aan de voorzieningenrechter van de rechtbank (artikel 8:81 AWB).

6.
Heeft het College voor Zorgverzekeringen/College Toezicht op de zorgverzekeringen (CVZ/CTZ) inmiddels gesproken met de zorgverzekeraars over hoe zij omgaan met de verstrekking van dieetpreparaten? 2) Zo ja, wat is hieruit gekomen?

6.
In mijn eerder genoemde antwoorden van 3 maart 2004 over het hanteren van de BMI voor vergoeding van vloeibare voeding heb ik aangegeven het College van toezicht op de zorgverzekeringen (CTZ) te vragen bij hun bezoek aan zorgverzekeraars hieraan specifieke aandacht te schenken. Op 9 maart 2004 heb ik het CTZ dit verzoek voorgelegd. Op 24 maart 2004 heeft het CTZ mij laten weten dat een dergelijk verzoek niet meer past in de huidige toezichtstaak van het CTZ. Het CTZ heeft toen twee mogelijkheden aangedragen tot onderzoek naar de werkwijze van zorgverzekeraars bij de verstrekking van dieetpreparaten: 1) het CTZ vraagt de zorgverzekeraars zich expliciet over de betreffende problematiek te verantwoorden en de externe accountants verzoeken hieraan aandacht te besteden bij hun onderzoeken en daarover aan het CTZ te rapporteren. Dit moet dan voorafgaand aan een controlejaar bekend worden gemaakt aan zorgverzekeraars en accountants. 2) het CTZ kan beslissen zelfstandig onderzoek uit te voeren in de vorm van een speerpuntenonderzoek. Mede op grond van het feit dat het CVZ uit de aan hen voorgelegde bezwaarschriften (aan de Commissie Verstrekkingengeschillen van het CVZ) niet heeft opgemaakt dat zorgverzekeraars ongenuanceerd omgaan met de verstrekking van dieetpreparaten heb ik het CTZ laten weten (op 24 juni 2004) dat de eerste optie de voorkeur verdient. Ik heb het CTZ verzocht de zorgverzekeraars hierover in te lichten en mij op de hoogte te houden van de voortgang op dit gebied. In de verantwoording over het jaar 2005 (die plaatsvindt in 2006) zullen de resultaten hiervan bekend worden.

7.
Bent u van mening dat het advies van de arts, zeker wat betreft speciale dieetvoeding voor kankerpatiënten, doorslaggevend moet zijn en dat zorgverzekeraars wat betreft deze groep (vaak terminale) patiënten een soepeler beleid moeten voeren? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?

7.
Voor het antwoord op de vraag of het advies van de arts doorslaggevend moet zijn verwijs ik u naar antwoord 2. Voor het tweede deel van de vraag verwijs ik u naar antwoord 1.

8.
Bent u van mening dat zorgverzekeraars per patiënt zorgvuldig onderzoek moeten doen onder meer naar eerdere ervaringen met `goedkopere' preparaten, en dat weigeringen duidelijk gemotiveerd moeten worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?

8.
De zorgverzekeraar moet iedere aanvraag individueel beoordelen. In de beoordeling van een aanvraag door de verzekeraar zal de verzekeraar allereerst moeten nagaan of verzekerde voor vergoeding van dieetpreparaten in aanmerking komt (antwoord 1). Zo ja, dan zal de verzekeraar vervolgens moeten onderzoeken welk dieetpreparaat voor deze verzekerde ­ gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening ­ het meest geschikt is. Eerdere ervaringen van een verzekerde met dieetpreparaten zullen in deze beoordeling een rol moeten spelen. Evenals (eerder in antwoord 2 aangegeven) de verwijzing van de arts. De zorgverzekeraar moet rekening houden met de omstandigheden en belangen van de patiënt die voor het besluit van het ziekenfonds tot wel of niet vergoeden van dieetpreparaten en de

afweging welk dieetpreparaat verstrekt wordt maar enigszins van belang kunnen zijn. Komt de verzekeraar tot de beslissing het gevraagde dieetpreparaat niet te vergoeden, dan dient het deze afwijzing goed te onderbouwen (zie antwoord 3). Ik heb geen reden om aan te nemen dat zorgverzekeraars hier onzorgvuldig mee omgaan.

1)Persbericht Mr. Drs. Kien, 20 augustus en Telegraaf, 24 augustus jl. 2)Aanhangsel Handelingen nr. 1018, vergaderjaar 2003 2004


---- --