Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL

Vergaderjaar 2007-2008

31 310 Wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen

Nr. NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen

Graag wil ik de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap danken voor de opmerkingen die zij in het verslag hebben gemaakt en voor de vragen die zij hebben gesteld.
In het onderstaande ga ik, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in op de vragen en opmerkingen in het verslag. Bij deze nota naar aanleiding van het verslag is een nota van wijziging gevoegd.

Bij de beantwoording van de vragen van de commissie zal zoveel mogelijk de volgorde worden aangehouden die zij zelf hanteert.


1. Inleiding
Met genoegen constateer ik dat het wetsvoorstel in het algemeen op steun vanuit de Kamer kan rekenen.


2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel De leden van de VVD-fractie vragen welke partij de laatste stem heeft bij de stichting van scholen nu het Plan van Scholen vervalt. Wat betreft de stichting van scholen legt dit voorstel vast dat als een wettelijk vast- gelegd potentieel aan leerlingen is aangetoond, er een recht is op stichting. De criteria daarvoor zijn wettelijk vastgelegd.
Het verschil met de huidige wetsbepalingen over het Plan van Scholen is, dat de mogelijkheid voor de minister ontbreekt om ook onder dat vastgelegde potentieel aan leerlingen toestemming te geven voor stichting, behoudens als het gaat om het openbaar onderwijs. Ik deel de opvatting van de leden van de VVD-fractie dat het parlement de regering behoort te controleren op het stelsel, niet op individuele

W3771.NAV 1

beslissingen over de stichting van scholen. Het wetsvoorstel laat het Plan van Scholen

en daarmee de invloed van het parlement op individuele uitvoeringsbeslissingen dan ook vervallen. Het parlement behoudt uiteraard invloed op de wettelijke regels voor het stelsel. Ook zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de beslissingen rond de stichting via het jaarverslag. Op basis daarvan kan de Kamer vaststellen of de wettelijke regels aanpassing behoeven.


3. Stichtings- en opheffingsnormen
De leden van de CDA-fractie vragen waarom de stichtings- en opheffingsnormen, met uitzondering van die voor lycea, niet aangepast worden, wat de overwegingen zijn om de gehanteerde aantallen te behouden en wat de ratio is achter de aantallen. Zijn de genoemde aantallen reëel gezien het feit dat 35% van de scholen onder de stichtings- norm zit?
Uit het oogpunt van levensvatbaarheid ligt het voor de hand, dat een categoriale avo- school ten minste twee klassen per leerjaar moet kunnen vormen. Daarom is in dit wetsvoorstel de historische norm van 65 leerlingen per leerjaar, die nu voor het mavo geldt, ook toegepast voor de andere schoolsoorten. Daardoor komt bijvoorbeeld de norm voor het havo circa 10% lager uit en die voor atheneum/vwo 10% hoger. Meer dan 80% van de scholen is opgenomen in scholengemeenschappen; bij scholengemeenschappen compenseren veelal de verlagingen per schoolsoort de verhogingen.
Een lagere norm voor alle schoolsoorten kan er snel toe leiden dat een school eerst wordt gesticht en hoge huisvestingskosten met zich meebrengt en bij een iets tegen- vallende instroom van leerlingen weer moet sluiten. Dat zou hoge maatschappelijke kosten in de huisvesting veroorzaken.
Voor het categoriale vbo wordt eveneens van 65 leerlingen per leerjaar uitgegaan als het een school met één afdeling betreft. Als het om meer afdelingen gaat is een aantal leerlingen vereist van 160 leerlingen. Dit omdat de programma's per afdeling sterk verschillen en hoge afschrijvingen op inventaris met zich meebrengen. Dat een substantieel deel van de scholen onder de stichtingsnorm zit (circa 35%), betekent niet dat de stichtingsnorm niet reëel is. De geringere of juist grotere belangstelling voor een nieuwe school dan geraamd kan voortvloeien uit een grotere of juist geringere aantrekkingskracht op ouders en leerlingen van een bestaande school in dezelfde regio. Daarnaast is het uiteraard niet te voorkomen, dat het totaal aantal leerlingen (de basisgeneratie) in de ene regio toeneemt en in de andere regio afneemt en daarmee ook het gemiddeld aantal leerlingen per school in de regio.


---
W3771.NAV

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de aantallen worden bepaald en indien dit bij

ministeriële regeling is, of deze dan naar de Kamer kan worden gezonden. De stichtings- en opheffingsnormen zijn opgenomen in de wet zelf. De stichtingsnormen zijn geregeld in het nieuwe artikel 65 WVO. De opheffingsnormen zijn geregeld in het nieuwe artikel 107 WVO. Deze normen worden dus niet bij lagere regelgeving vastgesteld, waarmee toezending van die lagere regelgeving aan de Kamer niet aan de orde is. Om inzichtelijk te maken wat de stichtings- en opheffingsnormen nu zijn en wat zij worden in dit wetsvoorstel: zie onderstaande tabellen.

Stichtingsnormen
Schoolsoort Categoriale school Scholengemeenschap is wordt is wordt atheneum 340 - 255 - gymnasium 355 - - - lyceum 460 - 460 - vwo1 - 390 - 292 havo 360 325 270 244 mavo 260 260 195 195 vbo 1 afdeling 260 260 260 195 2 afdelingen 320 320 320 240 3 afdelingen 480 480 480 360
4 afdelingen 640 640 640 480 praktijkonderwijs 120 120 90 90


1 Vwo vervangt in de "wordt" situatie atheneum, gymnasium en lyceum, omdat zowel de atheneum- als de gymnasiumstroom mag worden aangeboden; de nieuwe getalsnorm voor vwo moet dus vooral met die voor het lyceum vergeleken worden.
---
W3771.NAV

Opheffingsnormen

schoolsoort Categoriale school Scholengemeenschap is wordt is wordt atheneum 240 - 180 - gymnasium 240 - - - lyceum 300 - 300 - vwo2 - 292 - 195 havo 240 243 150 165 mavo 240 195 120 130 vbo 1 sector 240 195 120 130
2 sectoren 240 240 240 160
3 sectoren 240 240 240 240
4 sectoren 360 360 360 320 praktijkonderwijs - 90 - 66

De leden van de CDA-fractie vragen tevens of de regering bereid is de in artikel 76 WVO voorziene ministeriële regelingen om te zetten in algemene maatregelen van bestuur met voorhang.
Omzetting van de voorziene ministeriële regelingen in algemene maatregelen van bestuur is niet praktisch, omdat het gaat om tamelijk gedetailleerde, technische zaken of zaken die naar verwachting regelmatig aanpassing behoeven. Dit soort zaken leent zich bij uitstek voor vaststelling bij ministeriële regeling. Bij de ministeriële regeling(en) op basis van het nieuwe artikel 76 WVO moet worden gedacht aan:

- berekeningswijzen voor de prognose van het leerlingenaantal benodigd bij stichting of splitsing,

- berekeningswijze voor het leerlingverlies van een school/vestiging indien scholen in de omgeving nieuwe voorzieningen plannen,

- welke gegevens een school moet leveren indien men een tijdelijke nevenvestiging wil starten (datum, adres),
enz.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is om ook voor het bijzonder onderwijs een vergelijkbare uitzondering te maken op de stichtingsnorm in verband met de bereikbaarheid zoals voor het openbaar onderwijs. Zou een dergelijke uitzondering ook niet moeten gelden voor de opheffing van scholen?

2 Vwo vervangt in de "wordt" situatie atheneum, gymnasium en lyceum, omdat zowel de atheneum- als de gymnasiumstroom mag worden aangeboden; de nieuwe getalsnorm voor vwo moet dus vooral met die voor het lyceum vergeleken worden.
---
W3771.NAV

In de afgelopen tien jaar is niet de noodzaak gebleken van het afwijken van de

stichtingsnorm omdat anders de bereikbaarheid in het geding kwam, noch voor het bijzonder onderwijs noch voor het openbaar onderwijs. Artikel 23, vierde lid, van de Grondwet geeft een specifieke opdracht aan de overheid om te zorgen voor voldoende openbaar onderwijs, met het oog waarop de garantiebepalingen van de huidige wet zijn overgenomen in het wetsvoorstel (het nieuwe artikel 67 komt overeen met huidig artikel 66, leden 3 en 3a, WVO). De Grondwet bevat geen vergelijkbare opdracht voor het bijzonder onderwijs. Een bepaling die het ook voor het bijzonder onderwijs mogelijk maakt een uitzondering te maken op de stichtingsnorm, acht ik dan ook niet nodig.
Wat betreft de opheffing van scholen is het al mogelijk om op basis van artikel 108, vierde lid, WVO in specifieke situaties, zoals bij eilandscholen, een uitzondering te maken.

