Ministerie van Justitie

Toepsraak van minister Donner voor de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak
4 oktober 2004

Toespraak van minister Donner van Justitie bij de jaarvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) op 4 oktober 2004.

Dames en heren,

Inleiding
Een ideaal gerecht in het licht van de actuele ontwikkelingen in onze samenleving, dat is het thema van uw jaarvergadering dit jaar de rechter in tune with the music of time. Het is een bemoedigende relativering van het beeld van de rechter en de rechtspraak die boven maatschappelijke ontwikkelingen staan en in onafhankelijkheid daarvan hun weg gaan. Maatschappelijke veranderingen zijn relevant voor het functioneren van de rechtspraak. Maar het zou mijnerzijds aanmatigend zijn om u even te vertellen wat die actuele ontwikkelingen zijn en hoe in het licht daarvan ideale gerechten er uit zouden moeten zien.

Maar het zijn niet alleen de gerechten die zich aan actuele ontwikkelingen aanpassen; ook overheid en wetgeving veranderen onder invloed daarvan. Het is niet uitgesloten dat u zich, afgaande op de media, juist daarover enige zorgen maakt, althans dat het allemaal niet helemaal duidelijk meer is. Fundamentele rechten, vrijheid en de rechtstaat zouden worden aangetast door maatregelen die getroffen worden ter voorkoming van terrorisme. Loze geruchten zouden - althans volgens prof. Rüter al voldoende zijn om bij burgers invallen te doen, zoals vorig weekend. Een deel van de 2e Kamer zou nog verder willen gaan; tijdens de algemene beschouwingen werd geopperd dat iemand na drie misdrijven tot levenslang zou worden veroordeeld. En met het concept van een bruikbare rechtsorde zou de Minister van Justitie tegen dit alles geen echte weerstand bieden. Het concept zou wijzen op een verwerpelijk pragmatisch, instrumenteel denken over recht en wet, dat geen grenzen meer stelt aan de politiek, maar deze juist onbeperkt faciliteert. Het is wellicht tegen deze achtergrond dat Von Schmidt auf Altenstadt in het Trema nummer van september jl. terugblikt op het functioneren van de rechterlijke macht in oorlogstijd en onder de titel: zwijgen is fout, concludeert dat de rechterlijke macht toen ettelijk steken heeft laten vallen.

Het is onmiskenbaar dat er veel in verandering is. Wie de rechtstaat dan ook gelijkstelt aan de bestaande wetten, en de daarin besloten rechten en waarborgen ziet als een absoluut minimum waar nog alleen aan toegevoegd kan worden, zal inderdaad tot de conclusie komen dat iedere verandering de rechtstaat en de fundamenten van juridische beschaving aantast. Maar evenzeer als de bestaande wetgeving het produkt is van maatschappelijke behoeften en knelpunten in het verleden, zullen recht en wet in de toekomst mede bepaald worden door de maatschappelijke vragen van nu. Recht, rechtstaat en rechtsorde zijn niet een rigide extern pantser - als dat van een kever of schildpad - dat de maatschappelijke ontwikkeling beperkt en bepalend stuurt. Rechten, wetten en rechtsregels zijn een geraamte dat de samenleving steunt en maatschappelijke ontwikkeling mogelijk maakt en bijstuurt; het stelt eisen aan het handelen, maar bepaalt niet de richting daarvan. Een pantser beschermt tegen druk van buiten; een geraamte stel in staat om op eigen kracht tegen de zwaartekracht op te staan en voort te gaan.

Ik heb geaarzeld of ik uw uitnodiging om hier te spreken moest aanvaarden. Het is al de derde keer dat ik hier spreek en voor je het weet is het een traditie die mijn opvolgers tot in de verre toekomst bindt. Tegelijk had ik er echter behoefte aan om hier toe te lichten op welke wijze ik met der vaderen erf op juridisch terrein omga. Om de aard, motieven en oogmerken van de veranderingen waar u over hoort, uiteen te zetten, zodat mij straks niet verweten wordt dat ik onvoldoende heb gecommuniceerd. Of erger; want het verwijt van gebrekkige communicatie impliceert instemming met wat er gedaan wordt; het moet alleen beter uitgelegd worden.

