Ministerie van Buitenlandse Zaken


- Aan de Voorzitter van deTweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4
DEN HAAG


- Directie Integratie Europa
Bezuidenhoutseweg 67
2594 AC Den Haag


Datum

Auteur


- Mw. drs. B. M. Karel


Kenmerk


- DIE-631/04

Telefoon


- 070 348 48 76


Blad


- 1/14

Fax


- 070 348 40 86


Bijlage(n)

4

E-mail


- die-in@minbuza.nl


Betreft


- Informatievoorziening aan de Tweede Kamer over nieuwe Commissievoorstellen

C.c.


-

-

Zeer geachte Voorzitter,

Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij vier fiches aan te bieden die werden opgesteld door de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC):


- Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: EU-richtsnoeren voor de ondersteuning van het uitstippelen van het grondbeleid en de bijbehorende hervormingsprocessen in ontwikkelingslanden
- Communication from the Commission to the Council and the European Parliament on the future development of the EU Energy Initiative and the modalities for the establishment of an Energy Facility for ACP Countries
- Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Financieel Instrument voor het Milieu (LIFE+)
- Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad Overgang op de stationerings- en de exploitatiefase van het Europees programma voor radionavigatie per satellietDe Staatssecretaris voor Europese Zaken

Atzo Nicolaï


- Fiche 1: Mededeling: EU-richtsnoeren voor het grondbeleid en hervormingsprocessen in ontwikkelingslanden

Titel:
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: EU-richtsnoeren voor de ondersteuning van het uitstippelen van het grondbeleid en de bijbehorende hervormingsprocessen in ontwikkelingslanden


Datum Raadsdocument: 25 oktober 2004

Nr Raadsdocument: 13857/04

Nr. Commissiedocument:COM(2004)686 def.

Eerstverantwoordelijk ministerie: Buitenlandse Zaken i.o.m. VROM, LNV en FIN

Behandelingstraject in Brussel: RWG Ontwikkelingssamenwerking, RAZEB

Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel: Assisteren bij het hervormen en formuleren van grondbeleid in ontwikkelingslanden is de laatste 20-30 jaar door veel donoren beoordeeld als te complex en te politiek. Groeiend gebrek aan land, besef dat veel conflicten hieraan gerelateerd zijn en de alsmaar stijgende armoede op het platteland in m.n. Afrika hebben recentelijk echter aanleiding gegeven tot een andere opstelling. Niet alleen omdat de noodzaak van een goed, inclusief grondbeleid evident is, maar ook omdat de specifieke aanpak die hiervoor nodig is beter aansluit bij de huidige visie dat ontwikkelingslanden hun eigen armoedestrategieën en nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling moeten opstellen en zelf verantwoordelijk zijn voor goed bestuur op het nationale en decentrale niveau.

De voorliggende Commissiemededeling met EU richtsnoeren voor het ondersteunen van grondbeleid en daaraan gerelateerde hervormingsprocessen in ontwikkelingslanden heeft tot doel om een algemeen, niet voorschrijvend kader te bieden. Dit moet enerzijds gaan dienen om meer gecoördineerd assistentie te kunnen verlenen aan ontwikkelingslanden die daarom vragen en anderzijds een overzicht verschaffen van praktische zaken welke van cruciaal belang zijn bij de ondersteuning. De richtsnoeren zijn opgesteld onder auspiciën van de "EU Task Force on Land Issues", waarin de Nederlandse overheid vertegenwoordigd was. De uiteindelijke publicatie is becommentarieerd door internationale maatschappelijke organisaties.

Voorliggende mededeling geeft achtereenvolgens aan (a) waarom een goed, inclusief grondbeleid essentieel is voor ontwikkelingslanden; (b) hoe complex en divers hervormingen van grondbeleid zijn; (c) hoe EU donoren hierbij ondersteuning kunnen bieden; (d) cruciale aspecten en ervaringen die daarbij van belang zijn. Daarbij gaat het om het veiligstellen van aan grond gerelateerde rechten, het verder bouwen op bestaande rechten en ervaringen, de vraag wanneer registratie wenselijk is, het opbouwen van duurzame grondbeheersinstituties, en de notie dat grondpacht vaak beter uitwerkt dan grondverkoop voor wat betreft verhoging van toegang en productiviteit van land.

Concluderend kan gesteld worden dat deze mededeling duidelijk maakt dat het formuleren en hervormen van grondbeleid in ontwikkelingslanden geen technisch, neutraal en universeel proces is, maar gezien moet worden als een langdurig en complex proces dat een breed politiek debat behoeft. In de bijlagen van de mededeling wordt in dat kader een aantal praktische handreikingen beschreven. Hierbij is gebruik gemaakt van ervaringen met relevante multilaterale en bilaterale programma's.

Rechtsbasis van het voorstel: n.v.t.

Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement:n.v.t.

Instelling nieuw Comitologie-comité:n.v.t.

Subsidiariteit en proportionaliteit: n.v.t., het betreft een mededeling.

Consequenties voor de EU-begroting: geen.

Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger:In de mededeling wordt gesproken van donor support zonder dat deze verder wordt gespecificeerd. De Commissie dient in het vervolgtraject specifieker aan te geven hoe zij dit ziet.

Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering):n.v.t., het betreft een mededeling.

Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid:N.v.t.

Consequenties voor ontwikkelingslanden:
Publieke en particuliere actoren in ontwikkelingslanden kunnen baat hebben bij multi-donor programma's ter versterking van het lokale grondbeleid indien bij het ontwerp en de uitvoering van deze ondersteuning gehandeld wordt volgens de richtsnoeren, zoals beschreven in deze mededeling. De ondersteuning kan positieve effecten hebben op sociaal, economisch en ecologisch terrein, niet alleen in ontwikkelingslanden maar uiteindelijk ook op mondiaal niveau.

Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling:


- Nederland onderschrijft de noodzaak om in toenemende mate ondersteuning te bieden aan het formuleren en hervormen van grondbeleid in ontwikkelingslanden en (h)erkent dat de in de mededeling beschreven aanpak hiertoe kan bijdragen.
- Temeer daar grondbeleid politiek gevoelig is, hecht Nederland er aan dat zoveel mogelijk donoren zich achter de voorgestelde aanpak scharen. Commissie en lidstaten voorop maar ook de Wereldbank, IMF, FAO (Food and Agriculture Organization), IFAD (International Fund for Agricultural Development), Regionale Banken, en VN-organisaties als UNDP, UNEP en UNHabitat.
- Ook hecht Nederland aan de formulering van randvoorwaarden, waaraan een proces van landhervorming zou moeten voldoen alvorens donoren hun steun verlenen. De rechten van kwetsbare groepen, zoals vrouwen, inheemse volken en armen alsmede de bescherming van het milieu dienen gegarandeerd te worden.
- Om te voorkomen dat de aandacht hierbij te sterk gericht wordt op alleen de nationale overheid in ontwikkelingslanden, zou expliciete aandacht voor samenwerking met lokale maatschappelijke organisaties en lokale overheden wat duidelijker naar voren mogen komen. Inbreng van NGO/CSO's (niet-gouvernementele en civil society organisaties) bij het opstellen van de Commissiemededeling is goed maar op zich niet genoeg. Richtlijnen voor daadwerkelijke samenwerking met NGO's, boerenorganisaties, landarbeidersorganisaties en andere CSO's, alsmede decentrale overheden zijn minstens zo belangrijk. De door Nederland via het WSSD Partnership Programma LAND ondersteunde International Land Coalition zou hier een rol kunnen spelen.
- Nederland ziet goede mogelijkheden om binnen haar internationale samenwerkingsbeleid meer ondersteuning te bieden aan het formuleren en hervormen van grondbeleid in een aantal ontwikkelingslanden. Beleidsprioriteiten als duurzame ontwikkeling, water, milieu, goed bestuur en ondernemingsklimaat bieden hier ruimte voor, terwijl ook de relatie gelegd kan worden met de HIV/AIDS problematiek. Van cruciaal belang is dat in deze landen a) verbeteren van grondbeleid een nationale beleidsprioriteit is, b) ruimte is voor samenwerking met andere donoren en relevante maatschappelijke organisaties, c) Nederland een langjarige committering aan kan gaan en d) de bereidheid en de mogelijkheid bestaat om het proces dusdanig in te richten dat een zorgvuldige afweging gemaakt wordt tussen de economische, sociale en milieu-effecten van het grondbeleid.- Fiche 2: Mededeling Energiefaciliteit voor ACS-landen

Titel:
Communication from the Commission to the Council and the European Parliament on the future development of the EU Energy Initiative and the modalities for the establishment of an Energy Facility for ACP Countries


Datum Raadsdocument:3 november 2004

Nr Raadsdocument:14040/04

Nr. Commissiedocument:COM(2004) 711 final

Eerstverantwoordelijk ministerie: Buitenlandse Zaken i.o.m. VROM, FIN, EZ

Behandelingstraject in Brussel: RWG ACS (Afrika, Caribisch gebied en Stille Oceaan), Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen.

Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel: Achtergrond van deze mededeling is het EU Energy Initiative (EUEI) van de Commissie, dat gelanceerd werd tijdens de WSSD (World Summit on Sustainable Development) in Johannesburg in 2002. Dit initiatief is gericht op het bundelen van activiteiten van de Commissie en lidstaten ter verbetering van de toegang tot energiediensten in ontwikkelingslanden.

Doel van deze Commissiemededeling is te onderzoeken wat het EUEI kan betekenen voor de ACS-landen. In dat kader stelt de Commissie voor onder het EOF (Europees Ontwikkelingsfonds) een zgn. Energie Faciliteit op te zetten. Uit deze faciliteit kunnen projecten gericht op de 'energie-armen' worden gefinancierd, alsmede initiatieven gericht op verbetering van het investeringsklimaat en bevordering van public private partnerships. De Energie Faciliteit zal fungeren als Europees aanspreekpunt en research- en databank voor energieverbetering in ACS-landen.

