Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De uitkomsten van de RMC analyse 2003
april 2004

Sardes/ SCO-Kohnstamm Instituut
Loes van Tilborg
Wander van Es

Inhoudsopgave Pagina


1. Inleiding 2
2. De uitvoering van de wettelijke taken door gemeenten en scholen 3
3. De omvang en de kwaliteit van het netwerk 5
4. De registratie van de voortijdige schoolverlaters 8
5. De aantallen voortijdige schoolverlaters en de gerealiseerde herplaatsingen 10
6. Beschikbare middelen voor de aanpak van het voortijdig schoolverlaten 15
7. Mogelijkheden van trajecten voor voortijdig schoolverlaters 17
8. Samenvatting en aanbevelingen 21


1. Inleiding

In dit onderzoeksverslag wordt het overzicht gepresenteerd van de uitkomsten uit de RMC-effectrapportages van het schooljaar 2002/2003. Aan de hand van een OCW-model stelt elke regio ieder jaar een effectrapportage op, waarin verslag wordt gedaan van de resultaten van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie Voortijdig Schoolverlaten in het voorgaande schooljaar. De gegevens hebben betrekking op het aanwezige netwerk van gemeenten en instellingen in de regio, die zich bezighouden met de melding, registratie en aanpak van het voortijdig schoolverlaten, de inzet van de financiële middelen, de uitgevoerde prioriteitstelling binnen het totale bestand van voortijdige schoolverlaters, de kwantitatieve gegevens over de aantallen voortijdig schoolverlaters en de gerealiseerde herplaatsingen en de streefdoelen voor de toekomst. Ook wordt in de effectrapportages ingegaan op aanwezige knelpunten, belemmerende factoren en ontbrekende randvoorwaarden bij de uitvoering van de onderscheiden taken, en op de gebleken succesfactoren. Over het schooljaar 2002/2003 werden in totaal 52 RMC-effectrapportages bij het Ministerie van OCW ingediend.


---

2. De uitvoering van de wettelijke taken door gemeenten en scholen

Aantal RMC-regio's
Een goede RMC-functie begint bij een melding van alle voortijdige schoolverlaters binnen de wettelijke termijnen en een volledige registratie van alle voortijdige schoolverlaters. Om dit te realiseren zijn door de Rijksoverheid in 1994 39 RMC-regio's gevormd. Vanwege de gebiedsomvang en de uit te voeren taakstellingen werden echter al snel in een aantal regio's initiatieven ontwikkeld om binnen hun gebied subregio's te vormen, waarin min of meer zelfstandig de RMC-taak kan worden uitgevoerd. Op dit moment zijn er 74 RMC- (sub)regio's, waarin de RMC-functie zijn beslag krijgt. Elke woongemeente behoort bij één van de RMC- regio's. Elke school dient zijn voortijdige schoolverlaters te melden aan de woongemeente waaruit de voortijdige schoolverlater afkomstig is. Elke gemeente wordt geacht deze voortijdige schoolverlaters door te melden aan de contactgemeente in zijn regio, waar o.a. zorg gedragen wordt voor de regionale registratie van de voortijdige schoolverlaters en de effectrapportage.

Uitvoering van de meldplicht
Volgens de RMC-effectrapportages vervullen 99% van de scholen voor voortgezet onderwijs en 99% van de BVE instellingen deze wettelijke meldtaak, zij het niet altijd voldoende snel (binnen de wettelijke termijnen) en voldoende nauwgezet (alle voortijdige schoolverlaters). Volgens de RMC-effectrapportages melden vier scholen uit het voortgezet onderwijs geen voortijdige schoolverlaters en zes scholen uit het voortgezet onderwijs en een instelling uit de BVE-sector nemen niet deel aan het RMC-netwerk. Met 97% van de scholen voor voortgezet onderwijs en met 98% van de BVE-instellingen zijn nadere afspraken gemaakt over de wijze van melding van voortijdig schoolverlaters.
Dat het melden tot de wettelijke taak van de scholen behoort, verhindert ook niet dat er in de regio's nog meer meldende partijen actief zijn. In het schooljaar 2002-2003 werd 61% van de voortijdige schoolverlaters aangemeld door het onderwijs. De overige meldingen waren afkomstig van een van de andere partijen in het regionale netwerk. Meldende partijen zijn: de jeugdhulpverlening. politie/justitie, de instellingen voor Werk en Inkomen en de (leerplichtambtenaren van) de gemeenten. Deze laatste twee partijen zorgden voor 28% van de meldingen
Het merendeel van de woongemeenten voldoet aan de taak om de voortijdige schoolverlaters te rapporteren aan de contactgemeente. In 30 gemeenten wordt deze rapportagetaak aan de contactgemeenten niet nagekomen.

Good practice in het melden
Wettelijk gezien zouden knelpunten in het melden eigenlijk niet mogen voorkomen. Op allerlei plaatsen zijn bovendien good practices ontwikkeld die kunnen leiden tot snelle en inhoudelijk goede meldingen. Good practice voorbeelden zijn:
een provinciebreed aanmeldingsformulier
terugkoppeling van RMC-meldingen
één meldingsformulier voor de hele regio
koppeling consulent leerlingzaken aan scholen schoolgericht maatschappelijk werk in het primair onderwijs zorgtams in het voortgezet onderwijs
RMC-protocollenboek
een on-line meldingssysteem
duidelijk meldprotocol
één regionaal meldpunt voor scholen
RMC-spreekuur bij CWI
Good practices voorbeelden in het werkproces rondom de melding zijn: intensivering van de meldingsafspraken met ROC's en CWI's melding door CWI
provinciaal overleg inzake melding en registratie van ROC's goede afspraken met een cursistenservicecentrum van het ROC uitgebreide PR en voldoende voorlichtingactiviteiten groot draagvlak bij alle participanten om te komen tot een optimale melding structuur en verantwoordelijkheden van de regio zijn bestuurlijk vastgelegd ondernemen van preventieve acties door leerplichtambtenaren dagelijkse bezetting van het meldpunt
regelmatig persoonlijk contact (bezoek) van RMC-coördinator aan betrokken instellingen melding niet bij de woongemeente maar direct bij het RMC-punt die zorgt voor terugmelding aan de woongemeente


---

Knelpunten in het melden
Ondanks de aanwezigheid van good practices betekent dit niet dat er geen knelpunten zijn rondom de melding van het voortijdig schoolverlaten. In de effectrapportages noemen de RMC-coördinatoren allerlei grotere en kleinere zaken die de snelheid en de volledigheid van het melden negatief beïnvloeden. Inhoudelijke knelpunten in de melding zijn:
geen eenduidigheid in de aangeleverde gegevens geen uniform landelijk format en protocol voor melden door vo-scholen en ROC's geen systeem binnen ROC's om uitvallers snel op te sporen geen zicht op 100% melden
Knelpunten in het proces van melden zijn:
scholen melden niet op tijd/houden zich niet aan de wettelijke meldtermijnen scholen (vo, ROC) houden zich niet aan de volgens de RMC-wet te leveren gegevens scholen melden niet alle vsv-ers
woongemeenten melden niet alle vsv-ers aan bij de RMC-functie er zijn geen heldere afspraken waardoor ROC's niet alle relevante gegevens melden de periode tussen de uitval en aanmelding is te lang het is lastig omgaan met piekbelasting in de meldingen (einde schooljaar) het ontbreekt aan eenduidige RMC-gebiedsoverstijgende afspraken over melding het blijft lastig om moeilijk te benaderen uitvallers te traceren Knelpunten in de randvoorwaarden zijn:
onvoldoende formatie voor de RMC-coördinator onvoldoende leerplichtformatie
geen sanctiemogelijkheden voor niet meldende partijen geen sanctiemogelijkheden voor bovenleerplichtige vsv-ers geen goede informatie voor jongeren op scholen over hun vsv-situatie


---

3. De omvang en de kwaliteit van het netwerk

Het netwerk in een RMC-regio bestaat uit behalve de gemeenten en de onderwijsinstellingen ook uit de overige lokale en regionale partijen die een bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van het voortijdig schoolverlaten. Belangrijke partners zijn de jeugdhulpverlening, justitie en de partijen op het terrein van werk en inkomen. Zoals gezegd vervullen zij her en der ook een taak in de melding en zij beschikken over diverse mogelijkheden om de voortijdige schoolverlater te ondersteunen of alternatieve trajecten aan te bieden die de weg naar een startkwalificatie open houden. Daarnaast zijn in de afgelopen jaren de samenwerkingsverbanden vo-svo in het regionale netwerk betrokken, omdat zij een rol kunnen spelen in de preventie van het voortijdig schoolverlaten. Om diezelfde reden is er ook meer aandacht gekomen voor het lokale onderwijsbeleid op het terrein van GOA en GSB.