De ontwikkeling van de rechtsorde
De kwantitatieve ontwikkeling van de rechtsorde, het expanderend universum van wetten en regels, en de daarmee samenhangende verschijnselen van uitvoering, toezicht, handhaving en rechtspraak, baart al langer zorg. Extrapoleert men de groei in de afgelopen jaren dan is niet geheel ondenkbeeldig dat de overheid op enig moment in de naaste toekomst in de handhaving, vastloopt op de rechtspraak in de werklast, of de samenleving in de regels. Het dereguleringsbeleid is nu al meer dan 20 jaren oud. Sinds de commissie Geelhoed wordt nieuwe regelgeving onderworpen aan een dereguleringstoets. Het heeft niet verhinderd dat de regelgeving explosief door is blijven groeien. De laatste twee decennia is het aantal wetten met 60% toegenomen, nog los van het aantal AMvBs en ministeriele regelingen.

Het gaat ook niet om zorg over de kwantitatieve ontwikkeling alleen. De juridificering: de ontwikkeling dat steeds meer maatschappelijke verhoudingen en onderlinge betrekkingen onder het beslag van het recht komen te liggen, baart evenzeer zorg. Mede omdat in dat proces de verhouding tussen overheid en samenleving geleidelijk verschuift. Bij dat alles neemt het vermogen van de wetgever om de regels in het licht van veranderende omstandigheden bij te stellen, juist snel af vanwege het toenemend beslag van het Europese en internationale recht. En terwijl het rijk van de regels zich uitbreidt, neemt de bereidheid van burgers om zich aan de wet te houden af en dreigt op tal van terreinen de criminaliteit steeds profijtelijker te worden.

Er zijn in de loop van de tijd al onder vele pakkende titels oplossingen aangedragen voor deze ontwikkeling; variërend van deregulering, decimering van regels, tot het legaliseren van drugs en van andere ongerechtigheden. Het regeerakkoord dat aan het huidige beleid ten grondslag ligt, noemt minder regels als een van de hoofdthemas. En ook de nadruk op waarden en normen, en op het herstel van eigen verantwoordelijkheid heeft betrekking op het tegengaan van de hier bedoelde ontwikkeling.

Maar bij alle goede bedoelingen van de fracties die dit regeerakkoord sloten, blijkt ook bij hen de behoefte aan nieuwe regels vooralsnog onverzadigbaar. Dat hoeft ook niet te bevreemden. De verschijnselen die men wil tegengaan, zijn in wezen symptomen. De samenleving behoeft regels om te kunnen functioneren. Markten, maatschappelijk verkeer en georganiseerd handelen vergen wetten en regels; om zekerheid te scheppen met betrekking tot wat anderen doen, om gerechtvaardigde verwachtingen te beschermen, om risicos te verdelen en om belangenconflicten oplosbaar te maken. Het hoeven niet steeds wettelijke regels te zijn, maar zonder geschreven regels gaat het niet, om over alle gewoontes, afspraken en vanzelfsprekendheden die daarbij nodig zijn, nog maar te zwijgen. Hoezeer regels nodig zijn, blijkt ook in de praktijk. Want men klaagt wel over de omvang van de wetten; maar bij een transactie van enige betekenis zijn de specificaties en bijlagen doorgaans vele malen omvangrijker. Men klaagt wel over de veelheid aan regels, maar de standaardvoorwaarden en technische normen die het bedrijfsleven zelf opstelt, zijn vele malen talrijker.