De leden van de CDA-fractie geven verder aan dat in de technische briefing werd gesteld dat de aanvragen worden beoordeeld op huidige leerlingencijfers en niet op toekomstige en vraagt de staatssecretaris dit nader toe te lichten. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de berekening van het leerlingverlies bij een uitbreiding van het onderwijsaanbod op basis van een regionaal plan onderwijs- voorzieningen (RPO), en de berekening van leerlingenaantallen bij stichting. Bij een uitbreiding van het onderwijsaanbod op basis van een RPO wordt er van uitgegaan dat de uitbreiding op het moment van aanvraag al volgroeid is (alle leerjaren tellen mee). Vervolgens wordt het leerlingverlies bij een vestiging van een omliggende school berekend op basis van het feitelijk aantal leerlingen van die vestiging op het moment van aanvraag van de uitbreiding. Bij aanvragen voor stichting daarentegen wordt niet van leerlingen op het moment van aanvraag uitgegaan, maar van toekomstige leerlingen. Er wordt een berekening gemaakt van het toekomstige aantal leerlingen voor de middellange termijn (4 jaar na de vroegste datum aanvang bekostiging) en langere termijn (8 jaar daarna).
De berekening op basis van een RPO sluit het dichtst aan bij de werkelijkheid. De berekening bij stichting is noodzakelijkerwijs een meer modelmatige. Het gebied waaruit de leerlingen feitelijk afkomstig zijn, is niet bekend en als de toekomstige groei er niet bij wordt betrokken wordt het wel heel moeilijk in situaties van sterke groei tijdig in scholen te voorzien.

Ook willen deze leden graag weten in hoeverre het wetsvoorstel rekening houdt met extreme daling dan wel groei van het leerlingenaantal. Met name in de regio's
---
W3771.NAV

Limburg, Friesland, Zuid-Holland en Zeeland is in de komende periode sprake van een

extreme daling van het leerlingenaantal. In de regio Flevoland is daarentegen de komende tijd sprake van een extreme groei van het leerlingenaantal. Dit wetsvoorstel treft geen voorziening voor de bekostigingsgevolgen van extreme leerlinggroei of extreme leerlingdaling bij bestaande scholen. Zoals aangegeven in het voorgaande wordt bij stichting rekening gehouden met de afname of groei van het aantal leerlingen over 4 en over 8 jaar. Zoals is toegezegd, zal in het kader van de modernisering van de bekostiging worden ingegaan op de motie over de demografische ontwikkelingen.

De leden van de CDA-fractie vragen of voor de nieuw gestichte scholen van de laatste 10 jaar, waarvoor een aantal leerlingen redelijkerwijs was aangetoond, deze leerlingen ook na opening van de school daadwerkelijk aanwezig waren. Kan voor scholen, waarbij dat niet het geval was, worden aangeven waardoor dat veroorzaakt is.
In de afgelopen 10 jaar zijn er 9 scholen gesticht: 3 scholen van de evangelische richting, 2 van de islamitische richting en 4 van andere richtingen. De 5 scholen van de evangelische en islamitische richting zijn gesticht op basis van de directe meting van het leerlingpotentieel, waarbij de belangstelling voor de school wordt vastgesteld door enquêtering onder ouders van kinderen van 10 en 11 jaar. 4 van deze 5 scholen zijn inmiddels volgroeid en tellen een aantal leerlingen dat duidelijk onder de stichtingsnorm ligt. Van de 4 scholen van een andere richting voldoen er 2 aan de stichtingsnorm; de andere 2 zijn pas gestart. Geen van deze 4 scholen is op basis van directe meting gestart.
Omdat de feitelijke belangstelling voor scholen die gesticht worden op basis van directe meting achterblijft bij de prognose zullen die ervaringscijfers voortaan worden ingecalculeerd bij het in aanmerking nemen van de resultaten van de directe meting.

Ook vragen deze leden om aan te geven waarom de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek gebruikt moeten worden en of deze cijfers voldoende nauwkeurig zijn.
De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek worden gehanteerd omdat deze een historische reeks vormen en een betrouwbare basis bieden. Ze zijn voldoende nauwkeurig. Ze worden door CFI zodanig bewerkt, dat deels op basis van landelijke belangstellingspercentages en deels op basis van belangstellingspercentages per gemeente het leerlingpotentieel voor de school of afdeling van de verlangde richting kan worden berekend.

---
W3771.NAV

Volgens artikel 67 kunnen gedeputeerde staten een aanvraag voor een school indienen. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het criterium dat gedeputeerde staten een aanvraag in kunnen dienen "indien een naar hun oordeel voldoende groot aantal wettelijk vertegenwoordigers van leerlingen hebben aangegeven dat zij die school wensen" voldoende duidelijk is. In verband met de stichtingsduur zullen de betreffende leerlingen geen gebruik maken van de school en is het dus geheel vrijblijvend voor de wettelijke vertegenwoordigers om een aanvraag te ondersteunen. Tevens vragen zij zich af waarom hier een ander criterium wordt gehanteerd dan in artikel 65.
In de eerste plaats merk ik op dat het hier om een garantiebepaling in de wet gaat, die overgenomen is uit de huidige wet en die een grote beoordelingsvrijheid geeft aan de provincie. Dit is ook op zijn plaats omdat de provincie het verwachte aantal leerlingen moet afwegen tegen de afstand naar andere openbare scholen. Vandaar dat hier een ander criterium dan in artikel 65 is gehandhaafd. Overigens is deze aparte stichtings- mogelijkheid voor de provincie bij mijn weten nog nooit toegepast. In de tweede plaats mag ik er op vertrouwen dat als dit wel aan de orde zou zijn de provincie er alle belang bij heeft haar beoordelingsvrijheid zo aan te wenden, dat er een levenvatbare school tot stand komt. Anders zou de gemeente eerst de huisvesting moeten bekostigen en zou de school vervolgens alsnog moeten sluiten. Dat zal de provincie zeker niet nastreven.

De leden van de VVD-fractie vragen of de invoering van de opheffingsnorm voor praktijkonderwijs er toe leidt dat er categoriale scholen van die onderwijssoort moeten sluiten. Kan gegarandeerd worden dat er voor leerlingen die dat nodig hebben plaats is in het praktijkonderwijs?
Er zijn momenteel 7 categoriale scholen voor praktijkonderwijs die minder leerlingen tellen dan de opheffingsnorm. Het gaat hier veelal om scholen die heel weinig onder die norm zitten. Deze scholen hebben (op grond van het overgangsrecht) vijf jaar de tijd om aan de norm te gaan voldoen, terwijl normaliter een termijn van drie jaar geldt. Lukt dat niet op eigen kracht dan ligt samenvoeging met een andere school voor de hand. Als één van deze scholen moet worden opgeheven, is er plaats voor die leerlingen in het praktijkonderwijs. Zonodig kan op basis van artikel 108, vierde lid, WVO aan de minister toestemming worden gevraagd langer onder de opheffingsnorm te mogen zitten. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek wordt met name gekeken naar de reisafstand naar omliggende voorzieningen voor praktijkonderwijs. De hoogte van de opheffingsnorm is in goed overleg met het Landelijk Werkverband
---
W3771.NAV

van het praktijkonderwijs tot stand gekomen.

4. Onderwijsaanbod
De leden van de PvdA-fractie vrezen dat het aanbieden van mavo-onderwijs door AOC's in nieuwe tijdelijke nevenvestigingen in stedelijke gebieden de segregatie sterk zal doen toenemen. Nu al is het vbo zoals aangeboden door AOC's de laatste jaren sterk gegroeid, niet vanwege een toegenomen belangstelling voor groen onderwijs, maar door autochtone leerlingen die niet naar de zwarte vmbo-scholen in de steden gingen. Deze leden vragen hoe de regering het segregatie-effect hiervan wil voor- komen.
In het kader van het TL-experiment is één tijdelijke nevenvestiging mavo gesticht aan de vestiging Roermond van AOC Citaverde college. Tot de inwerkingtreding van de wet is er nog ruimte voor maximaal twee nieuwe tijdelijke nevenvestigingen mavo (memorie van toelichting, blz. 40). Inmiddels is ervoor gekozen het experiment te realiseren op twee bestaande TL-vestigingen; er komen geen nieuwe tijdelijke nevenvestigingen mavo bij. Van een segregatie-effect, waarvoor de leden van de PvdA-fractie vrezen als gevolg van nieuwe tijdelijke nevenvestigingen, is dus geen sprake. De minister van LNV maakt met de AOC afspraken over hun inspanningen om tot meer culturele diversiteit te komen.

