Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Contactpersoon

Datum
18 januari 2005
Ons kenmerk
SDG/Prod/2005/657
Doorkiesnummer

Bijlage(n)

1 (niet electronisch)
Uw kenmerk

-
Onderwerp
Achtergronden stroefheidproblematiek rijkswegen

Geachte voorzitter,

Eind december 2004 zijn de onderzoeken naar de oorzaken van de stroefheidproblemen op enkele rijkswegen in Zuid-Holland afgerond. Via deze brief informeer ik u over de resultaten daarvan en meld ik u welke maatregelen ik heb getroffen om herhaling te voorkomen.


1. Problematiek

Zoals gemeld in mijn brief van 19 november 2004 (SDG/2004/721) speelden op de rijkswegen in Zuid-Holland twee problemen.

Ten eerste bleek de stroefheid van de rechter rijstrook van 41 km rijksweg in twee dienstkringen van Rijkswaterstaat in Zuid-Holland (8½ %) onder de norm van 0,38 te zitten. Deze waren bij meting nog maar 5 á 8 jaar oud. Dit speelde alleen in Zuid-Holland. In de andere regio's was sprake van het normale schadebeeld, waarbij tot op heden onvoldoende stroefheid voorkwam bij niet meer dan een ¼% van het totaal aantal wegvakken. Dit betrof uitsluitend wegvakken die aan het eind van hun reguliere levensduur gekomen waren (voor de rechter rijstrook is dat 10 jaar).

Het tweede probleem betrof een forse onderschrijding van de stroefheidnorm op enkele plekken op de middelste rijstrook van de A12 Zoetermeer - Den Haag, waar de stroefheid lager was dan op de rechter rijstrook. Dit was zeer uitzonderlijk, omdat de rechter rijstrook doorgaans het zwaarst wordt belast en daardoor het snelst slijt.


2. Onderzoekresultaten

Wegbouwkundig onderzoek
Uit onderzoek van Rijkswaterstaat blijkt dat de stroefheidproblemen toegeschreven kunnen worden aan de steenslag in het wegdek. Aan steenslag die gebruikt wordt in wegdekken van rijkswegen worden diverse eisen gesteld. Maatgevend voor de stroefheid zijn de weerstand tegen gladder worden en het percentage ronde stenen. Tot nu toe gebruikt Rijkswaterstaat zowel gebroken riviergrind als steenslag uit steengroeven in wegdekken.
In 90% van de wegvakken in Zuid-Holland waar de stroefheid vroegtijdig beneden de norm van 0,38 is gekomen, bleek steenslag van gebroken riviergrind toegepast te zijn. Bij de overige 10% was steenslag toegepast met een lage weerstand tegen gladder worden (in vaktermen: een lage polijstwaarde).
Het is echter niet zo dat het gebruik van gebroken riviergrind of steenslag met een lage polijstwaarde altijd leidt tot een vroegtijdig verlies van stroefheid.
De verklaring voor het bovenstaande schuilt in de grote spreiding in kwaliteit van gebroken riviergrind. Een partij kan nét of kan ruim boven de kwaliteitseisen zitten. Uit het onderzoek is gebleken dat het percentage rond oppervlak van het gebroken riviergrind dat gebruikt is in de onderzochte wegvakken rond de daarvoor geldende eis lag. Van het onderzochte gebroken riviergrind voldeed 85% net aan de eisen, terwijl 15% net onder de eisen zat. Ten tijde van oplevering werd de kwaliteit van de steenslag niet separaat gecontroleerd door Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat werkte toen met gecertificeerde aannemers. Via de certificering werd beoogd die kwaliteit te krijgen die volgens de norm vereist is. De aanvangsstroefheid werd wel gemeten bij oplevering: een nieuw wegdek wordt alleen vrijgegeven voor het verkeer wanneer de aanvangsstroefheid voldoende is. Onlangs is Rijkswaterstaat overgegaan naar een systematiek waarbij de kwaliteit van het wegdek door de aannemer gegarandeerd wordt gedurende zeven jaren na oplevering.

