Ministerie van Buitenlandse Zaken

Zoals aangekondigd in de brief van 15 april jl. van mijn ambtgenoot van Defensie en mijzelf, heeft op 19 en 20 april de mensenrechtenambassadeur, vergezeld van juridische deskundigen, een bezoek gebracht aan Washington. Doel van dit bezoek was het voortzetten van mijn gesprekken eerder dit jaar met minister van Buitenlandse Zaken Rice en vice-minister van Defensie Wolfowitz (zie mijn brief van 28 februari, Kamerstuk 28676 nr 18) over de zorgen van de Nederlandse regering aangaande de detentie en de juridische status van de gedetineerden in Guantanamo Bay en deze gesprekken te verdiepen tegen de achtergrond van de Nederlandse deelname aan Operation Enduring Freedom. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie-Bakker/van Baalen over de Geneefse Conventies van 5 april (Kamerstuk 27925 nr 169).

De reis van de mensenrechtenambassadeur was ook een vervolg op het overleg in Den Haag op 24 maart met een groep Amerikaanse experts onder leiding van de directeur van de vorig jaar binnen het Pentagon opgerichte afdeling voor detentiezaken, de heer Waxman. Deze had en marge van de VN-Mensenrechtencommissie een presentatie verzorgd over de situatie met betrekking tot Guantanamo Bay.

De mensenrechtenambassadeur heeft in Washington gesproken met zowel de administratie (Buitenlandse Zaken, Pentagon en Nationale Veiligheidsraad) als het Congres en verschillende NGO's teneinde een zo volledig mogelijk beeld te verkrijgen van de VS-positie en tevens de Nederlandse zorgen bij een breed spectrum van actoren aan Amerikaanse zijde nadrukkelijk aan de orde te stellen.

Nederland steunt de VS door middel van de inzet van speciale eenheden in Afghanistan in de strijd tegen terreur, maar zoals bekend (zie ook mijn brief van 1 november 2004) verschilt Nederland met de VS van mening over de toepassing van bepaalde onderdelen van het oorlogsrecht in dit conflict. De mensenrechtenambassadeur heeft hierover openhartig en constructief met de VS gesproken.

Nederland acht de kwalificatie van Al Qaeda- en Taliban-gedetineerden als "unlawful combatants" onwenselijk omdat dit onduidelijkheid creëert over de toepasselijke internationale rechtsnormen en de handhaving daarvan. De VS is van mening dat, aangezien Al Qaeda geen partij is bij de Geneefse Conventies, aan de aanhangers van deze organisatie geen bescherming op grond van de Conventies toekomt. De strijders van de Taliban - als toenmalige regering van Afghanistan wel partij bij de Conventies - zijn door de VS collectief gediskwalificeerd voor de status van krijgsgevangenen op grond van het ontbreken van een deugdelijke commandostructuur en herkenbare uniformen. Nederland is van mening dat over de status van krijgsgevangene discussie mogelijk is, maar dat indien deze niet zou worden toegekend, de status van burger onder de Vierde Geneefse Conventie van toepassing zou moeten zijn. In de Nederlandse visie is het geheel van de Geneefse Conventies een sluitend systeem dat een juridische status met navenante juridische voorzieningen biedt voor alle in de loop van militaire operaties gedetineerde personen, hetzij strijders, hetzij burgers.

Voorts vindt Nederland dat tijdens een gewapend conflict naast de regels van het internationaal humanitair recht ook de internationale mensenrechtennormen - voorzover deze niet in noodsituaties kunnen worden opgeschort - onverkort moeten worden toegepast. Hoewel de VS een beperktere reikwijdte ziet voor internationale mensenrechtennormen tijdens gewapende conflicten, verschillen de VS en Nederland overigens niet van mening waar het gaat om de toepassing van elementaire regels zoals het verbod op foltering, ook tijdens gewapend conflict.