Verder vragen deze leden waarom het groene onderwijs niet geheel onder de verantwoordelijkheid van OCW wordt gebracht nu de Rijksoverheid toch sterk aan het vernieuwen is, regeldruk en verkokering wil bestrijden en flink snijdt in de ambtelijke formaties?
Al sinds jaar en dag is het groen onderwijs onderdeel van een samenhangend stelsel van onderzoek en onderwijs dat onder de verantwoordelijkheid valt van de minister van LNV. In het Coalitieakkoord zijn geen afspraken gemaakt hierin verandering aan te brengen. Dit stelsel staat de minister van LNV en de relevante doelgroepen ten dienste bij het realiseren van maatschappelijke opgaven in het LNV-domein. Voor wat betreft het algemeen onderwijsbeleid volgt de minister van LNV het beleid van OCW, zoals onder andere aangegeven in brieven aan de Tweede Kamer in 2004 en 2005 over harmonisatie van groen onderwijs (Kamerstukken II, 27 417 nrs. 7 en 10).

De leden van de PvdA-fractie vragen of grafimedia echt nog zo exclusief is dat deze afdeling alleen via stichting tot stand kan komen, hoeveel de bekostiging afwijkt van andere afdelingen binnen het vbo en wat de sanctie is als een vbo-school een afdeling grafimedia inricht zonder een beroep te doen op extra bekostiging.
---
W3771.NAV

Op dit moment zijn er 17 afdelingen voor grafimedia. De materiële bekostiging van de

afdeling grafimedia is eenderde hoger dan die van andere vbo-afdelingen (2063 euro tegen 1550 euro per leerling). Dat is de reden waarom voor het aanbieden van die afdeling een leerlingpotentieel conform artikel 65 of 68 WVO moet worden aangetoond alvorens de afdeling kan worden bekostigd.
Als een school leerlingen het onderwijs in de afdeling grafimedia aanbiedt zonder daarvoor toestemming te hebben en de leerlingen als zodanig opgeeft bij de leerlingtelling, worden die leerlingen niet bekostigd. Ook kunnen die leerlingen geen examen doen in het gevolgde programma. Worden de leerlingen bij een andere afdeling opgegeven dan grafimedia, dan leidt dat tot de (lagere) bekostiging die past bij die afdeling. Als de inspectie discrepantie tussen het toegestane en daadwerkelijke aanbod ontdekt, leidt dat bovendien tot terugvordering van ten onrechte voor deze leerlingen verstrekte bekostiging.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het kabinet de mogelijkheid van een havo- afdeling in de wet niet openhoudt met het oog op de doorstroming van het mavo naar het havo. Ook de leden van de VVD-fractie vragen om een nadere motivering en merken in dit verband op, dat er behoefte is aan een havo-afdeling. Momenteel is er in het hele land geen enkele havo-afdeling aan een bestaande vbo/mavo. Er is slechts van een mavo-school bekend dat men graag een havo-afdeling wil. Bij honorering van die wens bestaat het gevaar dat de leerling op papier vier jaar mavo volgt afgesloten met een mavo-diploma, maar in werkelijkheid de eerste drie jaar havo in vier jaar doet en vervolgens twee jaar de havo-top. De havo-afdeling wordt dan aangewend voor het realiseren van een zesjarige havo. Ook zonder de mogelijkheid van een havo-afdeling wordt een goede doorstroming mavo-havo gerealiseerd. Daarvoor is een dicht netwerk aan havo-scholen in het land beschikbaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet bereid is om de bestuurskracht van een schoolbestuur te betrekken bij de stichting van nieuwe scholen. Veel nieuw gestichte scholen kampen met grote problemen.
Het staat mijns inziens op gespannen voet met de ­ in artikel 23 van de Grondwet besloten liggende ­ vrijheid van stichting om op voorhand aan een bevoegd gezag dat een nieuwe school wil stichten, eisen te stellen met betrekking tot de bestuurskracht. Uiteraard volg ik de onderwijskwaliteit van nieuwe scholen.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de afschaffing van het onderscheid tussen athenea, gymnasia en lycea betekent voor zelfstandige gymnasia.
---
W3771.NAV

Een zelfstandig gymnasium wordt een vwo-school, die de gymnasium-stroom

aanbiedt. Desgewenst kan de school ook de atheneum-stroom aanbieden. In het maatschappelijk verkeer dient de school zorgvuldig aan te geven welk onderwijs wordt aangeboden (nieuwe artikel 21 WVO). Zie ook het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (blz. 8).


5. Regionaal plan onderwijsvoorzieningen
De leden van de CDA-fractie vragen waarop de verwachting is gebaseerd, dat het merendeel van de havo/vwo scholen zal gaan deelnemen aan de regionale samenwerking en wat de regering gaat doen als dat onverhoopt niet het geval is. De verwachting dat het merendeel van het havo/vwo deel zal gaan nemen aan de regionale samenwerking is gebaseerd op het volgende:
- havo/vwo maakt voor 80% deel uit van scholengemeenschappen waarin ook mavo of vbo is opgenomen; door het deelnemen van havo/vwo nemen de uitruilmogelijkheden toe;

- er zijn nu al diverse voorbeelden, waarbij - op aandringen van het veld - het havo/vwo meedoet in de regionale samenwerking.
De evaluatie na vijf jaar zal aangeven in hoeverre de beoogde doelen van de wets- wijziging worden gehaald en of er bijstellingen nodig zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering de mogelijkheid aan te geven van een hardheidsclausule in het wetsvoorstel indien kleinschaligheid, leefbaarheid en kwaliteit in gevaar komen.
Er is veel ervaring opgedaan met regionale arrangementen. Die ervaringen waren gunstig. Vervolgens is de regionale samenwerking opgenomen in het wetsvoorstel dat nu aan de Kamer is voorgelegd. Daarbij is ook het advies van de Onderwijsraad over dit wetsvoorstel verwerkt. De vormgeving van de regionale samenwerking is de verantwoordelijkheid van de bevoegde gezagorganen van de vestigingen van de scholen in de regio. Daarbij past geen centraal geregelde hardheidsclausule. Dat zou ook niet passen bij de uitgangspunten van goed bestuur, die uitgaan van de zelf- regulering van het veld.
Wat betreft de vraag naar de invloed van de grotere vrijheid op de kleinschaligheid, de leefbaarheid en de kwaliteit het volgende. In de huidige regionale arrangementen is noch sprake van een schaalvergroting noch van een schaalverkleining. Daarmee is er ook geen aanleiding om te vrezen voor de leefbaarheid.

De leden van de CDA-fractie vragen verder tot welke andere instantie partijen zich 10 W3771.NAV

kunnen wenden indien zich een impasse voordoet in het overleg tussen scholen.

Scholen zijn heel goed in staat zelf een oplossing te vinden voor een impasse in het overleg door het inschakelen van een onafhankelijke derde. Bemoeienis van de centrale overheid, het voorschrijven van een geschillenregeling e.d. zijn daarvoor niet noodzakelijk. Dat blijkt ook uit het gegeven, dat 75% van de vbo- en mavo-scholen al regionaal samenwerkt bij de voorzieningenplanning zonder dat er in regelgeving een voorziening is getroffen voor het oplossen van impasses in het overleg. Dit wetsvoorstel draagt er aan bij om ook de laatste 25% te stimuleren om regionale samenwerking te realiseren.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze wordt voorkomen dat een school door andere scholen uitgesloten wordt in het overleg over regionale plannen. De leden van de VVD-fractie stellen dat de samenwerkingsverbanden machtsblokken met elkaar kunnen vormen en vragen zich af wat dit voor eventueel nadelige consequenties heeft voor de scholen die buiten het verband vallen.
Idealiter doen zo veel mogelijk scholen in de regio mee met de regionale samen- werking. In de meeste bestaande regionale arrangementen is dat ook het geval. Er is niet geconstateerd, dat machtsblokken in het regionale samenwerkingsverband bewust scholen uitsluiten. Om te voorkomen dat al te gemakkelijk scholen worden uitgesloten, bepaalt het wetsvoorstel dat de vestigingen van scholen die deelnemen tenminste 60% van de leerlingen per deelnemende gemeente moet omvatten. Een bevoegd gezag kan echter om hem moverende redenen, bijvoorbeeld dat er voor hem geen belang mee is gediend, buiten de samenwerking willen blijven. Voor die situaties is het mogelijk bekostiging van een nieuwe school of afdeling te verkrijgen. Die mogelijkheid is echter wel beperkter.
In de voorbereiding op dit wetsvoorstel is door BMC onderzocht of het nodig is nadere regels te maken om eventuele conflicten te voorkomen. BMC concludeerde dat de noodzaak voor een dergelijke regeling niet gebleken is.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe rekening wordt gehouden met de in- en uitstroom van leerlingen bij gemeenten bij de bepaling van de regionale plannen en of hierover afstemming plaatsvindt.
De grenzen van de regio, die worden bepaald door gemeentegrenzen, vallen veelal grotendeels samen met de grenzen van de gebieden, waaruit de scholen leerlingen betrekken. Herverdeling van leerlingen tussen regio's valt daardoor niet of nauwelijks te verwachten. Zou die in een enkel geval wel substantieel zijn, dan geldt dat een vestiging van een school geen leerlingverlies van 10% of meer mag ondervinden.
---
W3771.NAV

