Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De Voorzitter van de Tweede Kamer Postbus 90801 der Staten-Generaal 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Binnenhof 1 A Telefoon (070) 333 44 44 2513 AA S GRAVENHAGE Fax (070) 333 40 33 www.szw.nl 2513AA22XA

Contactpersoon Ons kenmerk IZ/EA/2007/21367 Doorkiesnummer Datum 20 juni 2007

Onderwerp Raad WSB van 30 mei 2007, verslag

Hierbij zend ik u het verslag van de Raad WSB van 30 mei 2007.

Over het richtlijnvoorstel aanvullende pensioenrechten werd ­ door verzet van Nederland ­ geen overeenstemming bereikt. De andere teksten die voor besluitvorming voorlagen (over sociale zekerheid migrerende werknemers, de communautaire strategie veiligheid en gezondheid op het werk, actief ouder worden, gezinsvriendelijk beleid, en over het actieprogramma van Peking) werden zonder problemen aanvaard. De door het Duitse voorzitterschap gelanceerde Alliantie van het gezin werd alom positief onthaald.

De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,

(J.P.H. Donner)

Ons kenmerk

Verslag van de Raad WSBVC (deel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid) van 30 mei 2007


1.Werkgelegenheidsrichtsnoeren
De Werkgelegenheidsrichtsnoeren werden conform het voorstel vastgesteld zonder wijzigingen en zonder de door het Europese Parlement gevraagde overweging


2. Actief ouder worden
De Raad stelde een door EMCO en SPC voorbereide opinie vast over `actief ouder worden'. In zijn toelichting wees de EMCO-voorzitter erop dat de participatiegraad van ouderen in de lidstaten al een stijgende tendens toont maar dat meer nodig is om de Europese doelstelling van 50 procent voor oudere werknemers te bereiken. Hij benadrukte dat een integrale aanpak nodig is ­ in samenspraak met de sociale partners ­ met een centrale rol voor levenslang leren. Daarnaast dient de negatieve beeldvorming rond oudere werknemers dringend te worden bijgesteld. De SPC-voorzitster wees op het feit dat hogere participatiegraden voor ouderen bijdragen aan het betaalbaar houden van sociale beschermingssystemen.


3 "Goed werk" (resolutie van de Raad over een nieuwe communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk)

Commissaris Spidla presenteerde de Commissie-mededeling inzake de nieuwe communautaire strategie veiligheid en gezondheid op het werk (2007-2012). Hij wees erop dat gedurende de looptijd van de vorige communautaire strategie het aantal ongevallen in de EU met 17% is gedaald en dat nu gepoogd moet worden om dat aantal nog eens met 25% te doen dalen. Het aantal arbeidsongevallen en ziekten ten gevolge van het werk is nog steeds veel te hoog. De kosten bedragen per jaar 55 miljard euro en er gaan 550 miljoen arbeidsdagen door verloren.

In de discussie werd door vrijwel alle lidstaten benadrukt dat het van groot belang is dat sociale partners zowel op Europees als nationaal niveau hierbij een rol spelen. Op Europees niveau is verder een rol weggelegd voor het EU-agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk in Bilbao en de Dublin Stichting. Een aantal lidstaten gaf aan de beleidsinspanningen vooral te richten op het midden- en kleinbedrijf, de bouw en op de onderaannemerij. Veel lidstaten benadrukken verder het belang van preventie en bewustwording. Het idee om de Europese aanpak als `trademark' uit te dragen naar landen buiten de EU kon op instemming rekenen waarbij wel van verschillende kanten werd gewezen op de noodzaak van een goede balans met de vereenvoudiging van wetgeving en het terugdringen van administratieve lasten en de noodzaak van voldoende ruimte voor een nationale (tripartite) aanpak.

Het komende Portugese voorzitterschap maakte duidelijk het "uitstekende werk" van Duitsland te willen voortzetten. Commissaris Spidla gaf aan veiligheid en gezondheid op het werk als integraal onderdeel te zien van het Europese Sociale Model. De beoogde reductie van
---

Ons kenmerk

het aantal arbeidsongevallen met nog eens 25% noemde hij "wellicht erg ambitieus maar haalbaar".