Het grootste deel van de gebruikte steenslag voldeed dus aan de eisen (zij het net), maar toch is 41 km weg in Zuid-Holland voortijdig onvoldoende stroef geworden. Dat is opmerkelijk, omdat de eisen voor steenslag er op gebaseerd zijn om gedurende de reguliere levensduur voldoende stroefheid te garanderen. Ik hecht eraan te benadrukken dat gebroken riviergrind normaal gesproken aan de eisen voldoet en al decennia wordt toegepast door Rijkswaterstaat zonder dat dit tot problemen geleid heeft als nu in Zuid- Holland ontstaan zijn.
Dat de gebruikte steenslag nu niet langer voldoet, verklaar ik uit het feit dat de samenstelling van het verkeer de afgelopen twee decennia sterk is gewijzigd:

De voertuigintensiteiten zijn de afgelopen decennia sterk toegenomen, Het percentage vrachtauto's is toegenomen,
Personenauto's zijn ruim honderd kilo zwaarder geworden en het voertuiggewicht stijgt nog steeds,
De reminrichting van zowel personen- als ook vrachtauto's is sterk verbeterd.

Door dit alles is de kans groter geworden dat een steenslag die net aan de eisen voldoet, vroegtijdig glad wordt. Dat dit probleem zich manifesteerde in Zuid-Holland, is gezien de hoge verkeersintensiteiten in Zuid-Holland niet verwonderlijk. Zonder additionele maatregelen zou het probleem zich in de toekomst ook kunnen voordoen in andere regio's met hoge verkeersintensiteiten en waar dezelfde steenslag is gebruikt. Onder punt 3. ga ik in op de maatregelen die ik heb genomen om dat te voorkomen.

Verkeerskundig onderzoek
Zoals gezegd slijt de rechter rijstrook normaal gesproken het snelst, omdat deze doorgaans het zwaarst belast wordt. Op de A12 van Zoetermeer naar Den Haag is dat echter maar zeer ten dele het geval. Het aandeel verkeer op de rechter rijstrook bedraagt daar maar 32%, terwijl dat op een "normale" driestrooks rijbaan 46% is.
De verklaring hiervoor ligt in het feit dat bij Zoetermeer de invoegstrook overgaat in een extra rijstrook en dat bij Nootdorp de rijbaan zich splitst in een gedeelte richting Den Haag en een gedeelte richting Rotterdam / Amsterdam. Een vergelijkbare situatie komt meer voor op het rijkswegennet. Door de hoge dichtheid van aansluitingen en knooppunten sorteert het verkeer vaak al voor voor verderop gelegen bestemmingen. Een lagere stroefheid op de middelste rijstrook dan op de rechter rijstrook heeft zich tot op heden alleen nog maar voorgedaan op de A12. Metingen die Rijkswaterstaat meteen na de ongevallen op de A12 heeft uitgevoerd op 15 km overeenkomstige wegvakken, bevestigen dat.

Politieonderzoek
De processen-verbaal over de ongevallen op de A12 geven geen uitsluitsel over de oorzaak van de ongevallen. Geconstateerd wordt dat auto A linksachter op auto B is gebotst, dat auto C auto B midden achter heeft geraakt, etc. Tevens is geconstateerd dat het wegdek glad aanvoelde. Naar aanleiding daarvan heeft de politie remproeven uitgevoerd op het betreffende wegvakken.

Bij de remproeven die uitgevoerd werden ter hoogte van Nootdorp bij droog wegdek werden remvertragingen gemeten van 6,2 - 7,4 m/s2. Bij nat wegdek werden waarden gemeten van 3,5 en 3,6 m/s2.

Bij remproeven ter hoogte van tankstation "Knorrestein" werden remvertragingen gevonden op een nagenoeg droog wegdek van ongeveer 5 m/s2. Gezien het verschil in remvertraging dat doorgaans optreedt bij een meting op een droog wegdek en op een glad wegdek, zou de remvertraging op een geheel nat wegdek aanzienlijk lager zijn uitgevallen.

De norm voor remvertragingen is 5,2 m/s2. Deze geldt ook bij een nat wegdek. De ongevalsvakken voldeden dus niet aan de norm. Dit is overeenkomstig de stroefheidmetingen van Rijkswaterstaat.