Deelnemende instellingen
Uit de onderstaande blijkt dat het RMC-netwerk voor 97% compleet is. Dat is een goede prestatie als we bedenken dat een RMC-subregio gemiddeld te maken heeft met het 45 partijen en dat de grootste ongedeelde regio te maken heeft met 114 partijen in het netwerk. Van de onderwijspartijen neemt 99% deel aan het netwerk. Vergeleken met het vorige verslagjaar zijn er meer instellingen op het terrein van werk en inkomen (RBA/CWI en WIW/GSD) aan het netwerk gaan deelnemen. Van hen neemt op dit moment 86% deel aan het netwerk. Vorig jaar was dit 80%.

v(s)o BVE samenwerkings- lokaal jeugdhulp justitie RBA/CWI WIW/GSD werkgevers verband svo-vo onderwijs- verlening beleid (goa gsb) aantallen
deelnemende
partijen* 1008 164 398 403 477 220 120 297 257 aantallen niet
deelnemende
partijen 6 1 3 9 10 5 19 51 5
*partijen kunnen deel uitmaken van een netwerk in meerdere regio's en kunnen daardoor meerdere malen geteld zijn. Bijvoorbeeld: er zijn geen 1014 scholen voor v(s)o in Nederland. De `overmaat' ontstaat omdat met name scholen aan de rand van een RMC-regio hun leerlingen uit meerdere regio's krijgen en dus bij melding van voortijdige schoolverlaters en de aanpak ervan deelnemen aan het netwerk van meerdere RMC-regio's.

Redenen voor niet deelname
De enkele onderwijsinstellingen die niet deelnemen aan het netwerk geven o.a. als reden op: dat de school een dependance van een andere school is, dat er geen problemen zijn die verdere samenwerking nodig maken, dat het geen prioriteit heeft omdat men beschikt over eigen goede professionele leerlingbegeleiding. Doen jeugdhulpverleningsinstellingen niet mee aan het netwerk dan zijn hiervoor aan de kant van de jeugdhulpverlening de redenen: problemen met de privacy, beschikbaarheid van eigen netwerken, andere doelgroepen dan de vsv-ers. Ligt het gebrek aan samenwerking aan de kant van de RMC-coördinatoren, dan worden als redenen opgegeven: het gebrek aan capaciteit, het nog werken aan ontwikkelingen in het eigen regionale jeugdnetwerk waardoor deze partners nog niet benaderd zijn. Als de partijen voor werk en inkomen in het netwerk ontbreken, lijkt dat deels te komen omdat er nog geen structurele samenwerkingsafspraken zijn. Incidentele werkoverleggen of indirecte contacten zijn er meestal wel. Er is veel in beweging in dit werkveld, waarin toegewerkt wordt naar verdere formalisering. In de rapportages wordt op dat punt melding gemaakt van verkennende gesprekken, nieuwe contacten, verdere optimalisering van de samenwerking, inmiddels gerealiseerde meldingafspraken, een intensivering van de samenwerking, een voorgenomen ontwikkeling van een centraal servicepunt in de regio, het werken aan een uniforme aanpak. Lukt de samenwerking nog niet of is die weer verwaterd, dan liggen daar redenen aan ten grondslag als: eigen hervormingen binnen CWI, personele wisselingen, het ontbreken van een contactambtenaar, beleidsmatige belemmeringen, andere insteek (werk boven scholing).

Gemaakte afspraken in het netwerk
Om voor de voortijdig schoolverlaters de hoofddoelstelling van een startkwalificatie te kunnen realiseren, zijn in het netwerk met name met de onderwijspartners afspraken nodig over de wijze van melding en over de mogelijkheden van plaatsing en hulpaanbod. Ook kunnen met elkaar afspraken gemaakt worden over streefdoelen en de wijze van verantwoording.
In de onderstaande tabel is te zien met hoeveel partijen in het netwerk de betreffende afspraken zijn gemaakt. Afspraken ten aanzien van streefdoelen en het afleggen van verantwoording zijn minder gebruikelijk dan die over melding, plaatsing en mogelijkheden in het hulpaanbod. In die zin is het netwerk vooral gericht op de directe aanpak van het voortijdig schoolverlaten en is minder ingericht om ook beleidsmatig een functie te
---

vervullen. Wellicht is dat een van de redenen dat in veel regio's nog grotere en kleinere knelpunten worden gesignaleerd in de randvoorwaarden om een sluitende aanpak te kunnen garanderen, gericht op het behalen van de startkwalificatie.

melding plaatsing hulpaanbod streefdoelen verantwoording met het voortgezet onderwijs 97% 89% 90% 70% 64% met BVE 98% 91% 86% 66% 68% met de samenwerkingsverbanden 82% 85% 83% 57% 60% met lokaal onderwijsbeleid 77% 76% 78% 72% 74%

Good practice in samenwerking en netwerkvorming
In de directe inrichting van het netwerk en in de wijze van samenwerking zijn veel successen te melden. Een deel van de successen heeft betrekking op de verdere ontwikkeling van regionale organisatorische werkverbanden met een multidisciplinair karakter. Een ander deel van de toenemende kwaliteit van het netwerk is gelegen in de versterking van het functioneren van het netwerk door personele uitbreidingen.

Belangrijke voorbeelden van organisatorische ontwikkelingen in de samenwerking en netwerkvorming zijn: het Waddenmodel, waarin leerplicht, RMC-functie en instellingen op het terrein van arbeid en inkomen in een sluitende keten samenwerken
zorgcentra waarin alle zorg rondom leerlingen in het vo/svo worden gecoördineerd regionaal afstemmingsoverleg
een RMC-consultatieteam voor uitvallers in de leeftijdsgroep 17-23 jaar de realisatie van een onderwijs service centrum een kernteam vsv-netwerk dat bestaat uit een afvaardiging van alle eerste lijns hulpverlening participatie van het ROC in het zorgadviesteam van het voortgezet onderwijs een centraal loket voor zorgleerlingen
de opstelling van een meer omvattend jeugd-convenant, waar de RMC-afspraken onderdeel zullen uitmaken
Goed werkende hulpmiddelen bij het versterken van de samenwerking zijn: het maken van goede beschrijvingen van alternatieve trajecten het doen van (provinciaal) onderzoek
het uitvoeren van nulmetingen
het onderbrengen in één huis van meerdere regionale beleidsadviseurs maakt afstemming en nieuwe initiatieven gemakkelijker
het maken van regiobrede afspraken
beschikbaarheid van RMC-informatiegidsen (voor school en arbeid) collegiale consultatiebijeenkomsten
onderzoek naar de daadwerkelijke zorgstructuur in het voortgezet onderwijs Belangrijke randvoorwaarden zijn:
reeds bestaande kennis en deskundigheid
een verhoogde belangstelling van de SZW partners voor de startkwalificatie bestuurlijke betrokkenheid
Plan van aanpak Jeugdwerkloosheid

Overblijvende aandachtspunten
In 14 van de 52 (sub)regio's worden nog knelpunten gesignaleerd in de netwerkvorming. Dat kan zijn omdat een bepaalde partij onvoldoende in het netwerk participeert, soms is de interne organisatie van het netwerk nog onvoldoende en een aantal malen worden ontbrekende randvoorwaarden genoemd. Onvoldoende realisatie van de interne organisatie van het netwerk blijkt uit: het nog ontbreken van heldere afspraken en convenanten de samenstelling van het georganiseerde werkverband is niet optimaal gegeven het uit te voeren werk het nog teveel afhankelijk zijn van individuele personen gebrek aan formatie
nog onvoldoende kennis bij instellingen van elkaars werk Problemen in de randvoorwaarden zijn:
conflicterende wetgeving van OCW en SZW (gaat scholing boven werk of gaat werk vóór educatie) het ontbreken van het principe één kind ­ één plan onvoldoende draagvlak voor regionaal samenwerken geen sancties op slecht uitvoerende leerplichtwerkzaamheden door gemeenten
---

geen duidelijke richtlijnen in de RMC-wet voor invulling van de RMC-uitvoering de verantwoordelijkheid van instellingen voor de `schakelmomenten' (overdracht van de jongere van de ene naar de andere instelling) is onduidelijk en laat ruimte voor andere interpretaties de niet met elkaar overeenkomende gebiedsindelingen voor RMC-regio's, samenwerkingsverbanden, bureaus Jeugdzorg


---

4. De registratie van de voortijdige schoolverlaters

Volledigheid van de cijfers
In de effectrapportage moeten de regio's een groot aantal kenmerken van de voortijdige schoolverlaters en de herplaatsten registreren. Nog lang niet overal voldoet het registratiesysteem of de geregistreerde verzameling van de gegevens hieraan. De registratie van de nieuwe voortijdige schoolverlaters is het meest volledig. Uit de kwantitatieve analyse blijkt dat het registreren van gegevens van de oude voortijdige schoolverlaters het minst volledig gebeurt en ook dat een belangrijk deel van de regio's in hun registratie geen aparte gegevens beschikbaar heeft van de prioritaire doelgroep.

