Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4
Den Haag

Directie Integratie Europa
Afdeling Extern
Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

Datum
29 augustus 2005
Behandeld
Karin Wester

Kenmerk
DIE-273/05
Telefoon
070 348 5462

Blad

1/1
Fax
070 348 6381

Bijlage(n)

1
karin.wester@minbuza.nl
Betreft
Beantwoording vragen van het lid Herben over verkwisting van ontwikkelingshulp door de EU-lidstaten

Graag bied ik u hierbij, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris voor Europese Zaken, de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door het lid Herben over verkwisting van ontwikkelingshulp door de EU-lidstaten. Deze vragen werden ingezonden op 18 juli met kenmerk 2040518470.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven

Antwoord van mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven, minister voor Ontwikkelingssamenwerking, mede namens de heer Bot, minister van Buitenlandse Zaken en de heer Nicolaï, de staatssecretaris voor Europese Zaken, op vragen van het lid Herben (LPF) over verkwisting van ontwikkelingssamenwerking door de EU-lidstaten

Vraag 1
Is het waar dat momenteel ruim 20% van de door de lidstaten van de Europese Unie gegeven ontwikkelingshulp wordt verspild door bijvoorbeeld onnodige administratieve kosten, overlappingen en dubbelbetalingen?

Antwoord
Het lid Herben heeft de vragen gebaseerd op een artikel in de Spits van 14 juli jl., waarin enkele uitspraken van Europees Commissaris Louis Michel over de ontwikkelingssamenwerking van de EU-lidstaten worden geciteerd. De Spits heeft onder andere opgetekend dat Michel schat dat 10 miljard van de 46 miljard Euro aan hulp wordt verkwist. Navraag bij de Commissie heeft uitgewezen dat de Commissaris hier vooral een politiek signaal heeft willen afgeven en duidelijk heeft willen maken dat er behoefte bestaat aan meer coördinatie en harmonisatie van de bilaterale hulpprogramma's van de EU-lidstaten. De bedragen die worden genoemd zijn niet op specifieke gegevens gebaseerd. Het betreft een persoonlijke inschatting van Commissaris Michel.

Voor Nederland zijn de rapportages van het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO leidend. Uit de meest recente gegevens blijkt dat de EU-lidstaten in 2004 gezamenlijk 42.9 miljard USD besteedden aan Official Development Assistance (ODA). Over 'verspilling' van de hulp door EU-lidstaten zijn geen OESO/DAC gegevens voorhanden.

De regering is het met Commissaris Michel eens dat de effectiviteit van de hulp gebaat is bij verdergaande coördinatie en samenwerking tussen donorlanden onderling en verdere afstemming van de hulp op de procedures en systemen van de ontvangende partnerlanden. Daarom is Nederland een van de voortrekkers op het gebied van donorcoördinatie en harmonisatie. Zo is tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap een EU-Actieplan op het gebied van harmonisatie en coördinatie opgesteld en heeft Nederland een belangrijke bijdrage geleverd aan de afspraken die zijn gemaakt tijdens het High Level Forum on Harmonisation, Alignment & Results, dat van 28 februari tot 2 maart jl. plaatsvond in Parijs.

Vraag 2
Is bij dit percentage ook rekening gehouden met verkwisting als gevolg van corruptie? Zo ja, hoe groot is het deel van genoemde 20% dat verloren gaat als gevolg van corruptie? Zo neen, hoeveel bedraagt dit percentage?

Antwoord
De uitspraken betreffen een inschatting van Commissaris Michel. Over corruptie heeft hij in dit verband geen uitspraken gedaan.

Vraag 3
Geldt het percentage van 20% ook voor de Nederlandse ontwikkelingshulp? Zo neen, hoeveel bedraagt het percentage, en waarop is dit percentage gebaseerd?

Antwoord
Aangezien de uitspraken niet op specifieke gegevens gebaseerd zijn, is deze vraag als zodanig moeilijk te beantwoorden.

Op een van de elementen in de uitspraken van Michel, namelijk de administratieve kosten, kan ik echter wel nader ingaan. Aan de hulpverlening zijn inderdaad administratieve kosten verbonden. Een belangrijk deel daarvan bestaat uit zogenaamde apparaatskosten. Deze bedroegen volgens opgave van het DAC in 2003 3.5 miljard USD, hetgeen overeenkomt met ca. 5% van de totale ODA in dat jaar. Voor Nederland geldt een vergelijkbaar percentage. De inzet van Nederland is om deze en andere administratieve kosten zo laag mogelijk te houden. Hieraan wordt op verschillende manieren gewerkt. Zo maakt Nederland waar mogelijk gebruik van lokale procedures of komt het gezamenlijke procedures overeen met andere donoren; maakt het gebruik van de analyses van anderen in plaats van zelf analyses uit te voeren; en gaat het silent partnerships aan. Over deze en andere maatregelen zijn afspraken gemaakt tijdens het High Level Forum on Harmonisation, Alignment & Results.

Vraag 4
Indien u geen percentage kunt geven, bent u bereid onderzoek te laten doen op grond waarvan u wel een percentage kunt aangeven? Zo neen, waarom niet?