Er is niet aangetoond dat een gebrek aan stroefheid de primaire oorzaak is geweest van de ongevallen. (Er zou bijvoorbeeld ook te hard gereden kunnen zijn.) Het is echter wel waarschijnlijk dat onvoldoende stroefheid bij het verloop van de ongevallen een rol heeft gespeeld.
De bottom line is dat ter plekke van de ongevallen het wegdek niet in de conditie verkeerde die de weggebruiker mag verwachten. In die gevallen waarin weggebruikers VenW aansprakelijk hebben gesteld zal ik deze claims daarom honoreren indien deze ongevallen hebben plaatsgevonden op wegvakken met onvoldoende stroefheid en indien de weggebruiker daarvoor niet via borden gewaarschuwd was.


3. Maatregelen

Bestaande wegvakken
Alle wegvakken waar als gevolg van de onvoldoende stroefheid een snelheidsbeperking van 70 km/uur van kracht was, zijn inmiddels gerepareerd. De wegvakken waar geen snelheidsbeperking is ingesteld, maar een waarschuwingsbord 'slipgevaar' is geplaatst, zullen zo snel mogelijk als het weer en de verkeerssituatie het toelaat hersteld zijn.

Rijkswaterstaat blijft ieder jaar de conditie van de helft van de rijkswegen meten. Deze meetcyclus wordt uitgevoerd in de periode van oktober tot en met maart. Uitgangspunt is en blijft om het wegdek te herstellen voordat de stroefheid onder de norm van 0,38 komt. Zoals gezegd, is dat normaal gesproken haalbaar voor 99,75% van de wegvakken. Bij ¼% van de wegvakken blijkt dat de stroefheid niet voldoet aan de norm van 0,38. Indien een stroefheid wordt gemeten die onder deze normen komt, wordt een bord slipgevaar geplaatst. Is de stroefheid onverhoopt lager dan 0,36, dan wordt tevens de snelheidslimiet verlaagd tot 70 km/uur. De betreffende wegvakken worden in dat geval zo spoedig mogelijk aangepakt, waarna de borden weer verwijderd worden.

Op dit moment wordt geïnventariseerd waar op het rijkswegennet nog meer steenslag van gebroken riviergrind of steenslag met een lage polijstwaarde is toegepast. Daar waar dat het geval is, zal Rijkswaterstaat voortaan jaarlijks de stroefheid meten, in plaats van de gebruikelijke frequentie van één keer per twee jaar.
Indien de metingen onverhoopt zouden uitwijzen dat de stroefheid op een wegvak snel richting 0,38 gaat, zullen tijdig preventieve maatregelen genomen worden.

Naast de meetfrequentie is ook de meetmethodiek zelf aangepast. Voortaan zal wanneer de stroefheid op de rechter rijstrook beneden de waarde van 0,43 komt een aanvullende stroefheidmeting uitgevoerd worden op de naastliggende rijstrook of rijstroken. Dit is voldoende om eventuele snelle slijtage op die rijstroken vroegtijdig te signaleren en tijdig maatregelen te kunnen nemen.

Nieuwe wegvakken

Om te voorkomen dat we op nieuwe wegvakken geconfronteerd worden met vroegtijdig verlies van stroefheid, heb ik de eisen voor steenslag aangepast. Het huidige verkeer stelt andere eisen aan het wegdek dan dat van vroeger.
Om gedurende de levensduur van een wegdek voldoende stroefheid te garanderen was tot voor kort een polijstwaarde van 53 voldoende en was het niet bezwaarlijk dat steenslag een percentage rond oppervlak bevatte. Nu kan ik daar niet meer zeker van zijn. Veiligheidshalve heb ik daarom de eisen voor steenslag aangepast. De eis voor de polijstwaarde is verhoogd naar 58 en steenslag met een percentage rond oppervlak is niet langer toegestaan. Dit heeft onder meer als gevolg dat steenslag van gebroken riviergrind voortaan niet meer voldoet aan de eisen. Ik verwacht hiermee het probleem definitief opgelost te hebben, maar zal door middel van voornoemde maatregelen extra alert zijn op het voorkómen van onvoldoende stroefheid.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

Karla Peijs