Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

logoocw

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Den Haag Ons kenmerk uni 2008
9 j DCE/08/11073

Onderwerp Bijlage(n) indemniteitsregeling

Hierbij informeer ik u mede namens mijn collega van Financiën betreffende de indemniteitsregeling 2005 en de voorziene verbetering van deze regeling. Mijn brief plaats ik in de context van het algehele beleid op het gebied van de collectiemobiliteit.

De indemniteitsregeling 2005
De eerste herziening van de indemniteitsregeling dateert van 2005. Aanleiding voor herziening van de regeling vormde het signaal van de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea (VRM) en Nederlandse Museumvereniging (NMV), dat de regeling in de praktijk te weinig kostenverlagend werkte en ook te ingewikkeld was. In de motie Dittrich c.s (2004-2005, 29800 VIII, nr. 138) werd de Regering verzocht ernaar te streven het indemniteitspercentage voor tentoonstellingen bij musea op te hogen tot 100%. Mijn voorgangster mevrouw van der Laan heeft de Tweede Kamer met haar brief van 5 november 2004 (DCE 2004/48758) de Indemniteitsregeling 2005 (Staatscourant 2004, 205, blz. 17 e.v) doen toekomen. Samenvattend waren de verbeteringen:

· verhoging van het indemniteitspercentage van 10 tot 30%; bij de berekening werd echter de zogenaamde staffel gehanteerd: het percentage daalt naarmate de verzekerde waarde hoger is; de daling loopt door tot 10% bij een verzekerde waarde boven de 750 miljoen;
· het subsidieplafond van 230 miljoen is op enig moment (dus direct na afloop van de tentoonstelling) beschikbaar in plaats van op jaarbasis;
· de indemniteitsregeling is ook op langdurige bruiklenen (van 1 tot 5 jaar) van toepassing
· vereenvoudiging van de procedure.

De praktijk van de regeling 2005
De indemniteitsregeling beoogt door het beperken van de verzekeringskosten van tijdelijke bruiklenen uit het buitenland een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang in Nederland. Door een staatsgarantie voor schade of verlies tot een bepaald percentage van de Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag T +31-70-412 3456 F +31-70-412 3450 W www.minocw.nl

blad 2/4

verzekerde waarde (indemniteit) worden de verzekeringskosten gedrukt. Belangrijke tentoonstellingen kunnen makkelijker plaatsvinden; cultuurparticipatie wordt gestimuleerd. Sinds het begin van de regeling in 1989 wordt gemiddeld voor zo'n vijf tentoonstellingen per jaar indemniteit verleend. Door de verbetering van de regeling in 2005 en het Rembrandtjaar 2006 is de bekendheid van de regeling toegenomen en het aantal aanvragen in 2007 gestegen tot elf.

Met een indemniteit van 30% wordt een premiekorting van circa 30 tot 50% bereikt. In 2007 bedroeg voor 11 tentoonstellingen de premiekorting in totaal circa 400.000. De premie zonder korting was volgens de offertes circa 900.000. Er werd dus nog circa 500.000 aan premie betaald, een kleine 50.000 per jaar per museum.
De uitstaande indemniteit moet binnen het huidige subsidieplafond van 230 miljoen (op enig moment) blijven. Tot nog toe konden alle daartoe in aanmerking komende aanvragen binnen dit plafond worden toegekend.
De regeling wordt uitgevoerd door het Instituut Collectie Nederland (ICN). De rol van het ICN bestaat uit een toets van het belang van de tentoonstelling, de veiligheid en het vaststellen van het bedrag van de indemniteit. De verzekeraars hebben eveneens een controlerende rol (toetsen veiligheid) en wikkelen eventuele schade of verlies af. Tot nog toe hebben zich overigens geen incidenten voorgedaan.

Enkele voorbeelden van tentoonstellingen in de afgelopen jaren waarvoor indemniteit is verleend: Rembrandt& Caravaggio Rijksmuseum Amsterdam, Michelangelo Teylers Museum, Nicolaes Berchem Frans Hals Museum, Max Beckmann Van Gogh Museum, Portretten uit de Gouden Eeuw Mauritshuis, Maria Sibylla Merian&Dochters Rembrandthuis en Lucian Freud Haags Gemeentemuseum.

De indemniteitsregeling en de Europese Unie
Het onderwerp collectiemobiliteit staat, mede op initiatief van het Nederlandse voorzitterschap in 2004, hoog op de agenda van de Europese Unie. In 2004 werd een onderzoek verricht in opdracht van de Europese Commissie naar de indemniteitsregelingen in de Europese landen: 17 van de 31 landen bleken over een regeling te beschikken. De Nederlandse regeling neemt een goede positie in. Alleen de regelingen van Engeland, Zweden en Finland gaan verder, maar werken overigens wel met een eigen risico.

Het Nederlands voorzitterschap werd afgesloten met het rapport Lending to Europe, een belangwekkend en goed ontvangen document, dat als leidraad dient voor de verdere samenwerking op het gebied van de collectiemobiliteit. Eén van de aanbevelingen betrof het door meer landen invoeren van een indemniteitsregeling. In Europees verband zullen zich diverse werkgroepen en organisaties in de periode 2008-2010 inzetten voor het bereiken van deze doelstelling. Een ander voor de collectiemobiliteit belangrijk voorstel ging over het niet- verzekeren van overheidsbezit en het verlagen van de prijsstelling van kunstwerken. Naarmate dit ook daadwerkelijk gebeurt zal de verzekerde waarde van tentoonstellingen dalen, wat weer een neerwaarts effect heeft op de premies. Ook hiermee wordt via een werkgroep in EU-verband verder gegaan.

blad 3/4

In 2010 worden verdere voorstellen van de Europese Commissie verwacht. Natuurlijk zal ik dan bezien wat dat betekent voor de Nederlandse indemniteitsregeling.