De behoefte aan regelgeving is recht evenredig met de intensiteit, complexiteit en reikwijdte van het maatschappelijk verkeer, Het streven naar minder regels duidt dan ook op wat anders. Het gaat niet om minder wetgeving, maar om andere wetgeving. Het keert zich tegen regelzucht, bureaucratie bij de uitvoering en administratieve lasten bij de handhaving. Die zijn uitvloeisel van een visie op wetgeving, waarin de wet vooral werkt als instructie en gedragsregel die het handelen van mensen zo op elkaar afstemt dat dit tot een gewenst resultaat leidt. Het is het natuurwetenschappelijk beeld van wetgeving; een stelsel van wetmatigheden die het gedrag bepalen, waarbij opgelegde verplichtingen of aanspraken het gedrag van mensen zo prikkelen en sturen dat het maatschappelijk verkeer automatisch resulteert in bepaalde gewenste verhoudingen en gedrag. Wet en recht zijn in die visie de sturingsinstrumenten en het spoorboekje van de samenleving, waardoor deze als ingewikkelde machinerie moet lopen. In zijn meest zuivere vorm treft u dat concept aan bij Hobbes in de Leviathan. Maar het concept klinkt niet minder door in economische beschouwingen en handleidingen uit de afgelopen decennia, over de instrumenten van overheidsbeleid. Veel wetgeving berust op dat beeld van wet- en regelgeving als eenzijdige prikkel, als sturingsinstrument of gedragsinstructie, waarmee wetgever en bestuur de samenleving in de hand houden.

Een bruikbare rechtsorde
Dat concept miskent het wederkerige karakter van recht en wet: Die zijn geen eenzijdig instrument, maar een tweezijdige mogelijkheid voor mensen om hun onderling verkeer of het verkeer met de gemeenschap te regelen. De burger die een verplichting krijgt opgelegd ontleent aan dezelfde regel zekerheid in zijn verkeer met de overheid of met andere burgers. Dat wederkerig karakter is in de afgelopen halve eeuw versterkt door de erkenning van steeds nieuwe reflex-effecten van rechten, plichten en regels.

Miskenning van dat tweezijdig karakter verklaart het averechtse effect dat wetten en regels vaak hebben. Waar deze primair als instrument bij het realiseren van een beleidsdoel worden gezien, wordt vergeten dat justitiabelen dezelfde regel kunnen en zullen gebruiken om hun doelen te realiseren. Waar die doelen van justitiabelen verder af staan van de doelen die de wetgever voor ogen stonden, heeft de wet in de ogen van de concipiënten averechtse effecten. Dan wordt al gauw van misbruik of erger, van fraude gesproken; maar het is gewoon ander gebruik dan was bedoeld hetgeen niet minder legitiem is en inherent aan de wet.

Rechten en wetten als zodanig zijn niets. In een statische situatie hebben zij geen functie en werking. Pas doordat zij worden ingeroepen of gebruikt krijgen ze betekenis. Pas in de dynamiek van het onderlinge verkeer en van georganiseerd, gezamenlijk handelen komt recht tot gelding. De kwaliteit van de rechtsregel is dan ook niet gelegen in het intrinsieke rechtsgehalte van de regel, maar in het recht en de rechtvaardige verhouding die bij gebruik daarvan ontstaat.

Tegen die achtergrond moet u het gebruik van de term bruikbare rechtsorde zien. Het betreft geen rechtswetenschappelijke notie, maar een rechtspolitiek begrip. Het komt niet in de plaats van het concept van de rechtstaat. Maar het concept rechtstaat wordt in het dagelijks gebruik steeds meer begrepen als staat van recht; een statisch, welhaast natuurrechtelijk beeld van een gerechte orde die over de samenleving wordt gelegd. Een absolute meetlat die het rechtsgehalte van de samenleving kan meten. Maar doorgaans geeft het niet meer aan dan de eigen opvattingen van de gebruiker.

Het begrip bruikbare rechtsorde strekt ertoe om het tweezijdig karakter van wetten en regels te benadrukken, en om de bruikbaarheid in de dynamiek van het maatschappelijk verkeer als toets voorop te stellen. Die rechtsorde is bruikbaar waar de wederkerigheid van wetten en regels resulteert in een bestel waarin het goed en veilig leven, samenleven en ondernemen is; waarin mensen tot hun recht kunnen komen.