Dezelfde leden onderschrijven de opvatting van de Raad van State dat het voor- gestelde regionale plan te weinig waarborgen heeft voor kostenbeheersing omdat de betrokken organen geen direct belang hebben bij doelmatig gebruik van Rijks- middelen, maar wel bij behoud of uitbreiding van hun onderwijsaanbod. De reactie van de regering hierop gaat volgens deze leden te gemakkelijk voorbij aan de door de Raad geopperde motivering. Zij vernemen graag een nadere toelichting van de regering.
Het is inderdaad juist dat betrokken organen, de bevoegde gezagsorganen, er geen direct belang bij hebben of de uitgaven van het Rijk stijgen of dalen als gevolg van de uitbreiding van het onderwijsaanbod. Echter het bekostigingssysteem is zo ingericht, dat uitbreiding van het aanbod met vbo-afdelingen of -programma's geen gevolgen heeft voor de uitgaven van het Rijk. Die uitgaven zijn gekoppeld aan het aantal leerlingen en niet aan het aantal afdelingen of programma's. Voorts moet voor de dure afdelingen aan de stichtingsnorm worden voldaan. Ook een eventuele uitbreiding van het aantal vestigingen heeft geen gevolgen voor de uitgaven van het Rijk.

De leden van de CDA-fractie vragen of niet het gevaar bestaat dat een RPO leidt tot een gesloten markt en consolidatie. Zij wijzen op het belang van een pluriform en kleinschalig onderwijsaanbod.
Van een gesloten markt is in zoverre geen sprake , dat stichting altijd mogelijk blijft. Voorts is de ervaring met de regionale arrangementen dat die meer keuze- mogelijkheden bieden aan ouders en leerlingen omdat scholen in onderling overleg een eigen profiel ontwikkelen en eigen keuzes maken voor wat betreft vbo- programma's: soms breed, soms smal, soms beide. Verder bevat het nieuwe artikel 72 WVO de voorwaarde dat ten minste twee bevoegde gezagsorganen aan de regionale samenwerking moeten deelnemen; ook dat werkt mee om te voorkomen dat er een gesloten markt ontstaat.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe eventuele conflicten tussen RPO's van aangrenzende regio's worden opgelost. De leden van de VVD-fractie vragen waar de eindverantwoordelijkheid en beslissingsbevoegdheid liggen. RPO's bevatten voornemens voor het onderwijsaanbod in de betrokken regio voor de komende vijf jaar. Voordat een RPO tot stand komt, moet overleg worden gepleegd met onder meer provincie(s) en, in geval van plannen voor het vbo, ook met het afnemend onderwijsveld (ROC's, AOC's) en het bedrijfsleven. Deze instanties hebben vaak ook zicht op mogelijke plannen in aangrenzende regio's, aangezien zij ook daar bij moeten worden 12 W3771.NAV

betrokken. Eventuele conflicterende onderdelen in concept-RPO's kunnen zo al worden

opgelost.
Op grond van een vastgesteld RPO moet voor elke daarin opgenomen voorziening een aanvraag bij de minister worden ingediend. Die heeft de uiteindelijke beslissings- bevoegheid ten aanzien van het al dan niet doorgaan van alle afzonderlijke in RPO's opgenomen onderwijsvoorzieningen. De minister legt een voorgenomen besluit ten aanzien van een voorziening ter inzage. Dit wordt aangekondigd in de Staatscourant. Een potentieel benadeelde school (die dreigt meer dan 10% leerlingverlies te lijden door de aangevraagde onderwijsvoorziening) heeft vervolgens zes weken de tijd om daarover een zienswijze bij de minister in te dienen. Op grond van die informatie neemt de minister uiteindelijk een besluit, waartegen overigens vervolgens weer beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Langs deze weg worden eventuele geschillen beslecht.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het vbo overleg moet voeren met het bedrijfsleven. Deze leden wijzen erop dat het voorbereidend beroepsonderwijs geen eindonderwijs is en dat het HBO, de ROC's en AOC's al intensief overleg voeren met het bedrijfsleven.
Het vbo is inderdaad geen eindonderwijs. Niettemin is het overleg van vbo-scholen met het bedrijfsleven van belang voor het verkrijgen van stageplaatsen en voor het inzicht in het arbeidsmarktperspectief van leerlingen.

De leden van de SP-fractie vragen wat de gevolgen zouden zijn voor een school wanneer deze onvrijwillig uit een RPO wordt verwijderd door andere scholen. Deze leden vragen tevens hoe wordt voorkomen dat leerlingen in een dergelijk geval de dupe worden. Hoe scholen hun samenwerking vormgeven, wordt niet voorgeschreven. Dat geldt ook voor de manier waarop zij eventuele conflicten zullen oplossen. In de voorlopers van de RPO's, de regionale arrangementen, heeft zich een dergelijke situatie overigens nooit voorgedaan. Dat neemt niet weg dat een situatie waarin een school al dan niet vrijwillig uit een RPO treedt, in de toekomst zou kunnen voorkomen. De in artikel 72, eerste lid, opgenomen 60%-norm vormt wel een prikkel om zoveel mogelijk scholen "binnenboord" te houden. Voor scholen die een school uit een RPO verwijderen kunnen er nadelige gevolgen zijn. Niet in het RPO opgenomen voorzieningen kunnen alleen worden aangevraagd met instemming van alle betrokken bevoegde gezags- organen (artikel 72, vierde lid). Men beperkt dus de eigen mogelijkheden als men de samenwerking met een school verbreekt.
Als een RPO is vastgesteld, kunnen op basis daarvan gedurende een periode van 5 jaar 13 W3771.NAV

voorzieningen worden aangevraagd. Dit geldt ook indien zich in die periode een

geschil voordoet tussen de samenwerkende bevoegde gezagsorganen. Een geschil staat dus niet in de weg aan de realisatie van voorzieningen van een school die wordt uitgesloten.
De uiterste consequentie van het uittreden - om welke reden dan ook - is inderdaad dat, indien de school niet opnieuw tot een RPO toetreedt, na afloop van het oorspronkelijke RPO (na vijf jaar) de bekostiging van de afdeling (en van de intra- en intersectorale programma's waarvoor die afdeling vereist is) stopt. Juist met het oog op de belangen van de leerlingen is daarbij evenwel in de wet voorzien in een afbouwregeling. Het afdelingsonderwijs in het derde leerjaar mag nog één jaar worden aangeboden en in vierde leerjaar nog twee jaar. Op deze manier wordt voorkomen dat leerlingen de dupe worden, want zij worden in staat gesteld hun opleiding af te ronden.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de SP-fractie of leraren enige vorm van inspraak hebben bij de vorming van een RPO wordt gewezen op artikel 11, onderdeel d, van de Wet medezeggenschap op scholen. Daarin is de adviesbevoegdheid geregeld van de medezeggenschapsraad, waarin naast ouders/leerlingen ook het personeel is vertegenwoordigd. Daarin is onder meer bepaald dat adviesbevoegdheid bestaat voor het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking, waaronder een RPO valt.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering garandeert dat onderwijs niet vanwege concurrentiemotieven uit dorpen en kleine gemeenten verdwijnt. Wat kan een gemeente doen als een RPO het voornemen bevat om een vestiging in de ene gemeente te sluiten en te verplaatsen naar een andere gemeente?
Mij bereiken geen signalen dat de regionale samenwerking zou leiden tot sluiting van vestigingen op het platteland of tot verplaatsingen naar een andere gemeente. Er is eerder sprake van - een weliswaar beperkt aantal - nieuwe nevenvestigingen. Wat betreft de concurrentie: als er bijvoorbeeld twee scholen zijn met hun hoofdvestiging in een middelgrote stad, waarvan er één een nevenvestiging in een naburige kleine gemeente heeft en de andere niet, is het uit concurrentieoverwegingen juist heel aantrekkelijk om de enige nevenvestiging van een school in die kleine gemeente open te houden. Als een schoolbestuur toch - in het kader van een RPO - de laatste vestiging in een kleine gemeente wil sluiten en verplaatsen naar een andere gemeente dan geldt dat met beide gemeenten overleg wordt gevoerd over het concept-RPO. Daarbij is het sterk afhankelijk van de plaatselijke situatie en de beschikbaarheid van gebouwen, hoe de gemeenten 14 W3771.NAV