Naast EOF-middelen, staat de Energie Faciliteit ook open voor additionele financiering door lidstaten en andere donoren. Uiteindelijk doel is verbetering van de toegang tot energie in ontwikkelingslanden, in lijn met de Millennium Development Goals (MDG's).

De Commissie zal vóór 1 maart 2005 met een formeel voorstel komen om ¤250 miljoen uit het EOF te reserveren voor de Energie Faciliteit. De Raad heeft op werkgroepniveau aangegeven het voorstel te willen bestuderen ná afronding van de performance review over het EOF (zie consequenties EU-begroting).

Rechtsbasis van het voorstel:
Overeenkomst van Cotonou. Het EUEI is aangekondigd in een mededeling van de Commissie (COM(2002) 82). De samenwerking met ontwikkelingslanden op energiegebied heeft haar grondslag gekregen in de mdedeling van de Commissie over Energiesamenwerking met ontwikkelingslanden (COM(2002) 408). Hoewel energie niet één van de zes beleidsprioriteiten is van het Europees ontwikkelingsbeleid (COM(2000) 212), is energie wel gekoppeld aan elk van deze prioriteiten. Het belang van energie in het licht van armoedevermindering wordt hierin benadrukt.

Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement:n.v.t., het betreft een mededeling. De Raad zal volgens de regels van de EOF-besluitvorming een besluit nemen over het uiteindelijke voorstel.

Instelling nieuw Comitologie-comité:n.v.t.

Subsidiariteit en proportionaliteit:
Subsidiariteit: positief. Achtergrond van EUEI is om op Europees niveau de initiatieven van individuele lidstaten en de Commissie gericht op toegang tot energiediensten in ontwikkelingslanden te bundelen. Via de EUEI-advieswerkgroepvergaderingen blijven de lidstaten betrokken.

Proportionaliteit: positief. De Energie Faciliteit is een effectief instrument om EOF-middelen direct te besteden.

Consequenties voor de EU-begroting:
Geen. Het EOF wordt intergouvernementeel gefinancierd en valt daarmee buiten de EU-begroting. De mogelijke besteding van ¤ 250 mln valt binnen het totale kader van het 9de EOF (¤ 13,5 mld), maar besteding is conditioneel gemaakt aan de uitkomst van de performance review van het EOF.

Het 9e EOF bedraagt ¤13,5 miljard, waarvan door de Raad ¤1 miljard voorwaardelijk is toegekend. Dit bedrag komt vrij na de zogenaamde performance review van het EOF, waarin de prestaties van het EOF worden beoordeeld. Op basis van een positieve beoordeling van het EOF zal de Raad besluiten het volledige miljard beschikbaar te stellen aan ontwikkelingsdoelstellingen die ten goede komen aan de ACS-landen. Na afronding van de performance review zal de Raad vóór 1 maart 2005 besluiten hoe het miljard besteed zou mogen worden. In het licht van dit besluit wordt eveneens een bedrag voor de Energie Faciliteit vastgesteld.

Het huidige EOF loopt tot 2006. Mocht een eventuele energiefaciliteit niet worden uitgeput, dan zullen de niet uitgegeven middelen worden meegenomen in een 10de EOF, dan wel in de begroting van de EU in het geval het EOF in de begroting wordt opgenomen. De discussie over opname van het EOF in de EU-begroting dan wel de creatie van een 10de EOF wordt momenteel gevoerd en vormt een integraal onderdeel van de discussie over de financiële perspectieven voor 2007-2013. Nederland is hierbij voorstander van de integratie van het EOF in het budget, omdat niet gebruikte middelen dan kunnen terugstromen naar de EU begroting in plaats van zich op te hopen in de specifieke envelop(en) binnen het EOF. De Nederlandse afdracht aan het EOF over de looptijd van 2000 tot 2006 staan vast en bedragen ongeveer ¤ 750 mln. De eventuele allocatie voor een Energie Faciliteit heeft geen gevolgen voor de hoogte van deze afdracht. Omdat de faciliteit volledig wordt gefinancierd uit het 9de EOF, kan geen voorschot genomen worden op de discussie over de hoogte van een 10de EOF dan wel de omvang van een in de EU begroting geïntegreerd EOF voor de periode 2007-2013.

Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger:

De mededeling legt de lidstaten geen extra financiële verplichting op dan welke al voortkomen uit de voorziene contributie aan het 9e EOF. De administratieve c.q. personele belasting is voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze zal echter waarschijnlijk niet veel groter zijn dan de reeds bestaande belasting, i.e. participeren aan de reguliere EUEI-advieswerkgroep vergaderingen.

Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d.,implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering):Geen.

Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerkingreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid:-

Consequenties voor ontwikkelingslanden:
De inhoud van de mededeling zal naar verwachting positief uitwerken voor de ontwikkeling van ACS-landen. In de huidige landenstrategieën is niet voorzien in steun t.a.v. de energievoorziening, terwijl dit wel een belangrijke voorwaarde voor ontwikkeling is.

Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling: Nederland ondersteunt de Mededeling van de Commissie. Nederland onderstreept echter dat het voorgestelde bedrag voor de Energie Faciliteit afhangt van een bevredigende afronding van de performance review van het EOF en de daarna te voeren discussie over de besteding van deze conditionele middelen.

De Mededeling zal besproken worden zodra de performance review over het EOF en de Mid Term Review van de ACS landenstrategieën is afgerond. Bovendien zal de Raad zich voor 1 maart 2005 buigen over de totale besteding van het voorwaardelijke miljard in het licht van overige, nog te bepalen prioriteiten.

Daarnaast zal Nederland tijdens bespreking van de Energie Faciliteit het belang benadrukken van het vermelden van concrete meetbare outputdoelstellingen. Ter illustratie: het Nederlandse beleid, zoals verwoord in de Memorie van Toelichting 2005, is dat Nederland tussen nu en 2007 1,5 miljoen mensen toegang verschaft tot duurzame energiediensten. Het streven is om in 2015 in lijn met de MDG's (MDG 7) 10 miljoen mensen deze toegang te verschaffen. Dit accent op concreet meetbare outputdoelen zou Nederland graag weerspiegeld zien in de onderhandelingen.

Daarnaast vindt Nederland het van belang dat via de conferentie Energy for Development invulling gegeven kan worden aan de EU Energie Faciliteit.

Nederland meent dat het zaak is om de toezeggingen die in Johannesburg door de EU zijn gedaan na te komen door naast de prioriteit water ook substantieel geld vrij te maken voor energie.


- Fiche 3: Verordening betreffende het Financieel Instrument voor het Milieu (LIFE+)

Titel:
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Financieel Instrument voor het Milieu (LIFE+)


Datum Raadsdocument: 5 oktober 2004

Nr Raadsdocument: 13071/04

Nr. Commissiedocument:COM(2004) 621 final

Eerstverantwoordelijk ministerie: VROM i.o.m. LNV, EZ, BZ, FIN en V&W

Behandelingstraject in Brussel:RWG Milieu, Milieuraad.

De horizontale aspecten van dit voorstel, dat deel uitmaakt van het pakket voorstellen in het kader van de Financiële Perspectieven 2007-2013, worden behandeld in de Ad Hoc Groep Financiële Perspectieven en de RAZEB.

Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel: Dit voorstel maakt deel uit van het pakket voorstellen in het kader van de nieuwe Financiële Perspectieven 2007-2013. De Commissie publiceerde een overkoepelende mededeling over dit pakket (COM 2004/487). Over deze mededeling is het parlement separaat geïnformeerd door middel van een Kamerbrief ("Reactie op voorstellen van de Commissie inzake de nieuwe Financiële Perspectieven 2007-2013", Kamerstuk 2003-2004, 21501-20, nr. 259 TK).

Het financieringsinstrument LIFE III (opvolger van LIFE I en II), gericht op de ontwikkeling en ondersteuning van het communautaire milieu- en natuurbeleid, loopt eind 2006 af. De Commissie heeft een voorstel voor een nieuw financieel instrument voor het Milieu, LIFE+ gepresenteerd. LIFE+ heeft een andere invulling en andere doelstellingen dan de voorgaande financiële instrumenten LIFE I, II, III. Zo wordt een deel van LIFE III, te weten de kosten voor investering in natuurgebieden en voor soortbescherming (Natura 2000) en technologische milieu-demonstratie-projecten, in het nieuwe voorstel van de Commissie niet onder LIFE+ geschaard. Onduidelijk is waaruit deze programma's wel zullen worden gefinancierd.

Er is een principiële keuze gemaakt om milieu en natuur vanuit de integratiegedachte in te bedden in andere programma's. Omdat niet alle milieubehoeften daarin passen, is gekozen voor het (aanvullende) specifieke financieringsinstrument voor milieu en natuur, LIFE +.

De algemene doelstelling van LIFE+ is bij te dragen aan de ontwikkeling, monitoring van de uitvoering, evaluatie en communicatie van het Europese milieu- en natuurbeleid en ­wetgeving ter bevordering van de duurzame ontwikkeling in de Europese Unie. LIFE+ zal in het bijzonder bijdragen aan de uitvoering van het 6e Milieu Actieplan dat gericht is op bestrijding van klimaatsverandering, voorkoming van verdere achteruitgang van natuur en biodiversiteit, verbetering van het milieu, de gezondheid en de kwaliteit van het leven, bevordering van duurzaam gebruik en beheer van natuurlijke hulpbronnen en afval, en ontwikkeling van een strategische benadering van beleidsontwikkeling, -uitvoering en communicatie.

LIFE+ is opgebouwd uit 6 lopende programma's:


-delen van LIFE III (LIFE environment en LIFE nature);


- Sustainable urban development programme;


- NGO programme;


- Forest Focus;


- General policy development and implementation facility;


- Budgetary transfer to European Environment Agency (EEA).

De Commissie stelt dat programmatische aandacht nodig is voor activiteiten op milieu- en natuurgebied die een unieke Europese dimensie hebben, zoals uitwisseling van best practices, capacity building van lokale en regionale overheden en ondersteuning van NGO's die Europa-breed actief zijn.