De bruikbaarheid van de rechtsorde hangt bij dat alles niet alleen af van de wetten en regels die gelden. Doelmatige handhaving en een slagvaardige rechtspleging zijn minstens zo wezenlijk. Niet minder belangrijk is om de normen die de regel stelt aan te doen sluiten op de waarden die in de dagelijkse praktijk worden beleefd. Machiavelli stelde al vast: Zoals de goede zeden om zich te handhaven goede wetten behoeven, zo hebben goede wetten om nageleefd te worden goede zeden nodig. De wet ordent de samenleving, mits het recht dat deze schept uitdrukking is van en gedragen wordt door de bestaande of gewenste ordening in de samenleving.

Een samenhangende aanpak
Vanuit die perceptie van recht en wet tracht het kabinet thans de ontwikkeling van de rechtsorde bij te stellen. Het gaat daarbij om een samenhangende aanpak die zich op diverse punten richt; in de eerste plaats uiteraard op de wetgeving zelf. Door de verschillende departementen wordt de bestaande wetgeving doorgelicht. Daarnaast hoop ik binnenkort de resultaten te ontvangen van een kwantitatief onderzoek naar de herkomst van wet- en regelgeving. Het moet inzicht bieden op welke beleidsterreinen de regels in de afgelopen jaren zijn ontwikkeld. Naast dit kwantitatief onderzoek wordt in het kader van het project een bruikbare rechtsorde geanalyseerd welke omstandigheden en beleidsoplossingen meer in het bijzonder een aanzet tot regelgeving vormen.
Een hiermee verwant project is het streven van het kabinet om de administratieve lasten van burgers en het bedrijfsleven te verminderen. Het gaat daarbij vooral om registratie-, informatie- en verslagleggingsplichten in de sfeer van de uitvoering. Het heeft echter ook zonder meer gevolgen voor de regelgeving en de handhaving daarvan.

De rechtspleging is vanuit de optiek van de bruikbaarheid van de rechtsorde minstens zo belangrijk. Dat de werklast van de zittende en staande magistratuur sterk is toegenomen, behoeft geen toelichting; u heeft het zelf ondervonden. Corrigeert men de aantallen voor de bevolkingsaanwas, dan valt de groei overigens ook weer mee. Die groei is tot dusver vooral opgevangen door uitbreiding en verbetering van de werkwijze. In aansluiting daarop zijn voor straf-, bestuurs- en civielrecht zgn. verbetervoorstellen in behandeling, die een aantal knelpunten kunnen wegnemen.

Verschuiving van werklast: OM-afdoening
Verbetering van de werkwijze en stroomlijning van de processen zijn nodig, maar niet voldoende. Vandaar dat enerzijds door middel van het bevorderen van alternatieve geschilbeslechting, gestreefd wordt naar ontlasting van de formele rechter en een meer toegesneden oplossing van geschillen. Anderzijds moet ook de organisatie van de werkwijze worden bezien. Met betrekking tot het OM is het proces van overweging van veranderingen in volle gang. De vraagstelling van vandaag ziet op een soortgelijke problematiek met betrekking tot de gerechten. Met het nieuwe nevenzittingsbesluit is een kader geschapen dat vergaande samenwerking en arbeidsdeling mogelijk maakt.

Daarnaast is echter een heroverweging van de verdeling van werklast tussen de verschillende stromen aan de orde. In het kader van de aanpak van de criminaliteit is de zakenlast in de strafrechtsector al fors gestegen. Voorlopig zal dat eerder meer dan minder worden. In het kader van die aanpak van criminaliteit en wetsovertreding is echter ook een meer systematische handhaving van tal van andere wetten nodig. Om verstopping bij de strafrechter te voorkomen is daarbij in de afgelopen jaren vaak gegrepen naar de mogelijkheden van bestuurlijke handhaving. Het maakt veelal een meer toegesneden aanpak mogelijk. Tegelijk bergt die ontwikkeling echter het risico in zich van versnippering van zowel de handhaving als van de sanctierechtspraak. Willen we dat voorkomen dan zullen we het strafproces verder moeten veranderen. Dat wordt in het kader van het project strafvordering 2001 voorbereid.