De resolutie werd aangenomen.


4. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, titel III, hoofdstuk I (Prestaties bij ziekte en moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen) en titel IV, hoofdstuk 1 (Financiële bepalingen)

Dit voorstel werd zonder discussie aanvaard.
Bij de tekst van het hoofdstuk over Prestaties bij ziekte is een verklaring gevoegd waarin staat dat dit hoofdstuk mogelijk op een later tijdstip herzien moet worden in het licht van het richtlijnvoorstel over grensoverschrijdende zorgverlening en patiëntenmobiliteit. Naar verwachting presenteert de Commissie dit voorstel eind van dit jaar.


5. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en tot vaststelling van de inhoud van bijlage VIII en bijlage XI

Het voorstel werd zonder discussie aanvaard


6. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale- zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (Diverse wijzigingen 2006).

Het voorstel werd zonder discussie aanvaard.


7. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimum- vereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers door verbetering van de verwerving en het behoud van de aanvullende pensioenrechten

Nederland gaf aan met het nu voorliggende voorstel zowel vanuit nationaal als uit Europees Perspectief niet te kunnen instemmen omdat het in elk geval in zijn huidige vorm niet, zoals beoogd, een bijdrage levert aan het verhogen van de arbeidsmobiliteit. Het voorstel is immers in de loop van de onderhandelingen steeds verder ingeperkt en nu nog slechts op een beperkt aantal lidstaten en regelingen van toepassing en het is de vraag of daar verandering in zal komen. Daarnaast is de formulering van artikel 5, over het behoud van slapende pensioenrechten, problematisch. Nederland uitte daarmee niet alleen de zorgen van de
---

Ons kenmerk

Nederlandse regering maar ook van de Tweede Kamer, die de Nederlandse regering in een nieuwe, de voorgaande dag aangenomen, motie gemaand om niet met deze tekst in te stemmen.

Nederland heeft dit standpunt als volgt toegelicht.
Het effect van de richtlijn wordt teveel naar de toekomst verschoven waardoor de arbeidsmobiliteit niet bevorderd wordt. Door de werking ervan te beperken tot toekomstige rechten, gecombineerd met een dreigend uitstel van implementatie, zou de richtlijn voor de huidige generatie geen effect meer kunnen hebben. Dan waren er ook nog een aantal verzoeken geweest om specifieke regelingen uit te zonderen van het toch al beperkte toepassingsgebied van de richtlijn. Bovendien zijn sommige criteria uit het voorstel teveel verwaterd geraakt. Zo duurde het nu vijf jaar in plaats van, zoals de Commissie had voorgesteld, twee jaar voordat een werknemer zou kunnen beschikken over opgebouwde rechten.

Ook hebben de onderhandelingen aangetoond dat het er niet naar uitziet dat het aantal aanvullende pensioenregelingen in de EU zal toenemen. Dit zou ook blijken uit specifieke passages die aan de tekst waren toegevoegd zoals een overweging waarmee individuele pensioenrechten buiten de werkingssfeer van de richtlijn worden gelaten. Al met al een groot gebrek aan impact en toepassing in de lidstaten.

Daarnaast laat de huidige tekst ook juridische interpretatieruimte - in het bijzonder artikel 5 over het behoud van slapende pensioenrechten ­ die opgelost zou moeten worden om mogelijke financiële risico's in de toekomst uit te sluiten.

Nederland heeft tot slot aangegeven de indruk te hebben niet alleen te staan in zijn zorgen over de huidige tekst en in samenwerking met de andere lidstaten te willen bezien hoe gekomen kan worden tot een betere tekst, die recht zou doen aan de zorgen van de Nederlandse regering en van de Tweede Kamer.