Aantal (sub)regio's waarin over oude vsv-ers oude vsv-ers nieuwe vsv-ers nieuwe vsv-ers het onderstaande onderwerp niet (prioritair) (totaal) (prioritair) (totaal) is gerapporteerd
Totaal aantal vsv-ers 19 19 7 0 Etniciteit 23 22 14 7 Opleiding 21 21 11 3 Diploma 40 30 36 10 Geslacht 22 20 11 0 Leeftijd 22 20 11 0 begeleiding 23 19 15 2

Aantal (sub)regio's waarin over het onderstaande onderwerp niet is gerapporteerd Aanmelding 17 Herhaling 12 Gemeld door 3 Duur herplaatsing 14 Uit RMC 14

Aantal (sub)regio's waarin over het onderstaande herplaatste vsv-ers (prioritair) herplaatste vsv-ers (totaal) onderwerp niet is gerapporteerd
Totaal aantal herplaatsten 7 0 Etniciteit 16 8 Opleiding 11 4 Diploma 40 15 Geslacht 11 2 Leeftijd 10 1 Bestemming 12 6

Vijf (sub)regio's registreren alle gevraagde gegevens over de voortijdige schoolverlaters. In 23 (sub)regio's ontbreken 1 tot 5 van de gevraagde 31gegevensonderdelen, in 6 (sub)regio's ontbreken 6 tot 15 gegevensonderdelen en in 10 (sub)regio's ontbreken 16 tot 20 gegevensonderdelen. Acht (sub)regio's hebben in hun registratie 21 tot 25 van de gevraagde gegevens over de voortijdige schoolverlaters niet beschikbaar.

Zes (sub)regio's registreren alle gevraagde gegevens over de herplaatste voortijdige schoolverlaters. In 35 (sub)regio's ontbreken 1 tot 5 van de gevraagde 16 gegevensonderdelen en in zeven (sub)regio's ontbreken 6 tot 10 van de gevraagde gegevensonderdelen. Vier (sub)regio's hebben van 11 tot 15 van de gevraagde onderdelen geen gegevens beschikbaar.

Good practice in de registratie van voortijdig schoolverlaten Sluitende registratie is een belangrijke werkopdracht van de RMC-regio's. Good practice kan ook meehelpen aan het optimaliseren van de registratiepraktijk. Vandaar dat in de effectrapportage ook wordt gevraagd naar de geboekte successen in de registratie.
Hierover zijn in dit rapportagejaar de volgende inhoudelijke positieve ontwikkelingen gemeld. een digitale zorgmonitor
goed en up to date RMC/leerplichtregistratie-systeem nulmeting zodat gegevens op alle indicatoren aanwezig zijn electronische uitwisseling
digitaal mobiel dossierprogramma
beschikbaarheid van een RMC-module
Geboekte successen in het werkproces zijn:
deskundigheidsbevordering van kleine regiogemeenten door de RMC-functie gemeenten zien de noodzaak in van een goede registratie analyse door de RMC-coördinator van effectrapportage ten behoeve van gerichte vragen aan gemeenten


---

Nog aan te brengen verbeterpunten in de registratie van de voortijdige schoolverlaters Alhoewel uit het voorafgaande kan worden geconstateerd dat veel regio's steeds meer in staat zijn om de gevraagde gegevens van de voortijdige schoolverlaters aan te leveren is er nog geen 100% situatie ontstaan. Vrijwel alle regio's melden in hun effectrapportage grotere en kleinere knelpunten in de melding en registratie van het voortijdig schoolverlaten. Een deel van de knelpunten is inhoudelijk van aard, een aantal knelpunten verwijst naar de werkprocessen en een aantal malen is er ook sprake van knelpunten in de taken en bevoegdheden.
Inhoudelijke knelpunten zijn:
niet alle gewenste gegevens voor de effectrapportage zijn in de diverse registratiesystemen (scholen, ROC's, gemeenten) aanwezig
schooladministraties verschillen qua inhoud geen goede koppeling tussen gegevens uit verschillende bestanden doelgroepen voor preventief handelen worden niet geregistreerd het ontbreken van exitinterviews
geen optimaal registratiesysteem dat alle vragen van de effectrapportage kan beantwoorden geen mogelijkheden om historische bestanden op te bouwen voor een sluitende registratie is het noodzakelijk dat (alle) scholen alle uitgeschreven leerlingen melden het oplossen van automatiseringsvraagstukken Knelpunten in de werkprocessen zijn:
het slecht kunnen omgaan met piekbelasting in de registratie geen controle mogelijk op volledige registratie door ontbreken van informatie van scholen buiten het eigen RMC-gebied
Knelpunten in de taken en bevoegdheden zijn:
geen bestuurlijke afspraken mogelijk over een regionale registratie te weinig formatie voor de RMC-registratie
onvoldoende leerplichtformatie
de RMC-wet biedt onvoldoende garanties voor een goede uitvoering van de taak van de contactgemeente
regiogemeenten registreren niet de niet-leerplichtige vsv-ers leerplichtregistratiesysteem van gemeenten is niet op orde geen geld voor een goed registratiesysteem
geen toegang tot IB-bestanden
vraagtekens bij procedures en doelmatigheid van de effectrapportage gevraagde gegevens in de effectrapportage zijn niet altijd relevant voor lokaal beleid RMC-wet biedt ruimte voor diversiteit in de te hanteren begrippen en bemoeilijkt zo de uniformiteit geen beschikking als contactgemeente over de GBA-gegevens van regiogemeenten geen landelijke richtlijnen voor registratie geen eenduidige of onvolledige registratie bij betrokken instanties ten aanzien van de gegevens voor de RMC-rapportage


---

5. De aantallen voortijdige schoolverlaters en de gerealiseerde herplaatsingen

Het aantal voortijdige schoolverlaters
In het schooljaar 2002-2003 zijn er 63.849 nieuwe voortijdige schoolverlaters geregistreerd. Op 1 augustus 2002 was bovendien nog van 26.515 oude voortijdige schoolverlaters bekend, dat zij op dat moment nog niet waren herplaatst. In totaal telden de registratiesystemen van de RMC-regio's in het schooljaar 2002-2003 dus 90.364 voortijdige schoolverlaters. Daarvan behoorden 25.606 voortijdige schoolverlaters (ofwel 28% van het totaal aantal voortijdige schoolverlaters) tot de prioritaire doelgroep. Tot de prioritaire doelgroep worden de voortijdige schoolverlaters gerekend, die uitgeschreven worden uit het voortgezet onderwijs zonder diploma of toegang tot klas 4 van HAVO of VWO.

totaal aantal vsv-ers prioritair oud prioritair nieuw totaal oud totaal nieuw 90364 6074 19532 26515 63849

Het is niet bekend of het totaal aantal van 90.364 ook het werkelijke aantal voortijdige schoolverlaters is. Verwacht moet worden dat het aantal nog wat hoger ligt. De gemeente Amsterdam heeft in zijn effectrapportage aangegeven dat in hun registratiesysteem ook nog 9.526 nieuwe voortijdige schoolverlaters en 16.222 oude voortijdige schoolverlaters voorkomen, waarvan onbekend is of ze over een startkwalificatie beschikken. Uit de kwantitatieve analyse van de RMC-rapportages blijkt dat er in 19 (sub)regio's geen goed zicht is op de werkelijke omvang van het aantal oude voortijdige schoolverlaters: dit item ontbreekt in de RMC-registratie of wordt niet bijgehouden. Zo meldt Rotterdam dat geen onderscheid is gemaakt tussen oude en nieuwe voortijdige schoolverlaters en alle voortijdige schoolverlaters als `nieuw' zijn geteld. Tenslotte blijkt uit de kwantitatieve analyse dat 30 gemeenten en 3 v(s)o scholen in gebreke zijn gebleven om hun aantallen voortijdige schoolverlaters te melden.

Achtergrondkenmerken van de voortijdige schoolverlaters Omdat niet van alle voortijdige schoolverlaters de achtergrondkenmerken verzameld zijn, kan geen volledig beeld worden gegeven. We volstaan daarom met een rapportage van de beschikbare cijfers en geven daarvan een statistisch overzicht.

Van de voortijdige schoolverlaters is 58% van Nederlandse herkomst en is 42% allochtoon. In de regio's die over meer cijfers beschikken, blijkt dat 26% van de allochtone voortijdige schoolverlaters afkomstig is uit de overige doelgroepen, 22% van hen is van Surinaamse herkomst, 19% is van Marokkaanse herkomst, 14% is van Turkse herkomst en 8% van Antilliaanse herkomst
De opleidingssoorten die relatief de meeste voortijdige schoolverlaters aanleveren zijn het vmbo (31% van de geregistreerde voortijdige schoolverlaters is afkomstig uit deze schoolsoort), de voltijd bol opleidingen (26%) en in mindere mate de bbl opleidingen (12%). In totaal is 43 % van de voortijdige schoolverlaters afkomstig uit het voortgezet onderwijs, 41% van de voortijdige schoolverlaters afkomstig uit het middelbaar beroepsonderwijs en 5% van de voortijdige schoolverlaters afkomstig uit de volwasseneneducatie. Uit de cijfers van de regio's die meer informatie over de opleidingen verzamelden, blijkt dat binnen de voltijd bol opleidingen de voortijdige schoolverlaters relatief vaker voorkomen in de vol bol niveau 2 opleidingen en in de vol bol niveau 4 opleidingen. In de deeltijdopleidingen leveren vooral de bbl niveau2 opleidingen de meeste voortijdige schoolverlaters.
Meer jongens dan meisjes worden voortijdig schoolverlater en in de leeftijdscategorie van 17-22 jaar (na de leerplichtige leeftijd) bevinden zich relatief de meeste voortijdige schoolverlaters (80%). Uit de gegevens van de regio's die meer informatie konden leveren blijkt dat in elke leeftijdscategorie tussen 17 en 23 jaar ongeveer evenveel voortijdige schoolverlaters zijn geregistreerd.