Daarop vooruitlopend hoop ik binnen een paar weken het wetsvoorstel OM-afdoening in te dienen. Kern daarvan is de omvorming van de transactie in een strafbeschikking die een straf of maatregel kan bevatten welke voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Daarbij moet u denken aan de geldboete en de rij-ontzegging. De toegang tot de strafrechter blijft daarbij volledig open, zij het dat het initiatief bij de verdachte komt te liggen. Hij kan tegen de strafbeschikking verzet aantekenen, waarna de zaak volledig door de rechter zal moeten worden beoordeeld. Deze beperkt zich dus niet tot een toetsing van de strafbeschikking. Hoewel het bestuursrecht al langer de mogelijkheid kent van bestuursorganen die punitieve sancties opleggen, is dit in het strafprocesrecht een belangrijke vernieuwing. Ik verwacht hier veel van.

Terrorismebestrijding
In het voorgaande zijn een aantal hoofdlijnen geschetst waarlangs de justitie-wetgeving in de komende tijd zal worden aangepast. Eén lijn heb ik niet genoemd; de wijzigingen die in verband met de doeltreffende bestrijding van het terrorisme worden overwogen. Die heb ik in september een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd. Omdat zij in de pers veel aandacht hebben getrokken en daarbij ook commentaren hebben uitgelokt als zouden hiermee de vrijheid en de rechtstaat op de helling worden gezet, wil ik er gaarne hier nog even bij stilstaan. Het gaat concreet om verruiming van de mogelijkheden van preventief fouilleren en van bijzondere opsporingsbevoegdheden. In het verkennend onderzoek zullen de mogelijkheden tot gegevensonderzoek voor het OM worden verruimd. Verdachten zouden ook op grond van verdenking in bewaring genomen moeten kunnen worden. En de termijn waarbinnen verdachten en hun advocaten de inzage in bepaalde processtukken kan worden ontzegd, zou langer moeten zijn. Let wel, het gaat hierbij niet om algemene regelingen, maar om bepalingen die alleen van toepassing zouden zijn in geval van terroristische misdrijven.

Kern van de beoogde verruiming van bijzondere opsporingsbevoegdheden is, dat deze ook bij aanwijzingen van een terroristisch misdrijf gebruikt kunnen worden, ook als die aanwijzingen niet de sterkte van een verdenking hebben. Een soortgelijke figuur kennen we al in de Wet op de economische delicten en in de Wet Wapens en Munitie ingevolge welke het betreden van plaatsen, en het stilhouden en onderzoeken van vervoermiddelen ook zonder verdenking kan geschieden indien er aanwijzingen bestaan. Ook het Wetboek van Strafvordering kent bevoegdheden die zonder concrete verdenking kunnen worden uitgeoefend. Bij de keuze van de wetgever voor die mogelijkheid gaat het steeds om een afweging van de betrokken belangen. Bij terrorismebestrijding is er naar mijn mening alle aanleiding voor een dergelijke keuze. Het belang om een aanslag op grote aantallen burgers te voorkomen, moet zwaarder wegen dan de bescherming van de rechten van een persoon ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk betrokken is bij een dergelijke aanslag. Ook zal de informatie over geplande aanslagen vaak niet voldoende concreet of betrouwbaar om een volledige verdenking op te vestigen. Toch moet ter voorkoming van aanslagen dan wel opsporing mogelijk zijn. Een rechter-commissaris moet niet in de situatie gebracht worden dat hij een vordering tot een telefoontap die redelijkerwijs zou kunnen bijdragen aan het voorkomen van een aanslag, volgens de wet zou moeten afwijzen bij gebreke van een voldoende concrete verdenking.