Rechtsbasis van het voorstel: artikel 175, lid 1 EG

Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement: Co-decisie. Overkoepelende besluitvorming over de Financiële Perspectieven 2007-2013, waar deze voorstellen onderdeel van uitmaken, geschiedt door de Europese Raad met unanimiteit.

Instelling nieuw Comitologie-comité:
Artikel 12 van het voorstel voor de verordening LIFE+: beheerscomité.

Subsidiariteit en proportionaliteit:
Subsidiariteit: positief. Het gaat om een programma waarmee met name grensoverschrijdende milieu- en natuurproblemen kunnen worden aangepakt, evenals bij LIFE I t/m III. Hoewel LIFE+ een andere invulling heeft dan LIFE I t/m III, blijft de grensoverschrijdende aanpak van milieuproblemen centraal staan.

Proportionaliteit: Het financieringsinstrument is een goed middel voor de ontwikkeling en ondersteuning van het communautaire milieu- en natuurbeleid.

Consequenties voor de EU-begroting
Volgens de Commissie zal het voorstel LIFE+ worden gefinancierd uit Categorie 2 van de Financiële Perspectieven 2007-2013, Beheer en bescherming van natuurlijke hulpbronnen. De Commissie stelt voor de periode 2007-2013 een totaalbudget van ¤ 2,190 miljard voor.

In het nieuwe LIFE + zal een aantal budgetlijnen worden opgenomen welke voorheen niet waren geïntegreerd in LIFE III, te weten Sustainable urban development programme, NGO programme, Forest Focus, Budgetary transfers to EEA, legislation in the field of environment en legislation, awareness, implementation (General policy development and implementation facility).

Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger: Met betrekking tot LIFE+ kan Nederland aan de Commissie vragen om meer duidelijkheid over hoe zij invulling denkt te geven aan de in het voorstel slechts summier genoemde mogelijkheid van co-financiering.

Ook onder LIFE III, Life Milieu en Life Natuur, vond co-financiering plaats. Een indicatie voor de periode 2000-2006 is voor LIFE Milieu een co-financiering van ¤ 105 miljoen, waarvan 75% door het bedrijfsleven en 25% door decentrale overheden. Met betrekking tot LIFE Natuur werd ¤ 7 miljoen door NGO's co-gefinancierd. Gemiddeld komt LIFE III uit op ¤ 112 miljoen co-financiering, waarvan het grootste deel uit het bedrijfsleven (¤ 79 miljoen) en minder door de lagere overheid (¤ 26 miljoen) en de NGO's (¤ 7 miljoen).

Voor wat betreft de Rijksbegroting tijdens de periode 2007-2013 zal in geval van cofinanciering in de eerste plaats aan VROM of LNV, maar ook aan V&W gedacht worden, aangezien het hier om milieu- en natuurprojecten gaat. Het is evenwel geen gegeven dat co-financiering bij alle projecten onder LIFE+ vereist zal zijn en over een eventueel percentage is op dit moment al evenmin duidelijkheid. Tenslotte dienen de betrokken ministeries nog een standpunt te bepalen voor het geval cofinanciering op Rijksniveau vereist zou zijn: mogelijk wordt in dat geval nog geheel of gedeeltelijk van projecten op Rijksniveau afgezien. De kosten die voortkomen uit mogelijke co-financiering dienen door de beleidsverantwoordelijke departementen en de eventueel betrokken private partijen en decentrale overheden binnen hun eigen begrotingen gereserveerd te worden, op het moment dat over de jaarlijkse programma's en projecten besloten wordt.

De personele last voor de coördinatie door de rijksoverheid (VROM, LNV) van LIFE+ zal ongeveer 0,2 fte bedragen.

De personele en administratieve lasten voor decentrale overheden en bedrijven bestaan uit de tijdsbesteding en kosten verbonden aan het doen van projectvoorstellen. Uitgaande van gemiddeld 30 projectvoorstellen per jaar, waarbij er per project ongeveer ¤ 15.000 aan kosten is verbonden, zijn de kosten over een periode van 2000-2006: ¤ 3,15 miljoen.

Voor externe assistentie (bekendmaking programma's, voorlichting, begeleiding bij indiening van projectvoorstellen, nazorg van projecten, kennisuitwisseling met andere landen) zal jaarlijks ca. ¤ 200.000 nodig zijn, of ¤ 1,4 miljoen voor de periode 2007-2013.

Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering):Geen.

Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid:De voorgestelde implementatietermijn loopt van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

Consequenties voor ontwikkelingslanden:Geen.

Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling: Tot heden heeft Nederland goed gebruik gemaakt van de LIFE I , II, III financieringsinstrumenten en zijn er gevarieerde en kwalitatief goede natuur- en milieuprojecten uitgevoerd, zowel in LIFE-Milieu als in LIFE-Natuur. Ook in het nieuwe LIFE+ wil Nederland een belangrijke rol spelen.