Antwoord
Een losstaand onderzoek van donorzijde lijkt me van beperkt belang. Veel belangrijker is het dat, per land, de verantwoording van uitgaven waar nodig wordt verbeterd. Daar investeert Nederland, met anderen, intensief in, onder andere door versterking van Rekenkamers, de rol van Parlementen en - op basis niveau - de verantwoording van lokaal bestuur en dienstverleners aan de bevolking (het zogenaamde accountability vraagstuk).

Vraag 5
Hoe is het mogelijk dat donorlanden drie keer voor hetzelfde project betalen? Om welke projecten gaat het? Waarom wordt hiervan geen melding gemaakt door de ontvangende landen en organisaties?

Antwoord
Ook deze vraag heeft betrekking op een in de Spits geciteerde uitspraak van Commissaris Michel. Ik kan de vraag daarom moeilijk beantwoorden, maar wil wel benadrukken dat de inspanningen van Nederland en andere donorlanden op het gebied van coördinatie en harmonisatie er onder andere op gericht zijn overlap zoveel mogelijk te voorkomen.

Vraag 6
Zijn de Nederlandse regering en/of Nederlandse hulporganisaties betrokken bij dergelijke projecten? Zo ja, welke projecten, welke organisatie(s) en welke landen betreft dit?

Antwoord
Zie het antwoord op vraag 5.

Vraag 7
Is het waar dat sommige ontwikkelingslanden momenteel geen hulp ontvangen omdat iedere EU-lidstaat er een eigen beleid op na houdt? Zo ja, om welke landen gaat het? Wat zijn hiervan de gevolgen (geweest) voor de betrokken landen? Is de Nederlandse regering van plan zich in te spannen voor deze landen, zodat zij alsnog voor hulp in aanmerking kunnen komen?

Antwoord
Zoals de beleidsnotitie 'Aan elkaar verplicht' het beleidskader vormt voor het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, hebben ook andere lidstaten van de Europese Unie een beleidskader op basis waarvan hun ontwikkelingsbeleid vorm krijgt. Ook de Commissie heeft een eigen beleidskader.

Het EG Verdrag bepaalt dat de Commissie alle noodzakelijke initiatieven kan nemen om de coordinatie van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Gemeenschap en de lidstaten te bevorderen. Verder bepaalt het Verdrag dat het beleid van de Commissie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking een aanvulling vormt op het beleid van de lidstaten. Als leidraad hiervoor is in 2000 een gezamenlijke Beleidsverklaring opgesteld. Deze verklaring wordt momenteel herzien.

De Commissie stelt in de discussie over de herziening voor om te komen tot een grotere mate van harmonisatie en coördinatie tussen de EU lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie. Zij doet hiertoe onder andere een voorstel voor een Common Thematic Framework voor een gezamenlijk ontwikkelingssamenwerkingsbeleid teneinde de effectiviteit en coherentie van het beleid te vergroten.

De Nederlandse regering zet zich binnen de EU en in andere fora zoals de OESO/DAC continu in om het beleid van donoren zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en het ontvangende land centraal te zetten. In dat verband ondersteun ik de voorstellen die de Commissie in de herziene Beleidsverklaring voorstelt ter vergroting van de harmonisatie en coordinatie van harte. Daarnaast acht ik het van groot belang dat coordinatie, complementariteit en een logische verdeling van taken tussen EU lidstaten en de Commissie centraal blijven staan in het ontwikkelingsbeleid van de EG en de EU lidstaten, zoals ook verwoord in het EG Verdrag.

Naast de Beleidsverklaring ontwikkelt de Commissie momenteel een 'donoratlas' om inzichtelijk te maken wie wat, waar en hoe doet. De donoratlas is 'werk in uitvoering' en zal met steun van de EU lidstaten en de partnerlanden verder moeten worden ontwikkeld. Ik juich dergelijke initiatieven toe omdat zo voorzien wordt in concrete instrumenten om de beleidsdoelstelling ten aanzien van effectiviteit te bereiken.

Er zijn inderdaad ontwikkelingslanden die meer belangstelling van de donorgemeenschap krijgen dan andere. Met name fragiele staten vallen snel buiten de boot. Hoewel dit begrijpelijk is - vaak maakt het politieke en sociaal-economische klimaat het lastiger om hier effectief in ontwikkeling te investeren - ben ik van mening dat we de minder goed presterende landen niet links mogen laten liggen. Dertig procent van de armste mensen, die moeten leven van minder dan een dollar per dag, bevinden zich in fragiele staten. Bovendien hebben staten met een hoge mate van onstabiliteit en onveiligheid een negatief effect op de ontwikkeling van buurlanden.

Het verheugt mij dan ook te zien dat de Commissie in haar voorstel voor een herziene Beleidsverklaring expliciet de noodzaak uitspreekt om fragiele staten onverminderd te ondersteunen in de wederopbouw, zelfs in de moeilijkste situaties. Dit vereist een gecoordineerde en integrale benadering waarbij de EU lidstaten en de Commissie nauw samenwerken. Nederland zal zich sterk maken voor onverminderde aandacht voor deze landen en blijven wijzen op de noodzaak van een gecoordineerde en integrale aanpak waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de synergie tussen de verschillende instrumenten van de EU lidstaten en de Europese Gemeenschap.