daarop zullen reageren. Uiteindelijk is de beslissing over eventuele sluiting of verplaatsing

aan het bevoegd gezag. De beslissing over de wijze waarop wordt voorzien in de huisvesting ligt bij de gemeente. Dit wetsvoorstel brengt op dat punt geen wijziging aan.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoe het zit met de afhankelijkheid van de RPO's van de gemeenten, die een belangrijke bevoegdheid houden met betrekking tot de huisvesting.
Gemeenten hebben op grond van artikel 76b WVO een zorgplicht voor de huisvesting van het voortgezet onderwijs op hun grondgebied. Als de minister een onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking brengt, moet de gemeente voor de daarbij behorende huisvesting zorgen. Dat verandert niet door de nieuwe regels voor de voorzieningen- planning. Wat wel verandert, is de wijze waarop wijzigingen in het onderwijsaanbod tot stand komen. Regionale samenwerking komt daarbij voorop te staan. Voor zover RPO's huisvestingsconsequenties hebben - met name bij verplaatsing en bij een nieuwe nevenvestiging is dat het geval - is het in het belang van scholen zelf om daarover in een vroegtijdig stadium te overleggen met de betrokken gemeente(n). Daarom schrijft het wetsvoorstel voor dat er over elk concept-RPO overleg moet plaatsvinden. In het RPO moet ten behoeve van de gemeente ook een prognose van het aantal leerlingen per vestiging opgenomen worden. De afhankelijkheid van de gemeente gaat echter niet zo ver dat de gemeente kan bepalen of een voorziening er al dan niet komt. Als het gaat om een nieuwe school, een nieuwe vestiging of om het verplaatsen van een vestiging, krijgt de gemeente daar overigens indien nodig een aantal jaren de tijd voor.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de meerwaarde en de rol van de provincie is bij het opstellen van de regiovisie, en of de provincie de rol van arbiter vervult. De provincie heeft bij de totstandkoming van het regionaal plan een procesrol. Dit hangt onder meer samen met haar rol op het gebied van de jeugdzorg en haar kennis van de arbeidsmarkt. De regelgeving wijst geen arbiter aan. Als de bevoegde gezags- organen dat vragen, kan de provincie die rol wel vervullen.


6. Rol en positie van de gemeente
De leden van de CDA-fractie vragen zich af op welke wijze de gemeente de huisvestingsgevolgen van een RPO in de toekomst gefinancierd krijgt. Indien deze lasten leiden tot verhoging van de uitgaven ten laste van de begroting van OCW, moet dit dan toch niet jaarlijks geraamd worden en betekent dat dan niet dat er in feite een soort jaarlijks scholenplan is? Deze leden vragen ook of, indien de betreffende gemeente het moet financieren, het dan niet reëel is om de gemeente ook invloed te geven op de plannen van 15 W3771.NAV

de scholen. Verder vragen zij of de huisvesting gelijk voor het totaal aantal

geprognosticeerde leerlingen geregeld moet worden of dat dit in een groeimodel kan. De gemeente ontvangt een algemene uitkering uit het gemeentefonds. Die uitkering wordt gebaseerd op de maatstaven in het gemeentefonds. Een van die maatstaven is het aantal VO-leerlingen dat in de gemeente op een VO-school is ingeschreven. Uit die algemene uitkering moeten onder meer de uitgaven voor onderwijshuisvesting voor voortgezet onderwijs worden bestreden. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bewaakt via de periodieke onderhoudsrapportage of de verdeling van het gemeentefonds nog voldoende in overeenstemming is met de feitelijke kostenstructuur bij gemeenten. Het periodieke onderhoudsrapport is een signaleringsinstrument en leidt niet automatisch tot aanpassingen in de verdeling of omvang van het gemeentefonds. Indien er afwijkingen gaan ontstaan tussen de feitelijke uitgaven bij gemeenten en de omvang van het cluster educatie (waarin opgenomen de onderwijshuisvesting) in het gemeentefonds zal door de fonds- beheerders in overleg met het ministerie van OCW nader worden bezien hoe hiermee dient te worden omgegaan.
Wat betreft de huisvestingsgevolgen voor de gemeente maak ik onderscheid tussen enerzijds stichting van een school of afdeling en anderzijds verplaatsing e.d. op grond van een RPO.
Wat betreft de stichting van een school of afdeling blijft het zo dat op grond van de wet het bevoegd gezag het recht heeft een school of afdeling te stichten als aan het wettelijk voorgeschreven aantal leerlingen is voldaan. De gemeente dient dan binnen vijf jaar in huisvesting te voorzien. Het wettelijk regime is niet veranderd en er zijn dus geen gevolgen voor de uitgaven van de gemeente voor onderwijshuisvesting. Wat betreft verplaatsing, nieuwe nevenvestiging, afsplitsing of uitbreiding onderwijs- aanbod op bestaande vestigingen merk ik het volgende op. Afsplitsing en uitbreiding van het onderwijsaanbod op bestaande vestigingen hebben meestal geen invloed op het aantal leerlingen dat schoolgaat in de betreffende gemeente. Met andere woorden voor deze leerlingen moest altijd al in huisvesting worden voorzien; ze worden alleen anders verdeeld over de vbo-programma's (binnen dezelfde vestiging) en wellicht over de vestigingen. Als het om verplaatsing en nieuwe nevenvestigingen gaat, kan de gemeente bij het overleg over het concept-RPO daarop haar visie geven. Voorts heeft de gemeente op basis van haar huisvestingsverordening en de weigeringsgronden van artikel 76k WVO voldoende instrumenten in handen om te voorkomen, dat er enerzijds leegstand ontstaat en anderzijds nieuwbouw moet worden gepleegd. Voor de gemeente kan het opstellen van een regionaal plan voor vijf jaar grote voordelen hebben omdat een veel beter beeld ontstaat van de huisvestingsbehoefte gedurende 16 W3771.NAV

die periode dan in de situatie dat schoolbesturen los van elkaar elk jaar opnieuw

aanvragen indienen.
De prognose van het aantal leerlingen per vestiging opgenomen in het RPO geeft de gemeente inzicht in de verwachte tekorten en overschotten in de huisvesting per vestiging. Of dat moet leiden tot het voorzien in extra huisvesting is afhankelijk van de beschikbaarheid, de ligging en de kwaliteit van de gebouwen beschikbaar voor onderwijshuisvesting in die gemeente en ook van de regels die daarvoor zijn opgenomen in de huisvestingsverordening.

De leden van de CDA-fractie vragen wat er gebeurt indien een gemeente weigert de huisvestingsgevolgen te realiseren of de huisvestingsgevolgen traineert via de bouw- en ruimtelijke ordening procedure.
Het bevoegd gezag kan zich dan tot de bestuursrechter wenden. Tegen de afwijzing van een verzoek om opname op het programma huisvestingsvoorzieningen (artikelen 76e, 76f en 76g WVO) staan bezwaar en beroep open. Via deze bestuursrechtelijke rechtsgang kan de gemeente gedwongen worden te zorgen voor huisvesting.