aantal vsv-ers naar etniciteit prioritair oud prioritair nieuw totaal oud totaal nieuw allochtoon 2417 5311 11163 21602 autochtoon 2741 7017 13881 31860 totaal 5158 12328 25044 53462

prioritair oud prioritair nieuw totaal oud totaal nieuw aantal vsv-ers naar opleiding
1676 1060 1676 2312 brugjaren vo
1698 5761 3724 11957 vmbo
85 314 914 1487 havo/vwo
65 636 492 2037 vol bol 1
243 1116 2122 7132 vol bol 2-4

10


1 36 43 267 deel bol 1

1 96 74 666 deel bol 2-4
66 326 358 1351 bbl 1
61 880 1492 4562 bbl 2-4
60 242 777 1570 volw.educ.
1550 1514 2843 2894 overig ond.
5506 11981 14515 36235 totaal

aantal vsv-ers naar diploma prioritair oud prioritair nieuw totaal oud totaal nieuw vmbo 0 307 2937 11534 assistent 91 203 342 1355 totaal 91 510 3279 12889

aantal vsv-ers naar geslacht prioritair oud prioritair nieuw totaal oud totaal nieuw man 2968 9256 13520 34141 vrouw 2357 6893 12178 28068 totaal 5325 16149 25698 62209

prioritair oud prioritair nieuw totaal oud totaal nieuw aantal vsv-ers naar leeftijd
267 2111 566 5464 jonger dan 16
354 2525 854 10349 16 jaar
4620 9227 23467 46568 17-22 jaar
5241 13863 24887 62381 totaal

Een groot deel van de voortijdige schoolverlaters (36%) wordt gemeld in de maanden juli en augustus (na een schooljaar en vóór de inschrijving op een nieuwe school). In de periode van september tot 1 december wordt nog eens 23% van de voortijdige schoolverlaters aangemeld. De meeste meldingen (61%) gebeuren door de school, maar ook gemeenten (18%) en instellingen voor werk en inkomen (10%) zijn relatief grote melders van voortijdig schoolverlaters aan de RMC-functionaris.

Het aantal herplaatste voortijdige schoolverlaters Het totaal aantal herplaatste voortijdige schoolverlaters in het schooljaar 2002-2003 bedroeg 20.361. Omdat in de RMC-rapportages geen onderscheid wordt gemaakt naar het aantal herplaatsingen in de groep van oude en nieuwe voortijdige schoolverlaters, is niet bekend hoeveel van de oude voortijdige schoolverlaters en hoeveel van de nieuwe voortijdige schoolverlaters herplaatst zijn. Relateren we het aantal herplaatsingen aan de totale groep van 90.364 geregistreerde voortijdige schoolverlaters (oude en nieuwe voortijdige schoolverlaters) dan bedraagt het percentage herplaatsten 22,5%. Zouden alle herplaatsingen betrekking hebben op de groep van nieuwe voortijdige schoolverlaters, dan bedraagt het percentage herplaatsten binnen deze groep 31,8%. In het vorige verslagjaar waren deze cijfers respectievelijk 21,2% en 28,6%. Al met al is er dus een lichte stijging van het aantal herplaatste voortijdige schoolverlaters ten opzichte van vorig jaar. Van de prioritaire doelgroep zijn 7.998 voortijdige schoolverlaters herplaatst. Dit is 31% van het geregistreerde aantal prioritaire voortijdige schoolverlaters.

totaal aantal herplaatste voortijdige schoolverlaters prioritair totaal 7998 20361

Niet alle voortijdige schoolverlaters bleken herplaatsbaar te zijn: van 4.994 voortijdige schoolverlaters (dat is 6% van het totaal aantal voortijdige schoolverlaters) werd in de RMC-rapportages aangegeven dat herplaatsing niet tot de mogelijkheden behoorde. In 653 gevallen lag de oorzaak bij het ontbreken van een (geschikte) BPV plek. In de prioritaire doelgroep was 4% niet herplaatsbaar en ontbrak er in 106 gevallen een BPV plek.

aantal vsv-ers prioritair oud prioritair nieuw totaal oud totaal nieuw niet plaatsbaar 216 1032 1345 3649 geen BPV plek 5 101 122 531


---

Van 16.521 herplaatsingen is de bestemming geregistreerd. In 62% van de gevallen vond een herplaatsing naar een onderwijstraject plaats, in 27% van de gevallen was er sprake van doorleiding naar werk (WIW of een baan) en in 3% van de gevallen kwam de voortijdige schoolverlater in een opvangvoorziening terecht. In de prioritaire doelgroep waren de percentages respectievelijk 68% (herplaatsing naar onderwijs), 23% (doorleiding naar werk) en 2% (naar een opvangvoorziening).

aantal herplaatstingen naar bestemming prioritair totaal brugjaar vo 338 365 praktijkond. 95 134 vmbo 659 909 havo/vwo 180 405 vol bol 1 399 887 deel bol 1 23 40 bbl 1 218 966 vol bol 2-4 1477 2761 deel bol 2-4 15 97 bbl 2-4 284 1093 vavo 137 277 nt2 14 18 overig ve 55 130 overig ond. 297 2302 totaal naar onderwijs 4191 10384 wiw 452 851 baan 953 3634 totaal naar werk 1405 4485 opvang 151 434 overig 406 1218 totaal 6153 16521

Van de voortijdige schoolverlaters wordt 34% binnen één maand na de aanmelding weer herplaatst. Iets meer dan de helft van de herplaatsingen (54%) vindt plaats binnen drie maanden. Bij 4% van de herplaatsingen duurt het meer dan een jaar voordat een herplaatsing tot stand is gekomen.

Achtergrondkenmerken van de herplaatste voortijdige schoolverlaters Omdat niet van alle herplaatste voortijdige schoolverlaters de achtergrondkenmerken verzameld zijn, kan ook hiervan geen volledig beeld worden gegeven. We volstaan daarom wederom met een rapportage van de beschikbare cijfers en geven daarvan een statistisch overzicht.

Van de herplaatste jongeren zijn er relatief veel meer autochtoon (72%) dan allochtoon (28%). In de regio's die over meer gegevens beschikken inzake de etniciteit van deze jongeren, blijkt uit de cijfers dat 22% van de herplaatste allochtone jongeren van Marokkaanse herkomst is, 19% van Surinaamse herkomst, 14% van Turkse herkomst en 10% van Antilliaanse herkomst. Kijken we naar de leeftijdsfactor dan zien we dat het in 70% van de herplaatsingen gaat om jongeren van 17-22 jaar. De meeste van deze herplaatsingen zijn gerealiseerd in de leeftijdsgroep 17-18 jaar.
Vergeleken met de beschikbare cijfers van de voortijdige schoolverlaters is een conclusie dat het relatief moeilijker lijkt om allochtone voortijdige schoolverlaters te herplaatsen, dat het vrij lastig is om nog tot een succesvolle herplaatsing te komen bij voortijdige schoolverlaters die ouder zijn dan 19 jaar.

aantal herplaatste vsv-ers, uitgesplitst naar etniciteit prioritair totaal allochtoon 1371 3891 autochtoon 2514 9962 totaal 3885 13853

aantal herplaatste vsv-ers, uitgesplitst naar geslacht prioritair totaal man 3524 10352
12

vrouw 2541 7724 totaal 6065 18076

aantal herplaatste vsv-ers, uitgesplitst naar leeftijd prioritair totaal 1777 2673 jonger dan 16
2748 4772 16 jaar
2922 11100 17-22 jaar
totaal 5670 15872

De herplaatsingssuccessen van de RMC-regio's lijken vooral te liggen bij jongeren die afkomstig zijn uit het voortgezet onderwijs. Een substantieel deel van de herplaatsingen (39%) heeft betrekking op de voortijdige schoolverlaters uit het vmbo. 22% van de herplaatsingen betreft jongeren uit vol bol niveau 2-4 en bij 6% van de herplaatsingen gaat het om jongeren uit bbl niveau 2-4. In totaal heeft 50% van de herplaatsingen betrekking op jongeren uit het voortgezet onderwijs, 39% van de herplaatsingen betreft jongeren uit het beroepsonderwijs (een vorm van bol of bbl) en in 2% van de gevallen gaat het om jongeren uit de volwasseneneducatie.

aantal herplaatsingen, uitgesplitst naar opleiding prioritair totaal 634 816 brugjaren vo
2887 5522 vmbo
280 723 havo/vwo
253 728 vol bol 1
1435 3088 vol bol 2-4
deel bol 1 109 145 12 63 deel bol 2-4
131 526 bbl 1
246 903 bbl 2-4
142 330 volw.educ.
460 1230 overig ond.
6589 14074 totaal

aantal herplaatsingen, uitgesplitst naar diploma prioritair totaal vmbo 0 4889 assistent 94 526 totaal 94 5415

Realisatie van de streefcijfers
Vergeleken met het vorige jaar is het aantal geregistreerde voortijdige schoolverlaters met 5% gedaald. In het schooljaar 2001-2002 waren er in totaal 95.194 geregistreerde voortijdige schoolverlaters, waarvan 70.508 nieuwe voortijdige schoolverlaters en 24.686 oude voortijdige schoolverlaters. Het aantal herplaatsingen is ten opzichte van schooljaar 2001-2002 nauwelijks gewijzigd. In 2001-2002 bedroeg het aantal herplaatsingen 20.142 en in schooljaar 2002-2003 was dit 20.361.