Het Voorzitterschap concludeerde dat het vanwege de positie van Nederland geen zin had de richtlijn in stemming te brengen en gaf aan dat het nu aan Portugal was om in de komende periode vooruitgang te boeken met het voorstel. Frankrijk gaf aan met het voorstel te kunnen instemmen en ook af te kunnen zien van het verzoek om leidinggevenden en andere personen met autonome beslissingsbevoegdheid uit te zonderen van het toepassingsgebied van de richtlijn. België benadrukte zijn steun voor het oorspronkelijke Commissie voorstel en vond het jammer dat er geen akkoord kon worden bereikt vanwege het belang van Europese regels over dit onderwerp. Finland vond dat ook. Italië en Griekenland wilden de handdoek niet in de ring gooien.
Commissaris Spidla riep de Raad op om niet op te geven want aanvullende pensioenen zijn een must tijdens de komende decennia van vergrijzing. Mobiliteit mag werknemers geen geld
---

Ons kenmerk

kosten in de vorm van verminderde pensioenrechten. Na de stemming in het Europese Parlement (20 juni) zal de Commissie met een nieuw voorstel komen. De Commissaris sprak de verwachting uit dat er constructief verder zou worden gewerkt.


8. Ontwerp-conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, over het belang van gezinsvriendelijke beleidsmaatregelen in Europa en de instelling van een Alliantie voor het gezin.

Voorzitter minister Von der Leyen leidde het debat in. Zij wees daarbij op de haars inziens belangrijkste elementen in het debat rond gezinsvriendelijk beleid. In de eerste plaats is dat het vinden van (een) evenwicht tussen werk en gezin, een punt dat nauw samenhangt met de Lissabon strategie. Een volgend punt is de verhouding tussen generaties waarbij een bepaalde generatie niet bovenmatig belast mag worden. Een derde punt betreft de voorwaarden die geschapen dienen te worden om ouders in staat te stellen het aantal kinderen te krijgen dat zij wensen. En als vierde en laatste aandachtspunt noemde zij de gelijkheid vrouw/man resp. moeder/vader bij de zorg voor kinderen en andere afhankelijke personen. Wat betreft de uitwerking op communautair niveau van de Europese alliantie voor het gezin wees zij met name op de rol van SPC en de groep op hoog niveau inzake demografie, die op 11 juni voor de eerste keer bij elkaar zal komen.

Commissaris Spidla zette kort de inhoud uiteen van de Commissie-mededeling van 10 mei j.l. (Promoting solidarity between generations). In het algemeen stelde hij dat er betere omstandigheden moeten komen voor gezinnen. Met name de vrouw/moeder wordt te vaak voor bijzonder lastige keuzes gesteld rond werk en gezin en dat dient zo snel mogelijk te veranderen. Vervolgens liep hij de verschillende acties langs die in het kader van de Europese alliantie voor het gezin aan de orde (zullen) zijn:

· de instelling van een groep op hoog niveau inzake demografie (met als vz de voormalige Oostenrijkse minister van sociale zaken, mw Hostasch),
· de instelling van een aantal netwerken,

· het tweejaarlijks te houden Forum inzake demografie,
· het "observatoire" dat in Dublin bij de Stichting tot bevordering van de arbeids- en levensomstandigheden zal worden opgezet,

· de mogelijkheid om onderzoek via het 7e kaderprogramma te financieren en andere acties via het ESF.
Tenslotte meldde hij dat de Commissie met een praktische handleiding zal komen voor lokale overheden en dat er in 2010 een evaluatie zal worden opgesteld van de activiteiten in het kader van de Europese Alliantie.

De voorzitter van het SPC zette kort de werkzaamheden van het Comité uiteen. Zij wees op de relatie gezin - sociale uitsluiting. Aandacht zal de komende tijd vooral uitgaan naar de strijd tegen armoede onder kinderen.

---

Ons kenmerk

In het vervolg van het debat kwamen een paar punten duidelijk naar voren. Het initiatief van het Duitse voorzitterschap om tot een Europese Alliantie voor het gezin te komen werd alom geprezen. Het wordt gezien als een nuttig instrument dat met name de uitwisseling van ervaringen en best practices op EU niveau mogelijk maakt en zodoende kan bijdragen aan de ontwikkeling van het nationale beleid terzake. Duidelijk is immers dat de bevoegdheid rond gezinsvriendelijk beleid een nationale is maar een instrument als peer learning kan toegevoegde waarde leveren, vanuit het EU niveau. Ook Nederland liet zich in deze zin uit.