De leden van de PvdA-fractie achten het van belang dat gemeenten instemmingsrecht hebben op de RPO's, omdat deze gevolgen hebben voor de mate waarin segregatie in een verzorgingsgebied wordt bevorderd of juist afgeremd. Deze leden vragen hoe de regering hier tegenover staat. Voorts menen zij dat de onderwijshuisvestingstaak van de gemeenten beter kan worden gerealiseerd in overleg met de schoolbesturen, zoals thans trouwens ook het geval is. Schoolbesturen en gemeenten moeten van elkaars wensen en problemen op de hoogte zijn bij het ontwikkelen van een regionaal plan. Zij kunnen bij de eigen planvorming veel beter rekening houden met elkaars overwegingen en omstandigheden. Bovendien draagt dit bij tot de ontwikkeling van brede scholen, communityscholen en wat dies meer zij. Deze leden vragen hoe de regering dit ziet.
Zoals bekend heeft de gemeente de taak om overleg te plegen met de bevoegde gezagsorganen over het tegengaan van segregatie (artikel 118a WVO). Daarbij kunnen tussen betrokkenen op vrijwillige basis ook afspraken over het handhaven of sluiten van vestigingen worden gemaakt. Ik hecht daar veel belang aan. Die wettelijke bepaling wordt niet gewijzigd met dit voorstel.
De discussie over wel of niet voorschrijven dat de gemeente in moet stemmen met de huisvestingsgevolgen van wijzigingen in het onderwijsaanbod bij regionale samen- werking is een andere. Het gaat dan om de gevolgen voor de huisvestingsuitgaven van de gemeente. Zoals ik in de beantwoording van vragen van leden van de CDA-fractie al 17 W3771.NAV

heb aangegeven, zijn er bij afsplitsing en uitbreiding van het onderwijsaanbod geen

huisvestingsgevolgen te verwachten, aangezien het daar gaat om een andere verdeling van leerlingen over de bestaande vestigingen in de gemeente. Bij verplaatsing en de vorming van nieuwe nevenvestigingen bieden de overlegverplichting met betrekking tot het concept-RPO, de huisvestingsverordening, de weigeringsgronden van artikel 76k WVO en de vijfjaarstermijn voor realisatie van de huisvesting voldoende waarborg voor de beheersbaarheid van de uitgaven voor onderwijshuisvesting.
Het wetsvoorstel (zie artikel 72) schrijft voor dat over het concept plan - voortvloeiend uit de regionale samenwerking - overleg wordt gepleegd met onder meer de gemeente, zodat scholen en gemeente van elkaars wensen en plannen op de hoogte zijn en daarmee rekening kunnen houden. Dat draagt ook bij aan de ontwikkeling van brede scholen, communityscholen e.d.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de bepaling in het overgangsrecht dat alle bestaande dislocaties van scholen voor voortgezet onderwijs binnen vijf jaar moeten worden omgezet in nevenvestigingen of tijdelijke nevenvestigingen er toe leidt dat gemeenten dan minder flexibel kunnen voorzien in extra huisvesting voor scholen voor voortgezet onderwijs.
Op basis van het overgangsrecht worden de huidige dislocaties binnen 3 kilometer hemelsbreed van een andere vestiging van een school omgezet in tijdelijke neven- vestigingen en buiten de 3 kilometer in een nevenvestiging. Voor tijdelijke nevenvestigingen gelden soortgelijke regels als nu gelden voor dislocaties. Ik zie dan ook niet in waarom de omzetting van dislocaties naar tijdelijke nevenvestigingen er toe zou leiden, dat gemeenten minder flexibel kunnen voorzien in extra huisvesting voor scholen.
Wel verdwijnt de mogelijkheid om een tijdelijke nevenvestiging (voorheen dislocatie) op een afstand groter dan 3 kilometer hemelsbreed van een andere vestiging te handhaven. Deze mogelijkheid is als noodoplossing in het verleden in het leven geroepen toen het nog niet mogelijk was om een nevenvestiging te verbinden aan een categoriale school of een scholengemeenschap, die niet alle schoolsoorten omvatte (niet breed was). Deze vestigingen hebben in het algemeen een permanent karakter, er is geen sprake van tijdelijke huisvestingsnood. Ze hebben dezelfde kenmerken als andere nevenvestigingen en daarom is het beter ze ook als zodanig te benoemen om verwarring te voorkomen. Door de omzetting naar een nevenvestiging kan de gemeente niet langer besluiten om die vestiging te sluiten als er op een andere vestiging (op meer dan 3 kilometer afstand hemelsbreed) voldoende huisvestings- 18 W3771.NAV

ruimte beschikbaar komt om de leerlingen op te vangen. Bij de status van dislocatie

kon de gemeente daartoe wel besluiten.
Sommige van de dislocaties die op meer dan 3 kilometer afstand liggen van een vestiging, liggen in een andere gemeente; enkele daarvan zijn op verzoek van het bevoegd gezag en de gemeente al omgezet in nevenvestigingen.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waar een gemeente bezwaar kan aantekenen als in een RPO meer of minder vestigingen van scholen komen dan de gemeente nodig acht en waar de uiteindelijke beslissing zal vallen.
Voordat een RPO tot stand komt, moeten de samenwerkende scholen overleg plegen met onder meer de gemeente(n) in de regio. Tijdens dat overleg kan de gemeente al haar visie naar voren brengen. Tegen een vastgesteld RPO kan geen bezwaar worden aangetekend omdat dit plan geen besluit in de zin van de Awb is. Wel kan een gemeente, formeel gezien, bezwaar en beroep aantekenen tegen het besluit van de minister omtrent bekostiging van een voorziening die is opgenomen in het RPO. Wat dit betreft is er geen verschil met de huidige situatie waarin tegen besluiten van de minister over verplaatsing e.d. ook opgekomen kan worden door gemeenten (zie bijvoorbeeld ABRvS 1 februari 2006, LJN-nr. AV0947). Hierbij moet wel bedacht worden dat in de procedure tegen het bekostigingsbesluit van de minister de huisvestingsaspecten geen rol (kunnen) spelen. De huisvestingsaspecten kunnen in een eventuele bestuursrechtelijke procedure over de afwijzing van een verzoek om opname in het gemeentelijk programma voor huisvestingsvoorzieningen (artikelen 76e, 76f en 76g WVO) aan de orde komen.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de gemeente invloed houdt op de planning van scholen, nevenvestigingen en tijdelijke vestigingen. Zij vragen waarom niet is ingegaan op deze wens van de VNG.
De huidige wet en ook dit wetsvoorstel gaan er bij stichting van een school van uit dat het Rijk beslist over de aanvang van de bekostiging en dat de gemeente, binnen vijf jaar, moet voorzien in de huisvesting. Zou de gemeente op dat punt instemmingsrecht krijgen, zou van het recht op stichting weinig terecht kunnen komen. Uitgaande van de wenselijkheid om het prerogatief van stichting te handhaven, ligt het niet voor de hand om voor de minder ingrijpende huisvestingsgevolgen van een regionaal plan instemmingsrecht wettelijk voor te schrijven. Wel is, in overeen- stemming met het advies van de Raad van State, ervoor gekozen om voor de huisvestingsgevolgen van verplaatsing en nevenvestiging aan te sluiten bij de bepalingen voor stichting. De gemeente krijgt maximaal vijf jaar de tijd om in de 19 W3771.NAV

huisvesting te voorzien. De gemeente houdt invloed op het regionaal plan, omdat

overleg met de gemeente over het concept-plan is voorgeschreven. Bij de tijdelijke nevenvestiging (voorheen dislocatie) behoudt de gemeente een grote invloed. De tijdelijke nevenvestiging wordt bekostigd als het bevoegd gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen (zie het nieuwe artikel 71, vijfde lid). De tijdelijke nevenvestiging is ­ mede naar aanleiding van het standpunt van de VNG - in de wet opgenomen om de gemeente dezelfde ruimte te geven om flexibel met de huisvesting om te gaan als voorheen. Dit om de gemeente in staat te stellen te voorzien in een tijdelijk huisvestingsprobleem.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of het wetsvoorstel niet tot hogere huisvestingskosten leidt.
In de beantwoording van vragen van de leden van de CDA-fractie aan het begin van deze paragraaf heb ik toegelicht waarom ik van mening ben dat de gemeente voldoende instrumenten in handen heeft om de uitgaven voor de huisvesting van de onderwijsvoorzieningen beheersbaar te houden.