Een verklaring voor de daling van het aantal voortijdige schoolverlaters is niet eenduidig te geven. De toelichting op de realisatie van de streefcijfers van 2002-2003 laat zien dat een aantal regio's zich eerder bepaalt tot algemene opmerkingen die aangeven, waarom het voor hen lastig is om tot een goede formulering van streefcijfers te komen en dus ook tot een verklaring van de gevonden aantallen. Genoemde problemen bij de formulering van streefcijfers zijn: nog niet alle technische registratievoorzieningen zijn in gebruik, geen zicht op schoolverlaters die niet actief zijn bemiddeld waardoor streefcijfers moeilijk te formuleren zijn, onvoldoende zicht op alle factoren die bepalen waarom jongeren voortijdig schoolverlater worden, gebrek aan formatie waardoor er onvoldoende zicht is op de groep voortijdige schoolverlaters. Als regio's te maken hebben met een toename van het aantal voortijdige schoolverlaters noemt men vooral als reden: betere meldingen door de ROC's, verbeterde melding van de CWI's, negatieve ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, een beter functionerend registratiesysteem, toenemende bekendheid van de RMC-functie zowel bij jongeren als bij melders, intensievere opsporing van de voortijdige schoolverlaters. Regio's die te maken hebben met een daling van het aantal voortijdige schoolverlaters wijzen op: intensieve samenwerking tussen scholen en leerplichtambtenaren waardoor het aantal uitvallers tot 16 jaar tot een minimum gereduceerd is, de interne
13

zorgstructuur binnen de scholen die zich steeds beter ontwikkelt, goede servicecentra van ROC's, preventieprojecten. Wanneer er sprake is van een toename van het aantal herplaatsingen, dan wordt met name gewezen op de beschikbaarheid van (organisatorische) voorzieningen zoals bijvoorbeeld loopbaanadviseurs, een regiepunt Jongeren. Als er een daling van het aantal herplaatsingen is, wijt men dit aan: een tekort aan capaciteit (in trajectbegeleiding, in voorzieningen) om nog meer herplaatsingen te realiseren, zwaardere problematiek van jongeren.

Streefcijfers voor de komende jaren
Op negen RMC-(sub)regio's na zijn in de effectrapportages streefdoelen over de aantallen voortijdige schoolverlaters en de aantallen herplaatsingen genoemd voor de jaren 2003-2004 en 2004-2005. Een compleet beeld van de streefdoelen is dus niet beschikbaar. De wel vermelde cijfers laten zien dat men een jaarlijkse afname van de aantallen voortijdige schoolverlaters in alle leeftijdsgroepen verwacht van zo'n 9%. Ook verwacht men een jaarlijkse toename van de herplaatsingen met 8%, die vooral gerealiseerd moeten worden door meer herplaatsingen in de groep van voortijdige schoolverlaters die ouder zijn dan 16 jaar. In de effectrapportages wordt niet gevraagd, waarop deze aannames gebaseerd zijn.

Samenvattend overzicht

overzicht van de aantallen voortijdige volledig partieel niet onbekend opgave schoolverlaters en de gerealiseerde leerplichtige leerplichtige leerplichtige totaal herplaatsingen in schooljaar 2002-2003 leerlingen leerlingen leerlingen aantal ingeschreven leerlingen op 1-10-2002 793.560 242.750 246.752 0 1.283.062 aantal ingeschreven leerlingen in vo 717.014 153.857 10.049 0 880.920 aantal ingeschreven leerlingen in BVE 76.546 88.893 236.703 0 402.142 aantal oude voortijdige schoolverlaters 566 854 23.467 1.628 26.515 aantal nieuwe voortijdige schoolverlaters 5.464 10.349 46.568 1.468 63.849 percentage nieuwe vsv-ers (als % van het 1% 4% 19% 5% aantal ingeschreven leerlingen)
percentage nieuwe vsv-ers (als % van het 91% 92% 66% 71% totaal aantal vsv-ers)
aantal oude voortijdige schoolverlaters 6.314 waarvan bekend is dat ze afkomstig zijn uit
v(s)o
aantal oude voortijdige schoolverlaters 5.358 waarvan bekend is dat ze afkomstig zijn uit
BVE
aantal nieuwe voortijdige schoolverlaters 15.756 waarvan bekend is dat ze afkomstig zijn uit
v(s)o
aantal nieuwe voortijdige schoolverlaters 27.983 waarvan bekend is dat ze afkomstig zijn uit
BVE

aantal herplaatste voortijdige schoolverlaters 2.673 4.772 11.100 4.489 20.361 aantal waarvan bekend is dat zij zijn herplaatst 10.384 naar regulier onderwijs
aantal waarvan bekend is dat zij zijn geplaatst 4.485 in een traject met als hoofddoel werk
aantal waarvan bekend is dat zij zijn geplaatst 434 in opvang

aantal prioritaire voortijdige schoolverlaters 2.378 2.879 13.847 6.502 25.606 percentage prioritaire voortijdige 39% 26% 20% 28% schoolverlaters (als % van het aantal
voortijdige schoolverlaters)
aantal herplaatste prioritaire voortijdige 1.777 2.748 2.922 2.328 7.998 schoolverlaters

14


6. Beschikbare middelen voor de aanpak van het voortijdig schoolverlaten

In de RMC-regio's zijn er diverse financieringsbronnen om de RMC-functie te kunnen uitvoeren. Allereerst is er de rijksbijdrage RMC-functie die alle regio's jaarlijks ontvangen en waaruit een aantal kosten worden betaald. Daarnaast beschikken veel gemeenten nog over andere financiële bronnen waaraan een vsv-bestemming kan worden gegeven. Een deel van die extra beschikbare middelen is afkomstig uit het Gemeentelijk Onderwijs Achterstanden beleid. Ook zijn er middelen in het Grote Steden Beleid, al dan niet specifiek voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten. En er worden eigen gemeentelijke middelen ingezet bij de bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

In 2003 werd volgens de opgave in totaal 43.256.864 ingezet voor de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten. In 2002 ging het in totaal om een opgegeven bedrag van 27.357.091. Het totaal van de middelen uit de rijksbijdrage RMC-functie bedroeg 10.716.558. Daarbovenop was nog 32.540.306 beschikbaar aan gemeentelijke middelen: 28% van dit bedrag ( 9.561.444) kwam uit de GOA middelen, 38% ( 12.885185) uit de GSB middelen, specifiek voor voortijdig schoolverlaten, 6% ( 1.909.200) uit de overige GSB middelen en 28% ( 9.699.781) uit de eigen gemeentelijke bronnen. Zoals in de onderstaande tabel te zien is, worden de meeste middelen (69%) besteed aan trajectbegeleiding en aan projecten.

administra- traject-
coördinatie tie begeleiding registratie netwerk projecten overig reservering totaal eigen
middelen 1.788.284 1.616.521 8.507.818 1.677.408 1.654.372 16.496.881 739.228 59.794 32.540.306 RMC
middelen 2.537.266 903.453 3.151.452 787.187 361.644 1.499.001 465.227 1.011.328 10.716.558 totaal 4.325.550 2.519.974 11.659.270 2.464.595 2.016.016 17.995.882 1.204.455 1.071.122 43.256.864 10% 6% 27% 6% 5% 42% 3% 2%

Op het eerste gezicht zou een conclusie kunnen zijn dat in het schooljaar 2002-2003 - gegeven het aantal van 90.364 voortijdige schoolverlaters en het bedrag van 29.655.152 voor trajectbegeleiding en projecten - er per voortijdige schoolverlater gemiddeld een bedrag van 328 beschikbaar is voor de directe aanpak. Die conclusie klopt niet helemaal, omdat een deel van de middelen ook worden ingezet voor preventie van dreigend voortijdig schoolverlaten (o.a. de GOA middelen zijn hiervoor bedoeld), voor het ondersteunen van voortijdige schoolverlaters die terug naar het onderwijs gaan en voor de herplaatsing van de prioritaire voortijdige schoolverlaters. Zo bezien is er voor de `reguliere' voortijdige schoolverlater wel wat minder beschikbaar. Anderzijds zijn niet alle financiële middelen zichtbaar, omdat een gedeelte van de leer/werk herplaatsingen bekostigd worden uit `reguliere' middelen van WIW en de fiscale regelingen voor de werkgever.