Nederland kan het uitgangspunt voor samenvoeging van individuele milieu- en natuurprogramma's van de Commissie met het oog op het bereiken van synergie en doelmatigheid onderschrijven. Nederland onderschrijft de integratie methode van de Commissie bij de financiering van Natura 2000.

Nederland zal op de volgende aspecten van de voorgestelde verordening om meer duidelijkheid vragen:


-elementen waaruit LIFE+ zal gaan bestaan;


-precieze activiteiten die LIFE+ ondersteunt;


-selectiecriteria;


-rol van de lidstaten bij de totstandkoming en besluitvorming over meerjarenprogramma's en jaarprogramma's;


-gevraagd budget;


-evaluatie van ondersteunende activiteiten.


-Hoe worden activiteiten gefinancierd, die niet meer terugkomen in LIFE+, te weten soortenbescherming en specifieke investeringen in Natura 2000 gebieden en demonstraties van nieuwe milieutechnologieën (ETAP).

Dit voorstel maakt integraal deel uit van de Nederlandse inzet voor de nieuwe Financiële Perspectieven (2007-2013). Leidend hierbij is het Nederlands kabinetsstandpunt waarbij uitgegaan wordt van een reëel constant uitgavenkader voor de periode 2007-2013. Verder zijn de uitgangspunten 'nieuw-voor-oud', toetsing aan toegevoegde waarde en subsidiariteit. Voor milieu uitgaven en het instrument LIFE+ in het bijzonder is het Nederlandse kabinetsstandpunt maximaal een reëel constant uitgavenkader.


- Titel:
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad Overgang op de stationerings- en de exploitatiefase van het Europees programma voor radionavigatie per satelliet


Datum Raadsdocument: 8 oktober 2004

Nr Raadsdocument: 13300/04

Nr. Commissiedocument: COM (2004) 636 definitief

Eerstverantwoordelijk ministerie: Verkeer en Waterstaat i.o.m. EZ, FIN, DEF, BZ, BZK

Behandelingstraject in Brussel:Raadswerkgroep Vervoer, Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie.

Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel: Het doel van deze mededeling ­ die op verzoek van de Raad door de Commissie is opgesteld ­ is om de Raad in staat te stellen voor het einde van 2004 de noodzakelijke beleidsbeslissingen te nemen over het begin van de stationerings- en exploitatiefase van het satelliet navigatieprogramma Galileo. Het programma verkeert sinds 2002 in de ontwikkelingsfase, die moet worden gevolgd door de stationeringsfase (2006-2007) en de exploitatiefase (vanaf 2008). Om tot de stationerings- en exploitatiefase over te gaan is eerder in 2004 aan twee noodzakelijke voorwaarden voldaan: een verdrag met de VS over de interoperabiliteit van het Europese Galileo- en het Amerikaanse GPS-systeem (Global Positioning System) en een besluit over de beheerstructuur (Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad inzake de beheersstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet en Gemeenschappelijk optreden 2004/552/GBVB van de Raad ten aanzien van aspecten van de exploitatie van het Europees systeem voor radionavigatie per satelliet die betrekking hebben op de veiligheid van de Europese Unie).

Besluiten die nog in 2004 genomen moeten worden zijn:


1.Vaststelling van het definitieve dienstenaanbod van het systeem;


2.De maximale financiële bijdrage uit de EU-begroting (zie ook BNC-fiche over COM(2004) 477);


3.Op grond van bovenstaande overgaan tot de stationerings- en operationele fase en hiermee groen licht geven voor het afronden van de selectie van de concessiehouder en het overgaan tot contractonderhandelingen.

Ad 1) Dienstenaanbod
De Raad heeft in zijn conclusies van 6 december 2002 bepaald dat de aanbestedingen die in het kader van het Galileo-programma zullen plaatsvinden, met name die van de concessie, op vijf diensten betrekking dienen te hebben: een "open dienst", een "commerciële dienst", een "safety-of-life-dienst", een "beveiligde gouvernementele dienst" (PRS: public regulated service) en de ondersteuning van de opsporings- en reddingsdienst COSPAS-SARSAT of andere relevante systemen. Vanwege de gewenste interoperabiliteit van Galileo met het Amerikaanse GPS en voor het bereiken van overeenstemming over het gebruik van frequenties is een verdrag met de VS gesloten. Dit is met name van belang voor het PRS-signaal. PRS kan voor een breed scala aan overheidstaken worden gebruikt. Dit gebruik is facultatief: de lidstaten die hiervan gebruik maken delen de kosten voor deze dienst. Hiermee bestaat overeenstemming over de te leveren diensten. Beide potentiële concessiehouders hebben aangegeven deze diensten te kunnen leveren.