De leden van de SP-fractie vragen vervolgens hoe vrij de gemeente is om zelf te bepalen waar in de gemeente een nieuwe nevenvestiging wordt gevestigd. Het is in de eerste plaats aan het bevoegd gezag om aan te geven, waar behoefte bestaat aan een nieuwe nevenvestiging. Het bevoegd gezag zal daarbij overigens afstemmen met de andere deelnemers aan het regionaal plan. Ook zal de gemeente haar visie geven op het concept plan. De gemeentelijke visie op de noodzaak en de gewenste vestigingsplaats van een nieuwe nevenvestiging zal het plan veelal beïnvloeden, al was het alleen al vanwege de beschikbaarheid van gebouwen en (de snelheid) van het tot stand komen van eventuele nieuwbouw. Ook het overleg over het tegengaan van segregatie kan invloed hebben op het openen van nieuwe neven- vestigingen of het sluiten van vestigingen.

De leden van de SP-fractie vragen hoe (door de gemeente) kan worden gestuurd bij afsplitsing, uitbreiding van het onderwijs op een nevenvestiging met de bovenbouw en een nieuwe afdeling in het vmbo, waar de termijn van vijf jaar niet geldt. Bij afsplitsing, uitbreiding van het aanbod op een nevenvestiging met de bovenbouw of een nieuwe afdeling voor vbo is er weinig of geen invloed op de huisvesting. Dergelijke wijzigingen in het aanbod per vestiging houden een beperkte herverdeling in van de leerlingen over de vestigingen. De totale huisvestingsbehoefte neemt niet toe; wellicht is enige herverdeling van de beschikbare huisvesting nodig. Er is dus geen reden om de 20 W3771.NAV

gemeente hiervoor een termijn van maximaal vijf jaar te geven.

De leden van de SP-fractie vragen verder of het wetsvoorstel genoeg ruimte laat voor gemeenten om flexibel om te gaan met tijdelijke huisvestingsbehoeften nu de dislocatie verdwijnt.
Het opnemen in de wet van de tijdelijke nevenvestiging (voorheen dislocatie genoemd) is bedoeld om allerlei onduidelijkheden rond de status weg te nemen. Het voorstel beoogt tevens om de gemeente dezelfde ruimte te geven om flexibel met de huisvesting om te gaan als voorheen, zoals ik hiervoor al heb aangegeven.


7. Uitvoering, handhaving en rechtsbescherming De leden van de PvdA-fractie hebben een aantal vragen over mogelijke interpretatie- problemen bij diverse vraagstukken rondom stichting, omzetting, splitsing, verplaatsing en vorming van nieuwe nevenvestigingen. Zij vragen ook in hoeverre nog vaker dan voorheen uitsluitsel zal worden gevraagd bij de bestuursrechter. Er is geen aanleiding om te verwachten dat vaker dan voorheen uitsluitsel zal worden gevraagd bij de bestuursrechter. Het wetsvoorstel leidt niet tot meer voor bezwaar en beroep vatbare beslissingen. Zowel volgens de huidige wet als volgens het wets- voorstel staat beroep op de bestuursrechter open tegen besluiten van de minister omtrent stichting van scholen en wijzigingen van het onderwijsaanbod bij bestaande scholen. Er is reden om te verwachten dat door het wetsvoorstel samen met de onderliggende regelingen een verheldering van de normering gerealiseerd zal worden, waardoor er minder interpretatieproblemen zullen ontstaan. Ten aanzien van de directe en indirecte meting, het verzorgingsgebied bij stichting en splitsing en de berekening van 10% leerlingverlies zullen in de ministeriële regeling zo eenduidig mogelijke bepalingen opgenomen worden. Voor wat betreft verplaatsing en vorming van nieuwe nevenvestigingen bevat het voorgestelde artikel 72 WVO een duidelijke verheldering van de normering.

Naar aanleiding van een aantal vragen van de leden van de PvdA-fractie over de hand- having, wat de sanctie is en of daarbij bestuursdwang zal worden gehanteerd en daarbovenop nog een bestuurlijke boete zal worden geheven, wordt allereerst opgemerkt dat de handhaving van deze bepalingen met de reeds bestaande instrumenten zal geschieden. De bepalingen in dit wetsvoorstel zijn bekostigingsvoorwaarden. De inspectie constateert of het op een locatie aangeboden onderwijs, is toegestaan. Als daarbij onregelmatigheden worden geconstateerd, kunnen bekostigingssancties getroffen worden. De bekostiging kan worden ingehouden indien op een locatie onderwijs wordt verzorgd 21 W3771.NAV

waarvoor geen toestemming is verleend. Ook kan bekostiging worden teruggevorderd

indien in het verleden zonder toestemming onderwijs werd verzorgd. De WVO kent de minister niet de bevoegdheid toe bestuursdwang toe te passen of een bestuurlijke boete op te leggen. Deze instrumenten staan dus niet ter beschikking.

De leden van de PvdA-fractie verwijzen naar de opmerking in de memorie van toelichting (blz. 39) dat is gekozen voor een exclusief bestuursrechtelijke rechtsbescherming, en vragen hoe daarmee de gang naar de civiele rechter wordt voorkomen door school- besturen, ouders en/of andere betrokkenen.
Met de door de leden van de PvdA-fractie aangehaalde opmerking in de memorie van toelichting is bedoeld dat belanghebbenden besluiten van de minister over de bekostiging van onderwijsvoorzieningen alleen bij de bestuursrechter kunnen aanvechten en niet tevens bij de burgerlijke rechter. Uit de jurisprudentie blijkt dat de burgerlijke rechter een vordering niet-ontvankelijk pleegt te verklaren voor zover deze zich richt tegen een besluit waartegen een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat of heeft gestaan. Dit is vaste rechtspraak sinds het arrest van de Hoge Raad in de zaak Plassenschap Loosdrecht (HR 25 november 1977, AB 1978, 1). Het voorgaande laat onverlet dat er in andere rechtsverhoudingen, bijvoorbeeld die tussen bevoegde gezagsorganen en ouders, geschillen over het onderwijsaanbod kunnen ontstaan waarvoor men wel bij de burgerlijke rechter terecht kan.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de PvdA-fractie over de casus Grave wordt opgemerkt dat in de zaak van het Merletcollege de voorzieningenrechter te Breda uitspraak heeft gedaan in het geschil tussen het schoolbestuur en de ouders. Met het oog op de belangen van ouders en leerlingen heeft de voorzieningenrechter besloten dat het bevoegd gezag het vwo-bovenbouwonderwijs voorlopig dient te blijven verzorgen op de vestiging in Grave. De overheid heeft het bevoegd gezag - gelet op het feit dat geen toestemming is verkregen voor vwo-bovenbouw op de vestiging in Grave - laten weten dat leerlingen die dat onderwijs volgen in Grave niet voor bekostiging in aanmerking komen. De casus Grave is geen aanleiding om de wet aan te passen.


8. Overig
De leden van het CDA-fractie vragen waarom een tijdelijke nevenvestiging hemelsbreed niet verder dan 3 kilometer gelegen mag zijn van de vestiging, waarvoor in de tijdelijke huisvestingsbehoefte wordt voorzien. Waarom is gekozen voor de afstand hemelsbreed en niet via de weg? De af te leggen afstand kan feitelijk veel hoger uitkomen als gevolg van rivieren e.d.. Deze leden denken hierbij bijvoorbeeld
---
W3771.NAV

aan de provincie Zeeland.

Dat een tijdelijke nevenvestiging niet meer dan 3 kilometer verwijderd mag zijn van de vestiging waarvoor in de tijdelijke huisvestingsbehoefte wordt voorzien, hangt samen met het feit dat die vestiging niet gauw zal leiden tot oneigenlijke concurrentie met vestigingen van andere scholen, maar buiten die grens van 3 kilometer wel. Zie in dit verband ook de vrijheid die scholen hebben om een vestiging over een afstand van minder dan 3 kilometer te verplaatsen (artikel 71, eerste lid, WVO). Deze vrijheid bestaat overigens al een aantal jaren op basis van een beleidsregel. Opgemerkt zij dat de grens van 3 kilometer hemelsbreed een verruiming betekent van het gebied waarin een tijdelijke nevenvestiging mag worden gevestigd. Bij dislocaties wordt de afstand van 3 kilometer gemeten over de weg.
Gekozen is voor het hemelsbreed meten van afstanden om een einde te maken aan de voortdurende discussies over de te hanteren route (per fiets of per auto). Uitgaan van de hemelsbrede afstand heeft uiteraard voor- en nadelen. Echter niet valt in te zien waarom gebieden met geografische barrières zoals Zeeland daardoor worden benadeeld. Immers een tijdelijke nevenvestiging mag op 3 kilometer hemelsbreed worden gevestigd, eventueel aan de andere kant van een spoorlijn of rivier, maar dat hoeft niet. De keuze is aan bevoegd gezag en gemeente.