Inzet van middelen voor preventie en voor ondersteuning van voortijdige schoolverlaters die terug naar het onderwijs gaan
In 32 van de 52 RMC-rapportages is melding gemaakt van een speciale inzet op preventieve activiteiten voor risicoleerlingen die dreigen uit te vallen en/of voor de opvang van herplaatste schoolverlaters in het onderwijs. Van het bestede bedrag van 17.995.882 aan projecten is bekend dat 7% ( 1.217.976 ) deze bestemming heeft. De inzet van de middelen wordt gebruikt voor personele capaciteit, voor (een bijdrage aan) speciale projecten of voor (een bijdrage aan) andere ondersteunende activiteiten. Voorbeelden op de drie onderdelen zijn:
personele capaciteit
trajectbegeleiding
casemanagement
loopbaanbegeleiding
J-team
schoolmaatschappelijk werk
netwerk jeugdhulpverlening
zorgadviesteam
coördinatieteam voortijdig schoolverlaten participatie van leerplicht in zorgadviesteams speciale projecten
schakelklas
preventieproject overgang vmbo/mbo
time-out

15

project voor Marokkaanse jongeren
een project in het ZMOk-onderwijs
toeleidingsproject
trainingstraject voor jongeren met een laag gedragsniveau andere ondersteunende activiteiten
kort screeningsonderzoek
faalangsttraining
informatiepunt voor het beroepsonderwijs


16


7. Mogelijkheden van trajecten voor voortijdig schoolverlaters

Wijze van trajectbegeleiding
Een van de belangrijke opdrachten van de RMC-functie is het terugleiden van de voortijdige schoolverlaters naar een startkwalificatie. Elke regio hanteert een trajectbegeleidingsmodel, waarin specifieke trajectbegeleiding aan de voortijdige schoolverlater wordt geboden. Algemene en overeenkomende kenmerken van vrijwel alle modellen zijn dat er gewerkt wordt met een intakeprocedure waarin het probleem van de voortijdige schoolverlater wordt geanalyseerd en mogelijke oplossingen in de richting van een startkwalificatie of een traject naar werk worden bekeken. In overleg met de jongere wordt een definitieve oplossing bepaald en wordt de jongere in een traject geplaatst. In het traject is er altijd sprake van een vorm van begeleiding van de jongere, waarin zicht wordt gehouden op de voortgang en het bereiken van het resultaat. Voorbeelden hiervan zijn: . de aanpak vindt plaats per gemeente;
. modellen waarin geen sprake is van één loket. De leerplichtambtenaren van de woongemeenten zijn de poortwachters en houden het overzicht over de totale groep tot 23 jaar; . modellen waarin meerdere partijen (leerplichtambtenaren en andere partijen voor de partieel leerplichtig en bovenleerplichtige uitvallers) de rol vervullen van poortwachters en trajectbewakers; . modellen waarin een RMC-adviesteam de spin in het web is; . er is sprake van één centrale regionale regie via een regionaal bureau leerlingzaken.

Prioriteiten binnen het totale bestand van voortijdig schoolverlaten Een aantal projecten en trajecten is speciaal bestemd voor de aanpak van prioritaire voortijdige schoolverlater. Die insteek boekt een zeker rendement aangezien in de RMC-regio's 31% van de prioritaire voortijdige schoolverlaters is herplaatst tegen 19% van de niet prioritaire voortijdige schoolverlaters. De wijze waarop de prioriteitstelling vorm krijgt voor de prioritaire doelgroep heeft betrekking op een aantal onderdelen van de directe aanpak van de voortijdige schoolverlater maar ook op de randvoorwaardelijke en organisatorische maatregelen.
Extra aandacht bij de opsporing en intake komt o.a. tot uiting door: inzet van schoolconsultatieteams
prioriteren van jongeren zonder diploma en zonder werk jongeren minimaal 3 keer benaderen voordat ze als niet bemiddelbaar worden beschouwd schoolbezoek en toezicht op schoolverzuim wekelijkse controle van het leerplichtsysteem op voortijdig schoolverlaten inzet van Zomerprojecten voor de opsporing van schoolverlaters uit het vmbo risicojongeren uit het vmbo die vermoedelijk kandidaat zijn voor een WIWJ-contract al in het vmbo benaderen
warme overdracht tussen vo en ROC
inrichting van een taskforce Registratie Extra aandacht in de intake en trajectbegeleiding is te zien aan: intensieve begeleiding van vmbo-ers
preventieve inzet van trajectbegeleiding een directe benadering door de RMC-trajectbegeleiding van de vsv-ers uit de zorgbreedte van leerplicht voorrang bij trajectbegeleiding en voorrang bij behandeling uitvoering van kort screeningsonderzoek
individuele onderzoeken (beroepskeuze, intelligentietest) ter ondersteuning van de trajectbegeleiding doorverwijzing naar het trajectbureau
nazorg in de trajectbegeleiding opgenomen aandacht voor de verdere ontwikkeling van de trajectbegeleiding Speciale aanpakken zijn:
centrale opvang voortgezet onderwijs
time-out voorziening
inzet van sociale vaardigheidstrainingen, vervangende leerplicht en scholingscontracten speciale instapprojecten in het ROC
project Binnenboord in ROC Midden Brabant Extra aandacht in de samenwerking met andere partijen krijgt zijn vorm in: de Sluisgroep
een regionaal zorgteam
goede afstemming tussen de zorginstrumenten van de school en inzet van additionele middelen inzet van leerplicht en vangnetten
snelle en adequate aanpak van leerplicht aansluiting met sociale zaken

17

werkafspraken met jeugdzorg
samenwerkingsafspraken met de samenwerkingsverbanden vo-svo vormgeving van de 1 loket functie voortijdig schoolverlaten samenwerking met ROC en arbeidsmarkt

Naast de prioritaire doelgroep kunnen ook andere voortijdige schoolverlaters extra aandacht binnen de RMC- aanpak krijgen.
In de rapportages van 20 regio's is sprake van extra aandacht voor de vsv-ers uit ESF/vsv-projecten. De wijze waarop de prioriteitsstelling vorm krijgt voor de vsv-ers uit een ESF/vsv-project kan beschreven worden langs dezelfde lijnen als bij de beschrijving van de speciale inzet op de prioritaire doelgroep.

Ten aanzien van de opsporing en intake worden genoemd: afspraken met de betrokken ROC's over melding en doorgeleiding melding en doorgeleiding van vsv-ers door CWI naar de RMC-functie extra aandacht voor de leerplichtige vsv-ers uit BVE Bij de intake en trajectbegeleiding is sprake van: geïntegreerde trajecten educatie/beroepsonderwijs inzet door leerplicht, leerlingbegeleiding en begeleidingscommissie ROC snelle, adequate aanpak en intensieve begeleiding, individuele begeleiding, (re)socialisatietrajecten. herplaatsing via Servicebureau ROC of Trajectbureau RMC na (tweede) intake, diagnose en assessment inkoop van maatwerktrajecten
via intensieve en persoonlijke begeleiding plaatsen naar bestaande arbeidsplaatsen of vervolgopleiding voorrang bij trajectbegeleiding
toeleidings-en voortrajecten naar beroepsopleiding en aanjaagfunctie Speciale aanpakken die genoemd worden zijn:
schoolconsultatieteams BVE
Centrale Intake Punt bemiddelt en volgt vsv'ers Project risicojongeren in Zeist
Equal project Young Professionals (deelname van Midden Brabant College en ROC MB) Baanbreker
In de samenwerking met andere partijen krijgt de extra aandacht vorm door: netwerk onderhouden met RMC-functie en arbeidsmarkt

Daarnaast rapporteren nog zeven regio's speciale prioritaire activiteiten voor zowel de gehele doelgroep vsv-ers als de volgende deelgroepen: partieel leerplichtige vsv-ers, vmbo-gediplomeerden zonder vervolgbestemming en zwerfjongeren. Daarbij worden ondermeer de volgende projecten en activiteiten genoemd: de realisatie van een centrale RMC- en leerplichtadministratie het project Sprint-Havo waarbij de RMC-functie fungeert als toelatingscommissie het verleggen van het accent van reageren op externe meldingen naar actieve opsporing het specifiek benaderen van de groep partieel leerplichtigen die niet openstond voor een vervolgopleiding, waarna veel van deze jongeren alsnog een schriftelijke cursus of opleiding hebben gevolgd
de melding van vmbo-gediplomeerden aan de RMC-functie door de scholen voor mavo/vmbo en benadering door de RMC-functie van de cursisten om te achterhalen of ze een vervolgopleiding zijn gaan doen.

Good practice voorbeelden van trajecten voor voortijdige schoolverlaters Er zijn 33 regio's die successen melden op de thema's doorverwijzing en trajecten op maat. Zo werden ten aanzien van verwijzing en herplaatsing een aantal successen en bevorderende randvoorwaarden genoemd waarbij opvalt dat er sprake is van een toenemende professionalisering en van successen die zijn ontstaan uit de samenwerkingsbereidheid van partijen op lokaal en/of regionaal niveau. Zo worden meerdere varianten genoemd van samenwerkingsvormen waarbij de RMC-functie en andere partijen als het ware voor de jongere één loket creëeren. Daarnaast komen bijv. in de vorm van het zgn.'Waddenmodel' in Groningen verbeterde samenwerkingen tussen de RMC-functie en CWI/SoZaWe tot stand. Ook worden verkorte trajecten RMC-WIW genoemd.
Ook zijn in een aantal regio's verbeteringen gerealiseerd in de samenwerking met zorgstructuren verbonden aan onderwijsinstellingen. Ook in de relatie met jeugdzorg zijn ­hoewel spaarzaam- successen te vermelden zoals in de regio Gooi- en Vechtstreek waar een versnelde plaatsing van vsv-ers in een dagopvangproject van het zmok en jeugdhulpverlening is gerealiseerd.