Ad 2) Financiële bijdrage
Aan de voorwaarde dat tenminste 2/3 deel (van het totaal van geschatte ¤ 2,3 mrd) van de realisatie van Galileo door de private sector gedragen moet worden, is voldaan. De publieke bijdrage van maximaal ¤ 700 mln blijft onder het verwachte bedrag van ¤ 770 mln. De publieke bijdrage heeft ook betrekking op de aanvang van de operationele fase. De hoogte van de bijdragen voor deze fase is afhankelijk van de uitkomst van de contractonderhandelingen (eind 2005) en zijn gemaximeerd op ¤ 500 mln. In het contract zal een clausule worden opgenomen dat winst boven een bepaald maximum terugvloeit naar de publieke sector. Vanwege de gunstige exploitatieprognoses (de markt voor plaatsbepalings- en gerelateerde diensten groeit sterk) bestaat een aanzienlijke kans dat dit bedrag volgens een te maken afspraak met de toekomstige concessiehouder in mindering wordt gebracht op de winst en terugvloeit naar de EU-begroting. Indien hiervan geen sprake is zullen deze kosten zeer waarschijnlijk definitief drukken op de EU-begroting.

In haar voorstel van 30 juli 2004 (COM(2004) 477) heeft de Commissie voorgesteld om voor de stationering- en operationele fase maximaal ¤ 1 mrd uit te trekken, te financieren uit het gemeenschapsbudget na 2006. Tevens is nog ¤ 200 mln nodig uit de lopende EU-begroting voor de start van de stationeringsfase. Voor zover het bijdragen uit de EU-begroting na 2006 betreft, kan de Transport, Telecom en Energie -raad (TTE-Raad) vaststellen dat een dergelijk bedrag nodig is. De uiteindelijke hoogte van deze bijdrage is een onderdeel van de onderhandelingen en besluitvorming over de Financiële Perspectieven 2007-2013.

Ad 3) Overgaan tot stationerings- en operationele fase De mededeling geeft aan dat op grond van de positieve uitkomst van de tenderfase en het kunnen voldoen aan de eerder in de Raad geformuleerde voorwaarden, overgegaan kan worden tot de implementatiefase van Galileo. Op grond van het besluit over het dienstenaanbod en de te reserveren maximale financiële bijdrage uit EU-middelen kan de selectie van de concessiehouder worden afgerond. Dit betreft een voortgezette risico-analyse publiek-privaat.

Rechtsbasis van het voorstel: n.v.t.Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement:n.v.t.

Instelling nieuw Comitologie-comité:n.v.t.

Subsidiariteit en proportionaliteit: Strikt genomen niet van toepassing want het betreft een mededeling. In beschikking 1692/96/EG hebben het EP en de Raad onder andere positionerings- en navigatiesystemen aangewezen als integrerende onderdelen van het transeuropese vervoersnet en projecten die er mee verband houden aangewezen als een gemeenschappelijk belang. Gezien de omvang en de kosten is de realisatie van een global positioning system bij uitstek een communautaire aangelegenheid. Het voorstel gaat niet verder dan wat nodig is om de verdragsdoelstellingen te verwezenlijken.

Consequenties voor de EU-begroting: voor periode 2004-2006: ¤ 200 mln; voorstel Financiële Perspectieven 2007-2013: ¤ 1 mrd.

Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger:geen

Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering): n.v.t.

Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerking treding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid:n.v.t.

Consequenties voor ontwikkelingslanden:Ook voor ontwikkelingslanden komen - gedeeltelijk gratis - diensten beschikbaar.

Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling:

Dienstenaanbod
Nederland gaat akkoord met het in de mededeling omschreven dienstenaanbod mits het civiele karakter van Galileo in Raadsconclusies wordt onderstreept. Tevens dient een formulering te worden opgenomen dat een eventuele ontwikkeling van militaire toepassingen van Galileo pas mogelijk is na unanieme besluitvorming in het kader van het EVDB.

Eerder (Raadsconclusies van 6 december 2002) heeft de Raad de vijf diensten bepaald voor de ontwikkelingsfase. Een definitief besluit over het dienstenaanbod was afhankelijk van overeenstemming met de VS over interoperabiliteit en frequentiegebruik. Aan deze voorwaarde is voldaan door het sluiten van eerdergenoemd verdrag. Nederland hecht sterk aan het civiele karakter van Galileo. Raadsconclusies dienen daarom ook te herhalen dat Galileo een civiel systeem is onder civiele controle. Op deze wijze kan maximaal gebruik gemaakt worden van het systeem en heeft het, naast het voordeel van een technisch geavanceerder product, ook een extra toegevoegde waarde omdat de zeggenschap over de diensten en het gebruik daar van bij de gezamenlijke lidstaten ligt. Zeggenschap over andere (GPS en GLONASS; voornamelijk militair beheerde systemen) ligt bij de Amerikaanse en Russische overheid.

Het PRS-signaal is voor overheidsgebruik. Hoewel Nederland momenteel geen behoefte heeft aan militair gebruik van het PRS-signaal, wil Nederland militair gebruik niet uitsluiten. Dit is bijvoorbeeld van belang omdat activiteiten als grensbewaking in sommige landen onder het ministerie van Defensie vallen. Uit onderzoeken door de Galileo Security Board blijkt dat dit gebruik geen noemenswaardige meerkosten meebrengt. Nederland is geen voorstander van het ontwikkelen van specifiek militaire toepassingen van Galileo. Indien een dergelijk toekomstig gebruik op politieke gronden wenselijk is, vereist dit besluitvorming in het kader van het EVDB. Uit ramingen van de inkomsten van PRS blijkt dat deze niet zijn gebaseerd op het ontwikkelen en gebruiken van specifiek militaire toepassingen.