Verbetering van de indemniteitsregeling 2005
In de kamermotie van 2006 (30300 VII, nr 5) werd door de Kamer opnieuw gevraagd de mogelijkheid van een indemniteitsregeling op basis van 100% indemniteit te bezien. In het afgelopen jaar ben ik met het ministerie van Financiën hierover in overleg getreden. Dit overleg heeft mij tot de conclusie gebracht dat een optimalisering van de huidige 30% regeling de beste oplossing is. De verbeterpunten zijn de volgende:

· de `staffel' verdwijnt, dat wil zeggen dat de musea in alle gevallen op een constant indemniteitspercentage van 30% kunnen rekenen (i.p.v. een dalend percentage bij een hoger verzekerde waarde). Dat betekent een premie- voordeel voor de musea, met name bij duurdere tentoonstellingen;
· gezien de keuze voor een constant 30% percentage alsmede de stijgende prijzen van kunstwerken, wordt het subsidieplafond verhoogd van 230 tot 300 miljoen;
· in unieke jaren (als bijvoorbeeld het Rembrandtjaar) kan voor dat jaar met instemming van het ministerie van Financiën het subsidieplafond éénmalig worden verhoogd;

· In 2010 zal ik naar aanleiding van de ontwikkeling op het gebied van de collectiemobiliteit in de Europese Unie bezien of er aanleiding bestaat tot aanpassing van de regeling.
De noodzakelijke juridisch -technische aanpassing van de indemniteitsregeling wordt door het departement uitgevoerd.

Toelichting keuze
Ter toelichting het volgende. Met 30% wordt het eerste risico ruimschoots weggenomen, daarvoor is een hoger percentage niet nodig. De vaste kosten voor de verzekeraars blijven in dezelfde orde van grootte. Het effect van een hoger percentage op verdere premiekorting is beperkt.

Ook de optie van een regeling met 100% indemniteit heb ik overwogen. Bij 100% neemt het risico voor de staat, met OCW als eerst verantwoordelijke financier, disproportioneel toe. Verzekerde waardes van tentoonstellingen kunnen oplopen tot boven de 1 miljard euro. Bij een gelijktijdig plaatsvinden van tentoonstellingen kan dit bedrag verder oplopen.

De premiekorting met de huidige regeling bedroeg in 2007 voor elf musea circa 400.000 op een totaalpremie van circa 900.000. Dat betekent dat de betrokken musea jaarlijks elk bijna 50.000 besteden aan premies voor tentoonstellingen. Een dergelijk bedrag weegt in de opvatting van mij en mijn collega van Financiën niet op tegen het financieel risico voor de staat bij een 100% regeling. Noch het ministerie van OCW, noch het ministerie van Financiën is bereid dit risico te nemen.

Daarnaast is er in de huidige situatie sprake van een balans tussen de rol van OCW, respectievelijk het Instituut Collectie Nederland (ICN), en de rol van de verzekeraars. De verzekeraars zorgen voor de

blad 4/4

totale dekking en herverzekering, toetsen mede de veiligheid bij de instelling en wikkelen eventuele schades of verlies af. Bij 100% indemniteit zou de rol van de verzekeraars verdwijnen . De staat (lees ICN) zou zelf extra controle- activiteiten moeten verrichten, evt. schades afwikkelen etc.

Meer uitlenen, minder kopzorgen, een OCW- beleid van niet- verzekeren Door het ministerie van OCW is in 2007 de brochure Meer uitlenen, minder kopzorgen uitgebracht en is samen met de VRM en de NMV een conferentie georganiseerd. Door afspraken tussen de bruikleengever en bruikleennemer over het niet- verzekeren kan de collectiemobiliteit worden bevorderd en de verzekeringskosten worden gedrukt. De voorwaarden zijn aanwezig dat in Nederland de musea met elkaar afspraken kunnen maken over het niet- verzekeren van bruiklenen voor tentoonstellingen. Zoals hiervoor geschetst is een dergelijke ontwikkeling ook in EU-verband gaande. De volgende instrumenten zijn beschikbaar:

· de Kaderovereenkomst Bruikleenverkeer uit 1989 tussen de Staat en de gemeenten Rotterdam Amsterdam, den Haag en Gouda, waarin uitgangspunten zijn neergelegd over de risicoverdeling bij onderling bruikleenverkeer. Daarmee is het niet- verzekeren van het risico een reële optie geworden;

· de Beheersovereenkomst uit 1993 tussen de Staat en de verzelfstandigde rijksmusea. Volgens deze overeenkomst kunnen de rijksmusea met een overheid en museum een afspraak maken over het niet- verzekeren, waarbij de formule van de Kaderovereenkomst wordt gehanteerd. Dat betreft dus in beginsel álle musea, gemeenten en provincies;
· het OCW-beleid geeft de eigen rijksdiensten (het ICN, RACM en NA) de ruimte om bij het bruikleenverkeer eveneens de risicoverdeling van de Kaderovereenkomst te hanteren;
· volmacht voor langdurig bruikleen: eind 2007 is door OCW met het ministerie van Financiën de afspraak gemaakt dat de verzelfstandigde rijksmusea gemachtigd kunnen worden namens de Staat langdurige bruiklenen van 5 jaar en meer te aanvaarden, waarbij de Staat garant staat voor schade of verlies. Dergelijke bruiklenen worden dus gelijk behandeld als het rijksbezit dat niet verzekerd behoeft te worden. Dat kan de musea enkele tienduizenden euro's schelen.

Een afschrift van deze brief heb ik aan de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea, het Miniconvent van de Kunstmusea en de Nederlandse Museumvereniging doen toekomen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

dr. Ronald H.A. Plasterk