Om dezelfde redenen zou bij de bestrijding van terroristische misdrijven bewaring ook bij afwezigheid van ernstige bezwaren mogelijk moeten zijn, indien er voldoende informatie ligt voor een verdenking en het onderzoek van het Openbaar Ministerie voortgaat, maar de ernstige bezwaren niet binnen de voor inverzekeringstelling beschikbare tijd voldoende hard gemaakt kunnen worden. In zon situatie zou de rechter-commissaris de bewaring moeten kunnen bevelen (let wel: niet de gevangenhouding).

Ook preventief fouilleren zou ruimer mogelijk moeten zijn. Nu is enkel de burgemeester bevoegd een gebied aan te wijzen waarin preventief fouilleren mogelijk is. In geval van een dreigende terroristische aanslag is dat minder bevredigend. Overigens sluit preventief fouilleren als opsporingsbevoegdheid aan bij het concept van opsporing in het kader van Strafvordering 2001.
Gegeven de vertrouwelijkheid van inlichtingen die in het geval van een terroristisch misdrijf een rol kunnen spelen, wordt tenslotte voorgesteld dat de openbaarmaking van alle processtukken pas verplicht is als de zaak inhoudelijk behandeld gaat worden. Dat wil niet zeggen dat alle processtukken tot die fase geheim kunnen blijven. En al helemaal niet dat processtukken ook bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak geheim kunnen blijven. Dat is ook in het voorstel inzake de afgeschermde getuigen, dat inmiddels is ingediend, wordt niet getornd aan het beginsel dat strafrechter en verdediging gelijkelijk van alle processtukken kennis nemen. Er zal bijvoorbeeld voldoende bekend moeten zijn over de bezwaren tegen de verdachte om het voortduren van de voorlopige hechtenis te rechtvaardigen. Maar er is geen enkel beginsel dat ertoe verplicht na 106 dagen volstrekte opening van zaken te geven in een moeilijk, lopend opsporingsonderzoek naar een terroristisch misdrijf. In ons omringende landen verplicht de wet daar ook niet toe.

Tot besluit
Dames en Heren. Ik ben met zevenmijlslaarzen door een aantal fundamentele vraagstukken in de rechtsorde heen gelopen. Ik heb geprobeerd u duidelijk te maken vanuit welke uitgangspunten ik die vraagstukken bezie, opdat u niet straks zegt: Zeg Klein Duimpje waar ga je eigenlijk heen?. En het was geen uitputtende opsomming; er is meer te doen; zo bijvoorbeeld de ontwikkeling van een Europese dimensie tussen de nationale rechtsorden.

Nederland verandert en dat heeft consequenties voor het recht en de wetgeving. In dat verband zullen we elementen in de huidige Nederlandse rechtsorde opnieuw moeten doordenken. Dat vergt debat; publiek, maar ook binnen de professie. Dat debat voeren in termen van het afglijden van de Nederlandse rechtstaat, is misplaatst en weinig vruchtbaar. Het is een visie op het recht en de rechtstaat zoals Pascal die ooit sarcastisch heeft geformuleerd: Het recht is: wat eenmaal vastgesteld werd; en zo zullen al onze vastgestelde wetten noodzakelijkerwijze voor rechtvaardig gehouden worden, zonder dat men ze onderzoekt, daar zij nu eenmaal zijn vastgesteld. Die houding kunnen we ons niet permitteren. Anders zou wel eens kunnen blijken dat we de rechtstaat te graven dragen omdat zij geen antwoord meer kan bieden op de vragen waar de samenleving mee geconfronteerd wordt. Het recht is er voor de mens en niet de mens voor het recht. Nederland zal het hoofd moeten bieden aan de uitdagingen waarvoor deze tijd ons plaatst. Dat betekent dat wij net als andere rechtsstaten opnieuw de belangen afwegen die we wensen te beschermen en onze rechtsorde opnieuw ijken naar de eisen van deze tijd.