De leden van de CDA-fractie vragen of er aan het nieuwe criterium van hemelsbreed een maximum is gesteld.
Voor een tijdelijke nevenvestiging wordt 3 kilometer hemelsbreed aangehouden. Het voedingsgebied bij stichting van een school is het gebied dat hemelsbreed gemeten ligt binnen een afstand van 10 kilometer van het beoogde vestigingsadres.

De leden van de CDA-fractie vragen of voor elke tijdelijke nevenvestiging toestemming nodig is van de minister. Zo ja, waarom is dit en betekent dat niet meer regelgeving in verhouding tot de huidige situatie met een tijdelijke dislocatie? Als een bevoegd gezag bekostiging wenst voor een tijdelijke nevenvestiging moet dat bij de minister worden gemeld en moet worden aangetoond dat de gemeente in die tijdelijke huisvestingsbehoefte gaat voorzien. De toekenning van de bekostiging is dan een automatisme. Ook nu is voorgeschreven dat het vestigingsadres van de dislocatie tijdig moet worden gemeld.

De leden van de CDA-fractie vragen vervolgens waarom in een tijdelijke nevenvestiging geen instroom in het eerste leerjaar mag plaatsvinden. De bepaling dat er op een tijdelijke nevenvestiging geen instroom in het eerste 23 W3771.NAV

leerjaar mag plaatsvinden, zou bij nader inzien een niet beoogde beperking inhouden

ten opzichte van de huidige situatie bij vergelijkbare dislocaties. De bepaling was opgenomen, omdat in de huidige situatie op een dislocatie die meer dan 3 kilometer van de hoofd- of nevenvestiging ligt, geen instroom in het eerste leerjaar is toegestaan. Een tijdelijke nevenvestiging ligt echter altijd binnen 3 kilometer van de hoofd- of nevenvestiging en op een dislocatie binnen die afstand is ook in de huidige situatie instroom in het eerste leerjaar wél toegestaan. In de bij deze nota naar aanleiding van het verslag gevoegde nota van wijziging wordt de beperkende bepaling over de instroom in het eerste leerjaar op een tijdelijke nevenvestiging daarom geschrapt.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of het bevoegd gezag niet zelfstandig kan beslissen over fusie, omdat dit onderwerp niet wordt genoemd in de artikelen 70 en 71. In artikel 71, tweede, derde en vierde lid, zijn diverse bepalingen opgenomen over samenvoeging (de officiële benaming voor fusie). Het bevoegd gezag kan inderdaad niet zelfstandig beslissen over fusie. Elke fusie van scholen vereist de toestemming van de minister, die hierbij in ieder geval toetst of de voedingsgebieden waaruit de fuserende scholen leerlingen betrekken, in voldoende mate met elkaar overlappen. Dit om calculerend gedrag tegen te gaan, waarbij alleen om reden van de hogere bekostiging scholen ­ op papier ­ worden samengevoegd, maar feitelijk apart functioneren. Overigens ziet de wettelijke regeling alleen op de fusie van scholen, niet op de fusie van bevoegde gezagsorganen.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de subsidieregeling voor schoolbesturen die een RPO tot stand brengen met het van kracht worden van deze wet niet onmiddellijk wordt opgenomen in de reguliere bekostiging van scholen. Het voorstel is om de subsidie voor bevoegde gezagsorganen om een RPO tot stand te brengen nog twee jaar te handhaven. Dit om bevoegde gezagsorganen die de subsidie al hebben gekregen en bevoegde gezagsorganen die nog moeten aanvangen zo veel mogelijk gelijk te behandelen. Daarna wordt de subsidie in de reguliere bekostiging opgenomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het kabinet de aangekondigde discussie over de toekomst van de onderwijshuisvesting wil vormgeven. Waarom onderschrijft het kabinet dit onderdeel van aanbeveling 4 van het advies van de Onderwijsraad? Er wordt een onderzoek ingesteld naar de opvattingen van bevoegde gezagsorganen en gemeenten over de wensen op het gebied van onderwijshuisvesting. Over de 24 W3771.NAV

uitkomst van dat onderzoek zal de Kamer worden geïnformeerd (rond de zomer 2008).

Ook zal daarover overleg plaatsvinden met het veld. De behoefte aan dat onderzoek vloeit voort uit de grotere planningsvrijheid voor het bevoegd gezag. Dat roept immers de vraag op of daar ook niet bij past dat het zelf verantwoordelijk wordt voor de huisvesting. Deze wens is ook uit het veld naar voren gekomen bij de gesprekken over de modernisering van de bekostiging.

De leden van de PvdA-fractie willen weten in hoeverre deze wetswijziging gevolgen heeft voor aanpalende wetten in het onderwijs.
Ik voorzie geen andere gevolgen voor de onderwijswetgeving dan de wijzigingen in de Wet educatie en beroeponderwijs die al in dit voorstel zijn meegenomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet bereid is om een onafhankelijke inschatting te doen geven voor de gevolgen van deze wetswijziging voor de segregratie en de gemiddelde schoollocatiegrootte?
Dit wetsvoorstel bouwt voort op de verworvenheden van de regionale arrangementen. Ik heb geen aanwijzing dat de regionale arrangementen wezenlijke gevolgen hebben gehad voor de segregatie of de schaalgrootte. Dergelijke gevolgen zijn ook niet naar voren gekomen in het rapport van BMC over de ervaringen met de regionale arrangementen. Dit rapport, "Regionaal perspectief", is op 21 november 2005 aan de Kamer gezonden (Kamerstukken II 2005/06, 30 079, nr. 4).
De wet zal vijf jaar na invoering worden geëvalueerd. Daarbij zal ik ook de eventuele gevolgen voor de segregatie en schoolgrootte laten onderzoeken.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre het onderhavige wetsvoorstel consequenties zal hebben voor de voorzieningenplanning bij scholen op de Nederlandse Antillen in verband met de komende nieuwe staatkundige verhoudingen. Op dit moment wordt alle Nederlandse regelgeving en de nu op Bonaire, Saba en Sint Eustasius geldende regelgeving doorgelicht, waarna een beslissing zal worden genomen over de toepasselijkheid. Er kan nu nog niet worden aangegeven of en zo ja hoe of wanneer dit wetsvoorstel gevolgen zal hebben op die eilanden.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de democratische controle gewaarborgd blijft wanneer er geen toetsing vooraf meer is, maar slechts achteraf. De democratische controle is gewaarborgd, omdat het beleid rond stichting en voor het RPO wordt vastgelegd in wet en amvb. Scholen kunnen daaraan rechten ontlenen; toestemming voor stichting moet worden gegeven als aan de wettelijke criteria wordt 25 W3771.NAV

voldaan. De Kamer kan achteraf controleren of het beleid de gewenste effecten heeft op

basis van het jaarverslag waarin gerapporteerd zal worden over de stichting van scholen.

De leden van de VVD-fractie vragen waar de staatssecretaris het vertrouwen op baseert, dat een tussen scholen bestaand wantrouwen in het voorgestelde systeem, met subsidie, vanzelf zal worden opgelost?
Het probleem van het eventuele wantrouwen tussen partijen bij de start van de samenwerking kan door een onafhankelijke derde - de provincie, een externe adviseur of een andere instantie - worden opgelost. In het merendeel van de gevallen is tot nu toe een beroep gedaan op een externe adviseur. Het is dan behulpzaam als er een startsubsidie is, waaruit deze kan worden betaald. Overigens is die startsubsidie in alle gevallen beschikbaar ook als er een beroep wordt gedaan op de provincie of een andere instantie.

Op de vraag van de leden van de VVD-fractie naar de mogelijkheden voor ouders om invloed uit te oefenen wanneer de school wil omzetten, splitsen of verplaatsen, wordt gewezen op de artikelen 11 en 14 van de Wet medezeggenschap op scholen. Daarin is de adviesbevoegdheid van de medezeggenschapsraad respectievelijk de instemmings- bevoegdheid van het ouders/leerlingendeel van de medezeggenschapsraad bij een VO- school geregeld. Daarin is onder meer bepaald dat voor omzetting instemmings- bevoegdheid bestaat en voor belangrijke inkrimping van de werkzaamheden van de school (waaronder splitsing kan vallen) adviesbevoegdheid. Tevens bestaat adviesbevoegdheid voor het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking, waaronder een RPO valt.

De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap,

Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart

26 W3771.NAV