18

In de samenwerking met justitie is in Zuidoost Brabant het schoolverzuimteam gerealiseerd dat succesvol opereert.
Meerdere regio's melden acties op jongeren die (gediplomeerd) het vmbo verlaten en waarbij via gerichte acties wordt bewerkstelligd dat elke jongere in beeld blijft.

Met betrekking tot de beschikbaarheid van trajecten op maat meldde men de volgende positieve resultaten: Meerdere RMC-regio's melden succesvolle samenwerkingsprojecten met ROC's in hun regio op het gebied van jongeren zonder duidelijke beroepskeuze.
De instelling van de zgn.DEXBO-opleiding binnen een ROC en bijvoorbeeld het programma Young Professionals ('s-Hertogenbosch) worden genoemd als positieve resultaten

Knelpunten in trajecten voor voortijdige schoolverlaters Bij het maken van de slag van melding en registratie naar het goed doorverwijzen en kunnen aanbieden van een traject op maat maken 38 regio's gewag van knelpunten en ontbrekende randvoorwaarden. Knelpunten en ontbrekende randvoorwaarden bij verwijzing en herplaatsing worden vooral genoemd op de volgende items:
mogelijkheid tot plaatsing bij onderwijsinstellingen na de teldatum van 1 oktober het ontbreken of gebrekkig functioneren van de zorgstructuur binnen sommige ROC's de positie en inzet van jeugdzorg
het ontbreken van voldoende formatie bij een stijgend aantal cliënten overig (rijks)beleid gericht op de doelgroep dat de functionaliteit van de RMC-inzet lijkt te ondergraven

Een hardnekkig en meermaals genoemd fenomeen blijft de onmogelijkheid om jongeren na de teldatum in het onderwijs (zonder aanvullende projectbekostiging) geplaatst te krijgen. Daarnaast doet zich het verschijnsel voor dat sommige opleidingen binnen ROC's voor of net na de zomervakantie studentenstops hanteren waardoor jongeren niet de opleiding van hun keuze kunnen gaan volgen. De wachttijd van een jaar of het moeten volgen van een niet-gewenste opleiding leidt tot demotivatie. Voor jongeren die wel een opleiding volgen binnen een ROC wordt meermaals het gemis aan interne zorgstructuren ten behoeve van deze jongeren genoemd. Daar waar die zorg wel aanwezig is maken regio's melding van een zakelijker opstelling van bijvoorbeeld het trajectbureau van het ROC waardoor de kosten van de herplaatsing toenemen.
De positie en inzet van jeugdzorg blijft in een aantal regio's een punt van zorg evenals de toegankelijkheid van het aanbod. Zo geeft een regio aan dat de Provincie Friesland geen prioriteit toekent aan de structurele samenwerking van jeugdzorg met onderwijs waardoor een belangrijke partij wordt gemist in de zorgteams VO en in de Permanente Commissie Leerlingzorg (PCL).
Daarnaast zijn er regio's die aangeven dat door de verbeterde melding en registratie het aantal cliënten van de RMC-functie is toegenomen maar dat de beschikbare personele capaciteit daarmee niet in balans is. In een aantal gevallen worden knelpunten genoemd ten aanzien van beleidsuitkomsten van overig rijksbeleid gericht op de doelgroep. Zo zijn er onduidelijkheden genoemd ten aanzien van de voortzetting van het Grote Steden Beleid met betrekking tot het thema voortijdig schoolverlaten, maar ook bij het plan Jeugdwerkloosheid worden onduidelijkheden gesignaleerd ten aanzien van taken en verantwoordelijkheden. Ook ten aanzien van de sociale wetgeving wordt een samenhangende regie van de categorie jongeren tot 23 jaar node gemist, zeker daar waar het niet lukt om alleen op basis van wederzijdse betrokkenheid een voor de jongere zo goed mogelijk resultaat te bereiken.
De combinatie van regelgeving (en uitvoeringsgevolgen) op de terreinen van onderwijs en jeugdzorg is bron van veel ergernis bij regio's. Eén regio formuleert dit als volgt: "De wachtlijsten van Bureau Jeugdzorg (BJZ) en van uitvoerende instellingen van jeugdhulpverlening zijn veel te lang. Cliënten wachten voor indicering bij PCL, wachten voor een intakegesprek bij BJZ en wachten voor hulp van de uitvoerende instelling. Hierdoor komt het voor dat het advies van de PCL niet kan worden opgevolgd omdat het schooljaar inmiddels is verstreken."

Door de regio's worden ook knelpunten en ontbrekende randvoorwaarden in de beschikbaarheid van trajecten genoemd. De belangrijkste zijn:
het ontbreken van voldoende bbl-plekken
het ontbreken van voldoende capaciteit in de reguliere onderwijsvoorzieningen in de clusters 3 en 4 het ontbreken van duidelijkheid over wie verantwoordelijk is voor de financiering van trajecten het ontbreken van passend aanbod voor jongeren die uitstromen uit het (z)mlk het ontbreken van residentiële voorzieningen en overig aanbod voor multiproblemjongeren van de zwaarste categorie
het ontbreken van jeugdhulpverlening voor jongeren ouder dan 18 jaar
19

Nu meer en meer belang wordt gehecht aan de combinatie van leren en werken en deze combinatie als oplossing wordt gezien voor een aantal onderwijskundige problemen, is het van groot belang te constateren dat onder de huidige economische omstandigheden het blijkbaar moeilijker wordt voor jongeren om een werkplek te vinden die hen in staat stelt een bbl-opleiding te volgen. Bij de plaatsing van jongeren speelt het capaciteitsprobleem bij reguliere voorzieningen een belangrijke rol; vanuit de regio's wordt gemeld dat door capaciteitsproblemen in het zmok en dreigende capaciteitsproblemen in het praktijkonderwijs de hulpverlening aan jongeren stokt omdat er onvoldoende plaatsen direct toegankelijk zijn op zwaardere hulpverleningsinstellingen (cluster IV). Plaatsing door het jaar heen van jongeren naar vso-zmok, autiklas en lwoo en praktijkschool is naar rapportage van de regio's nagenoeg niet mogelijk waarbij wachtlijsten tot 9 maanden geen uitzondering heten te zijn. Door de lange wachtlijsten zijn de trajectbegeleiders van de RMC-functie genoodzaakt langer met de leerlingen te shoppen. Bij de plaatsing van jongeren buiten reguliere voorzieningen kan niet worden teruggevallen op reguliere bekostiging en doet zich het financieringsvraagstuk van de bekostiging van trajecten voor. Regio's rapporteren van deze kwestie veel hinder te ondervinden bij het vinden van passende oplossingen.


20


8. Samenvatting en aanbevelingen

In deze rapportage is verslag gedaan van de situatie van het voortijdig schoolverlaten in het schooljaar 2002- 2003 en de aanpak die in de RMC-regio's voorhanden is om het voortijdig schoolverlaten terug te dringen. De gegevens zijn samengesteld uit de effectrapportages die elke regio jaarlijks aan het Ministerie van OCW verstrekt over de regionale stand van zaken in het voortijdig schoolverlaten.

de omvang van het voortijdig schoolverlaten
De belangrijkste uitkomsten uit de RMC-rapportages zijn, dat in de periode 1 augustus 2002 tot 1augustus 2003 het totaal aantal geregistreerde voortijdige schoolverlaters 90.364 jongeren bedroeg. Er werden in die periode 63.849 nieuwe voortijdige schoolverlaters aangemeld (dat zijn de jongeren die voortijdig schoolverlater werden in het schooljaar 2002-2003) en er waren op 1 augustus 2002 ook nog 26.515 oude voortijdige schoolverlaters (dat zijn de jongeren die in het voorgaande schooljaar ook al voortijdig schoolverlater waren maar nog niet herplaatst waren op 1 augustus 2002).
Voor zover bekend is 58% van de voortijdige schoolverlaters van Nederlandse herkomst en 42 % is allochtoon. De opleidingssoorten die relatief de meeste voortijdige schoolverlaters produceren zijn het vmbo en de voltijd bol opleidingen. In het voortgezet onderwijs verlieten 25.606 jongeren de school zonder enig diploma of toegang tot klas 4 van HAVO of VWO en lieten zich vooralsnog ook niet inschrijven bij een andere onderwijsopleiding. Van de voortijdige schoolverlaters behoort 80% tot de leeftijdscategorie 17-22 jaar.

Het totaal aantal herplaatste voortijdige schoolverlaters in de periode 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2003 bedroeg 20.361. Van de voortijdige schoolverlaters jonger dan 16 jaar werd 44% herplaatst, van de jongeren van 16 jaar werd 43% herplaatst en van de jongeren van 17-22 jaar werd 16% herplaatst. In 62% van de gevallen vond herplaatsing naar een onderwijstraject plaats (volledig onderwijs of een leerwerktraject), in 27 % van de gevallen werd de jongere doorgeleid naar werk (WIW of een baan) en in 3% van de gevallen kwam de voortijdige schoolverlater in een opvangvoorziening terecht. Voor zover bekend zijn de meeste herplaatste jongeren van Nederlandse herkomst (72%) en is 28% allochtoon.