Thema's die werden aangesneden en waar lidstaten dan ook met name de uitwisseling van informatie en best practices op wilden richten betroffen vooral de combinatie van werk en gezin, de (gelijke) verdeling van zorgtaken in het gezin en dan met name uiteraard de rol van vaders en verder de ontwikkeling van kwalitatief goede diensten die beschikbaar moeten zijn om de combinatie werk en gezin mogelijk te maken. Andere thema's die, zij het in mindere mate werden genoemd betroffen de noodzaak om financiële steun te verlenen voor gezinnen met kinderen, de steun c.q. zorg voor afhankelijke personen binnen het gezin.

Minister Rouvoet meldde dat hij, als eerste Nederlandse minister verantwoordelijk voor het gezin, bezig is een programma te ontwikkelen voor de komende vier jaar en dat hij dat programma zal inbrengen in de Europese Alliantie zodat alle Lidstaten kennis kunnen nemen van de Nederlandse beleidsvoornemens. Ook hij wees op de noodzaak om tot een verhoging van de arbeidsparticipatie te komen via een gezinsvriendelijk beleid. Als voorbeelden vanuit Nederland noemde hij de verlenging van het ouderschapsverlof en de levensloop regeling. Op onderwerpen zoals telewerken en flexibele werktijden wilde hij graag informatie uitwisselen met anderen die daar ervaring mee hebben opgedaan. Verder was minister Rouvoet van mening dat in het kader van de Alliantie ook aandacht dient te worden besteed aan de opvoeding van kinderen en dat ouders dan ook moeten worden bijgestaan in hun verantwoordelijkheid voor zorg en opvoeding, zoals in Nederland gebeurt via het kindgebonden budget en de lokale centra voor jeugd en gezin.

Voorzitter Von der Leyen sloot het debat af met enkele korte opmerkingen. Duidelijk is dat er veel meer informatie en feiten op tafel moeten komen en uiteraard moeten worden uitgewisseld maar daar is de Alliantie dan ook voor bedoeld. Zij noemde als eerste welke financiële stromen gezinnen effectief kunnen helpen en als tweede punt de infrastructuur die gezinnen nodig hebben. Tenslotte riep zij het Europese bedrijfsleven op om trendsetter te worden in gezinsvriendelijkheid.

De Raadsconclusies werden vervolgens aangenomen.


---

Ons kenmerk


9. Uitvoering van het Actieprogramma van Peking gelijke kansen m/v (Raadsconclusies) Raadsconclusies werden aanvaard


10. Sociale diensten van algemeen belang (Mondeling voortgangsverslag van de voorzitter van het Comité voor sociale bescherming, SPC)

De voorzitster van het SPC zette kort de werkzaamheden van het Comité uiteen ten aanzien van de sociale diensten van algemeen belang. Zij memoreerde daarbij de Commissie- mededeling uit 2006 en de daaraan gehechte vragenlijst. Analyse van de antwoorden leerde dat een meerderheid van de respondenten een wettelijk instrument op dit terrein niet nodig achten. Een minderheid bestaande uit organisaties op het maatschappelijke middenveld en enkele lidstaten achtte dat wel nodig. Zij verzocht de Commissie om de activiteiten op het onderhavige terrein voort te zetten. De open methode van coördinatie is een nuttig instrument evenals de tweejaarlijkse rapportage die de Commissie zal gaan verzorgen. Het onderwerp blijft op de agenda staan van SPC.

Commissaris Spidla meldde dat er in november een mededeling van de Commissie zal komen waarin een kader zal worden neergezet waarbinnen, naar de opvatting van de Commissie, modernisering van de sociale diensten van algemeen belang mogelijk is.

De Raad nam kennis van de mondelinge informatie.


---