Financiën
Nederland zal pleiten voor het opnemen van maximale bedragen, waarvan de vaststelling zal plaatsvinden in het kader van de besluitvorming over de financiële perspectieven. Nederland is voorstander van een duidelijk commitment van de Raad onder bovenstaande voorwaarde.

Met het akkoord over de beleidsnotitie Galileo heeft het kabinet de hoofdlijnen van het Nederlands standpunt vastgelegd. Met de toezegging dat sprake is van 2/3 private inbreng op het totaal van ¤ 2,3 mrd is aan de belangrijkste voorwaarde voor het overgaan naar de implementatiefase voldaan. Beide consortia hebben een solide financieringsplan op tafel gelegd, inclusief investeringen uit eigen middelen. Tot definitieve ondertekening kan pas worden overgegaan wanneer het contract met de private partij is beoordeeld op de risico's voor de publieke sector. Naast private banken zal ook de EIB hierin een belangrijke rol spelen. Nederland is akkoord met de voorgestelde uitspraak van de TTE-Raad dat voor de implementatie van het programma ¤ 200 mln uitgetrokken wordt onder de huidige begroting. Voor de FP periode 2007-2013 stelt de Commissie ¤ 1 mrd voor.

De bijdrage van maximaal ¤ 700 mln blijft onder het verwachte bedrag van ¤ 770 mln. Zoals reeds aangegeven door de Raad op 14 juni 2004 strekt de publieke bijdrage zich ook uit tot de - aanvang van - de operationele fase. De hoogte van de bijdragen voor deze fase is afhankelijk van de uitkomst van de contractonderhandelingen (eind 2005) maar zijn gemaximeerd op ¤ 500 mln. In het contract zal een clausule worden opgenomen dat winst boven een bepaald maximum terugvloeit naar de publieke sector. Vanwege de gunstige exploitatieprognoses (de markt voor plaatsbepalings- en gerelateerde diensten groeit sterk), bestaat een aanzienlijke kans dat dit bedrag volgens een te maken afspraak met de toekomstige concessiehouder in mindering wordt gebracht op de winst en terugvloeit naar de EU-begroting. Indien hiervan geen sprake is zullen deze kosten zeer waarschijnlijk definitief drukken op de EU-begroting. Hoewel de definitieve besluitvorming over deze bedragen, voor zover zij betrekking hebben op de periode na 2005, plaats zal vinden in het kader van de besluitvorming over de financiële perspectieven 2007-2013, is het onontkoombaar dat het besluit van de TTE-Raad in december 2004 feitelijke gevolgen heeft voor deze langere termijn. Immers, op basis van het besluit over het budget voor de realisatiefase zal de overeenkomst met de concessiehouder gesloten worden. De Raad heeft in 2002 reeds ingestemd met het totale ontwikkeltraject voor Galileo, waarin besluitvorming over de financiering van de realisatiefase in 2004 is voorzien.

Gegeven dit eerdere besluit en in de veronderstelling dat inderdaad voldaan is aan de door de Raad mede onder Nederlandse druk gestelde randvoorwaarden, zal Nederland instemmen met een besluit tot vastlegging van de maximale financiële middelen voor Galileo door de TTE-Raad in december 2004. Een definitieve beslissing over de daadwerkelijke EU-bijdrage voor Galileo in de periode 2007-2013 blijft een onderdeel van de Financiële Perspectieven onderhandelingen, waarbij het Nederlands standpunt een reëel contant uitgavenkader en 'nieuw voor oud' beleid, toetsing aan subsidiariteit en toevoegde waarde, leidende factoren zullen zijn.

Overgaan tot stationering- en operationele fase
Onder de voorwaarden, zoals geformuleerd onder de onderdelen dienstenaanbod en financiën, is Nederland voorstander van een commitment van de Raad om over te gaan tot de implementatiefase van Galileo.Aan een dergelijk besluit moet de voorwaarde van een acceptabele uitkomst van de 'extended tender phase' (risico-toedeling) worden verbonden.

Zowel aan de Nederlandse voorwaarden op het gebied van de diensten als aan die op het gebied van private investeringen is voldaan, mits een acceptabele verdeling van de risico's publiek/privaat wordt bereikt.Hiermee kan Nederland steun geven aan het overgaan tot de stationerings- en operationele fase van Galileo. Besluitvorming over de publieke bijdrage uit EU middelen na 2005 vindt plaats in het kader van de besluitvorming over de Financiële Perspectieven2007-2013, waarbij besluitvorming over de uiteindelijke hoogte van de EU-bijdrage na 2006 een onderdeel is van de besluitvorming ten aanzien van de Financiële Perspectieven 2007-2013. Hierbij wordt rekening gehouden met de noodzaak om in een eerder stadium bindende afspraken over deze bedragen met het bedrijfsleven dat Galileo gaat bouwen en exploiteren.

===