Vergeleken met de cijfers uit de RMC-registraties van het vorige rapportagejaar is het aantal voortijdige schoolverlaters met 5% gedaald. Het aantal herplaatsingen is iets gestegen (van 21,2% naar 22,5%). De meeste RMC-regio's hebben streefdoelen voor de toekomst geformuleerd. Daarin verwacht men een jaarlijkse afname van het aantal voortijdige schoolverlaters met 9% en een jaarlijkse toename in de herplaatsingen van 8%, die vooral gerealiseerd moeten worden in de leeftijdsgroep van 17-22 jaar.

de kwaliteit van de aanpak van het voortijdig schoolverlaten Volgens de gegevens in de RMC-effectrapportages vervullen vrijwel alle scholen voor voortgezet onderwijs en de BVE instellingen hun wettelijke meldtaak van voortijdig schoolverlaten, zij het niet altijd voldoende snel (binnen de wettelijke termijn) en niet voldoende nauwgezet (melding van alle voortijdige schoolverlaters). In 30 gemeenten wordt de rapportagetaak om de bij de woongemeente gemelde voortijdige schoolverlaters door te melden naar het RMC-punt niet nagekomen. Het melden van voortijdige schoolverlaters aan het RMC-punt gebeurt ook door andere partijen in de RMC-regio, zoals de instellingen voor werk en inkomen, jeugdhulpverlening, politie/justitie en de leerplichtambtenaren van de gemeenten.

Het RMC-netwerk is voor 97% compleet. Dat wil zeggen dat volgens de RMC-coördinatie vrijwel alle scholen, jeugdhulpverleningsinstellingen en justitiepartijen en 86% van de instellingen op het terrein van werk en inkomen op enige wijze in het netwerk betrokken zijn bij de aanpak van het voortijdig schoolverlaten. Uit de gemaakte afspraken blijkt dat het netwerk vooral gericht is op de directe aanpak van het voortijdig schoolverlaten en minder is ingericht om ook beleidsmatig een functie te vervullen.

Een belangrijke taak van de RMC-regio's is gelegen in de regionale registratie van de voortijdige schoolverlaters. In het uitvoeringsbesluit bij de RMC-wet is aangegeven over welke registratiegegevens de regio's dienen te beschikken. Aan de analyse naar de volledigheid van de cijfers bij de nieuw aangemelde voortijdige schoolverlaters in schooljaar 2002-2003 is duidelijk te zien dat de regio's hierin een duidelijke verbeterslag aan het maken zijn. De meeste regio's hebben vrijwel alle vereiste gegevens van de nieuwe voortijdige schoolverlaters in hun registratiesystemen opgenomen. Van de oude voortijdige schoolverlaters zijn in veel minder RMC-regio's alle vereiste registratiegegevens beschikbaar. Ook maken relatief veel regio's in hun registratie geen speciaal onderscheid naar de prioritaire doelgroep van de voortijdige schoolverlaters.

In 2003 wordt volgens de opgave in de RMC-rapportages tenminste (niet alle RMC regio's waren in staat om een volledige opgave te verstrekken, zodat hiervan geen volledig beeld is) 43.256.864 ingezet voor de aanpak
21

van het voortijdig schoolverlaten. Een gedeelte van deze middelen is afkomstig uit de rijksbijdrage RMC-functie ( 10.716.558); de andere middelen zijn afkomstig uit GOA, GSB en andere gemeentelijke bronnen. Van deze middelen wordt 29.655.152 (69%) besteed aan trajectbegeleiding en aan projecten voor voortijdige schoolverlaters. Omgerekend is er per voortijdige schoolverlater voor trajectbegeleiding en projectdeelname een bedrag beschikbaar van maximaal 328.

Een aantal projecten en trajecten is speciaal bestemd voor de aanpak van de prioritaire voortijdige schoolverlaters. Die insteek boekt, samen met andere factoren, een zeker rendement aangezien 31% van de prioritaire voortijdige schoolverlaters is herplaatst en van de niet prioritaire voortijdige schoolverlaters 19% is herplaatst. De extra aandacht voor de prioritaire voortijdige schoolverlaters komt o.a. tot uiting in de speciale aanpak voor de opsporing van voortijdige schoolverlaters, extra inzet bij intake en trajectbegeleiding en aparte projecten. Andere groepen voortijdige schoolverlaters waarvoor in een aantal regio's wel extra inspanningen worden gepleegd zijn de voortijdige schoolverlaters uit de ESF projecten, partieel leerplichtige voortijdige schoolverlaters, vmbo-gediplomeerden zonder vervolgbestemming en zwerfjongeren.

aandachtspunten uit de analyse
Gezien de omvang van het voortijdig schoolverlaten en de doelstellingen van de rijksoverheid, is regio's er veel aan gelegen om zoveel mogelijk voortijdige schoolverlaters met succes te kunnen herplaatsen. Beschikbaarheid van voldoende trajectbegeleiding en voldoende passende trajecten zijn een conditio sine qua non om deze doelstelling te realiseren.

De voornemens van het Ministerie van OCW om vanaf 2005 extra gelden beschikbaar te stellen voor uitbreiding van de trajectbegeleidingscapaciteit bieden de mogelijkheden om meer formatie te genereren. In een opgestelde RMC werkagenda 2004 werken de RMC-regio's samen met Sardes inmiddels zelf landelijk aan verbeterde trajectbegeleidingsmodellen, zodat de extra formatie-inzet ook kwalitatief goed en efficiënt kan worden benut.

Inzake de beschikbaarheid van trajecten wordt in het verslagjaar 2002-2003 in de effectrapportages gewezen op de twee regionale hobbels bij de instroom terug in het onderwijs: het bekostigingsregime behorend bij de teldatum van 1 oktober, zodat plaatsing na 1 oktober minder aantrekkelijk is, het ontbreken van voldoende capaciteit in de clusters 3 en 4 van de reguliere onderwijsvoorzieningen. Voor de trajecten die leunen op de combinatie van leren en werken wordt er op gewezen dat er niet overal voldoende werkplekken zijn. Belangrijk zijn daarom de inspanningen van het MKB, de taskforce jeugdwerkloosheid en het RWI/CWI plan die er alle toe moeten leiden dat er meer kansrijke werkplekken voor jongeren en dus ook voor voortijdige schoolverlaters komen. Met name de grote groep van 17-22 jarige voortijdige schoolverlaters en zeker daarbinnen de groep die door de RMC-coördinatie niet wordt bereikt, omdat ze (tijdelijk) aan het werk zijn, kan profijt hebben van deze plannen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken. Wel is het zo dat de scholingsmogelijkheden om alsnog aan een startkwalificatie te geraken in deze actieplannen mede afhankelijk zijn van de vraag in welke mate de werkgever zich aangesproken voelt door de ingestelde subsidieregelingen voor de extra scholing. De tijd moet leren of dit voldoende uit de verf gaat komen. Voor het bieden van ondersteunende zorg aan de voortijdige schoolverlater is het Bureau Jeugdzorg een belangrijke partij. Nog steeds wordt gewezen op de veel voorkomende lange wachtlijsten daar, zodat een snelle aanpak van voortijdig schoolverlaten voor de multiproblem leerlingen niet eenvoudig is. Ook ontbreekt het vaak aan gespecialiseerd aanbod voor deze schooluitvallers.

Sluitende melding en goede registratie zijn twee andere pijlers van de RMC-aanpak. In de landelijke RMC werkagenda 2004 wordt op dit punt een kwaliteitsslag gemaakt door goed werkende ondersteunende instrumenten voor melding, registratie, netwerkvorming en controle onder te brengen in een werkkit voor (toekomstige) RMC-coördinatoren. Knelpunten in de randvoorwaarden van melding en registratie zijn op het niveau van de RMC-coördinatie niet op te lossen. De RMC-wet voorziet op dit moment niet in sanctiemogelijkheden als de meldingen niet, te laat of onvolledig plaatsvinden of als de te registreren gegevens niet worden aangeleverd.

Veel in de RMC-aanpak leunt op een goed werkend netwerk in de regio. Ook daarin werkt de wetgeving als wettelijk kader an sich. Er zijn geen sancties op het slecht uitvoeren van de leerplichtwerkzaamheden door gemeenten; er zijn geen duidelijke richtlijnen in de RMC wet hoe de uitvoering van de wet precies gedacht is zodat een gemeenschappelijk draagvlak voor regionaal samenwerken bij met name de (lokale) bestuurders niet vanzelfsprekend is en de verantwoordelijkheden van de betrokken instellingen voor de schakelmomenten (de overdracht van de jongere van de ene instelling naar de andere, ofwel: wanneer is hij van jou en wanneer van mij) bieden ruimte voor diverse interpretatie. De aanpak van voortijdig schoolverlaten is in alle betekenissen van het woord `veel mensenwerk'.

---