Dat deze verschillende posities fundamenteel zouden veranderen tijdens deze gesprekken, kon niet worden verwacht. Wel is gebleken dat de VS-administratie in toenemende mate de druk voelt van bondgenoten met betrekking tot de situatie in Guantanamo Bay en zich zorgen maakt over de negatieve beeldvorming van de strijd tegen terreur. Ook het beroep dat sommige gedetineerden met succes hebben ingesteld bij verschillende rechtbanken in de VS op het recht niet vastgehouden te worden zonder eerlijk proces ("habeas corpus") hetgeen voor de administratie tot een impasse heeft geleid, speelt hierbij een voorname rol.

Toch dringt het besef door dat het onmiskenbare belang van het weghouden van potentiële strijders van het strijdtoneel niet kan betekenen dat gedetineerden voor onbepaalde tijd en zonder effectieve rechtsgang worden vastgehouden. De VS probeert daarom het aantal gedetineerden terug te brengen door gesprekken aan te gaan met andere regeringen en de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen over het overnemen of vrijlaten van gevangenen. Zo werden op 18 april 17 Afghaanse gedetineerden vrijgelaten. Ook blijken andere regeringen niet altijd in staat garanties te verstrekken over een humane behandeling van gevangenen. Nederland heeft zijn zorg geuit over de mogelijkheid dat gedetineerden worden overgebracht naar landen als Syrië op basis van diplomatieke garanties van een humane behandeling. De VS ging hier niet specifiek op in maar is het in algemene zin met Nederland eens dat gevangenen niet mogen worden overgebracht naar detentiecentra in andere landen waar zij het risico lopen gemarteld te worden.

Ook lijkt de VS-administratie thans meer dan voorheen doordrongen van de noodzaak openheid te verschaffen ten aanzien van de omstandigheden in Guantanamo Bay. De VS is tevreden met de regelmatige bezoeken van het Rode Kruis aan Guantanamo Bay, en studeert daarnaast op de mogelijkheid van bezoeken - binnen de grenzen van wat de VS uit veiligheidsoverwegingen verantwoord vindt - door andere internationale instanties die in tegenstelling tot het Rode Kruis ook publiekelijk verslag kunnen doen van hun bevindingen. Met dit oogmerk heeft de VS overleg gevoerd met een aantal Speciale Rapporteurs van de VN. Nederland, dat steeds heeft aangedrongen op dergelijke stappen, verwelkomt dit overleg. Het bezoek van de mensenrechtenambassadeur viel samen met het moment dat de VS onder druk stond van een Cubaanse ontwerp-resolutie in de VN-mensenrechtencommissie inzake Guantanamo Bay. Nederland heeft aangegeven op basis van de inhoud van de resolutie slechts tegen te kunnen stemmen (NB op grond van de ongeloofwaardige positie van de voornaamste sponsor inzake toelating van Speciale Rapporteurs) indien de VS een betekenisvol gebaar zou maken. In dit verband is Nederland instrumenteel geweest in het tot stand komen van een Amerikaanse verklaring waarin de VS stelt in overleg te zijn met de Speciale Rapporteurs teneinde hun bezoeken aan Guantanamo Bay mogelijk te maken. Overigens is door de mensenrechtenambassadeur niet alleen een grotere openheid bepleit ten aanzien van Guantanamo Bay maar ook ten aanzien van gevangenissen in Afghanistan.

Al met al kan worden geconstateerd dat de intensieve dialoog die Nederland sinds mijn bezoek aan minister Rice en vice-minister Wolfowitz met de VS op dit gevoelige punt is aangegaan positief is geweest. Op basis van een gedeeld commitment aan de strijd tegen terrorisme bleek het mogelijk op kritische maar constructieve wijze overleg te voeren over de toepassing van het internationaal humanitair recht. Juist omdat Nederland in Afghanistan schouder aan schouder staat met de VS in de coalitie tegen terrorisme, staat de VS open voor Nederlandse argumenten dienaangaande. Dit bleek wederom tijdens mijn gesprek zaterdag 7 mei met minister Rice, waarbij ik opnieuw de situatie in Guantanamo Bay aan de orde stelde. Nederland en de VS blijven hierover in gesprek.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Dr. B.R. Bot

---- --